- In Andorra
- #542: Madriu-Claror-Perafitavallei
- #543: Vallei van Boí
- #544: Pyreneeën, Monte Perdido
- Afscheid van de bergen
In Andorra
Er wonen in heel Andorra maar zo’n 85.000 mensen, en de officiële taal is Catalaans. Het land is pas na de Tweede Wereldoorlog uit zijn isolement gekomen, dankzij de toeristenindustrie die de weg naar dit belastingluwe bergstaatje goed heeft weten te vinden. Andorra is trouwens niet meer het belastingparadijs van vroeger: de staat heft al enkele jaren BTW (4%), en vorig jaar is voor het eerst inkomstenbelasting aangekondigd onder druk van de EU in verband met de internationale jacht op belastingontduikers.
Dit is mijn eerste “echte” bezoek aan dit Pyreneeënland: een jaar of 25 geleden ben ik er wel eens met een bus op weg naar Spanje doorheen gereden, maar daar staat me verder niks van bij. Nu ga ik er het enige werelderfgoed bekijken dat het land rijk is, en gewoon anderhalve dag even de sfeer opsnuiven.
Ik heb een auto gehuurd op het vliegveld van Barcelona, en rijd vanaf daar rechtstreeks naar het noorden de bergen in. Na twee uur is de Spaanse snelweg ten einde (een irritante tolweg trouwens waar je om de haverklap een paar EUR moet betalen), en rest nog een soort provinciale weg Andorra in. Andorra is geen lid van de EU of Schengen, maar de grenscontrole stelt niks voor. Ik had nog wel speciaal mijn paspoort uit mijn rugzak gehaald, maar de grens is onbemand.
Al direct over de landsgrens zie je waar Andorra tegenwoordig zijn bestaansrecht aan ontleent: goedkope boodschappen voor de Spaanse en Franse buren. Aan uiterlijk vertoon doen ze hier niet, het bewoonbare deel van het bergachtige land is gewoon volgebouwd met reuzensupermarkten. Toevallig moet ik ook wat eten en drinken inslaan voor mijn wandelingen de komende dagen, dus bij de eerste de beste supermarkt ga ik naar binnen. Echt ongelooflijk groot, en zelfs de karretjes en mandjes hebben een reuzenformaat. De mensen die hier boodschappen doen nemen vast altijd heel veel in één keer mee. Voor een luttele 10 EUR slaag ik ook goed met een boodschappentas vol.
Andorra bestaat wel uit verschillende dorpen en steden, maar die zijn zo aan elkaar gegroeid dat je het verschil niet eens meer ziet. Het is eigenlijk één grote agglomeratie met vooral veel benzinestations en winkels. Andorra la Vella is de hoofdstad, en mijn verblijfplaats Engolasters ligt daar iets boven tegen de bergwand. Je komt er via een leuke slingerweg met haarspeldbochten.
Aan deze weg ligt een 12e eeuws kerkje dat op de Voorlopige Lijst voor het Werelderfgoed staat. Dat moet ik dus even zien, hoewel de kans klein is dat het ooit op de echte lijst komt. Het is niet te missen, je rijdt er gewoon langs. Letterlijk dan ook, want ik zie geen parkeerplaats in de buurt. Even verderop keer ik daarom maar, en rijd nog eens hetzelfde stuk naar beneden en dan weer naar boven. Na nog eens goed kijken lijkt het wel vertrouwd om mijn hele kleine Hyundai langs de kant van de weg te zetten.
Heel veel is er niet aan te zien. Het ziet er oud en breekbaar uit. Je zou haast gaan vrezen voor een flinke storm. De ranke klokkentoren is het mooiste deel. De deur is op slot dus ik maak wat foto’s en ga dan weer verder.
Slechts een paar kilometer verderop, aan het eind van de weg, ligt mijn hotel voor deze nacht. Aan de grootte van de parkeerplaats te zien krijgt Hotel Camp del Serrat flink veel bezoekers. Misschien zijn het ook dagjesmensen, die in de buurt wandelen en eten in het restaurant van het hotel. Ik word bij de receptie zelfs al herkend (“Elsa?”), en krijg kamer nummer 13. Ook meld ik me aan voor het diner van vanavond: bij het hotel zit het enige restaurant in verre omstreken.
