World Heritage Traveller

Tsjaad 2022

Written by:

  1. Programma Tsjaad 2022
  2. Sahel
  3. Abéché en Kalait
  4. #809: Ennedi massief
  5. Fada en de Depressie van Mourdi
  6. Demi en Teguedei
  7. #810: Meren van Ounianga
  8. Borkou, Bahr-el-Gazel en Djourab
  9. Terugblik Tsjaad 2022
    1. Voorbereiding
    2. Vervoer
    3. Hotels
    4. Eten
    5. Kosten

Programma Tsjaad 2022

Het moeilijkste en duurste land van dit reisjaar: Tsjaad. Dit Centraalafrikaanse land is de afgelopen jaren steeds meer op mijn netvlies komen te staan vanwege zijn spectaculaire woestijnlandschap, nomaden en bijzondere zoogdieren die zich aan de situatie hebben aangepast.

Ik heb een woestijnreis gevonden, die ook de twee werelderfgoederen van het land aandoet.

Er zal geen ‘live’ reisverslag zijn dit keer: we gaan elke dag wild kamperen en er is geen wifi. Het globale programma is:

DatumProgrammaVerblijf
16 oktVlucht Parijs – N’Djamena 13.10-18.00 met Air France.N’Djamena
17-20 oktReis door een Sahellandschap van kleine dorpjes in de regio Guera, met zijn interessante markten en geïsoleerde granietpieken.Abeche – Kalait
21-22 oktHet majestueuze Ennedi-gebergte in (WE1). We besteden onze tijd aan het verkennen van talrijke rotsformaties. Het hoogtepunt van deze paar dagen in ongetwijfeld de Guelta d’Archei, de enige permanente waterput in de regio, gelegen te midden van dramatische en torenhoge kloof, waar je vaak honderden kamelen kunt zien drinken.Ennedi
23-24 oktWe rijden vanaf het plateau naar Fada, de enige echte stad in de Ennedi, waar we formaliteiten moeten vervullen en voorraden moeten inslaan voordat we noordwaarts gaan. Vanaf hier gaan we terug de wildernis in, klimmen op een plateau van rode rotsen voordat we afdalen naar de laatste rotsen van de Ennedi. Vanaf hier gaan we de Mourdi-depressie binnen, een gebied met uitgestrekte zandduinenFada – Mourdi
25-26 oktHet kleine dorpje Demi, gelegen aan de voet van een berg en aan de rand van een zoutpan, waar mannen en vrouwen de rode aarde opgraven naar zout. In de buurt is het zoutmeer van Teguedei, gelegen te midden van weelderige palmbossen en seizoensgebonden bewoond voor de dadeloogst – men kan ook stapels zout zien drogen aan de oevers van het meer. Vanaf hier gaan we naar de meren van de Ounianga-oase (WE2).Demi – Teguedei – Ounianga Meren
27 oktKora: een gebied waar tijdens de oorlog met Libië werd gevochten – op sommige plaatsen zijn de overblijfselen van tanks en ander militair materieel te vindenKora
28-29 oktDe fauna in deze regio is goed, en je kunt zowel dorcas-gazellen als jakhalzen, en misschien de mooie fennek-vos verwachten. Voor een groot deel van de route volgen we de opgedroogde rivierbedding van de Bah el Ghazal waar overblijfselen van de oudst bekende mensachtige zijn gevonden.Kalait – Salal – Moussoro
30 oktTerug naar N’Djamena. Nachtvlucht met Air France via Abuja (Nigeria).Vliegtuig
31 oktAankomst Parijs om 5.55 uur. Trein terug naar huis.Thuis

Sahel

Onze reis start met een rit naar het oosten, hoewel we eigenlijk naar het noorden moeten. We maken echter gebruik van de enige goede verharde weg die er in Tsjaad is: die tussen de hoofdstad N’Djamena en de stad Abeché vlakbij de grens met Soedan. De rit is 900km lang, en we doen dus alleen al twee dagen over deze verplaatsing. We rijden in een konvooi van 4 jeeps, met daarin 4 chauffeurs/gidsen, een kok, een hulp, en 12 toeristen.

Als we N’Djamena uit zijn, zelf ook al een stad met weinig hoogbouw, beginnen we de dorpjes. De huizen zijn hier van leem met een rieten dak. Twee dingen vallen verder op: hoe groen het is en hoeveel water er staat. We zijn er net na het einde van het regenseizoen (half oktober). De zwaarste regens in 5 jaar zijn gevallen, en delen van N’Djamena stonden blank. Langs de weg zie je overal meertjes, die veel vogels aantrekken.

DSCN7639

Verder zien we veel kuddes van nomaden, zoals grote groepen koeien die in bezit zijn van de ‘Arabieren’ die hier in de 12de eeuw zijn komen wonen. Ze leven in tenten langs de weg. Ook geiten zien we veel, meestal begeleid door kleine kinderen. Die zien we ook vaak water halen.

We lunchen met zelf meegebracht stokbrood aan de rand van een tijdelijk meertje, en zien daar dat de klei door de mensen gebruikt wordt om bakstenen van te maken.

