Programma
Van het nog te doene groepje “moeilijke” landen kies ik dit jaar voor Libië, en land bekend om zijn uitgestrekte woestijn en vele Griekse en Romeinse opgravingen van een hoog niveau. De tour vertrekt vanaf het vliegveld van Tunis, dus ik maak van de gelegenheid gebruik voor een extra dag in de Tunesische hoofdstad om een “nieuw” werelderfgoed te bezoeken.
Het programma is:
| Datum | Doen | Plaats |
| 18-sept | Amsterdam – Tunis, via Parijs. AirFrance 12:30 – 17:40 | Tunis |
| 19-sept | In de ochtend met de taxi naar Sidi Bou Said (WE1), 20 minuten van Tunis. Vandaar met een andere taxi naar het Bardo Museum in de hoofdstad. | Tunis |
| 20-sept | Start van de tour. Vlucht naar Tripoli, en vandaar door met een binnenlandse vlucht naar Benghazi. | Benghazi |
| 21-sept | Rit naar het oosten. Bezoek aan het Museum Qasr Libya met zijn mozaïekencollectie en Cyrene (WE2). | Cyrene |
| 22-sept | Bezoek aan Lathrun and Ras Al Hillal, en dan Apollonia. | Cyrene |
| 23-sept | Bezoek aan de ruïnes van de Oud-Griekse stad Ptolemais. Stadwandeling Benghazi en dan binnenlandse vlucht terug naar Tripoli. | Tripoli |
| 24-sept | Stadstour Tripoli. | Tripoli |
| 25-sept | Bezoek aan Leptis Magna (WE3). | Ghadames |
| 26-sept | Bezoek aan Jebel Nefusa, met de graansilo Qasr-al-Haj, het oude dorp Tarmeisa en de valleien van de Sahel Al Jefra. Daarna verder zuidwaarts richting Ghadames. | Ghadames |
| 27-sept | Sahara architectuur van Ghadames (WE4) en bezoek aan de zandduinen. | Ghadames |
| 28-sept | Bezoek aan de rotswoningen van Gharyan en de spookstad Yefren. Doorreis naar Tripoli. | Tripoli |
| 29-sept | Bezoek aan de Fenisisch/Romeinse havenstad Sabratha (WE5). Terug naar Tripoli en bezoek aan de binnenstad. | Tripoli |
| 30-sept | Terug naar Amsterdam via Tunis en Parijs. | Thuis |
#1025: Sidi Bou Said
Wat is het?
Sidi Bou Said is een 18e-eeuws kustdorp aan de Middellandse Zee, gebouwd op een heuvel. Het staat bekend om het soefi-heiligdom van Abu Said al-Baji, een heilige die deze plek uitkoos voor meditatie en onderricht. Ook het stadsgezicht, met zijn blauw-witte gebouwen, is zeer schilderachtig.
Cijfer: 4 (Al met al vind ik dit geen sterk Werelderfgoedlocatie. Het is er al behoorlijk toeristisch en veel van de charme gaat schuil achter gesloten deuren, dus je moet proberen ergens binnen te komen. Maar daarvoor zijn weinig mogelijkheden: enkele van de interessantere gebouwen, zoals Dar Zarrouk, zijn omgebouwd tot boetiekhotels en restaurants. Het paleis is zeker een bezoek waard, maar het is wel een beetje een pastiche.)
Toegang: Meest gratis. 10TD voor het paleis
Hoeveel tijd: 2 uur
Opvallend: Het hele verhaal begint bij – en draait om – de Zaouia van Sidi Bou Said, het mausoleum van een lokale soefi-heilige. Dit heiligdom werd zo populair dat er een religieus complex en uiteindelijk een heel stadje omheen ontstond.
Na aankomst in het dorp, per taxi vanuit Tunis, richtte ik me dus vooral op het vinden van de Zaouia. Zelfs met Google Maps bij de hand was dat nog een hele klus; het kostte me wel een half uur! Het bleek deel uit te maken van het complex van de grote moskee, dat boven – en enigszins verscholen achter – Café des Nattes en diverse souvenirstalletjes op de stoep ligt. Ik vond een open ingang naar het complex, bereikbaar via een rechte, witte trap. Er was nergens bewegwijzering te bekennen. De trap kwam uit op de binnenplaats van de moskee, maar ik wist nog steeds niet precies waar ik op moest letten. Pas toen ik achteraf mijn foto’s bekeek, vermoedde ik dat het lagere gebouw rechts op de onderstaande foto het mausoleum was. Ik meen zelfs een met een doek bedekte kist door de groene tralies van het raam te zien, al kan dat ook verbeelding zijn.
Hoewel ik rond 9 uur ‘s ochtends aankwam, ontkwam ik zelfs eind september niet aan de toeristengroepen die de smalle straatjes van dit dorp steevast verstoppen. Ze worden per bus aangevoerd vanuit de badplaatsen. Straatverkopers en oplichters, zoals mannen met valken, komen op hen af als vliegen op stroop. Het is er simpelweg niet prettig vertoeven. Ik probeerde Dar Annadi te bezoeken, een huismuseum, maar beide keren werd het historische pand overspoeld door groepen toeristen.
Dus besloot ik weg te lopen van de drukte, naar het lager gelegen gebied waar Palais Ennejma Ezzahra te vinden is. Dat bleek een uitstekende beslissing. Het stond al op mijn lijstje van te bezoeken plekken, maar ik vreesde dat het in het weekend gesloten zou zijn. Duidelijke bewegwijzering bij de fraaie toegangspoort gaf echter aan dat het dagelijks geopend is. De toegangsprijs bedraagt 10 TD, waarna je de tuinen kunt verkennen (de Perzische tuin is charmant), van het uitzicht kunt genieten en het interieur van het paleis kunt bekijken. Er waren slechts enkele andere bezoekers; het lijkt niet op de route van toeristenbussen te liggen.
Het paleis is een creatie uit het begin van de 20e eeuw van een Europese baron. Hij schakelde de beste ambachtslieden uit de Maghreb in, die het gebouw decoreerden in een eclectische stijl waarin vooral Andalusische invloeden doorklinken.
Bardo Museum
Tijdens mijn eerste bezoek aan Tunesië, in 2022, was het Bardo-museum geheel gesloten. Het deelt het terrein met het parlementsgebouw, waar het parlement buiten spel was gezet door de president. Ook vonden er grootschalige renovaties plaats.
Dit keer was er gelukkig geen probleem. Bij de entree word je wel meteen herinnerd aan de terreuraanslag die hier in 2015 plaats vondt en 22 mensen doodde. Er zijn nog steeds wegblokkades wanneer je aankomt vanaf de doorgaande weg. Ook is er een monument in de hal met de namen van de overledenen.
Het museum staat bekend als een van de grootste en beste in Noord-Afrika en het Middellandse Zeegebied. De entree is 30 TD (ca. 10 EUR) en dan mag je de twee verdiepingen verkennen. Het is een enorm gebouw, en het enige punt van kritiek op het museum is dat er geen vaste looproute is, dus ik werd al snel een beetje bang dat ik een hoogtepunt zou missen.
Maar uiteindelijk maakt het niet veel uit. Het zijn allemaal topstukken, rustig gepresenteerd. Het museum staat vooral bekend om zijn vele mozaïeken die uit de Romeinse opgravingen in Tunesië zijn weggehaald. Hieronder is bijvoorbeeld een scene uit de Odyssee te zien, uit de plaats Dougga.
Ook zijn er prachtexemplaren van marmeren Romeinse standbeelden te zien. Behalve de Romeinen komen ook de lokale beschavingen aan bod, zoals de Punische (van Carthago) en Libische. Het is allemaal gehuisvest in een 19de-eeuws paleis, wat de sfeer nog extra ten goede komt.
Van Benghazi naar Shahat
Na een lange dag voor de verplaatsing tussen Tunis en Benghazi, met een tussenstop in Tripoli, begonnen we onze Libië rondreis met de rit Benghazi uit. Dit is de op een na grootste stad van het land, met zo’n 850.000 tot 900.000 inwoners – een enorme toename ten opzichte van de minder dan 50.000 mensen die er in de jaren zestig woonden. Deze bevolkingsgroei van ongeveer het zeventienvoudige werd aangewakkerd door de rijkdom uit olie na de jaren vijftig, snelle bevolkingsgroei, migratie van het platteland naar de stad en decennialange overheidsinvesteringen – ook onder Gadaffi – die van Benghazi het belangrijkste stedelijke centrum van Oost-Libië maakten.
