- Programma
- #1005: Vjetrenica grot
- Bari
- Lecce
- Maglie en Otranto
- Taranto
- Rossano
- Napels
- Herculaneum
- Montecassino
- #1006: Domus de Janas
- Praktische info
Programma
Deze reis heeft de “Voet van Italië” als belangrijkste focus, een regio waar ik nog niet eerder ben geweest. Dit combineer ik met herbezoeken aan Napels en Pompeï/Herculaneum, interessante steden als Bari en Lecce, en twee ‘nieuwe’ wereldererfgoederen aan het begin en het eind.
Het programma is:
| Datum | Doen | Plaats |
| 7-apr | Amsterdam – Dubrovnik KLM 10:15 – 12:35. Auto ophalen en bezoek Vjetrenica grot (WE1). | Dubrovnik |
| 8-apr | Veerboot Dubrovik – Bari | Bari |
| 9-apr | Dag in Bari | Bari |
| 10-apr | Trein naar Lecce. Bezoek aan Lecce. | Lecce |
| 11-apr | Dagtocht naar Otranto per trein. | Lecce |
| 12-apr | Trein naar Taranto. Bezoek archeologisch museum. | Taranto |
| 13-apr | Trein naar Rossano. | Rossano |
| 14-apr | Bezoek oude Byzantijnse kerk en bovenstad van Rossano. | Rossano |
| 15-apr | Bus en trein naar Napels. | Napels |
| 16-apr | Herbezoek Napels. | Napels |
| 17-apr | Herbezoek Pompei-regio, met Herculaneum. | Napels |
| 18-apr | Trein richting Rome via Montecassino klooster. Naar haven Civitavechhia. Nachtveerboot naar Olbia. | Ferry |
| 19-apr | Dag autohuur en Domus de Janas (WE2). | Olbia |
| 20-apr | Ochtendvlucht naar huis met Transavia. | Thuis |
#1005: Vjetrenica grot
Wat is het?
De Vjetrenica-grot in Ravno is een van de meest biodiverse grotten ter wereld. Hij herbergt meer dan 200 diersoorten (waarvan 37 endemisch). De grot is de grootste van Bosnië en Herzegovina, met 7,6 km aan gangen. Ze maakt deel uit van het Dinarische Alpengebergte.
Cijfer: 5,5 (Lastig te beoordelen. Er zit een sympathieke kant aan, omdat het zo goed georganiseerd is en het onderwerp van grotbewonende fauna fascinerend is. Aan de andere kant leer je tijdens een bezoek maar weinig over deze beestjes.)
Toegang: De entree kost 25 Bosnische Mark (13 EUR). Je kunt betalen per kaart of cash, zowel in EUR als Mark.
Hoeveel tijd: 45 minuten. De duur van de tour.
Opvallend: Ik bezocht de Vjetrenica-grot als een korte opmaat voor mijn twee weken durende reis naar de Voet van Italië. Direct na mijn ochtendvlucht van Amsterdam naar Dubrovnik had ik tijd ingepland om nog even een uitstapje naar Herzegovina maken. Voor deze omweg van anderhalf uur heb je een huurauto nodig en betaal je een flinke toeslag (50 euro!) om de auto de grens over te mogen nemen (er zijn lokale autoverhuurbedrijven die adverteren met het kwijtschelden van deze toeslag, maar ik vermoed dat ze andere manieren vinden om je extra geld af te troeven).
De rit is slechts 83 km en rechttoe rechtaan. Je volgt de hoofdweg nummer 8 richting Split, en, als een soort grensoverschrijdende toerismepromotie, staat er al een bord dat naar de Vjetrenica-grot wijst. Daar verlaat je de hoofdweg en wat volgt is een kronkelende rit van 30 km over smalle weggetjes door niemandsland. Dit gebied was het toneel van hevige gevechten tijdens het begin van de Kroatische Onafhankelijkheidsoorlog (1991), en rond de grot raakten toeristische voorzieningen beschadigd en lagen de toegangspaden bezaaid met mijnen. Midden in de woestijn, in een dunbevolkt gebied, ligt nu de grenspost Čepikuće. Het wordt gezamenlijk bemand door Bosniërs en Kroaten, dus je hoeft slechts één keer je paspoort te laten zien.
Het zijn de Dinarische Alpen die Kroatië van Bosnië en Herzegovina scheiden en die ook de grot hebben doen ontstaan. De ontvangst is voorbeeldig voor een plek die zo afgelegen is. Er zijn elk uur rondleidingen in het Engels, waarbij de eerste en laatste vertrekken afhankelijk zijn van het seizoen. Op de doordeweekse dag dat ik er in april was, werd ik vergezeld door vier fietsers tijdens de rondleiding van 15.00 uur. Er waren de hele dag al kleine groepen bezoekers langs geweest. Je krijgt een helm om te dragen tijdens de rondleiding, maar de paden zijn breed, goed geplaveid en de plafonds zijn over het algemeen niet erg laag.