Het weer is de hele middag al een beetje instabiel: bewolkt, af en toe een regenspetter. Maar ik ben al zo vroeg in het hotel dat ik best deze middag nog een korte wandeling kan doen. Ik neem de route rond het Meer van Engolasters. Dat ligt naast het hotel. Van een gemarkeerde route is trouwens maar weinig te zien, maar het spreekt voor zich: je ziet het meer de hele tijd liggen. Het ligt op 1620 meter hoogte, en op de achtergrond zie je zelfs nog besneeuwde bergtoppen.
De temperatuur is een aangename 18 graden en ik maak in een uurtje een ruime ronde. Vast een beetje inlopen voor de wandeling van morgen, maar dat heb ik zondag natuurlijk ook al wel gedaan toen we ruim 2 uur liepen. Er wandelen nog een paar andere mensen, maar druk is het niet.
Ik loop bovenlangs door het bos terug. Langs de kant van de weg staan de bloemen in bloei, en vooral ook de roze rododendrons. Een mooi gezicht.
Terug bij het beginpunt loop ik nog een stukje de grote weg naar beneden. Hier had ik vanuit de auto een informatiekiosk gezien, en daarvandaan vertrekken ook de wandelingen. Ik krijg van de man in de kiosk een wandelkaart van de Madriu-vallei mee, en hij raadt me ook de route aan die ik zelf ook al van plan was te gaan lopen. Een redelijk gemakkelijk pad van 13 kilometer zo het werelderfgoed in. Hoe dat verloopt zien we morgen wel. Nu is het tijd voor wat ontspanning op de kamer, en afwachten wat de pot schaft (konijntje geloof ik).
#542: Madriu-Claror-Perafitavallei
Wat is het?
De Madriu-Claror-Perafitavallei staat voor de traditionele levenswijze van de inwoners van Andorra. De hooggelegen vallei met ijzige landschappen en gletsjers werd en wordt elke zomer gebruikt als zomerweide voor koeien, schapen en paarden. Het natuurgebied beslaat ongeveer 9% van de totale oppervlakte van Andorra. Er lopen geen wegen de vallei in. Er zijn twee dorpjes met in totaal 12 huizen, die alleen in de zomer worden bewoond.
Cijfer: 6,5 (Het is een mooi natuurgebied, maar daarvoor is het geen werelderfgoed geworden. De verbintenis met het “cultuurlandschap”, door de eeuwen heen gevormd door de herders die hier in de zomer verbleven, is dunnetjes. Zelfs midden in de zomer, in juli, heb ik er geen vee of herders gezien. De tijdelijke huizen lijken ook onbewoond. Kortom: mooi genoeg voor een wandeling maar niet echt spectaculair.).
Toegang: Er is geen entreeprijs. Er staat zelfs geen bord dat je een nationaal park of werelderfgoed betreedt.
Hoeveel tijd: Ik heb er een halve dag gewandeld.
Opvallend: Je kunt hier dus alleen te voet je vinkje halen. Ik had vooraf al de Fontverdroute uitgezocht, een wandeling van 13 kilometer tot halverwege de vallei. Iets voor negenen ben ik bij het startpunt. Het begint allemaal heel gemakkelijk met een breed en vlak bospad. Er komt zelfs nog een mountainbiker langs, het lijkt wel wandelen in Nederland. Na een half uurtje wordt het pad rotsachtiger en smaller, en het klimmen stevig. Pas vanaf de Col de Jovell (na 45 minuten lopen) ben je binnen de grenzen van dit werelderfgoed. Hier zijn de vergezichten de vallei in echt prachtig.
Hier word ik ook ingehaald door een groepje Franse en Nederlandse toeristen, die een trek te paard door de vallei maken. Ze zaten gisteravond ook bij mij in het hotel. De aantrekkingskracht van paardrijden ontgaat mij altijd een beetje, en zeker ook hier op het rotsachtige pad. De ruiters moeten de hele tijd naast hun paard lopen. Als ze eenmaal voorbij zijn wordt het nog eenvoudiger om het juiste pad te volgen: overal liggen grote, verse paardendrollen waar de vliegen zich te goed aan doen.