Er is veel verkeer in de straten van Benghazi, met veel oude auto’s. Erg florissant ziet de omgeving er niet uit: het is er droog, vervallen, met weinig investeringen. We passeren een paar roadblocks, maar nergens hoeven we te stoppen.
Het leven is hier inmiddels weer normaal, wat we konden zien toen we langs een project van 2,5 miljard dollar reden. Dit project, dat mede door Turkije wordt gefinancierd, voorziet in de bouw van wat naar verwachting ‘s werelds grootste fabriek voor direct gereduceerd ijzer zal worden.
We reden nog ongeveer twee uur door tot we Qasr Libya bereikten (‘Qasr’ betekent kasteel), een klein stadje in het Groene Gebergte (Jabal al Akhdar). We treffen er in eerste instantie een half-vervallen fort aan. Een gids leidt ons dan een weiland in, waar de restanten van een Byzantijnse kerk liggen. Hier zijn in 1957 de mozaïeken gevonden die deze plek beroemd maakt.
De vloermozaïeken zelf zijn verplaatst naar het nabijgelegen museum; de verzameling telt er ongeveer vijftig. Sommige daarvan combineren op unieke wijze mythologische figuren met christelijke symbolen. Ze zijn in zeer goede staat.
Onderweg zagen we het landschap aanzienlijk groener worden. We kregen zelfs te maken met een onverwachte regenbui, die gelukkig niet lang duurde. Hoewel het gebied het Groene Gebergte wordt genoemd, bereikten we nauwelijks een hoogte van 400 meter boven zeeniveau, en zelfs de hoogste toppen komen niet boven de 900 meter uit. Het gebied hier is wel een van de meest vruchtbare van Libië: langs de kustweg zagen we appel- en amandelbomen, en boerdeijen uit de Italiaans-koloniale tijd.
Onze lokale gids Ali verraste ons met heerlijk Arabisch platbrood (khobz furun — letterlijk “ovenbrood”), evenals lokale appels en vijgen.
We maakten een korte fotostop bij de ijzeren brug van Wadi al Kouf om de benen te strekken. Met een hoogte van 160 meter is dit de op één na hoogste brug van Afrika, na de Bloukransbrug in de Zuid-Afrikaanse provincie West-Kaap. Wadi al Kouf zelf biedt een spectaculair uitzicht op de omliggende kloof. In de verte zie je de grotten vanwaar Libië’s nationale held Omar al Mukhtar de Italianen onder vuur nam.
Na nog een rit van iets meer dan een uur kwamen we aan in de stad Shahhat, een van de eerste steden die in handen van rebellen viel tijdens de Libische Burgeroorlog. Na het inchecken in ons hotel lunchten we in een Turks restaurant genaamd… Turkish Restaurant.
#1026: Cyrene
Wat is het?
De archeologische vindplaats Cyrene vormt de overblijfselen van een Griekse kolonie die een van de belangrijkste steden in de hellenistische wereld was. Tot de indrukwekkende overblijfselen behoren het heiligdom van Apollo, de akropolis en de agora. In zijn bloeitijd stond Cyrene in het hele Middellandse Zeegebied bekend en speelde de stad een rol in mythen en legenden. Ze werd in 365 verwoest door een aardbeving en een vloedgolf. De herontdekking van de ruïnes in 1705-1706 heeft een grote invloed gehad op de ontwikkeling van het neoclassicisme.
Cijfer: 8 (Over het geheel genomen is Cyrene een prachtige plek om te bezoeken, ook voor mensen die niet zo van ruïnes houden. Het terrein is enorm en gevarieerd, ligt op een schitterende locatie en de antieke bouwwerken verkeren doorgaans in zo’n goede staat dat je je een voorstelling kunt maken van hoe de stad ooit functioneerde.)
Toegang: Gratis.
Hoeveel tijd: We waren er 5 uur, verdeeld over 2 sessies. Het is erg uitgestrekt.
Opvallend: Cyrene werd al vroeg (in 1982) op de Werelderfgoedlijst geplaatst en beschikt daardoor over weinig ondersteunende documentatie, maar wat is dit een prachtige plek. De stad werd gesticht door Grieken van het eiland Thera die op zoek waren naar uitbreidingsmogelijkheden voor de landbouw; ze werd meer dan 1000 jaar bewoond en was de belangrijkste stad in het huidige Oost-Libië. Het is een enorm complex, verspreid over locaties die zo ver uit elkaar liggen dat we ons per bus moesten verplaatsen.
We begonnen ons bezoek in het museum van Cyrene. Hoewel die naam beelden oproept van een groots museum bij de archeologische vindplaats – zoals je die in Turkije of China ziet – is dit in feite niet meer dan een loods waarin ter plaatse gevonden beelden worden tentoongesteld. Tot overmaat van ramp waren er onlangs delen van het plafond naar beneden gekomen, en had niemand de moeite genomen om de bezem erdoor te halen en de zaal weer toonbaar te maken. Helaas was dit tekenend voor wat we in heel Oost-Libië zagen: er is totaal geen aandacht voor de openbare ruimte.
Toch vormen de sculpturen uit Cyrene een belangrijk onderdeel van zijn uitzonderlijke waarde, en zijn er enkele prachtige exemplaren te zien. Kenmerkend voor Cyrene zijn de ‘gezichtsloze’ of gesluierde vrouwenbeelden, waarin hellenistische beeldhouwtradities samensmolten met inheemse Noord-Afrikaanse begrafenisgebruiken. Ze werden gevonden in de necropool van de stad. Andere beeldhouwkundige hoogtepunten zijn de marmeren groep van de Drie Gratiën en een enorme Griekse sfinx.
Vervolgens bezochten we de indrukwekkende Tempel van Zeus. Dit is een vrijstaand bouwwerk op een heuvelrug, op de grens van de antieke stad en vlak naast de hippodroom. Het is een van de grootste Griekse tempels die ooit zijn gebouwd; hij is zelfs iets groter dan zijn grote voorbeeld: de Tempel van Zeus in Olympia. De zuilen werden tussen 1967 en 2008 weer overeind gezet tijdens een proces van anastylose.
Het interieur van de tempel is inmiddels overwoekerd door hoog onkruid; dit draagt bij aan de sfeer, het doet een beetje denken aan de jungletempels van Angkor. Ooit stond hier een gigantisch standbeeld van Zeus, waarvan nu alleen de enorme tenen nog bewaard zijn gebleven in het museum van Cyrene.
Ongeveer een uur voor zonsondergang bereikten we de plek waar zich het hart van de oude stad bevond. Er waren ook veel lokale bezoekers; zij gebruiken de plek als park om met hun gezin te ontspannen of zelfs om te joggen. De kracht van deze locatie is dat de stedelijke structuur grotendeels intact is gebleven (met wegen, trappen en zelfs complete gebouwen) en dat de wisselwerking tussen de Griekse, hellenistische en Romeinse fasen van de stadsgeschiedenis duidelijk zichtbaar is.
Aan het begin van de route kwamen we archeologen tegen die bezig waren met het herstel van de Heilige Weg, die zwaar beschadigd was geraakt tijdens storm Daniel in 2023. Gelukkig is de rest van de vindplaats intact gebleven, al heeft de enorme hoeveelheid water de bodem wel instabiel gemaakt. We kwamen binnen via de Griekse Poort en troffen een typische verzameling stedelijke elementen uit de oudheid aan, gerangschikt volgens een strak stadsplan en gekenmerkt door uitgebreid Romeins hergebruik en aanpassingen aan de oorspronkelijke Griekse bouwwerken.
In het hart van de stad ligt de Tempel van Apollo, met een altaar ervoor en enkele overgebleven sculpturen in de omgeving. We eindigden bij het oorspronkelijke Griekse theater – dat later was omgebouwd tot Romeins amfitheater – en keken toe hoe de zon in de Middellandse Zee zakte.