De weg is het ene moment goed van kwaliteit en dan rijden we 100 kilometer per uur, op het andere moment zit hij vol gaten. Het is een tolweg – elke 80 kilometer moet je 500 CFA betalen en krijg je een bonnetje. De gids zegt echter dat de weg elk jaar slechter wordt. Op deze route komen we ook zeker 8 bussen per dag tegen: het enige georganiseerde openbaar vervoer in het land.

We maken een korte stop bij een bergpiek waarop grote vogels nestelen. Met mijn zoomlens zijn ze net te zien, het lijken ooievaars.

DSCN7697

We stoppen daarna bij een dorpje waar ze naast de alom aanwezige lemen hutten met rieten dak ook opmerkelijke graanschuren hebben. Ze lijken op grote aardewerken potten. De mensen verbouwen hier vooral sorgo, gierst en pinda’s.

Het dorp is grotendeels uitgestorven, de meeste inwoners zijn aan het werk op het land. Alleen een oude vrouw is thuis. In haar voortuin staat een grote stenen stamper om graan mee te vermalen. We krijgen ieder een handvol pinda’s van haar voor onderweg.

In de namiddag van de tweede dag krijgen we onze eerste lekke band, die in 10 minuten onder veel publieke belangstelling verwisseld wordt. Het gebeurt net in de plaats Oum Hadjer, de eerste stad die we zien na het verlaten van N’Djamena. Er zijn ‘restaurants’. En tuk-tuks. En een markt.

In de ochtend van de derde dag komen we al snel enkele karavaans met kamelen tegen, die de grote weg oversteken. We parkeren de auto’s om toe te kijken en ze de ruimte te geven. De gemiddelde karavaan heeft tientallen kamelen, bepakt met spullen en soms met decoratie. Daar achteraan loopt dan nog netjes in een rij een kudde geiten en soms ook koeien. Het vee is de rijkdom van deze mensen.

DSCN7779

Abéché en Kalait

Tegen het einde van de rit oostwaarts zien we voor het eerst ook mensen hun producten verkopen langs de weg: het zijn watermeloenen. Op de weg razen ons een paar pick-up trucks voorbij met daaraan vastgebonden een grote pluk levende kippen. Ze zijn allemaal, net als wij, op weg naar de markt van Abéché.

Abéché is één van de grootste steden van het land. Het heeft wat grote gebouwen, zoals de nationale bank, een universiteit en het paleis van justitie. De markt is in de binnenstad. Er wordt vooral veel groente verkocht. Het aanbod is ruim, van sla tot tomaten en aubergines. Niet al te fris uitziend vlees is er ook. Er lopen kinderen te bedelen met een kom, misschien krijgen ze de restjes van de markt.

Buiten Abéché slaan we af naar het noorden en verlaten we de verharde weg. Er is nu alleen nog maar een zandweg, maar het is wel een veel bereden route waar je vaak tot 80 kilometer per uur haalt. Hier en daar zijn ze met de weg aan het werk – er worden leidingen geplaatst waar de overvloed aan water kan doorstromen in de regentijd.

In de plaats Kalait ‘tanken’ we – de benzine wordt uit metalen vaten gehaald met een slang. De vaten worden rondgereden op ezelkarren, net als het water.

Kalaite

Dit is de ‘leukste’ plaats die we tot nu toe hebben bezocht. Het is er levendig door het verkeer vanuit Libië dat er langs komt en een stop maakt. Er is een kleine markt, maar er zijn veel meer half-open winkels in het centrum. Je kunt hier op je gemak rondlopen en de mensen zijn vriendelijk. Het lukt hier zowaar wat te fotograferen, wat elders in de steden van Tsjaad verboden/ongewenst is (de mensen willen niet op de foto en de regering wil niet dat je de gebouwen fotografeert).

#809: Ennedi massief

Wat is het?
Het Ennedimassief omvat een spectaculair, kleurrijk landschap in een woestijnomgeving.  De vele kloven, rotsen en natuurlijke bogen zijn door erosie door water en wind gevormd. Tegelijkertijd weet hier een gevarieerde flora en fauna te overleven: hoewel het diep in de woestijn ligt, valt er regelmatig regen en zijn er permanente waterbronnen. De rotsen zijn bedekt met tot 7000 jaar oude rotskunst, gemaakt door nomaden.

IMG_7474

Cijfer: 9 (Een gebied zo groot als Nederland, ongerept. Overal waar je kijkt is het mooi, de variatie is ook groot: elke dag dat we er waren waren het landschap en de hoogtepunten anders. De rotskunst is zo overvloedig dat je het idee hebt dat je zelf nieuwe tekeningen kunt ontdekken als je net een rots verder kijkt.)

Toegang: 7 EUR (5000 CFA) per locatie (Terkei en Archei zijn bijvoorbeeld 2 separate locaties). Deze ‘tourist tax’ moet in het dichtstbij gelegen plaatsje aan de lokale chief betaald worden.

Hoeveel tijd: We waren er 4 dagen, maar je kunt er wel een week blijven.