De gewone bewegwijzering is hier trouwens ook prima. Er zijn maar een paar paden, en die staan met bordjes en tekens aangegeven. Ik volg eerst de rood-witte strepen van de lange afstandswandelroute GR 11. Het is een intensieve wandeling door het vele stijgen en dalen en de rotsachtige ondergrond. Je moet dus vooral op de grond voor je kijken. Erg veel is er in de omgeving overigens ook niet te zien, de kleine nederzettingen met stenen huizen en schuren liggen er verlaten bij.
Het laatste stuk naar mijn einddoel Fontverd is vrij vlak en loopt naast de rivier de Madriu, waarnaar de vallei ook genoemd is. Het water stroomt er flink. Zon en wolken hebben elkaar de hele tijd afgewisseld tot nu toe: maar op het eind begint het toch echt te regenen en trek ik mijn pasgekochte soft shell jack aan. Die is eigenlijk bedoeld voor mijn komende reis naar Canada, speciaal voor wisselende weersomstandigheden in de bergen. Hij houdt wind en regen tegen.
Net als bij de wandeling van afgelopen zondag regent het het hardst net als ik in een open gedeelte ben. De weides rondom de berghut van Fontverd bieden geen beschutting. Ik moet zelfs wat stroompjes overspringen en door drassig land stappen. Gelukkig is het in de hut zelf droog. Je kunt hier overnachten of pauzeren, maar je moet zelf alles meenemen. Ik eet wat van mijn proviand op en hoop dat de regen zal stoppen.
Helaas blijft het gieten. Na een half uur pauze loop ik toch maar terug. Ik volg nu de gele stippen van een iets lichtere route. Het blijft maar regenen en ik heb op de terugweg geen enkele foto meer gemaakt. Mijn jack houdt het net als mijn schoenen een hele tijd vol, maar tegen anderhalf uur continue regen zijn ze niet bestand. Ik arriveer als een verzopen kat bij mijn auto. Daar heb ik gelukkig droge kleding en ik kleed me helemaal om. Nog best knap binnen de kleine ruimte van de huur-Hyundai.
#543: Vallei van Boí
Wat is het?
De Catalaans-Romaanse kerken van de Vallei van Boí zijn 9 kerkjes uit de 11e en 12e eeuw. Ze liggen diep in de Pyreneeën en het Christendom is hier altijd krachtig geweest, ook toen de rest van het Iberisch schiereiland door Arabieren werd overheerst. Uit Italië, Lombardije om precies te zijn, namen Catalaanse pelgrims de karakteristieke bouwstijl en handwerkslieden mee. Vooral de zeer hoge torens vallen op: ze dienden als klokkentoren en als uitkijk in geval van een aanval. Dat deze kerken als groep bewaard zijn gebleven maakt ze uitzonderlijk.
Cijfer: 7 (Ze liggen prachtig, deze kerken. Bijna allemaal liggen ze aan de rand van middeleeuwse dorpjes, met de hoge bergtoppen van de Pyreneeën op de achtergrond. Helaas zijn de originele interieurs en muurschilderingen verloren gegaan of verplaatst naar het Catalaans Nationaal Museum in Barcelona. Ik heb er 5 van de 9 bezocht, toen had ik het wel gezien.).
Toegang: Voor 10 EUR koop je een kaartje waarmee je 5 kerken en het museum in mag.
Hoeveel tijd: Een minuut of 10 per kerkje. Ze liggen niet ver van elkaar, telkens zo’n 10 minuten rijden.
Opvallend: Ik heb overnacht in het gehucht Erill la Vall. Daar ligt ook het museum annex bezoekerscentrum van de kerken van de Vallei van Boí. Ik begin er mijn ronde tegen tienen, net na weer een vreselijke bui. In het museum krijg ik een video in het Engels voorgeschoteld. Die maakt aanschouwelijk hoe de middeleeuwse edelen en bisschoppen van deze regio te paard op pelgrimage naar Rome gingen, en onder de indruk raakten van de bouwkunst. Eenmaal thuis wilden ze dat hun kerken ook zo mooi werden, en ze huurden daarvoor bouwmeesters uit de Italiaanse streek Lombardije in.