De volgende dag werden we naar weer een andere ingang van de ruïnes van Cyrene gebracht. Dit was de bovenstad. Het gebied vereiste flink wat wandelen; we passeerden onder meer een enorm Grieks gymnasium en het Romeinse theater. We bezochten het Huis van Jason Magnus, waar zich de best bewaarde mozaïeken van Cyrene bevinden. We bewonderden het Forum en het bijzondere monument ter ere van de marine. Ook namen we even plaats in het Odeon, waar we vanaf de bovenste rijen genoten van het uitzicht op het omliggende landschap.
Een pad leidde ons verder de heuvel af naar de overblijfselen van de Griekse vrouwenbaden. Dit is een zeldzaam voorbeeld van een dergelijk bouwwerk, aangezien de meeste badhuizen die men op antieke vindplaatsen aantreft, van Romeinse oorsprong zijn. Het complex is in de rotsen uitgehouwen en bestaat uit meerdere ‘nissen’ met individuele ‘badkuipen’. Hier kwamen de vrouwen om zich te reinigen voordat ze naar het heiligdom van Apollo gingen.
Uiteindelijk bereikten we het andere uiteinde van de Heilige Weg, die we de dag ervoor ook al hadden gezien. Dit deel van de vindplaats liep de meeste schade op door storm Daniel. De storm legde echter ook delen van het stedelijke waterleidingsysteem bloot die voorheen niet zichtbaar waren.
Onze laatste stop in Cyrene was bij de necropolis. Deze beslaat een groot deel van de helling aan de onderkant van de antieke stad, waar individuele graven en familiegraven in de rotsen waren uitgehakt. We kwamen een groep Libische archeologen die hier aan het werk waren. Ook op andere delen van de site zijn Italiaanse (Chieti-Pescara) en Amerikaanse (ASOR) groepen actief bezig met restauratie en verder onderzoek.
Apolllonia
Apollonia stond tussen 1984 en 1996 op de voorlopige Werelderfgoedlijst van Libië. De site keerde niet terug op de lijst tijdens de herziening in 2026 en zal dus waarschijnlijk voorgoed in de vergetelheid van de Werelderfgoedgeschiedenis blijven. Toch is een bezoek zeker de moeite waard als je in Oost-Libië bent.
“Apollonia is een uitzonderlijk goed bewaard gebleven voorbeeld van de transformatie van een Griekse havenstad aan de Middellandse Zee tot een belangrijke Byzantijnse provinciehoofdstad, waarbij de onderlinge samenhang tussen haven, stedelijke nederzetting, politiek gezag, christelijke instellingen en de zee op bijzondere wijze zichtbaar blijft.“
Apollonia (de moderne stad heet Susa, waardoor de archeologische vindplaats soms ook zo wordt genoemd) voegt drie belangrijke elementen toe aan een rondreis door Oost-Libië die noch het in het binnenland gelegen Cyrene, noch het aan de kust gelegen Ptolemais volledig biedt:
- ondergedompelde archeologische resten (de haven van Apollonia verdween in zee na de aardbeving en tsunami van 365 n.Chr.)
- een concentratie van vroeg-Byzantijnse kerken (Apollonia was in de Byzantijnse tijd de belangrijkste stad van Cyrenaica)
- een indrukwekkend kusttheater direct aan de waterkant (van Griekse oorsprong, uitgehakt uit de rotsen)
Een bezoek omvat een wandeling langs de kustlijn die behoorlijk blootgesteld is aan de zon en hitte. De tocht begint bij een rij fraaie beelden uit Cyrenaica die de bezoekers verwelkomen, en bij een van de best bewaarde van de negentien verdedigingstorens van de oude stad. Een reeks zuilen aan de horizon doet wellicht denken aan een Griekse of Romeinse tempel, maar hier vormen ze de contouren van een van de Byzantijnse kerken. De plattegrond is duidelijk die van een kerk en de marmeren zuilen zijn versierd met kruisen. Daarnaast zijn in het gebied de overblijfselen te zien van twee andere Byzantijnse kerken, Romeinse en Byzantijnse badhuizen, winkels en een groot theater met een prachtig uitzicht op zee.
Onze ‘lokale’ gids (we hadden een lokale gids bij ons die meer als regelaar fungeerde, en daarnaast de geweldige Hamid, die voor de Oudheidkundige Dienst in Oost-Libië werkte) was daadwerkelijk betrokken bij de werkzaamheden die nog steeds in Apollonia plaatsvinden. De locatie heeft zwaar te lijden onder kusterosie; een groot deel van de Decumanus (de weg langs de kustlijn) is inmiddels door de zee verzwolgen. Er wordt overwogen een golfbreker in zee aan te leggen om de impact van de golven op deze waardevolle kuststrook te beperken.
Nadat we de reeks monumenten langs de kustlijn hadden bekeken, liepen we dezelfde lange route terug naar de moderne haven. Daar stapten we in een van de kleine bootjes voor een korte tocht rond de plek waar ooit de antieke haven lag. We voeren ook vlak langs de vuurtoren; je hebt veel fantasie nodig om te kunnen raden wat de oorspronkelijke functie ervan was. De boottocht was de moeite waard, omdat we zo ook vanaf het water zicht hadden op de archeologische vindplaats, inclusief het theater en de zuilen.
Na het bezoek maakten we een korte stop in het centrum van het moderne Susa, waar enkele fraaie voorbeelden van vervallen Italiaanse koloniale architectuur te zien zijn.
Lathrun
Na de lunch zetten we onze reis voort. We maakten een korte stop bij het uitkijkpunt van Ras Al-Hilal, een azuurblauwe baai.
Dan naar Lathrun, de plek waar ooit de oude nederzetting Erythron lag. In tegenstelling tot de grote steden Cyrene en Apollonia was Erythron een kleinere plaats; gesticht in de hellenistische periode, groeide het later uit tot een belangrijke agrarische nederzetting tijdens de Romeinse en Byzantijnse tijd.
Een van de belangrijkste bezienswaardigheden waren de overblijfselen van de Romeinse thermen, die oorspronkelijk eind tweede of begin derde eeuw na Christus waren gebouwd. Opvallend genoeg verloren ze al vrij vroeg hun functie als badhuis en werden ze later omgebouwd, waarschijnlijk tot een villa met een ontvangstruimte.
Ook bekeken we de restanten van twee Byzantijnse kerken, die een goed beeld geven van de welvaart die de stad in de late oudheid kende. Ze waren versierd met marmer dat uit het huidige Turkije was geïmporteerd.
De welvaart van de stad was grotendeels te danken aan de landbouw – met name de productie van olijfolie en graan – dankzij de vruchtbare bodem en een permanente waterbron.
Erythron werd uiteindelijk de zetel van een bisschop, waarschijnlijk vanaf de tweede helft van de vierde eeuw, en bereikte zijn grootste omvang in de Byzantijnse periode. Zo konden we opnieuw de overgang zien van de Grieks-Romeinse wereld naar de christelijke Byzantijnse wereld.
De site is enkele jaren geleden in de handen van ISIS gevallen (2014-2016). De strijders vernielden de kerken en leefden zich met name uit op het marmer met Christelijke kruizen. Onze gids had een foto bij zich hoe de kerk er voordien uitzag, met een marmeren rand met kruizen die nu helemaal verwoest is.
Niet veel verderop wachtte ons nog een verrassing: een bezoek aan het Hawa Ahjeree-zinkgat. Het kostte heel wat telefoontjes en een jongen met een sleutel om het pad naar het gat voor ons te openen.
Het kalksteenlandschap van Cyrenaica wordt gekenmerkt door talloze karstverschijnselen, waaronder natuurlijke laagtes en zinkgaten die zijn ontstaan door het oplossen van de kalksteen. De geologie van de regio Jebel Akhdar wordt grotendeels bepaald door kalksteen; dit verklaart waarom het gebied zoveel natuurlijke holtes, laagtes en ondergrondse watersystemen kent.
Ptolemais
De archeologische vindplaats Ptolemais wordt nog minder bezocht dan andere plaatsen in Oost-Libië. Maar het is archeologisch veel interessanter dan zijn huidige bekendheid doet vermoeden, en dat is de reden waarom Libië het waarschijnlijk op de voorlopige lijst heeft gehouden na de update eerder dit jaar, terwijl andere, zoals Apollonia en Euesperides, zijn verwijderd.