Opvallend: Na 3,5 dag rijden vanuit N’Djamena komen we eindelijk aan bij het Ennedimassief. De ‘entree’ is al indrukwekkend, met een massief zandstenen blok dat wel een fort lijkt. Alle rotsen hier zijn door water en wind geërodeerd. Alles wat je ziet is zandsteen. We stappen uit bij “de Kathedraal”, een prachtige plek met door erosie geslepen pilaren. Beneden in het dal lopen de kamelen te grazen. Het is hier groener dan de gids hier ooit gezien heeft.

We slaan ons kamp op een paar honderd meter achter de kathedraal, midden tussen de rode rotsen. Een prachtige plek ook om wakker te worden. In de vroege ochtend zien we zelfs een man op een kameel voorbij racen, ik wist niet dat kamelen zo hard konden lopen.

DSCN7979

We wandelen deze eerste volle dag eerst langs rotstekeningen in de buurt van het kamp. Deze zijn niet zo goed te zien, maar het is een leuke wandeling. We zijn aan de oostkant van de berg Terkei. Met de jeeps gaan we daarna verderop kijken, bij de betere rotsschilderingen. Deze zijn in het rood, met afbeeldingen van “vliegende” paarden en mensen met hoofdbedekkingen. We klimmen een grot in waar nog meer rotskunst is, o.a. een grote koe.

DSCN8033

Daarna rijden we door naar een gebied waar een aantal grote stenen bogen zijn te vinden, ook het product van erosie. Bekende bogen zijn de Fluit en de Olifant.

DSCN8103

Bij de boog “Oog van Tokou” zijn ook veel oude graftombes – het enige wat men daarover weet is dat ze van voor de komst van de Islam stammen, verder onderzoek is er nooit gedaan. Ze lijken een beetje op de tombes van Al-Ayn in Oman.

’s Middags doen we een wandeling door “het Labyrint”. Het is erg heet, en de de onverbiddelijke zon is meer een tegenstander dan het terrein. De rotsen zijn hier uitgesleten tot een soort grote paddestoelen. Je kunt er tussendoor en overheen lopen, een beetje klimmen hoort er hier bij en dat is een voorbode voor wat ons de volgende dag te wachten staat.

Helaas ontkomen we ook hier niet aan de kram-kram, een irritant gras dat stekelbolletjes afstoot aan je schoenen en sokken als je er langs loopt. Als je die er dan af probeert te plukken, nestelt zich een venijnige stekel in je vingers. Het beste is om een stokje te gebruiken om ze er af te halen en geen sokken te dragen.

Die namiddag slaan we ons kamp op vlakbij de ingang tot de Guelta d’Archei, de kloof die het meest bekende element is van de Ennedi. De lokale souvenirverkopertjes weten ons al snel te vinden, en stallen hun spullen uit op een kleedje aan de rand van het kamp.

Om 7.15 gaan we de volgende ochtend op pad voor de wandeling van 1,5 uur naar de kloof. Een meisje van een jaar of 10 (Fatima), met haar kleine broertje (Omar) in het kielzog, is onze gids. De wandeling via de “geiteningang” gaat over rotsblokken waar je veel houvast hebt. Soms moet je een stukje op handen en voeten klimmen. Het is niet heel hoog, maar een paar keer moet je over een richel lopen. Het is niet iets voor mensen met hoogtevrees. Gelukkig lopen we het meest in de schaduw en waait er een frisse wind.

Guelta d'Archei

Je hoort de kamelen die dagelijks komen drinken in de kloof al van ver, het is een luid ge-moe alsof het brulapen zijn. Met een beetje hulp van tourleider Andrea kom ik ook over de laatste hindernis, een soort verticale klim. We eindigen bij hét uitkijkpunt over de kloof: daar waar alle iconische foto’s van deze plek zijn gemaakt, je kijkt van bovenaf de kloof in, recht op het gedeelte met permanent water en drinkende kamelen. Het felle zonlicht en de contrasten maken fotograferen lastig.

Er zijn zo’n 200-300 kamelen vandaag, van verschillende eigenaren. De kamelen komen in de ochtend en blijven tot een uur of 2 in de middag.

Guelta d'Archei

We speuren de waterkant ook af naar de vier krokodillen die hier nog moeten leven. Daarvan zijn er zeker drie vrouwtjes, dus het is maar de vraag of ze nog lang zullen voortbestaan. Een week na ons bezoek zal een team van de BBC hier komen om het verhaal van de krokodillen te filmen, inclusief het onderzoek of er een mannetje van een andere locatie bijgeplaatst kan worden.

Op aandringen van onze kant (ik hoef niet zo nodig 1,5 uur in de zon terug te lopen) en bemoedigende knikjes van onze gids Fatima, gaan we via de ‘kamelenroute’ terug. Dat wil zeggen: afdalen in de kloof, en dan door het water. De doorgang is zo’n 20 meter en het water rijkt tot net boven de knie. Het is ook heerlijk koel, lekker als je al een tijd geen douche meer gezien hebt. In de hele kloof is het trouwens fris, door de schaduw van de hoge rotsen en een frisse bries.

We lopen voorzichtig om de vele kamelen heen. De beesten storen zich niet aan ons, maar hun herders zijn net als vele andere veebezitters in Tsjaad niet zo happig op toeristen die de cohesie van hun kuddes komen verstoren. We blijven dus niet al te lang in de kloof zelf. De terugwandeling heeft maar 10 minuten geduurd.