De kerk van Erill la Vall ligt ernaast. Ik krijg een map met toelichting in het Engels mee, maar er is binnen niet veel te zien. Het lijkt of het beschrijft wat er ooit geweest is, nu zijn de stenen muren wit en kaal. Alleen boven staan nog wat restanten. Zo is er een heiligenbeeld dat gebruikt werd om huilende kinderen stil te krijgen, als ik het goed begrijp.
Taüll is het volgende plaatsje dat ik bezoek. Daar is het een stuk toeristischer: er is een groot parkeerterrein en er staat zelfs een touringcar. Gelukkig is het inmiddels stralend zonnig weer geworden, want hier ligt de meest fotogenieke kerk van het stel: Sant Climent. Taüll heeft zelfs 2 kerken bij de 9, en ik ga eerst binnen kijken bij de kleinere die in het centrum van het plaatsje ligt. Van buiten is het niet zo bijzonder, maar binnen boven het altaar en op een deel van de muren zijn gerestaureerde muurschilderingen te zien. Bij de grotere kerk van Sant Climent is het precies andersom: van buiten schitterend, binnen vrij kaal.
In het dorpje Boí ligt een volgend exemplaar. Ook hier is een grote parkeerplaats bij en ben ik zeker niet de enige bezoeker. Het is een robuust stenen kerkje met aan de binnenzijde veel felgekleurde reproducties van de originele muurschilderingen. Zo kom ik onder andere een afbeelding van een kameel tegen (of is het een heel raar paard?). Tot slot, langs de grote weg, ligt in een weide het kerkje van Barruera.
#544: Pyreneeën, Monte Perdido
Wat is het?
De Monte Perdido (of Mont Perdu in het Frans) is met 3355 meter de op twee na hoogste piek in de Pyreneeën. Hij ligt in het gelijknamig kalksteengebergte op de grens tussen Spanje en Frankrijk. Er is een groot verschil in landschap en klimaat tussen de noordzijde (in Frankrijk) en de zuidzijde (in Spanje). De droge Spaanse kant kent twee diepe kloven, en de vochtige Franse drie (half cirkelvormige) keteldalen. Dit is een gemengd werelderfgoed: naast de natuur wordt net als in Madriu in Andorra het cultuuraspect van herders en hun kuddes in ere gehouden.
Cijfer: 7,5 (Op de mooiste punten doet het wat aan een Amerikaans Nationaal Park denken: die roodgekleurde rotswanden, de diepe kloof waar je doorheen loopt, de vele watervallen. De piek van Monte Perdido zelf bleef vandaag helaas verscholen achter de wolken. Over het algemeen vind ik de Alpen toch spectaculairder, misschien komt dat doordat je daar met kabelbaantjes erg hoog kunt komen en prachtige vergezichten krijgt over rijen van hoge pieken.).
Toegang: Ik bezocht het Ordesa Nationaal Park aan Spaanse zijde. Er is geen officiële ingang en dus ook geen entreeprijs. Wel moet je er (in de zomer) met een shuttlebus naar toe vanaf het dichtstbijzijnde plaatsje Torla. Een retour voor de bus kost 4,5 EUR.
Hoeveel tijd: Je kunt er verschillende wandelingen maken. Ik ben zo’n 6 uur in het park geweest.
Opvallend: Vantevoren twijfelde ik over een wandeling van 7 uur bovenlangs, of van 5 uur door het dal van de vallei. Mijn ervaringen in Andorra twee dagen geleden deden me besluiten om voor de kortere route te kiezen: minder klimmen en minder nat als het gaat regenen. De weersverwachting voor deze zaterdag is overigens prima, slechts 5% kans op neerslag. Om half 8 sta ik dan ook al bij de bushalte in Torla om de shuttlebus naar het nationaal park Ordesa te nemen. Er komen nog 10 andere vroege wandelaars opdagen voor het ritje van een kwartier.