De Vjetrenica-grot is een Werelderfgoed omdat het een van de rijkste grotfauna’s ter wereld herbergt, zowel dieren die in het water als op het land leven. Helaas is de reguliere rondleiding meer een algemene kennismaking dan een rondleiding gericht op de fauna. De gids legde wel uit waarom de grot op de Werelderfgoedlijst staat, maar je zult geen van de speciale diersoorten zien. Ze geven de voorkeur aan het donker en houden ook niet van de trillingen van menselijke voetstappen.
Tijdens de rondleiding zie je wel twee nagemaakte exemplaren van twee diersoorten waarvan fossiele resten in de grot zijn gevonden: de holenbeer en de Europese luipaard. Hoewel de holenbeer de grot mogelijk vaker bezocht, wordt aangenomen dat de luipaard er slechts per ongeluk in terecht is gekomen. Een ander opvallend kenmerk ondergronds is de hoeveelheid water die zich verzamelt in poelen en op de rotswanden. Het water is zeer helder en vormt perfecte spiegels.
Bari
Ik arriveerde in stijl in de havenstad Bari: via zee! Ik nam de ferry vanuit Dubrovnik, die er bijna 8 uur over doet om de Adriatische Zee recht over te steken. Desondanks was het een heerlijk ontspannen vaart zo in het voorseizoen. Er waren slechts zo’n 50 passagiers aan boord van het grote, moderne schip.
Je weet wel meteen dat je in Italië bent: Bari is luid, vol met eettentjes en smalle straatjes waar ze de was buiten hebben hangen. In de avond eet ik verse vis op één van de vele drukke terrassen. In de vroege ochtend gniffelde ik vanuit mijn B&B in de oude stad om de typische straatgeluiden, alsof de mensen hier alleen ruziënd en met veel misbaar kunnen praten.
Overdag ga ik te voet de bezienswaardigheden af. Ik begin bij het Castello Svevo. De entreeprijs is een forse 10 EUR, maar dat is het ook wel waard. Het is veel meer dan “alleen” een kasteel. De kamers zijn gevuld met expositieruimtes in moderne stijl. Het hoogtepunt is de Gipsotheek: een grote verzameling sculpturen uit 1911, die zijn nagemaakt van middeleeuwse beelden uit de regio.
Door de straten van de oude stad loop ik naar de Sint-Sabinus-kathedraal. Dit is een van de mooiste voorbeelden van Romaanse kathedralen van de regio Puglia. Ook hier moet je entree betalen, 9 EUR. Daarvoor krijg je wel een boekje met uitleg over de meerdere lagen die hier te zien zijn. Het gebouw is strak opgetrokken uit witte kalksteen. Ook binnen zet die strakke lijn zich voort.
In de crypte worden de resten van de heilige Sabinus bewaard. Geheel in tegenstelling met de kerk is dit deel in een ‘schreeuwerige’ barokstijl uitgevoerd.
Vanaf hier kun je nog een laag dieper, naar misschien wel het interessantste deel van de kathedraal. Het toont de resten van een 6de-eeuwse Byzantijnse basiliek. Inclusief een groots mozaïek en fresco’s.
Het is inmiddels 11 uur geweest en het wordt drukker en drukker in de nauwe straatjes. Busladingen toeristen zijn gearriveerd, misschien van een cruiseschip?
De Sint-Nicolaasbasiliek staat ook op hun programma. Dit is de rivaal van de kathedraal, speciaal gebouwd in de 11de eeuw om de resten van Sint-Nicolaas uit Myra (Sinterklaas!) in te bewaren. Zijn komst zou veel internationale pelgrims trekken, vandaar dat het een eigen basiliek kreeg, ook in Romaanse stijl.
Het is wat minder verfijnd dan de kathedraal (het plafond is wel heel erg barok), de trekpleister in de basiliek zelf is het ciborium. Dit is een rijk versierde baldakijn om het altaar heen.
In de crypte onder de kerk liggen de resten van Sint Nicolaas. Tijdens mijn bezoek is er een orthodoxe kerkdienst aan de gang, het bewijs dat het nog steeds veel katholieke én orthodoxe pelgrims trekt.
Het hart van de stad wordt gevormd door de twee geconnecteerde pleinen Piazza Mercantile en Piazza del Ferrarese. Het zijn niet de mooiste pleinen van Italië. Wel is er een interessante schandpaal te zien, waar schuldenaars ooit publiekelijk aan werden vastgeknoopt.
Voor de lunch probeer ik het favoriete streetfood van Bari: de panzerotti. Het is een deegflap, klassiek gevuld met tomaten en mozzarella. Het wordt ook wel omschreven als een soort mini-pizza-calzone. Voor 2 EUR heb je in ieder geval iets stevigs in je maag.