Bij de ‘uitgang’ bezoeken we nog een grot met rotsschilderingen; aardig maar niet zo mooi als die bij Terkei van gisteren. In de omringende rotsen spotten we verschillende groepen huzaaraapjes – de beste plek om ze te zien tijdens deze reis. De chauffeur van ‘mijn’ jeep wijst ons ook op een mooie uil die netjes stil blijft zitten voor de foto. Helaas is dat niet het geval met de eerste fennec woestijnvos: dit is het meest gewilde zoogdiertje voor mij op deze reis, maar hij loopt al weer weg voordat ik hem zie.

Huzaarapen

Na een paar dagen in de woestijn en bij de meren van Ounianga, rijden we op de terugreis naar het zuiden door het westen van de Ennedi. Bij Bichagara is onder een overhangende rots, een meter of twee boven de grond, nog een mooi paneel met rotskunst te vinden (als je weet waar het is). De gids gaat eerst even kijken of er geen slangen zitten, en daarna kunnen wij er ook één voor één naar toe kruipen.

Dit paneel heeft duidelijke rode tekeningen van mannelijke en vrouwelijke personen. Daar overheen zijn later twee “vliegende” kamelen aangebracht in het wit.

Guelta d'Archei

Fada en de Depressie van Mourdi

We verlaten het Ennedimassief via Fada, de regionale hoofdstad. Fada is nu vooral vergane glorie, omdat het voorbij is gestreefd door Kalait als truckstop op de route Libië – N’Djamena. De vorige president van Tsjaad (in 2021 onder mysterieuze omstandigheden om het leven gekomen) wordt hier nog groots vereerd, er staan grote borden met zijn foto langs de weg. Ook is er een interessant Frans fort, nu in gebruik als legerkazerne. Er is zelfs een groot centraal plein. Daar ergens op de grond vind ik een omgevallen bord met aanduiding voor het Ennedi Nationaal Park, wat daar niet had misstaan bij de ‘ingang’.

Fada

Je ziet in Fada meer volledig gesluierde vrouwen dan elders in het land. Misschien dat er een meer conservatieve moskee is, maar buitenlandse invloeden (zoals Saoedische, wat vaak resulteert in geld voor moskeeën) vallen hier niet op. Wij tappen er water via een slang uit de tuin van een kennis, die een eigen pomp heeft. Het plaatsje lijkt ook drinkwater voor de eigen bevolking te hebben (met pompen op zonne-energie), maar later blijkt dat het systeem niet functioneert. We zijn er op een zondag, rustdag ook hier, wat de doodse indruk die de stad maakt kan verklaren. De mensen zijn er ook niet zo vriendelijk.

Het vervolg van de rit naar het noorden gaat eerst door een maanlandschap: meest kale, zwarte grond. Het lijkt vulkanisch maar het is het niet. De weg is zeer slecht, maar op de steilste stukken is hij geasfalteerd. Dat is in 2010 gebeurd, toen de president een festival in Fada hield en iedereen er natuurlijk makkelijk moest kunnen komen. Sindsdien is de weg niet meer onderhouden, maar het helpt onze voortgang nog steeds.

De volgende dag starten we met het doorkruisen van de Mourdi Depressie, een lager gelegen woestijngebied. Je ziet er verschillende types zandduinen.

Depressie van Mourdi

Er is ook een duidelijke zandweg, zelfs aangegeven met pijlen! Grappig is wel dat de pijlen alleen naar het noorden wijzen, op de terugweg moet je het klaarblijkelijk zelf maar uitzoeken. Met de vier jeeps komen we in totaal deze reis maar een keer of vier vast te zitten, vrijwel altijd was de eerste jeep de klos. Als eerste rijder moet hij het spoor aangeven. De jeeps reden altijd in een vaste volgorde: de gids uit het noorden voorop en de meest technische man als laatste. Na wat duwen door een man of vijf konden we telkens weer verder.

Depressie van Mourdi

Ook hier in de woestijn groeit nog gras, wat resulteert in een mooi gelaagd gekleurde horizon.

We kamperen beschut tussen de rotsen, het waait hier ’s nachts flink. De volgende ochtend lopen we een half uurtje door het maanlandschap richting ‘de weg’. Er liggen hier veel gekleurde steentjes op de grond, het lijkt wel een mozaïek. Ook produceert de natuur hier een soort aardewerken pijpjes: rechtopstaande cilindertjes, soms vertakt.

Demi en Teguedei

Demi is het eerste dorp dat we tegenkomen na de Depressie van Mourdi. Het ligt aan de voet van de Eyo Demi, een roodachtige zandformatie, en bestaat uit niet meer dan wat palmbomen en eenvoudige huizen. Hier halen we water bij de dorpspomp.

Het verbaast me dat ik grote sommen geld van eigenaar zie verwisselen – het water kan toch niet zo duur zijn? – maar het blijkt dat het water gratis is en we hier meteen de tourist tax voor Demi en Teguedei betalen. De man deelt het geld met een vrouw die ik voor de pomphulp had aangezien, maar de vrouw van de Chief van buurdorp Teguedei blijkt te zijn. Teguedei is buiten het seizoen van de dadeloogst verlaten, de inwoners verhuizen dan naar Demi.