Ptolemais is de “jongste” van de drie grote archeologische vindplaatsen met Griekse invloeden in het oosten van Libië: gesticht in de Hellenistische periode in de 3e eeuw voor Christus. Het werd opgericht om de Ptolemeïsche heersers van Egypte directe politieke en militaire invloed op Cyrenaica te geven, waarbij de traditioneel opstandige burgers van Cyrene werden omzeild. Het beschikte over enorme architectonische projecten, waaronder grote paleizen, een groot stadsplattegrond en uitgebreide ondergrondse waterreservoirsystemen.
Onze 1,5 uur durende rondleiding, onder leiding van een officiële gids van de site, begon bij het museum. Gevestigd in een voormalig Italiaans opslaggebouw, zoals we vaker in Libië tegenkwamen, is dit niet veel meer dan een schuur. Samen met bewijs van het dagelijkse werk in uitvoering (Poolse archeologische studenten werken op de site) worden hier vondsten van de site getoond. Er zijn nog enkele goede voorwerpen te zien, zoals fijn gedetailleerde mozaïeken van Medusa en van vissen. En er is een marmeren fontein versierd met vrouwenfiguren/nimfen.
Vervolgens liepen we verder richting de archeologische vindplaats, die een paar honderd meter landinwaarts ligt. Ze konden de sleutel om het slot van het terrein te openen niet vinden, maar gelukkig kun je ook om het hek heen lopen en via de hoofdstraat naar binnen te gaan. Al snel werd duidelijk: in tegenstelling tot Cyrene of Apollonia zijn dit echt ruïnes. Slechts 10 procent van de site is opgegraven. De Boog van Constantijn, een van de belangrijkste monumenten, is grotendeels verdwenen en nauwelijks herkenbaar als boog.
Het Hellenistische Odeon is redelijk OK, maar de belangrijkste attractie van de site is het “Plein van de waterreservoirs”. Ptolemais had geen waterbronnen, dus kreeg het water via een aquaduct op 8 km afstand. Het water werd opgeslagen in reservoirs onder het Romeinse forum. Het is nu een open plein met de reservoirs er nog steeds onder en veel zichtbare mangaten boven de grond om de reservoirs binnen te gaan. Je kunt er ook nog in klimmen en een stukje door de immense gangen wandelen.
We liepen daarna terug richting de zee en de parkeerplaats. Het rechte rasterplan van de stad en de twee hoofdaders zijn nog steeds zichtbaar. We passeerden de niet zo indrukwekkende overblijfselen van het paleis met zuilengalerij en een tetrapylon. Een ander opmerkelijk element van deze site is het Torengraf, of Hellenistisch Mausoleum, een structuur die uniek is voor de regio: een enorm, vrijstaand Hellenistisch monument. Het ligt aan de andere kant van de moderne stad Tolmeita dan de hoofdlocatie. We stopten daar niet, maar het is gemakkelijk te zien vanaf de weg.
Over het geheel genomen is Ptolemais zeer niche, van duidelijk archeologisch belang, maar niet zo visueel aantrekkelijk als zijn naaste verwant, Apollonia.
Benghazi
We hebben een late avondvlucht van Benghazi naar Tripoli, dus na twee uur rijden vanuit Ptolemais hebben we nog een paar uur te doden in deze tweede stad van Libië. We doen dat met een stadstour per bus.
We stopten eerst bij de Corniche. Behalve de promenade en wat beperkt strandvertier zien we hier het voormalige paleis van koning Idris. Tijdens de koloniale periode werd het ook door de Italiaanse autoriteiten gebruikt, zoals door Mussolini tijdens zijn bezoek aan Libië.
Schuin tegenover ligt de indrukwekkende voormalige kathedraal van Benghazi. Ook deze stamt uit de Italiaanse periode in de jaren 1930. De kathedraal werd later gesloten en raakte in onbruik.
Wat verderop zagen we ook de overblijfselen van gebouwen die zwaar beschadigd waren geraakt tijdens de gevechten met ISIS; een pijnlijke herinnering aan de veel recentere geschiedenis van Benghazi. Deze beschadigde bouwwerken staan midden in de stad, soms direct naast straten die nog in gebruik zijn en pas gerestaureerde gebouwen. Er is een groot wederopbouwprogramma aan de gang met bedrijven uit onder meer Turkije, Italië en China.
Daarna bezochten we het Omar al-Mukhtar-park, waar het graf van Omar al-Mukhtar zich bevindt. Bekend als de ‘Leeuw van de Woestijn’, was hij de belangrijkste figuur van het Libische verzet tegen de Italianen. Hij wordt nog algemeen beschouwd als de belangrijkste nationale held van Libië.
We passeerden het stadion en de sporthal van Benghazi. Helaas lukte het ons, ondanks de inspanningen van de security guy, niet om naar binnen te gaan en de faciliteiten van dichtbij te bekijken.
We maakten ook een korte stop bij één van de billboards die een foto van de leider van Oost-Libië tonen: Khalifa Haftar. Ze zijn niet zo prominent aanwezig als Khadaffi vroeger, maar in Benghazi zijn er wel een paar. Op dit exemplaar is hij afgebeeld samen met zijn zoon en beoogde opvolger, Saddam. Beiden dragen een traditioneel Libisch gewaad.
Daarna stopten we bij een gebouw uit de Italiaanse periode dat later als Turks militair terrein diende en tegenwoordig de zetel is van de Dienst voor Oudheden. We bezochten er ook een kleine archeologische tentoonstelling. Helaas was er geen informatie in het Engels beschikbaar, waardoor het voor ons lastig was om de tentoongestelde objecten of het achterliggende verhaal volledig te doorgronden.
We sloten onze stadstour af bij de indrukwekkende Al Badri-moskee, een van de opvallende moderne islamitische bezienswaardigheden van Benghazi. We bewonderden de moskee van buitenaf, aangezien het interieur niet toegankelijk is voor bezoekers. De moskee valt op door haar enorme omvang en monumentale islamitische bouwstijl, met een prominente koepel en minaretten die het stadsbeeld ter plaatse domineren. Het gebouw werd erg beschadigd tijdens de Burgeroorlog, maar is begin 2026 heropend na restauratie.
Tripoli
Een korte binnenlandse vlucht met Buraq Air bracht ons vanuit Benghazi terug in de hoofdstad Tripoli. We bezochten het centrale deel van Tripoli verspreid over twee bezoeken. Het is een opvallend schone plek voor Libische begrippen en het is plezierig om er rond te lopen.
De start was bij het Nationaal Museum van Libië, gevestigd in het Rode Kasteel. Het volledig vernieuwde, ultramoderne museum neemt ons mee langs een bijzondere tijdlijn: van prehistorisch gereedschap, aardewerk, de beroemde mummie van Wan Muhuggiag en rotstekeningen uit de Sahara, via de Fenicische en Griekse oudheid tot de Romeinse en Islamitische wereld. Wat het museum zo indrukwekkend maakt, is de moderne en overzichtelijke opzet, met duidelijke Engelstalige bewegwijzering en een chronologische presentatie. Hierdoor zijn de vele historische lagen van Libië opvallend goed te volgen, zeker in vergelijking met veel andere musea in de regio. We waren er een uur, maar ik had makkelijk nog langer kunnen blijven.
Voordat we de medina betraden, wierpen we een blik op het Martelarenplein, een van de meest herkenbare openbare plekken in het centrum van Tripoli. Het plein is door de verschillende politieke tijdperken heen een belangrijke ontmoetingsplaats geweest en heeft, naarmate de moderne geschiedenis van Libië zich ontwikkelde, uiteenlopende namen en betekenissen gekend. De ligging tussen de oude stad en de nieuwere delen van Tripoli maakt het een uitstekende plek om te zien hoe de stad zich buiten haar historische muren heeft uitgebreid.
Vanaf het Rode Kasteel wandelden we de Oude Stad in. Hier ligt de historische Ottomaanse klokkentoren.