Bij de ingang van het park is niet veel te beleven, alle wandelingen starten vanaf het parkeerterrein en dat is het wel zo’n beetje. Ik loop de route naar de Cola de Caballo, een waterval aan het eind van de vallei op 3 uur loopafstand. Heen en terug is de route 17 kilometer. Het eerste uur loop je over een bospad. Hoewel het geleidelijk omhoog gaat, is het nog flink klimmen. Ik begrijp meteen waarom de heenweg 3 uur duurt en de terugweg over hetzelfde pad maar 2 uur. Behalve een heel klein muisje zie ik niets vermeldenswaardigs.
Na anderhalf uur begint het pas mooi te worden: dan ben je het bos uit en loop je langs de rivier midden door de vallei. Op dit gedeelte is het pad vlak. Het is heerlijk lopen. Het ruikt ook nog eens lekker door de vele bloemen die langs de kant in bloei staan. Op een enkele langeafstandswandelaar (te herkennen aan grote rugzak) na, kom ik niemand tegen. Ik zit een tijdje op een steen aan het water om wat te eten en te drinken, een heerlijk plekje.
Iets verderop kom je bij een deel met een reeks watervallen in de snelstromende rivier. Hier moet je langsklimmen. Dit blijkt de voorbode te zijn voor het derde soort terrein dat de route aandoet. Bovenaan de klim wacht een echte hoogvlakte. In de verte zie je de Monte Perdido en zijn buren, allen half in de wolken. Er loopt een recht pad naar het einde van de vallei, net onder die bergen. Je zit hier een stuk hoger en het is er ook voelbaar kouder. Er groeit niet veel meer.
Vlakbij de afsluitende waterval (de Cola de Caballo) ligt een kudde koeien te luieren. Twee hebben het vast koud, die staan dicht tegen elkaar aan. De waterval zelf is hét punt voor alle wandelaars om de meegebrachte snacks of lunch op te eten. Er zijn nog een stuk of 4 anderen als ik er aankom, en er komen zelfs al 2 mensen naar beneden van het hoge pad langs de bergwand. Hoe vroeg moeten die wel niet weg zijn gegaan, of ze lopen gewoon snel.
Ik pauzeer er een minuut of 20. Het is te fris om lang te zitten, dus ik begin maar weer aan de terugtocht. Helaas is dat over hetzelfde pad. Je merkt wel meteen dat het zo aan het einde van de ochtend een stuk drukker wordt. In totaal kom ik minstens 100 wandelaars tegen in de ruim 2 uur die de terugtocht duurt. Sommigen hebben hele kleine kinderen bij zich, ik vraag me af of die het einde van de vallei halen. Misschien gaan ze alleen bij de eerste watervallen kijken.
Tegen half 2 ben ik weer terug bij de ingang, waar de volgende shuttlebus alweer staat te wachten. Ik merk nu al dat ik behoorlijk stijf ben geworden door de voortdurende afdaling op de terugweg.
Afscheid van de bergen
Mijn terugvlucht vanaf het vliegveld van Barcelona vertrekt pas om 19.55 uur en het is 3,5 uur rijden vanuit de Pyreneeën. Nog genoeg tijd om onderweg wat te bekijken dus. Ik wilde eigenlijk uitslapen, maar heb het einde van de voetbalwedstrijd van Oranje op zaterdagavond niet afgewacht: hij werd niet uitgezonden op de Spaanse TV. Na een goede nachtrust werd ik gewekt door de stralende zon, en stond ik toch al weer op tijd naast mijn bed.
De eerste tussenstop van vandaag is een ander deel van het Ordesa Nationaal Park. Het ligt op zo’n 40 minuten rijden. Je komt er via een binnenweg vol haarspeldbochten en weinig richtingborden. Mijn doel is de kluizenaarsgrot van San Úrbez. Met wat doorzettingsvermogen weet ik het te vinden. Vanaf mijn parkeerplekje is het nog een kwartier naar beneden lopen. Onderaan blijkt nog een parkeerplaats te zijn, maar daar kun je van de kant vanwaar ik kwam niet bijkomen. Gelukkig is het heerlijk weer en de omgeving mooi. Je ziet hier opvallend veel kleurige vlinders.
Vanaf de parkeerplaats is een wandelroute van ongeveer een uur uitgezet door de Añisco kloof. De bergen zijn hier uitgesleten door het water van twee rivieren, die hier samenstromen. Hoewel de rotsen dezelfde roodbruine kleur hebben als die ik gisteren zag, is de omgeving verder toch net iets anders.