Via de top van de stadsmuren wandel ik verder langs de waterkant en richting de haven waar ik gisteren aan kwam. De vesting is niet heel spectaculair, maar het is een fijne en populaire plek om je benen te strekken.
De route eindigt bij het archeologische museum van Santa Scolastica. Dit voormalige nonnenklooster is omgevormd tot een museum met de focus op de pre-Romeinse geschiedenis van de regio. Hier zie ik ook de eerste Griekse/hellenistische voorwerpen van deze trip; de regio heeft lang bestaan uit Griekse koloniën. Ook dit museum is modern van opzet en keurig verzorgd, maar dat in het kasteel sprak me toch meer aan.
Op de terugweg spendeer ik nog een tijd op een zonnig bankje aan zee. Bari is niet onmisbaar, maar ik vond het wel een prettige stad in het algemeen.
Lecce
De stad Lecce staat bekend om zijn barokke bouwstijl. Er zijn vier belangrijke barokke monumenten in het oude centrum van Lecce. Deze zijn alle vier de moeite waard om zowel van binnen als van buiten te bekijken.
Ze zijn toegankelijk met een combiticket (11 EUR) en hebben ruime openingstijden (9-19 uur gedurende het grootste deel van het jaar):
Basilica di Santa Croce: het meest extreme voorbeeld van de Leccese barok, met name de gevel is rijkelijk versierd met houtsnijwerk. Binnen mag je het altaar van Giuseppe Zimbalo (de belangrijkste architect en beeldhouwer van deze stijl) niet missen.
Chiesa di San Matteo: het meest in het oog springende hier het ‘donkere’ hoogaltaar met dramatische taferelen.
De Sint-Chiarakerk: een achthoekige kerk in Romeinse stijl, maar de vele altaren zijn zeer barok. Ook is er een vals houten plafond (gemaakt van papier-maché).
De Duomo: de indeling voelt wat vreemd aan, maar ook deze kerk heeft een prachtige barokke zijgevel en veel polychroom marmer binnenin.
De rest van het historische centrum is ook aantrekkelijk. Het stadsbeeld voelt zeer samenhangend aan door het consistente gebruik van de honingkleurige lokale kalksteen als bouwmateriaal. Andere barokke hoogtepunten zijn het Palazzo della Provincia en de Basilica San Giovanni Batista al Rosario (momenteel gesloten voor renovatie). Niet alles is echter barok: er zijn ook veel neoklassieke gebouwen en meer eclectische gebouwen. Onder deze gebouwen viel de Porta Napoli (een pastiche van een triomfboog) mij het meest op.
Ik had van tevoren een route uitgestippeld voor een wandeltocht langs de meest opvallende monumenten, maar dat werkte hier niet zo goed. Het is beter om gewoon rond te dwalen en een zijstraat in te slaan als je iets ziet wat je aanspreekt.
Je moet hier zeker een nacht (of twee) blijven, want het is een zeer sfeervolle en elegante plek om te verblijven. Lecce voelt aan als een stad in Midden-Zuid-Spanje, zoals Salamanca. Het werd in de 16e en 17e eeuw geregeerd door de Spaanse Habsburgers, een bepalende periode voor het stadsbeeld. De uitbundige barok (bloemen! slingers! fruit! putti!) die in de zachte steen is gehouwen, grenst aan de Platereske en Churriguereske stijl. De inwoners houden ook van die ultralange siësta’s (tussen 12 en 17 uur zie je alleen toeristen op straat) en dineren tot laat in de avond.
Maglie en Otranto
Vanuit Lecce maak ik een dagtocht naar Otranto per trein. Dit moet met een overstap in Maglie, vanwaar een bus je de laatste kilometers naar Otranto brengt omdat daar het station gerenoveerd wordt. Zo spendeer ik ook nog wat tijd in Maglie zelf, een plaats waar ook een paar barokke monumenten te vinden moeten zijn.
Het blijkt een danig verarmd stadje. En de hoogtepunten zoals de grote klokketoren staan momenteel helemaal in de steigers, zijn zelfs ingepakt in doek zodat je er weinig van kunt zien.
Snel maar verder dan naar Otranto, één van de meer dan 300 I Borghi più belli d’Italia (Mooiste dorpen van Italië). Het is een erg toeristisch kuststadje, niet erg spectaculair, op één gebouw na: de kathedraal. Deze heeft een paar bijzondere kenmerken:
- De gevel: hoewel de hoofdstructuur van het gebouw middeleeuws en vrij sober is, werd het voorportaal in 1674 gerenoveerd. Dit was in de bloeiperiode van de Leccese barok en het resultaat is een zeer elegant voorbeeld van deze regionale stijl.
- Het mozaïek: de vloer van de kathedraal is volledig bedekt met een enorm mozaïek, gemaakt door een monnik tussen 1163 en 1165. Het beeldt de Levensboom uit, met vele dieren, scènes uit het Oude Testament en de Griekse mythologie.