We zagen honderden mensen samenkomen bij de ingang van de oude stad om te bieden en te onderhandelen over dollars, euro’s en dinars – harde valuta. Grotere handelaren treden op als marktmakers en tussenpersonen; ze kopen van de een en verkopen aan de ander tegen een andere koers. Euromoney meldde enkele jaren geleden dat er in de hele soek dagelijks voor ongeveer 16 miljoen dollar aan handel wordt gedreven; volgens de LA Times zijn er soms duizenden handelaren bij één enkele transactie betrokken, waarbij individuele transacties gemakkelijk de grens van 1 miljoen dollar kunnen bereiken. We zagen in ieder geval met eigen ogen handelaren met indrukwekkende stapels briefjes van 100 USD rondlopen.
Het gebouw is vrij klein – iets meer dan 200 vierkante meter – en beschikt niet over een traditionele open binnenplaats; de minaret is slechts ongeveer 10 meter hoog en telt slechts 18 houten treden.
De Boog van Marcus Aurelius is het belangrijkste bewaard gebleven Romeinse monument in Tripoli. De boog werd rond 165 n.Chr. gebouwd – tijdens de regering van Marcus Aurelius – en herinnert aan Romeinse overwinningen. Hij stond op het kruispunt van twee belangrijke wegen: de Cardo (parallel aan de kust) en de Decumanus (lopend van het zuiden naar de zee). De boog heeft vier doorgangen, die elk naar een andere windrichting zijn gericht.
Tegenover de Boog van Marcus Aurelius ligt de Al-Qaesi-moskee, de oudste nog bestaande moskee van Tripoli, op slechts 80 meter van de zee.
We vervolgden onze verkenning van de medina en passeerden het historische gebouw van het Franse consulaat. Dit herinnert aan de diplomatieke aanwezigheid tijdens de Ottomaanse periode in Tripoli; het consulaat werd er al in de vroege zeventiende eeuw gevestigd.
We maakten een stop bij Eskender Arts House, een hedendaagse culturele plek in de oude stad gehuisvest in een gerestaureerde privéwoning. Het huis zet zich in voor hedendaagse Libische kunstenaars, tentoonstellingen, workshops en culturele projecten.
Vervolgens bekeken we het historische gebouw van de Banca di Roma, een van de meest herkenbare commerciële gebouwen uit de Italiaanse periode in de oude stad. Het werd in 1907 gebouwd in de toenmalige mediterrane bouwstijl en weerspiegelt de belangrijke rol die de Italiaanse bank- en handelssector speelden in het koloniale Tripoli. Het gebouw geldt als de eerste bank die in Noord-Afrika werd gevestigd.
We liepen langs het gebouw dat van oudsher bekendstaat als de Ottomaanse gevangenis en dat verbonden is met het Darghout-paleis. Beide gebouwen leken niet open voor het publiek. Op hetzelfde plein vonden we onderdak op het terras van een koffiehuis om even pauze te houden met koffie of mangosap.
Om de hoek ligt de Kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen (Santa Maria degli Angeli), die getuigt van de aanwezigheid van Britse en andere Europese gemeenschappen in de periode waarin Tripoli uitgroeide tot een steeds internationaler mediterraan centrum. De kerk stamt uit 1615.
We hadden het geluk de poortwachter te treffen die de kerk voor ons opende, zodat we het klassieke interieur van het gebouw konden bekijken. De aanwezigheid ervan, te midden van moskeeën, synagogen, katholieke gebouwen, consulaten, banken en Ottomaanse bouwwerken, illustreert hoe religieus en cultureel divers de historische stad ooit was.
Vervolgens liepen we via de lange route terug richting hotel. Een groot deel van het architectonische landschap hier weerspiegelt de Italiaanse periode, waarin Tripoli ingrijpend werd hervormd met straten, overheidsgebouwen, commerciële ruimtes en woonarchitectuur die op Europese leest waren geschoeid.
Op het Algerijeplein zagen we het gemeentehuis van Tripoli, de moskee met bijbehorende madrasa en de historische Galleria di Tripoli met het Aurora Café. De moskee aan het Algerijeplein werd gebouwd tijdens de Italiaanse koloniale periode en in 1928 geopend als de kathedraal van Tripoli. Nadat Gadaffi in 1969 aan de macht kwam, werd kerkelijk bezit in beslag genomen en de kathedraal het jaar daarop gesloten. Vervolgens werd het gebouw tot moskee omgevormd door er minaretten aan toe te voegen. Hoewel de gevel en het interieur aanzienlijk zijn gewijzigd, zijn de oorspronkelijke basiliekvorm en de kenmerkende klokkentoren nog steeds herkenbaar.
Een zijstraat hier is de Haitistraat. De naam verwijst naar de band tussen Haïti en het internationale verhaal van de Libische onafhankelijkheid. In 1949 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie 289 aan over de toekomst van Libië, waarin werd opgeroepen om van Libië een onafhankelijke en soevereine staat te maken. De stem van Haïti vóór dit voorstel vormt een prachtig stukje internationale geschiedenis: een Caribische natie, duizenden kilometers ver weg, sprak zich uit voor het voorstel dat de weg vrijmaakte voor de Libische onafhankelijkheid in 1951.
Op de laatste dag gingen we nogmaals kort de stad in. We begonnen bij het beroemde Rode Kasteel van Tripoli, dat uitkijkt over het huidige Martelarenplein. De huidige vorm van dit fort bevat lagen uit verschillende periodes: de Spaanse/Aragonese verovering in 1510, de tijd van de Johannieterorde vanaf 1530 en de Ottomaanse verovering in 1551. De Ottomanen maakten van het kasteel de zetel van het bestuur en de residentie van opeenvolgende gouverneurs; later raakte het verbonden met de Karamanli-dynastie, het Italiaanse bewind en uiteindelijk het Libische Nationale Museum. Tegenwoordig fungeert het gebouw nog steeds als overheids- en erfgoedinstelling, al wordt er momenteel gerenoveerd en is het officieel gesloten voor toeristen. Gelukkig wisten we – dankzij wat volharding, diverse telefoontjes en een vriendelijk duwtje in de rug richting onze lokale gids en de politie – toestemming te krijgen om naar binnen te gaan.
Binnen in het kasteel zagen we de mast van het Amerikaanse fregat USS Philadelphia. Dit schip was in 1803 door Libische troepen buitgemaakt nadat het tijdens de Eerste Barbarijse Oorlog bij Tripoli aan de grond was gelopen.
Achter het kasteel, bij de ingang van de oude medina, liepen we over de markt voor traditioneel handwerk en souvenirs, waar we nog wat laatste aandenkens aan Libië konden kopen. Sommigen kozen voor de klassieke koelkastmagneten, terwijl anderen iets veel historisch interessanters ontdekten: oude Libische bankbiljetten met de afbeelding van Gadaffi – tegenwoordig fascinerende stukjes uit de relatief recente Libische geschiedenis.
Vervolgens bezochten we het Karamanli-huis, een elegante, traditionele woning in Tripoli die in de tweede helft van de 18e eeuw werd gebouwd tijdens het bewind van Ali Pasha Karamanli. Hij maakte deel uit van de dynastie die van 1711 tot 1835 over Tripolitanië heerste. Het huis is gegroepeerd rond een open binnenplaats en combineert islamitische architectonische kenmerken – zoals bogen, decoratief tegel- en mozaïekwerk en fonteinen – met ruimtes voor het gezinsleven, het huishouden en officiële ontvangsten. De vertrekken geven tegenwoordig een beeld van een Libisch huis uit de 18e eeuw, compleet met meubilair, kleding, keukenbenodigdheden en zelfs oude apparatuur zoals een grammofoon en een radio.
#1027: Leptis Magna
Wat is het?
De archeologische vindplaats Leptis Magna omvat de overblijfselen van de Fenicische havenstad Lpgy, die in 46 v.Chr. in het Romeinse Rijk werd opgenomen. Toen Septimius Severus – die hier geboren was – in 193 n.Chr. Romeins keizer werd, herzag hij de stadsplanning van Leptis Magna. Hij voegde belangrijke monumenten toe in een stijl die beïnvloed was door Afrikaanse en oosterse tradities. De stad groeide vervolgens uit tot een van de mooiste steden van de Romeinse wereld.