De heilige Úrbez streek hier in de 8e eeuw in een grot neer, en leefde als kluizenaar. Na zijn dood heeft deze locatie de status van pelgrimsplaats gekregen. Om de grot is een stenen muurtje gemetseld. Via een trap kun je naar boven. De ijzeren poort tot het heiligste is echter gesloten. Wat er achter ligt ziet er rommelig uit.
In de buurt van deze grot moeten ook prehistorische rotstekeningen zijn. Ik vind echter geen spoor. Hoewel de wandelroute is gelardeerd met informatieborden over het landschap en het verhaal van San Úrbez, is er niets aangegeven over deze oude tekeningen. Zoeken op de rotsachtige bergwanden heeft ook geen zin. Ik heb ooit al geleerd bij deze Mediterrane rotskunst dat het wel uitgelegd moet worden voordat je weet waar je moet kijken.
Op de terugweg naar de parkeerplaats komt nog een grote verrassing voorbij vliegen: door de kloof suist een enorme roofvogel. Meteen ben ik ervan overtuigd dat dit een lammergier moet zijn, de soort die hier in de Pyreneeën als een van de laatste plekken in Europa zijn thuis heeft. Hij verschilt van andere gieren door zijn spanbreedte tot 2,80 meter en zijn witte gevederde kop. De teleurstelling van het missen van de rotstekeningen is meteen weer voorbij. Wat een prachtomgeving!
Als ik met de auto verder rijd, kom ik een paar kilometer verderop boven een bergpas een hele groep cirkelende gieren tegen. Welke soort dit precies is, kan ik niet zeggen. Wat nazoekwerk op internet achteraf doet vermoeden dat dit vale gieren waren, door dat cirkelgedrag. Hoe dan ook, het zijn nog steeds imposante grote beesten die ik niet graag op me af zie komen.
Mijn tweede tussenstop van vandaag heb ik ingepland in Lleida. Dit is een Catalaanse provinciestad met zo’n 130.000 inwoners. De bedoeling is om het oude centrum te bekijken en uitgebreid te gaan lunchen. Ik ben echter zo lang in de Añisco kloof en omgeving gebleven, dat ik wel op de tijd moet gaan letten. Voor het eten moet je hier ook minstens een uur uittrekken.
Lleida heeft een moderne “benedenstad” en een historische bovenstad. Ik parkeer beneden, en hoop dan via een lift of zo naar boven te kunnen. De roltrap die ik tegenkom blijkt niet te werken, en het is ook een veel te groot hoogteverschil om lopend te overbruggen. Ik beperk me daarom maar tot een klein rondje door de benedenstad, waar een enkel historisch gebouw wordt omringd door veel winkels. Het maakt allemaal een wat armoedige indruk.
Langs de grote doorgaande weg waar ik ook mijn auto in een ondergrondse garage heb geparkeerd, stuit ik toch op een aantrekkelijk restaurantje. Het dagmenu kost hier 15 EUR, dat betekent dat het in ieder geval een pretentie van kwaliteit heeft. Meestal betaal je zo’n 12 EUR voor een standaard 3-gangen menu in dit deel van Spanje. Je ziet zelfs menu’s voor 9 EUR, maar dan krijg je niet veel meer dan goedkope ingrediënten als een gebakken ei of een worstje. De Spaanse keuken is niet altijd om over naar huis te schrijven: het is regelmatig veel, vet en zout.
Met dit Delilleida heb ik toch toevallig een goede vondst gedaan. Er zitten al een paar Spaanse families te eten. Ik kies voor de 3 gangen: paëlla, gegrild lamsvlees en ijs toe. Bij de familie aan het tafeltje naast mij worden borden vol slakken geserveerd. Dat is de regionale specialiteit hier, ik had het ook wel eens willen proberen maar zag het niet staan op de in het Catalaans en Spaans gestelde menukaart. Maar mijn keuze smaakt me ook prima. Je kunt in de open keuken de kok aan het werk zien, alles wordt vers gemaakt dus dat wekt vertrouwen. Al met al een passende afsluiting van deze korte reis.




















Leave a comment