- Het heiligdom van de beenderen: in de uiterste rechterhoek van de kathedraal bevindt zich een kapel gewijd aan de 800 martelaren van Otranto. Dit waren lokale burgers die werden gedood toen de Ottomanen de stad in 1480 veroverden, omdat ze zich niet tot de islam wilden bekeren. Hun botten en schedels worden bewaard in de muren van dit heiligdom.
Ik eet er nog een visje, loop langs het kasteel, de oude stadspoort en het Byzantijnse kerkje van San Pietro. Als je in de buurt bent is een kort bezoek aan Otranto de moeite waard, maar ik zou er niet erg ver voor omrijden.
Taranto
Ik had Taranto uitgekozen als overnachtingsplaats op mijn route door het zuiden omdat het goede treinverbindingen heeft en een archeologisch museum dat zeer goed bekend staat. De eerste kennismaking valt niet echt mee: waar Bari en Lecce nog een welvarende indruk maken, is Taranto meer het Zuid-Italië dat je je voorstelt: vervallen gebouwen, nauwe straatjes.
Ik overnacht in het betere deel van de stad, dat je bereikt vanaf het station na twee bruggen over te steken. Vanaf mijn kamer had ik een mooi uitzicht op het oude fort.
Het Archeologisch Museum van Taranto zit maar een paar straten verderop van mijn hotel. Het heeft een grootse naam, maar er is bijna niemand als ik het aan het eind van de zondagmiddag bezoek. Nadat ik al eerder musea van de streek in Bari bezocht, komt het me allemaal wel bekend voor. Veel grote gedecoreerde vazen in Griekse stijl, enkele mozaïeken en gouden sieraden.
De volgende ochtend heb ik nog een paar uur voordat mijn trein vertrekt. Ik dwaal door de straten van het centrum, en werk een lijstje met potentiële bezienswaardigheden af. De vesting is alleen op afspraak te bezoeken, dus ik laat het bij een paar foto’s van buitenaf.
Er staan twee dorische Griekse zuilen overeind van de tempel van Poseidon. Het is de oudst overgebleven tempel uit de periode van Magna Graecia, toen Zuid-Italië onder Griekse invloed stond.
De rest van het centrum heeft de nauwe, donkere binnenstraten die ik me ook van Napels herinner. Ik ga nog binnen bij de kathedraal: zijn ontwerp is typisch voor de regio met z’n vele polychrome marmer, maar toch wel een bezoek waard.
Rossano
Het Oratorium van San Marco in Rossano, Calabrië, maakt deel uit van een mogelijk toekomstig werelderfgoed dat wordt gepresenteerd als een Italiaans-Griekse fusie. Ze vertegenwoordigen de Grieks-Byzantijnse cultuur in Calabrië, gebouwd tijdens een “tweede fase van hellenisering” tussen de 8e en 11e eeuw. Het gebied was eerder ook een strategische Griekse buitenpost tijdens de periode van Magna Graecia (8e-5e eeuw v.Chr.).
Calabrië stond al langer op mijn lijstje voor deze reis door Zuid-Italië, maar het bleek lastig te bereiken en de afstanden zijn veel groter dan je zou verwachten. Gelukkig ontdekte ik het stadje Rossano aan de oostkust. Ik verbleef in Rossano Scalo, vanwaar je via Sibari met de bus verbinding hebt met het Trenitalia-netwerk. Je moet dan een lokale bus nemen, 5 km bergopwaarts naar Rossano Centro, om aan te komen in wat hyperbolisch bekend staat als de “Ravenna van het Zuiden”.
Aan de rand van de oude stad ligt het Oratorium van San Marco. Het is een piepklein kerkje. Komend vanuit het centrum zie je het aan de ‘lelijke’ kant. De deur stond open, ik heb even rondgekeken, maar het interieur staat vooral bekend om zijn “sobere en waardige eenvoud”. Om te begrijpen waarom dit zo’n hoog aangeschreven monument is, moet je naar beneden lopen en het vanaf de valleikant bekijken – je ziet dan drie perfect identieke halfronde apsissen (plus wat onfortuinlijk geplaatste elektrische bedrading). De kerk dateert uit de 10e eeuw en is gebouwd bovenop een grot waar oosterse kluizenaars zich hadden gevestigd die waren gevlucht voor Arabische en Perzische invasies in hun thuisland.
Als je in Rossano bent, mag je zeker de andere belangrijkste bezienswaardigheid niet missen: de Purperen Codex. Dit evangelieboek uit de 6e eeuw, met miniatuurschilderingen op paars geverfd perkament, maakt deel uit van het UNESCO Memory of the World Register. Het is te zien in het diocesale museum. Je krijgt eerst een video te zien over de betekenis ervan, waarna je het boek zelf kunt bekijken (achter een glazen vitrine). De zichtbare pagina’s worden elke drie maanden omgeslagen. Momenteel worden de volgende pagina’s getoond: die met het Laatste Avondmaal, dat wellicht de oudste bewaard gebleven afbeelding van het Laatste Avondmaal in een manuscript is en dus verschilt van die van Leonardo da Vinci, en die met de Parabel van de Tien Maagden.