Teguedei

Teguedei zelf bezoeken we de volgende ochtend. Deze palmoase is echt een plaatje: de groene palmbomen, het rode zand, de donkere rotsen. En dan ook nog een roestende Libische tank, een overblijfsel van de oorlog tussen Tsjaad en Libië in de jaren tachtig.

We worden ‘losgelaten’ in het midden van het dorp. Ook wel eens lekker om alles zonder schroom te kunnen fotograferen – er zijn immers in dit seizoen geen inwoners. Centraal staan de opslagplaatsen voor de dadels. Eén hele grote en een paar kleinere, half-ronde.

Teguedei

In Teguedei komen we ook het eerste meer tegen van de Ounianga-regio. Het ligt in een zandbassin omringd door palmen en geërodeerde rotspilaren. Je moet je wel eerst een weg banen door het palmbos om er te komen. Er zit vrij veel water in het meer., echt bijzonder om hier in de woestijn plots zoveel water te zien. Hier zien we ook voor het eerst het Ounianga typerende, schitterende kleurenspel (blauw-groen-rood-grijs) tussen meer, palmbomen, rood zand en rotsen.

De plaatsnaam Teguedei betekent “muggen” (of: “veel muggen”): het permanente, stilstaande water trekt deze beestjes aan. Gelukkig zijn ze niet te bekennen als wij er zijn.

Naast de verkoop van dadels leven de mensen hier ook van de handel in ‘rood zout’, verkregen uit het zoute meer. Dit zout wordt traditioneel door kameelkaravanen getransporteerd naar zuidelijke oases en ingeruild gierst en sorghum. Deze handel lijkt tegenwoordig wat stil te liggen. Toch vinden we onder het rode zand nog wel wat hoopjes zout.

#810: Meren van Ounianga

Wat is het?
De Ouniangameren zijn 18 met elkaar verbonden, permanente meren in een hyperaride woestijnomgeving. Ze zijn verdeeld over twee groepen die, 40 kilometer van elkaar, gelegen zijn in de Sahara in het noordoosten van Tsjaad. Het zijn de restanten van een groot meer dat hier 15.000 tot 5.000 jaar geleden lag: ze worden gevoed door fossiel grondwater. De samenstelling variëert van hyperzout tot brak en zoet water, daardoor zijn ze blauw, groen en/of roodachtig van kleur.

Ounianga Serir

Cijfer: 8 (Echt uniek, en een bijzondere ervaring om zoiets plotseling in het monotone woestijnlandschap te zien opduiken)

Toegang: Ook hier weer de gebruikelijke 5000 CFA per persoon per locatie (7 EUR). Omdat we Ounianga Serir niet in konden, betaalden we alleen voor Ounianga Kebir.

Hoeveel tijd: We waren er anderhalve dag.

Opvallend: Na weer een lange rit door de woestijn, waarbij mijn ogen een uurtje dichtvallen, staan we opeens bij een uitkijkpunt. Het biedt uitzicht op het merencomplex van Ounianga Serir, dat zich kenmerkt door de afwisseling van langgerekte stroken water en groen. Van bovenaf gezien en op een kaart heeft het een soort kartelvorm.

In het dorpje moeten we weer eerst de tourist tax gaan betalen, en de gids wil ook vragen of we mogen zwemmen in het meer. Zo ver komt het echter niet: een groep vrouwen staat ons midden in het dorp langs de kant van de weg op te wachten. Ze zwaaien met stokken en roepen “Ga weg!”. Een klein jongetje gooit ook nog een steen. Bemiddelingen van de chauffeur, die ook uit het noorden van het land komt maar niet van dezelfde stam is, mogen niet baten.

De vrouwen zijn waarschijnlijk boos dat het geld van de toeristen naar de chief gaat, die altijd afwezig is (genietend van het goede leven in N’Djamena). Maar er zijn ook geruchten over ‘naakt’ zwemmende toeristen een paar weken geleden, die de gemoederen hebben verhit.

Ounianga Serir

We verlaten Ounianga Serir dus maar weer. Veel activiteit is er sowieso niet in het dorp: veel van de mannen werken in de goudmijnen van Libië, de traditionele zouthandel lijkt op z’n retour. We stoppen nog wel bij een ander uitkijkpunt over deze meren.

Door deze tegenslag hebben we tijd gekregen om naar een ‘extra’ meer te gaan: Motro. Dit ligt ongeveer halverwege Ounianga Serir en Ounianga Kebir, de 2 grote groepen meren. We lunchen eerst lekker in de woestijn, en lopen dan ieder voor zich op ons gemak de resterende 2 kilometer naar deze oase. Hier wonen geen mensen.

Dit meertje heeft een rode gloed, het is zelfs paars aan de waterkant. Als je je een beetje door de bosjes wringt kun je tot aan de oever komen. De beste plek is echter een rotsige heuvel er net voor, vanwaar je een perfecte oase-ansichtkaart foto kunt maken. Ik had daar wel uren kunnen zitten, zo mooi!