Cijfer: 8 (Al met al had ik er iets meer van verwacht. Uiteindelijk heb ik het een 8 gegeven: minder dan Rome en vergelijkbaar met Pompeï, maar beter dan alle andere Romeinse werelderfgoederen. Mijn indruk werd ongetwijfeld beïnvloed door het feit dat we de plek op een regenachtige dag bezochten: we moesten door diepe plassen waden of over muurtjes van gebouwen langs de straat klimmen om om het water te geraken. Daarnaast was de lokale gids niet erg informatief – zeker niet zo goed als de gids die we in Cyrene hadden – waardoor ik vooral moest vertrouwen op mijn eigen waarnemingen en op wat ik vooraf en achteraf had gelezen (er zijn ter plaatse ook geen informatieborden))
Toegang: De entree was inbegrepen in de tour.
Hoeveel tijd: 4 uur. Het erg groot.
Opvallend: Leptis Magna is het kroonjuweel van Libië, des te meer omdat de stad niet slechts het werk was van Romeinse kolonisten, maar van een lokale man van half-Punische afkomst. Hij gaf opdracht tot de verfraaiing van de bestaande stad, waar de lokale bevolking – rijk geworden door de productie van olijfolie – de Romeinse mode op de voet volgde. Septimius Severus klom op tot keizer van Rome; hoewel zijn keizerlijke loopbaan vooral bekendstaat om zijn overwinningen op het slagveld, initieerde hij ook een bouwproject om zijn geboortestad meer aanzien te geven. Er werden een nieuw forum, een basilica, een nymphaeum en een straat met zuilengangen toegevoegd, allemaal in de nieuwste stijl en opgetrokken uit het kostbaarste marmer uit het hele Middellandse Zeegebied.
Leptis Magna wordt vaak vergeleken met Pompeï. Beide steden zijn als het ware ‘bevroren in de tijd’, al gebeurde dat onder verschillende omstandigheden: Leptis raakte bedolven onder zand dat door de wind uit het binnenland werd aangevoerd, terwijl Pompeï onder vulkanische as terechtkwam. Beide locaties tonen een netwerk van geplaveide straten en details uit het dagelijks leven die op andere Romeinse archeologische vindplaatsen grotendeels ontbreken.
Aan de andere kant zijn er ook aanzienlijke verschillen. Waar Pompeï slechts een provinciestad was, fungeerde Leptis Magna als een keizerlijke metropool met een veel groter inwonertal (schattingen lopen op tot 80.000). De stad beschikte over alle openbare voorzieningen die bij een dergelijke status hoorden en kon zich in dat opzicht met Rome meten. Er zijn minder woonhuizen en winkels bewaard gebleven dan in Pompeï. Ook ontbreken de daken, muurschilderingen en mozaïeken in situ die Pompeï zo bijzonder maken. Vrijwel alle kunstwerken uit Leptis zijn overgebracht naar musea, met name naar het uitstekende Libische Nationaal Museum in Tripoli, dat onlangs weer is geopend.
Van de typisch Romeinse openbare bouwwerken sprongen de volgende er voor mij uit tijdens mijn bezoek aan Leptis Magna:
Boog van Septimius Severus. Dit is hét herkenningspunt van Leptis Magna, gelegen direct bij de ingang van het huidige archeologische terrein. De boog is bijzonder omdat deze vier in plaats van twee doorgangen heeft. Ook het algehele decoratieve werk is uniek. Voor mij was dit het monumentale hoogtepunt van heel Leptis Magna.
Macellum. Andere locaties op de Werelderfgoedlijst hebben er ook een, maar dit is het best bewaarde voorbeeld van zo’n overdekte marktplaats dat ik ben tegengekomen. Het is monumentaal qua omvang en grandeur: het heeft niet de gebruikelijke ene centrale kiosk (tholos), maar twee, en er zijn nog steeds stenen aanwezig die werden gebruikt voor het slijpen van messen of voor metingen tijdens het dagelijkse marktgebruik.
De Severische basiliek met zijn “Romeins-barokke” versiering. Hoewel de basiliek zelf door een hek was afgezet (vanwege instabiliteit van de ruïnes?), kun je de driedimensionale reliëfs door dat hek heen en aan de kant die naar het Nieuwe Forum is gericht, zien en fotograferen.
Amfitheater. Niet zo monumentaal als het Colosseum of dat in El Jem, maar met een ander ontwerp: het is uitgehakt in een voormalige steengroeve en ligt daardoor verzonken onder het maaiveld. Het ligt naast het oude circus waar wagenrennen plaatsvonden, en er waren doorgangen die de locatie voor gladiatorengevechten en de renbaan met elkaar verbonden.
Eervolle vermeldingen gaan naar de sculpturen van Gorgonhoofden op het Nieuwe Forum, de toiletten (rijen comfortabele marmeren zittingen midden in het stadscentrum!) en de stèles met tweetalige inscripties in het Punisch en Latijn.
Qasr Al-Haj en Qasr Nalut
De ligging van Qasr Al-Haj is een geschenk voor Libische reisorganisaties. De meeste klanten willen de reis maken tussen Tripoli in het noorden en Ghadames aan de rand van de Sahara, maar dat is een lange tocht. En daar ligt het, op slechts zo’n 2 kilometer omrijden van de enige hoofdweg, ongeveer twee uur na het begin van de rit van 600 kilometer: Qasr Al-Haj. Een uitstekende tussenstop om de benen te strekken en even op adem te komen; het kost weinig tijd en valt bij iedereen in de smaak.
Het is een perfect rond gebouw. De 114 kleine cellen binnenin boden tijdelijke opslagruimte voor graan en olijfolie. Daarnaast werd de binnenplaats gebruikt als slaapplaats door reizende handelaren en pelgrims; het bouwwerk fungeerde dus ook als karavanserai. Het complex was gemeenschappelijk eigendom van de lokale Amazigh-families, die het ook gezamenlijk beheerden.
Dit 13e-eeuwse meesterwerk van Amazigh-architectuur (Berberarchitectuur) is een treffend voorbeeld van het principe ‘vorm volgt functie’, waarbij de cirkelvorm het grootste interne opslagvolume bij de kleinst mogelijke omtrek van de buitenmuur biedt, en een bewaker in het midden, op de enige open binnenplaats, vrij zicht heeft op alle opslagruimtes, waardoor diefstal van binnenuit vrijwel onmogelijk is.
Bij Qasr Al-Haj werden we verwelkomd door gewapende bewakers met lange baarden – een vertrouwd gezicht bij toeristische trekpleisters in het westelijke binnenland van Libië (ze zijn gerekruteerd uit milities met een Madkhali-salafistische achtergrond, die bekendstaan als gedisciplineerd, goed georganiseerd en doorgaans corruptievrij). Ze begonnen ook foto’s van ons te maken; misschien voor hun eigen vermaak, of moesten ze wellicht verslag uitbrengen over ons bezoek?
Binnen in het bouwwerk kun je vrij naar het hoogste niveau klimmen en in alle opslagruimtes kijken. De meeste zijn leeg; in één ervan lag nog wat gerst.
Ongeveer een uur verderop – en nog gunstiger gelegen voor wie naar het zuiden reist – ligt Qasr Nalut, dat er uiterlijk op lijkt. Dit complex diende uitsluitend als opslagplaats voor lokale families. De ‘architectuur’ lijkt zich op meer organische wijze te hebben ontwikkeld, wat resulteerde in in totaal 400 ruimtes. De strategische ligging aan de rand van het Nafusa-plateau is schitterend.
#1028: Ghadames
Wat is het?
De oude stad Ghadamès is een van de oudste oasesteden net ten noorden van de Sahara. Ze speelt al meer dan 2000 jaar een belangrijke rol in het trans-Saharaanse handelsnetwerk. Het oude stadsdeel heeft een cirkelvormige plattegrond en wordt omringd door een muur. De stad kent een unieke architectuur die is aangepast aan het lokale, droge klimaat.
Cijfer: 7,5 (Erg interessant en goed bewaard gebleven c.q. gerestaureerd)
Toegang: Gratis.
Hoeveel tijd: 2,5 uur inclusief koffiestops.
Opvallend: Ghadames is een wereld die totaal verschilt van de Libische kuststreek en de daar aanwezige overblijfselen uit de klassieke oudheid; de rit ernaartoe vanuit Tripoli duurt een hele dag. Denk aan handelssteden aan de Trans-Sahara-route, met Berbers-inheemse architectuur. Na restauratiewerkzaamheden is de stad van de lijst met bedreigd erfgoed gehaald en verkeert ze weer in goede staat.