Niet ver van Rossano ligt de Santa Maria del Pathirion, een ander Byzantijns relikwie. Ik wilde het graag bezoeken, maar het lukte me niet om een taxi te vinden (misschien had ik er beter aan gedaan er eentje van tevoren te reserveren via mijn accommodatie). Maar ik had in ieder geval geen zin in een wandeling van 13 km bergopwaarts!
Napels
Ik was al eens eerder in Napels: volgens de datering van mijn foto’s was dat in oktober 2002. Toen was het er koud, somber en regenachtig, maar ik vond het toch een fascinerende stad.
Dit keer verblijf ik in de buurt van het centraal station, en doe een rondwandeling zolang mijn benen het dragen het centrum in. Lopen is hier vrij vermoeiend, omdat veel straten heuvelop lopen en met keien zijn bestraat.
Wat meteen al opvalt, is dat het hier zoveel toeristischer is dan ik de afgelopen week in Zuid-Italië heb meegemaakt. Heel veel buitenlandse toeristen, veel jongeren ook. Ik heb nergens voor gereserveerd, wil eigenlijk gewoon de sfeer opsnuiven. Het Museo Cappella Sansevero (bekend om zijn gesluierde baroksculpturen) kom ik in ieder geval niet in zonder kaartje vooraf. Ik ga wel wat andere kerken binnen en de 19de-eeuwse winkelgalerij Umberto I. Ik geniet zelfs van wat kenmerkende fascistische architectuur uit de jaren ’30.
Ook vandaag regent het een beetje, en als het wat harder gaat, ga ik schuilen in het Castel Nuovo. Ondanks dat ze aan het verbouwen zijn, kun je enkele zalen bezoeken. Het mooiste is misschien wel het uitzicht vanaf het balkon op de bovenste verdieping op de haven en de Vesuvius.
Voor het eerst bezoek ik ook het grote plein (Piazza del Plebiscito), met aan de ene kant het Koninklijk Paleis en aan de overkant de Basiliek. Beiden zijn reuzegrote gebouwen, met een beetje stilte ertussenin omdat er geen gemotoriseerd verkeer is toegestaan.
Herculaneum
Herculaneum is het “andere” slachtoffer van de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79. Het werd niet bedekt met vulkanische as zoals Pompeii, maar bedolven onder een dikke laag vulkanische modder. Dit heeft geleid tot opmerkelijke verschillen in wat bewaard is gebleven. Bovendien was Herculaneum in zijn tijd een heel ander soort stad: een kleinere badplaats, populair bij rijke Romeinen.
De oude stad ligt in een kom binnen de moderne stad Ercolano. Het uitzicht erop is al prachtig en de volledigheid van het stratennetwerk en de rijen gebouwen is opmerkelijk (hoewel de meeste daken verdwenen zijn). De afgelopen jaren is er gewerkt aan de restauratie en heropening van de kustlijn: hoewel de zee nu wat verder weg ligt, kan de voormalige kust met zijn boothuizen nu worden verkend, inclusief de skeletresten van degenen die niet konden vluchten. Een verkoolde boot is te zien in een apart gebouw vlakbij de ingang. Het was mogelijk een militair schip dat eropuit gestuurd was om de inwoners te redden.
Als je door de straten van de stad dwaalt, krijg je vaak het gevoel dat het een opgegraven winkelcentrum uit de Oudheid is. De straten waren letterlijk vol met winkels en tavernes, en de potten en schappen staan er nog steeds.
Een van de meest opvallende kenmerken van Herculaneum zijn de prachtige muurmozaïeken. De mooiste bevinden zich in het Huis van Neptunus en Amphitrite, waar het volledig intacte hoofdmozaïek Neptunus met de zeegodin Amphitrite afbeeldt. In het Huis van het Skelet bevindt zich een klein heiligdom met ingewikkelde mozaïekversieringen.
Een andere bijzonderheid van Herculaneum is het behoud van gebouwen met meerdere verdiepingen. Het Samnitische Huis is daar een goed voorbeeld van. Zelfs het dak is nog intact, met een versierd atrium. Daken en andere structurele onderdelen van het interieur waren deels van hout gemaakt, en deze houten balken zijn vaak in verkoolde vorm bewaard gebleven.
Andere interessante gebouwen zijn de Vrouwenbaden (inclusief vloermozaïeken), het Collège des Augustales (verfijnde muurschilderingen), het Casa del Bel Cortile, het Casa del Colonnato Tuscanico en het Casa del Rilievo di Telefo (rode zuilen).