Lake Molotrow

In de namiddag rijden we door naar Ounianga Kebir, waar het grootste meer van de regio ligt. Dit is een redelijk grote plaats, hier worden bijvoorbeeld ook alle douanehandelingen verricht voor de grens met Libië (nog 150-200km verderop). En er zijn natuurlijk koele frisdrankjes te koop! Hier worden we door de autoriteiten gelukkig vriendelijker ontvangen, en wordt ons een ‘bemiddelaar’ (of: ‘oppasser’) beloofd om de volgende dag mee te gaan bij ons bezoek aan de meren.

We slaan ons kamp op net buiten de stad, bij een grote rode zandduin. De nacht is koud (maar niet zo erg dat de slaapzak het niet aan kan) en er is veel wind.

De volgende dag halen we eerst onze begeleider op in Ounianga Kebir. Dan gaan we naar de twee kleinere meren van Katam. Deze zijn rood en turquouise. Er ligt ook veel zout. Lokale vrouwen zijn er hun tapijten aan het wassen. Er zitten watervogels, inclusief eenden.

Ounianga Kebir

Bij Ounianga Kebir zelf ligt het grootste van de Ouniangameren: Yoan. Het is 27 meter diep, en meest turquoise van kleur (hoewel zeer zout). De kleur steekt weer mooi af tegen de rotsen en het zand.

Bij het verlaten van Ounianga Kebir stopt de chauffeur tot mijn vreugde nog even bij het bord dat aangeeft dat de Ouniangameren werelderfgoed zijn. Het lijkt zomaar ergens neergeplant, maar misschien is er nog een uitkijkpunt verderop.

Borkou, Bahr-el-Gazel en Djourab

Na Ounianga beginnen we aan de lange rit terug naar N’Djamena, die ook dit keer weer 3,5 dag in beslag zal nemen. We rijden wel grotendeels via een andere, meer westelijke route. De eerste dag gaat door een landschap van dan weer zand, dan weer stenen. We komende meerdere gestrande vrachtwagens en auto’s tegen. Bij eentje, met 4 man erbij, zijn ze al 4 dagen aan het wachten op een reserveonderdeel. We geven hen, en ook de andere onfortuinlijke reizigers die we tegenkomen en erom vragen, water uit de vele jerrycans die we bij ons hebben.

DSCN8836

In een gebied genaamd Kora komen we verschillende overblijfselen tegen uit de oorlog tegen Libië in de jaren tachtig. Stapels munitie, gewoon langs de weg. En hier en daar een verroeste tank.

DSCN8888

We rijden langs een kleine oase, Namous, waar we mensen zien baden in het meertje.

In het volgende, wat grotere dorp (Ouei) komen we 2 groepen kamelen en hun herders tegen. De kamelen krijgen te drinken bij de waterput. De mannen zijn Zaghawa, van dezelfde stam als de president, en komen uit het oosten van Tsjaad. Ze komen naar deze streek om zout te halen en reizen daarna weer terug naar hun eigen regio.

In het dorp zien we ook meerdere semi-permanente nomadententen. Tijdens deze reis las ik een kort reisverhaal uit 1939 van de Brit Wilfred Thesiger over deze regio, en ook hem vielen deze al op: “Hun hutten waren gebouwd van matten die over een frame van stokken waren gelegd, ovaal van plan en 5-7 meter lang. Bij verhuizingen laten de Tubu vaak het frame achter ten behoeve van hun terugkeer in het volgende jaar.”

Achtergebleven frame van een Tubu hut

Aan het eind van het zandgebied komen we weer tussen de mooi gevormde rotsen. Dit is het westelijk deel van de Ennedi. We zien rotsen die lijken op het Australische icoon Uluru en een Sfinx. Bij Bichagara bekijken we een mooi paneel met rotskunst (de “vliegende kamelen”).

De volgende dag starten we met een kort herbezoek aan ons favoriete plaatsje Kalait om te tanken. De rit gaat vandaar verder over een snelle zandweg. Groepen Dorcas-gazellen schieten over de weg of rennen een stukje met ons mee.

Bij Todi is nog een opmerkelijke waterput te vinden: deze is zo diep dat je een 90 meter lang touw nodig hebt om het water er uit te hijsen. Dat tillen gebeurt via een katrol en een kameel doet het werk door een heel eind (nou ja, 90 meter) weg te lopen. De gids vertelt dat ze soms ook kleine kinderen aan het touw binden om de put in te gaan. Als er weinig water in zit, ligt er veel zand op de bodem dat moet worden weggehaald.

DSCN9049

Het landschap verandert weer als we bij de Djourab aankomen. Het is er vlak, kaal en grijs. In deze woestijn zijn veel fossielen gevonden, o.a. van één van de eerste mensachtigen. Het maakt deel uit van een depressie, gevormd door het paleo-Tsjaad meer dat grote delen van het zuidwesten omvatte inclusief het huidige Tsjaadmeer.