Op het eerste gezicht vertoont de stad veel overeenkomsten met oasesteden in Saoedi-Arabië, Abu Dhabi en Oman. Er zijn bruine, vervallen muren van leemsteen, een dadelpalmplantage midden in de stad, een ingenieus gemeenschappelijk irrigatiesysteem, een waterklok, enzovoort. Maar de stad is veel meer dan dat.
Van andere handelssteden langs de Trans-Sahara-route, zoals Chinguetti of de M’Zab-vallei, onderscheidt Ghadames zich doordat de bewoners er zeer lang zijn blijven wonen. De laatste inwoner verliet Ghadames in 1982. De voormalige bewoners wonen nu in de aangrenzende nieuwe stad, vooral vanwege de betere toegang tot water en andere moderne voorzieningen. Ze zijn echter nog steeds eigenaar van de oude huizen en de dadelpalmen. Eén keer per jaar (op 1 mei, toch al een vrije dag) vinden er in de oude stad culturele evenementen plaats om de tradities aan jongere generaties door te geven.
De stadsopzet is uniek: het is één enkel, compact en samenhangend bouwwerk van leemsteen, kalk en palmstammen. De begane grond vormt een vrijwel volledig overdekt, gewelfd labyrint van straten en doorgangen; deze fungeren als ondergrondse tunnels die de zon en hitte buitenhouden. Ik vond de bankjes die in het straatbeeld zijn verwerkt erg prettig; er is altijd wel een plekje in de schaduw om even uit te rusten.
Hoewel de stad grotendeels uit een netwerk van privéwoningen bestaat, zijn er ook enkele openbare gebouwen. Het mooiste daarvan is de Tilwan-school, een voormalige meisjesschool die nu dienstdoet als bezoekerscentrum (het gebouw staat afgebeeld op het biljet van 20 Libische dinar). Er is ook een vrij nieuwe moskee; de oorspronkelijke moskee werd tijdens de Tweede Wereldoorlog per ongeluk gebombardeerd door geallieerde troepen die eigenlijk de Italianen wilden raken (die zich in het fort bevonden, ongeveer een kilometer verderop in wat nu de ‘Nieuwe Stad’ is). Daarnaast is er de onlangs gerestaureerde bron, die is omgevormd tot een waterbassin nadat de oorspronkelijke Ain al-Faras – de natuurlijke waterbron waarrond de oude stad ontstond – was opgedroogd.
In de afzonderlijke huizen wordt een verticale scheiding tussen mannen en vrouwen toegepast: de mannen gebruikten vooral de koele benedenverdiepingen, terwijl de vrouwen zich beperkten tot de bovenste verdiepingen en dakterrassen; via onderling verbonden open terrassen konden ze zich daar vrij bewegen. Je kunt die terrassen nog steeds beklimmen en op die manier van huis naar huis lopen. We hebben het interieur van een van deze huizen bekeken en in een ander huis geluncht. Hoewel de stad tegenwoordig nauwelijks bezoekers trekt, voelt ze net zo toeristisch aan als andere ‘traditionele dorpen’ elders in de wereld; er zijn ook twee cafés/restaurants aanwezig.
Een andere bijzondere troef van Ghadames is de Zanjafour-traditie, die zowel in de huizen als op sommige buitenmuren te zien is. Deze muurschilderingen worden van oudsher door vrouwen gemaakt en tot op de dag van vandaag bijgehouden. In de kamers worden de schilderingen vergezeld door spiegels en koperen potten, die de ruimte lichter maken en de welvaart van de bewoners tonen.
We hebben in totaal 2,5 uur in de stad doorgebracht, begeleid door een uitstekende lokale gids genaamd Abdulrahman. De tijd die hiervoor nodig is, illustreert volgens mij hoe goed de stad bewaard is gebleven; er valt veel te ontdekken en er zijn talloze verhalen te horen.
Yefren en Gharyan
Vanochtend namen we afscheid van Ghadames en begonnen we aan de lange terugreis naar de Libische hoofdstad, waarbij we opnieuw door het landschap van West-Libië trokken. Na enkele dagen in de woestijn en de oude stad maakten we vandaag de overgang van de Sahara naar het Nafusa-gebergte en uiteindelijk Tripoli. Het was een lange dag onderweg, maar ook een mooie gelegenheid om te zien hoe het landschap verandert naarmate we naar het noorden reizen.
Na ongeveer zes uur reizen – inclusief een koffiestop in Dirj, net als twee dagen eerder – bereikten we Yefren. Hier bezochten we de overblijfselen van Tagherbust, een oude Amazigh-nederzetting die een blik biedt op de traditionele geschiedenis en architectuur van het Nafusa-gebergte. De locatie is van groot belang, omdat de Amazigh-gemeenschappen in Jebel Nafusa unieke tradities, nederzettingen en bouwstijlen hebben behouden die een essentieel deel uitmaken van het culturele erfgoed van Libië.
De belangrijkste bezienswaardigheid is de verlaten Amazigh-nederzetting zelf, met zijn traditionele huizen van steen en leem, binnenplaatsen en open ruimtes.
Traditionele olijfpersen zijn een kenmerkend gezicht in het nabijgelegen dorp Yefren en getuigen van het belang van olijventeelt en olieproductie. Er zijn diverse oude persen te vinden, waarvan er één is schoongemaakt en gerestaureerd zodat bezoekers deze kunnen bekijken.
Vanaf de hoger gelegen delen hadden we een weids uitzicht over zowel het Nafusa-gebergte als de Jefara-vlakte in het noorden. Dit contrast tussen de ruige bergketens en de vlakke vlakte bepaalt het landschap van de regio.
Na nog een paar uur rijden – en terwijl de zon al onder was – bereikten we Gharyan. Hier bezochten we een traditionele grotwoning, een zogenaamde Housh al-Hafr: een huis dat in de aarde is uitgegraven rondom een centrale binnenplaats, in plaats van bovengronds te zijn gebouwd.
Het specifieke huis (Omar Bel Haj Troglodyte House) werd in 1666 uitgegraven, bood plaats aan acht gezinnen en was zo ontworpen dat het van nature koel bleef tijdens de verzengende zomers en warmer in de winter. Uiteindelijk werd het huis verlaten toen gezinnen naar moderne woningen verhuisden; dit specifieke exemplaar staat naar verluidt al sinds 1985 leeg.
Ten slotte, na een zeer lange dag onderweg, kwamen we rond 22.30 uur weer aan in Tripoli. We checkten opnieuw in bij het Nariz Hotel voor nog twee nachten, waar we eindelijk konden bijkomen van de reis. Ook kregen we onze paspoorten terug – die we enkele dagen hadden moeten missen – wat op zichzelf al als een mijlpaal voelde.
Eenmaal terug in het hotel gingen sommigen van ons uit eten bij het Turkse restaurant Laleli (waar ik een heerlijke Turkse pide verorberde), terwijl het merendeel van de groep besloot de broodnodige slaap in te halen na de uitputtende reis van vandaag.
#1029: Sabratha
Wat is het?
De archeologische vindplaats Sabratha omvat een oorspronkelijk Fenicische handelspost aan de kust die later werd geromaniseerd en grotendeels herbouwd. Na Caesars reorganisatie van Afrika werd Sabratha opgenomen in de gelijknamige Romeinse provincie en genoot vervolgens een periode van grote welvaart, vooral in de 2e en 3e eeuw na Christus, toen de stad uitgebreid werd herbouwd en monumentale openbare gebouwen werden gebouwd, waaronder het Forum, tempels, baden en het beroemde Theater. De archeologische overblijfselen bevatten ook bewijsmateriaal uit de latere christelijke periode van Sabratha, waaronder basilieken en mozaïekvloeren.
Cijfer: 6,5 (Het is een wat minder imposante site dan de andere op deze reis, kleinschaliger en met twee echte hoogtepunten: het Mausoleum van Bes en het Theater)
Toegang: De entree was inbegrepen in onze tour.
Hoeveel tijd: 2,5 uur.