Een bezoek aan Herculaneum is een waardevolle aanvulling op een bezoek aan Pompeii, maar ik zou Pompeii er niet voor overslaan, omdat ik de ruïnes daar over het algemeen indrukwekkender vond. Je kunt de site vanuit Napels per trein bereiken door naar station Ercolano (Scavi) te reizen. Het is het beste om van tevoren een toegangskaartje te reserveren via de officiële website, hoewel er tijdens mijn bezoek in april nog wel kaartjes beschikbaar waren.
Twee uur is voldoende om alles rustig te bekijken. Informatie ter plaatse is schaars – het is dus het beste om aantekeningen of een reisgids mee te nemen, of extra te betalen voor een audiogids.
Montecassino
Montecassino is hét toonbeeld van een vroegmiddeleeuwse Benedictijnse nederzetting: het werd in 529 gesticht door Sint Benedictus zelf en hij ligt er begraven. Hoewel ik zelf atheïst ben, ken ik deze heilige wel, omdat ik in de jaren negentig een essay schreef over zijn “Regel van Benedictus” voor een cursus Middeleeuwse Geschiedenis. De Regel van Benedictus beschrijft hoe je een gemeenschapsleven kunt leiden dat gericht is op spirituele groei, met de nadruk op werk (op het land of als kopiisten van teksten) en matigheid. Het werd een voorbeeld voor het Europese christelijke kloosterleven.
Het kloostercomplex van Montecassino is gemakkelijk bereikbaar, aangezien het naburige stadje Cassino aan de hoofdspoorlijn Napels-Rome ligt. Het enige probleem is de klim naar boven, 6 km naar de top van een rotsachtige heuvel. Er rijden bussen vanaf het treinstation, maar slechts drie keer per dag, dus ik nam een taxi naar boven (25 euro) en liep terug naar beneden. Ik kwam wel veel fietsers en wandelaars/hardlopers tegen die de steile heuvel op gingen via de vele haarspeldbochten.
De meeste mensen komen met touringcars: het klooster trekt zowel vrome katholieken (Italianen, Polen) als liefhebbers van de Tweede Wereldoorlog (Polen, Amerikanen) aan. De Tweede Wereldoorlog had een grote impact op het klooster en de omgeving: hier trokken de Duitsers de Gustav-linie, die verdedigd werd om te voorkomen dat geallieerde troepen naar het noorden oprukten, en de basiliek werd door Amerikaanse troepen tot puin gebombardeerd (met 230 burgerdoden tot gevolg).
Na de oorlog werd het klooster snel in zijn oude glorie hersteld en in 1964 heropend. Het klooster is erg groot; het deed me denken aan een Spaans renaissancepaleis, met veel kloostergangen, fonteinen en romaanse gevels. De toegang is gratis en er is weinig uitleg ter plaatse.
De basiliek is het hoofdgebouw en de eenvoudige romaanse gevel bereidt je niet voor op wat je binnen aantreft. Het interieur van de kerk is een soort weelderige barok, opgebouwd uit polychroom marmer en goud, die bekend staat als Napolitaanse barok (als je vanuit het zuiden naar Cassino bent gereisd, zul je er al genoeg van hebben). Als je afdaalt naar de crypte, is er een plotselinge stijlverandering: dit ziet er Byzantijns uit! Het blijkt Byzantijnse revival te zijn, gecreëerd door de Beuron School of Art, een groep Duitse benedictijnse monniken-kunstenaars die de crypte tussen 1899 en 1913 opnieuw hebben ingericht.
De abdij herbergt ook de overblijfselen van Sint Benedictus en zijn zus Sint Scholastica, samen in één graf, één urn onder het altaar. Als een waar wonder werd het graf beschermd door het massieve marmeren hoogaltaar tijdens het bombardement van 1944, waardoor hun overblijfselen bewaard zijn gebleven.
Het is nu eerst en vooral een rooms-katholieke bedevaartplaats. Van universele waarde is ook de bibliotheek, die niet alleen de oudste bewaard gebleven documenten van de Regel van Benedictus bevat, maar ook belangrijk is voor vroege geschriften in de Italiaanse taal en de middeleeuwse geschiedenis in het algemeen. Deze collectie heeft de Tweede Wereldoorlog overleefd, aangezien 95% van de boeken door Duitse officieren werd geëvacueerd en is teruggebracht. De bibliotheek is niet toegankelijk voor het grote publiek, hoewel enkele manuscripten te zien zijn in het museum op de locatie.
#1006: Domus de Janas
Wat is het?
De Domus de Janas zijn een reeks prehistorische begraafplaatsen op Sardinië. Ze werden voornamelijk gebouwd tussen 3400 en 2700 v.Chr., en sommige zijn versierd met schijndeuren, spiraalmotieven of tekeningen van stierenhoorns.
Cijfer: 3 (De fotogalerij op de UNESCO-website ziet er prachtig uit, maar als gewone bezoeker kom je niet zo ver. Sommige graven bevinden zich op privégrond zonder reguliere toegang. Andere delen worden gewoonweg verwaarloosd, zoals Mesu ‘e Montes. Het is geen vergelijk met veel monumentaler sites zoals het Hypogeum van Hal Saflieni in Malta.)
Toegang: De meeste componenten zijn onbewaakt en vragen dus geen entree (voor sommige is wel toestemming nodig van de lokale boer om hun land te betreden!). Bij Anghelu Ruju betaalde ik 7 EUR.
Hoeveel tijd: Vanwege de afgelegen ligging van vele componenten kost het je zo een volle dag.
Opvallend: Dit is een heel rommelig werelderfgoed, dat een gelimiteerde versie van een voorstel dat oorspronkelijk allerlei prehistorische vindplaatsen op Sardinië omvatte. De resterende graven liggen ook nog eens heel verspreid. Omdat ik in Olbia verbleef, moest ik me beperken tot de vindplaatsen in Noord-Sardinië. Nadat ik de vindplaatsen had geselecteerd die me het meest aanspraken (en die toegankelijk leken voor toeristen), bleef er een route van meer dan 400 km over. Dat leek me nogal veel om in één dag af te leggen over B-wegen en zou me een hoge benzinerekening opleveren, dus heb ik de route verder ingekort.
Uiteindelijk ben ik gewoon rechtstreeks naar Anghelu Ruju gegaan. Dit is nummer 1 op de officiële lijst van bezienswaardigheden. Het is het meest toegankelijk, omdat het op ongeveer 5 km van de luchthaven van Alghero ligt en volledig open is voor toeristen. Je moet 7 euro entree betalen en er is een souvenir-/boekwinkel. Wat je te wachten staat, is een veld dat eruitziet als een voetbalveld, alleen is er flink in de grond gegraven. Alle domus hier zijn hypogea, ondergrondse grafkamers. Bij elke kamer staat een informatiepaneel met een beschrijving van de indeling en bezienswaardigheden.
In eerste instantie liep ik gewoon bovengronds, maar je moet je echt de graven in laten zakken om de sfeer te proeven en de decoraties te bekijken. Bijna alle hypogea zijn toegankelijk en een paar aanwezige kinderen klommen heel behendig door de smalle gangen. Ikzelf geraakte meestal alleen tot aan de “voordeuren”. Bij de graven van Anghelu Ruju kun je enkele primitieve inscripties zien van stierenkoppen en spiraalvormige patronen. De informatiepanelen komen hier goed van pas om precies aan te geven waar ze zich bevinden.
Voor mijn tweede bezoek aan Domus de Janas had ik mijn oog laten vallen op de necropolis van Mesu ‘e Montes. Deze werd in Google Reviews beschreven als “Een prachtig hypogeum met ongeveer twintig graven van aanzienlijke historische waarde. Talrijke inscripties en diverse rood-okerverfschilderingen sieren deze fantastische domus de janas”. Ik had Google Maps aangezet om me erheen te leiden, maar dat liep volledig mis. Misschien raakte het in de war door de actieve steengroeven in de omgeving, maar het leidde me naar een onverhard, steil pad bergopwaarts met gaten in de weg, waar ik met mijn huurauto liever niet overheen zou rijden. Ik besloot het over te slaan en terug te gaan naar Olbia, maar binnen 5 km op de hoofdweg zag ik een bord dat naar Mesu’e Montes wees!
Een smalle, geasfalteerde weg bracht me naar een kleine parkeerplaats, waar al een andere auto geparkeerd stond. Er was geen bordje met hoe het nu verder moest – ik vroeg het Italiaanse stel dat er al was, maar zij hadden ook geen idee. Uiteindelijk keek ik terug in mijn aantekeningen, waar een aanwijzing stond: “gemakkelijk bereikbaar via twee paden die beginnen bij de grote eik op de parkeerplaats”. Het pad staat ook aangegeven op de doorgaans betrouwbare website Maps.me. Het begint inderdaad rechts van de grote eik; er is een duidelijk pad, hoewel het op sommige plaatsen wat overgroeid is.
Na ongeveer 15 minuten bereikte ik de rotswand met grotten, die ook van onderaf te zien zijn. Deze kalkstenen rotswand herbergt meer dan tien grafkamers. Hier hebben de prehistorische Sardiniërs vergelijkbare “kamers” uitgehouwen als die in Anghelu Ruju, alleen dan horizontaal. Waar de door mensen gemaakte trappen voor elke grafkamer je in Anghelu Ruju naar beneden leiden, leiden ze je in Mesu ‘e Montes naar boven. Deze grotten zijn ruim en je kunt er gemakkelijk rechtop staan.
Geen uitleg hier, alleen een Romeins cijfer dat ze van elkaar onderscheidt. Sommige grotten zouden ook gravures bevatten. Archeologen hebben stickers op de muren geplakt, vermoedelijk om interessante punten aan te duiden, maar ik kon er geen touw aan vastknopen. Toen ik later de beschrijving in het nominatiedossier er weer bij pakte, ontdekte ik dat grot II zogenaamd de mooiste is, maar zowel ik als het Italiaanse stel (dat via een andere route de top had bereikt) zijn die grot niet binnengegaan. Van buitenaf lijken ze allemaal op elkaar.
Praktische info
Vervoer
Ik maakte twee handige veerbootovertochten:
Van Dubrovnik naar Bari met Jadrolinija: een prachtig nieuw schip, enorm groot. In april waren er nauwelijks passagiers, dus een heerlijke, rustige cruise (8 uur, 58 euro). In het hoogseizoen raad ik aan om een eersteklasstoel te boeken (vergelijkbaar met businessclass in een vliegtuig). In het laagseizoen is er genoeg plek.
Van Civitavecchia naar Olbia met Tirrenia: een klassieke mediterrane veerboot. Ik had een nette hut waar ik de hele overtocht (22.30-6.30 uur) heerlijk heb geslapen. 98 euro voor de transfer en een hut voor 1 persoon.

Het vervoer over land deed ik met de trein. Trenitalia wordt momenteel beschouwd als de best presterende spoorwegmaatschappij van West-Europa, en ik heb er inderdaad niets negatiefs over te zeggen. De meeste treinstellen waren nieuw, schoon en modern. Hun app is erg gebruiksvriendelijk, waardoor je met een paar klikken reizen kunt boeken of wijzigen. In het uiterste zuiden (Otranto, Rossano) worden treinen soms vervangen door bussen, en die vond ik ook betrouwbaar. De kosten zijn ook laag, zolang je geen gebruik maakt van de hogesnelheidstreinen.

Overnachtingen
City Hotel, Dubrovnik: Modern hotel dicht bij de ferryterminal. 72 EUR zonder ontbijt.

B&B Gallina 18, Bari: Kamer op de benedenverdieping van het woonhuis, middenin de oude wijk. Zeer vriendelijke eigenaresse. 72 EUR zonder ontbijt.

B&B Centro Storico, Lecce: saai gebouw in de oude binnenstad, kleine kamer met krappe douche. Fijn bed. 62 EUR zonder ontbijt.

Hotel Europa, Taranto: klassiek hotel in goede buurt, kamer met zicht over de baai. Niet zo goed bed. Ruim ontbijtbuffet. 105 EUR met ontbijt.

Morelli B&B, Taranto: Kamer in appartementencomplex aan de hoofdstraat. Ruimste badkamer tot nu toe. 62 EUR met ontbijt in het café aan de overkant.

Alleria Rooms, Napels: Kamer in appartementencomplex vlakbij het station. Netjes en vriendelijk. Bed lag niet zo lekker. 109 EUR met ontbijt.

Hut op veerboot naar Olbia: Eenvoudig maar netjes. Eigen badkamer. Ca. 60 EUR.

Kore Homes, Olbia: Huis in woonwijk waar ze meerdere kamers verhuren. Erg netjes, goed bed. Parkeren voor de deur en op loopafstand van het centrum. 70 EUR met ontbijt.

Eten
Hoewel ik in een flink aantal Bed & Breakfasts overnachtte, moest ik vaak zelf mijn ontbijt regelen. De standaard is dan een cappuccino en een cornetto.

Voor de hoofdmaaltijd wisselde ik een beetje af tussen de (goedkope) pizza en de veel duurdere regiogerechten, vaak met vis.

Kosten
Hoewel het zuiden over het algemeen het armere deel van Italië is, waren de kosten hoger dan ik had verwacht. Een aantal factoren speelt een rol, zoals dat Bari en Lecce erg populair zijn bij cruisepassagiers en mensen uit het hogere segment. Bovendien is het eten er vaak gebaseerd op vis en daardoor duurder. Ja, je kunt er nog steeds pizza’s en pasta’s vinden voor 6-8 euro, maar je wilt dat natuurlijk niet elke dag, twee keer per dag, eten.
Bijna elke stad heft een toeristenbelasting, die per persoon en per nacht via je accommodatie wordt geïnd. Dat voegde ongeveer 3 euro per dag toe aan mijn hotelkosten.
De kosten, gedeeld door 13 dagen en exclusief internationale vluchten, waren als volgt verdeeld:
| Land | Per dag | Hotels | Eten | Vervoer | Overig |
| Italië | 182 EUR | 85 EUR | 31 EUR | 58 EUR | 8 EUR |







































Leave a comment