Mijn meest gewenste zoogdier om te zien op deze reis was de fennec woestijnvos. Het is een klein diertje met overdreven grote puntoren. Hij komt alleen voor in de woestijnen van Noord-Afrika. Bij het verlaten van de Ennedi had ik mijn mogelijk enige kans al gemist: ik zat op die dag in de auto met de chauffeur met de arendsogen. Hij vond voor ons eerst een kleine uil. En toen zag hij een vos! Alle anderen in mijn auto zagen hem ook terwijl ze er rechtstreeks naar keken, terwijl ik het probeerde te vinden met de zoeker van mijn camera. De vos liep weg voordat ik hem in zicht kreeg. Terugkijkend naar het terrein, denk ik dat het misschien een andere vossensoort is geweest. De fennec houden van een veel zanderigere omgeving.

Maar op deze op één na laatste dag werd mijn wens toch nog vervuld. Net voorbij de Djourab, al bijna terug in de bewoonde wereld, stopte de eerste auto van ons konvooi plotseling. Een wit kopje gluurde uit het zand en scande de omgeving met zijn lange oren. Eindelijk, de Fennec-vos! En niet één, niet twee, maar zelfs drie. Eén rende weg bij onze aankomst, de tweede hield de wacht en de derde bleef meestal in het hol. Ze hadden ervoor gekozen om hun huis midden op de ‘weg’ te bouwen.

Fennek woestijnvos

De natuur leverde even later nog een keertje: een prachtige Zwarte kroonkraanvogel liep te paraderen over de weg.

Zwarte kroonkraanvogel

Terugblik Tsjaad 2022

Tsjaad was fantastisch. Zo ongerept vind je het denk ik nergens meer ter wereld. Zelfs de groepsreis viel alleszins mee: allemaal ervaren reizigers (6 man/6 vrouw, uit 9 verschillende landen), allemaal alleen reizend en geen onvertogen woord gevallen. De verzorging door de lokale reisorganisatie SVS was uitmuntend: over elke lunch- en kampeerplek was nagedacht, het eten was fantastisch, de chauffeurs reden veilig en we kwamen elke dag ruim voor zonsondergang bij het nieuwe kamp aan.

Het land kenmerkt zich door de wijdse landschappen, de natuur en het nomadische leven. Hierin is het nog het meest te vergelijken met Mongolië, en een beetje met Namibië (maar daar is het toerisme meer ontwikkeld). Hoogtepunt van de reis was het Ennedi-massief. Op plek 2 en 3 staan de rijk versierde kamelenkaravanen die we tegen kwamen in de Sahel, en het oasedorp Teguedei.

Voorbereiding

Dit was weer eens een keertje ‘ouderwets’ voorbereiden:

  • Ik bezocht het KLM health center om mijn gele koorts certificaat te laten updaten in mijn gele vaccinatieboekje (deze is sinds enige tijd levenslang geldig). Nieuwe vaccinaties waren gelukkig niet nodig. Ik nam wel een recept voor malariatabletten mee; daarvan at ik er een paar todat we in de droge zone kwamen.
  • Ik verzekerde me van een visum. Tsjaad maakt het je niet al te moeilijk: formuliertje, pasfoto, 70 EUR. Ik regelde het via een visumservice omdat er een dubbel bezoek aan de ambassade in Brussel nodig is.

Ik wist dat er niet al teveel telefoonbereik zou zijn – en vooral wat betreft data klopt dat – dus ik kocht geen Tsjadische simkaart. Wel nam ik een aanvullende databundel op mijn KPN mobiele abonnement, voor 15 EUR. De 25MB(!) was alleen goed voor wat whatsapp-verkeer, maar ik nam het vooral als ‘verzekering’ als ik een keertje moest bellen bijvoorbeeld vanaf het vliegveld.

Om het leed van het kamperen te verzachten nam ik mee: ‘echt’ kussen (nam een derde van mijn reistas in beslag, maar was heerlijk), slaapzak, vochtige washandjes van Kruidvat, WC papier, oordopjes (zodat je niet de hele nacht ligt te luisteren naar geritsel) en wat repen ontbijtkoek als snack tussendoor.

Qua kleding droeg ik meestal sneldrogende T-shirts (als je ze een uur of twee aan de tent vastklemt zijn ze weer droog), een bermuda tot net over de knie en wandelsandalen.

Vervoer

Internationale vluchten
Ik vloog met Air France rechtstreeks tussen Parijs en de Tsjadische hoofdstad N’Djamena. Vanwege de vliegtijden en krappe connecties koos ik ervoor om een nacht (en middag) in Parijs door te brengen in plaats van in de buurt van Schiphol. Ik reisde met de trein naar Parijs.

De Air France lounge op CDG is prima. Heen was het 5,5 uur vliegen, terug 7 a 8 uur (dan maken ze nog een tussenstop in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja; je kunt aan boord blijven zitten). Er was volop entertainment op de schermpjes, het eten was niet zo bijzonder. Ik zat in een rij met slechts 2 stoelen naast elkaar, en op de terugweg had ik die helemaal voor mezelf.