Opvallend: Sabratha ligt op slechts 75 km ten oosten van Tripoli, maar de rit erheen via de drukke kustweg kan wel anderhalf tot twee uur duren. Iedereen in Libië lijkt een auto te hebben, aangezien benzine bijna niets kost (al moet je er soms wel voor in de rij staan). Sabratha is ook de naam van de moderne stad die naast de archeologische vindplaats ligt. Op de gebouwen langs de weg naar de site zijn nog steeds kogelgaten te zien van hevige straatgevechten tussen milities in 2017.
Bij de ingang stond al een lokale gids op ons te wachten. De site beschikt over een grote parkeerplaats, een souvenirwinkel en een café (die beide geopend zijn), wat aangeeft hoe populair de plek is of ooit was. Er is ook een uitgebreid museum bij de vindplaats, waar de kostbaarste vondsten worden bewaard. Helaas is dit museum momenteel gesloten en zijn er geen plannen om het op korte termijn te heropenen.
Vergeleken met de andere archeologische vindplaatsen die we tijdens deze reis bezochten, is Sabratha vrij compact. Je kunt alle hoogtepunten in één oogopslag zien. Het bouwwerk dat de meeste aandacht trekt, is het Punische Mausoleum van Bes, omdat het overal bovenuit steekt. Van dichtbij kun je het ‘exotische’ ontwerp bewonderen. Het bouwwerk heeft een driehoekige basis en loopt uit in een obelisk, tot een hoogte van 24 meter. Het is door Italiaanse archeologen uit het zand opgegraven en gereconstrueerd. Het is een van de meest opmerkelijke bewaard gebleven monumenten uit het Noord-Afrika van vóór de Romeinse tijd.
Het centrale deel van de archeologische vindplaats bestaat uit een dicht opeengepakte groep ruïnes. Er zijn overblijfselen van het forum, christelijke basilieken en oudere tempels te zien. Ook is er de ‘olijfpersstraat’, met opslagruimten voor de olijfolie die vlak bij de kust werd geperst. Er zijn openbare toiletten met uitzicht op zee. Een opvallende, vierkante gecanneleerde pijler toont aan de voet een in laag-reliëf uitgehakte adelaar met gespreide vleugels. Daarnaast zijn er nog enkele mozaïekresten te zien – de mooiste bevinden zich bij de badhuizen – maar de meeste zijn overgebracht naar het museum, zoals gebruikelijk is in Libië.
Na een wandeling van ongeveer twee uur eindigde onze rondleiding bij het theater, het bekendste monument van Sabratha. Het is een imposant bouwwerk dat oprijst uit het vlakke terrein. We kwamen binnen via de kant van de artiesten en de VIP-ingang; beide bouwwerken zijn nog grotendeels intact. Hier zijn ook sporen te zien van de schade die is aangericht tijdens de gevechten in 2017, toen strijders sluipschutters- en verdedigingsposities innamen in en rond het theater. Wat ik het mooiste vond aan het theater, is de reeks bas-reliëfs die de voet van het toneelpodium sieren. Elk reliëf vertelt een verhaal, dat onze gids graag toelichtte (ik was op dat moment zijn enige toehoorder).
Praktische info
Voorbereidingen
Libië kun je tegenwoordig alleen bezoeken onder begeleiding van een gids. Ook krijg je full-time politiebegeleiding mee. Ik koos daarom voor het gemak van een georganiseerde reis door Lupine. Het werd een combinatie van twee van hun reizen: Libya Highlights en de Eastern Libya Pre-Tour. Zij regelden ook het e-visum en de vluchten tussen Tunis en Tripoli.
Zij werkten ter plaatse samen met Sherwes Travel als lokale uitvoerende partner. Het was een comfortabele reis zonder noemenswaardige ongemakken. Ze hadden soms wat moeite om het tijdschema aan te houden, maar gelukkig leidde dit er niet toe dat er onderdelen van het programma vervielen of dat bezoeken te oppervlakkig bleven. Zoals altijd richt Lupine zich vooral op ‘landenverzamelaars’; voor hen is het doel al bereikt zodra ze het land binnenkomen, en ze waren net zo blij met het “I Love Benghazi”-bord als met Leptis Magna.

Vervoer
We vlogen heen vanuit Tunis met Libyan Wings, en de andere drie vluchten waren met Buraq Air. Ze vliegen met tweedehands of derdehands vliegtuigen, die van Buraq kwamen van Cebu Pacific. Het eten aan boord was verschrikkelijk, maar de vluchten zijn gelukkig maar kort.
De controles op de vliegvelden bestaan vooral uit papierwerk, wat onze lokale gids en de politiebegeleider voor hun rekening namen. De bagagecontrole stelde niet veel voor, ze keken niet eens naar het scherm. Ook waren er geen vrouwelijke bewakers, dus fouillering van vrouwelijke passagiers vond ook niet plaats.

Zowel in het Oosten als in het Westen hadden we een zeer ruime bus tot onze beschikking. Met goede airco, ruime zitplaatsen en zelfs punten bij je stoel om je telefoon op te laden. Een ieder had ook twee plaatsen voor zichzelf, wat heel prettig is op lange ritten.

Geld
Buitenlandse bankpassen werken niet bij Libische geldautomaten. Je hebt echter ook niet veel contant geld nodig; op de luchthaven kun je eenvoudig euro’s en Amerikaanse dollars omwisselen. Een kop koffie of een westerse frisdrank kost ongeveer 0,50 USD (5 dinar), een diner 5 USD en een kamer in een driesterrenhotel 25 USD. Sinds vorig jaar zijn de munteenheden van Oost- en West-Libië samengevoegd, met uitzondering van de munt van 1 dinar (met een afbeelding van de silphiumplant), die alleen in het oosten wordt gebruikt.

Communicatie
Ik kocht op de luchthaven van Tripoli een fysieke simkaart (10 GB, 30 LD / 3 euro) van Al Madar; deze werkte prima in en rond alle steden en dorpen. Ook hadden alle hotels goede wifi.
Overnachtingen
Carlton Hotel, Tunis: Ik was hier de vorige keer ook toen ik in Tunis was. Gewoon een goede keuze: goede locatie, vriendelijk, actieve receptie, spreken Engels. Kamer is een beetje zoals bij IBIS, modern en sober. Goed ontbijtbuffet dat al om 6 uur open is. 70 EUR inclusief ontbijt.

Jasmine Hotel, Benghazi: modern en schoon hotel, waar we slechts een korte nacht verbleven.

Cyrene Hotel, Shahhat: een iets simpeler versie van het vorige hotel, maar alles nieuw en schoon.

Nariz Hotel, Tripoli: modern hotel met uitzonderlijk goede bedden. Goed ontbijtbuffet.

Dar Ghadames, Ghadames: enorm hotel aan de rand van de nieuwe stad. Lange gangen zoals in een klooster. Geen andere gasten. Geen wifi in de kamer, maar bed, douche en airco waren goed. Ontbijt karig.

Eten
Het eten is niet echt een hoogtepunt van Libië. Vooral omdat het eentonig is – er was genoeg en ook goed bereid. Het kan ook zijn dat de reisorganisatie gewoon op safe speelde.
Ontbijt bestaat uit vers brood, nescafé koffie en wat kaas, ei, olijven, tomaat.

Voor de late lunch aten we vrijwel altijd een standaard menu in een “Turks” restaurant. Kebab, rijst, patat and soms een blaadje sla. Vaak is er ook soep vooraf. De Libiërs houden van pittig eten, zodat zelfs de kip-kebab spicy kan zijn. Erbij nam ik vaak een glas vers mangosap.

Heel af en toe werden we blootgesteld aan iets inheemsers, zoals onderstaande Makaroni Embowkha. Dit is een gerecht met kikkererwten en ui (de Libiërs zijn de grootste consumenten van ui ter wereld).

Kosten
Het was een dure reis, vooral doordat je georganiseerd op pad moet en met een veiligheidsescorte, waar je uiteindelijk via allerlei toeslagen ook voor betaalt. Exclusief internationale vlucht Amsterdam-Tunis kostten de 10 dagen in Libië me 5100 EUR.
Bovenop de tourprijs gaf ik vrijwel niets uit. Alles was inclusief, en voor een extra koffietje of colaatje betaal je slechts 5 dinar (0,50 EUR).


































































Leave a comment