Jeeps
We reden met 4 jeeps, met 12 passagiers plus kok en hulp. Dat betekent dat er 2 auto’s waren met 3 passagiers en 2 met 4. We rouleerden tussen de auto’s, maar na verloop van tijd krijg je wel een favoriete auto. De kok en hulp offerden zich altijd op om in het midden te zitten. Hoewel dit een aardig compromis was, is het nog steeds beter om maar 3 passagiers in een auto te hebben: je zit eigenlijk de hele dag in de auto en het is warm (de zon schijnt ook fel naar binnen).

De auto’s en de bestuurders waren voortreffelijk. Ze wisten het totaal te beperken tot 2 lekke banden, die snel verwisseld werden.

IMG_7398

Hotels

We sliepen 1 nacht in een hotel en 13 nachten lang was het wildkamperen.

N’Djamena: Irissor Hotel
Dit is een voormalig Ibis-hotel, gelegen in een compound met andere hotels en zwembad/restaurant in een buitenwijk van N’Djamena vlakbij het vliegveld. Kamer en ontbijt zijn nog typisch Ibis. Bij de receptie spreken ze goed Engels en kun je geld wisselen.

Elders: Tent
De tenten en matrassen werden geleverd door de reisorganisatie en waren van goede kwaliteit. Na de eerste dag lukte het me ook prima hem zelf op te zetten (soms met wat hulp als het erg waaide). Gedurende de meeste nachten had ik er genoeg aan om alleen het gaas voor en achter dicht te ritsen: dan waait het lekker door. Ik sliep vaker op mijn slaapzak dan er in, hoewel het op een paar plekken in de noordelijke woestijn ’s nachts wel behoorlijk afkoelde.

IMG_7421

De meeste avonden en ochtenden was er voor iedereen een bak water beschikbaar om je mee te wassen (mij bevielen de natte washandjes van Kruidvat trouwens beter).

Eten

De logistiek van de hele kampeertrip was strak georganiseerd. Na een dag of zo had je wel door wat de routine was en wat je waar en wanneer kunt verwachten. Drinkwater zat bijvoorbeeld altijd in een speciaal te herkennen jerrycan, waaruit je op het kamp en tijdens de lunch onderweg naar believen over kon schenken in je eigen drinkfles.

Ontbijt
Om 6 uur stond iedere ochtend een gedekte tafel met ontbijtproducten klaar. Meestal was er brood (stokbrood of pita), de ene dag wat verser dan de andere. Er was zoet beleg en Kiri kaasjes. Verder cornflakes en vaak ook omelet. Heet water was er om koffie en thee te maken, plus pakken vruchtensap.

IMG_7446

Lunch en tussendoor
Elke middag namen we zeker anderhalf uur de tijd om te lunchen. Niet alleen om de kok de tijd te geven iets klaar te maken, maar ook als een siësta-moment op het heetst van de dag. Bijna elke dag aten we een lekkere salade (elke dag een andere!), met fruit toe. De maaltijd sloten we af met vers gezette thee.

Meerdere keren maakte we onderweg een stop in een plaatsje. Dan was het altijd uitkijken naar een grote witte vrieskist voor een winkel: dat betekent dat ze koele drankjes hebben. Het was verrassend hoe groot het aanbod was: Cola, Fanta en Sprite, maar ook Chinese mangodrank en een soort alcoholvrij malt-drankje (populair bij de chauffeurs). Een drankje kost tussen de 300 en 500 CFA (ca. 0,60 EUR).

Diner
Het diner was elke avond rond 7 uur. Vanaf half 7 waren er al drankjes te krijgen (wijn en zelfgemaakte vruchtendrank), vergezeld door nootjes en Italiaanse vleeswaren. De tourorganistie is (half-)Italiaans, en ze hadden 20 kilo eten uit Italië meegenomen: pesto, padano kaas, allerlei soorten verse worst, een grote variatie aan pasta’s, cake. De kok kocht daarnaast op de markten in de grotere plaatsen waar we langskwamen verse groente, fruit en soms ook vlees. De meeste avonden aten we daarom ook Italiaans, of Italiaans-achtig.

Van de Tsjadische keuken proefden we de kamelenbarbecue (echt lekker op een open vuur gegrild vlees) en het nationale gerecht: gierstpap (“polenta”) met gedroogde okra en gedroogd vlees.

Kosten

Alle kosten zitten eigenlijk in de georganiseerde reis. Daarnaast gaf ik ter plekke slechts een paar EUR uit, uitsluitend aan koele drankjes. Ik wisselde 50 EUR om in CFA in het hotel in N’Djamena, maar verbruikte er daarvan slechts ca. 10 EUR (de rest stopte ik bij de fooien voor gids en crew).

Met 343 EUR per dag (exclusief internationale vlucht/trein) zit ik maar liefst zo’n 100 EUR per dag boven wat ik ooit voor een reis betaald heb. Slik. Ik heb er zeker geen spijt van, maar ga het ook niet elk jaar doen. Veel van mijn medereizigers doen meerdere van dit soort tours per jaar, dat is een kostbare hobby en wat mij betreft blijft een tour het uiterste middel (als het echt niet zelfstandig kan).

De kosten, gedeeld door 15 dagen, waren als volgt verdeeld:

LandPer dagTourVisumVaccinatiesOverig
Tsjaad343 EUR319 EUR11 EUR7 EUR6 EUR

Leave a comment

Previous:
Next: