World Heritage Traveller

Mauritius 2010

Written by:

  1. Route Mauritius 2010
  2. Port Louis
  3. Eureka – Ik heb het gevonden
  4. Gekleurde aarde
  5. Een zondags uitje
  6. Nederlanders op Mauritius
  7. Genieten in het Nationaal Park
  8. Terugblik Mauritius 2010
    1. Geld
    2. Vervoer
    3. Hotel
    4. Eten

Route Mauritius 2010

Route voor een reis van een week door Mauritius.

Van dag tot dag
DatumProgrammaVerblijf
17 novemberVertrek van een rustig Schiphol om 13.35 uur. Overstappen in Parijs. Daar stappen we met z’n 437-en in een Boeing 747 van Air France naar Mauritius. Het is een oud toestel, je hebt
niet eens je eigen entertainmentschermpje. Ik heb een 660 pagina’s dik boek bij me dus ik vermaak me gelukkig wel.
Vliegtuig
18 novemberVolgens mij heb ik ook nog behoorlijk geslapen op de vlucht van 10,5 uur. Ik word wakker door de geur van koffie: het ontbijt een uur voor de landing. Op het vliegveld staat een mannetje van het hotel me op te wachten, en deze chauffeurt me ook in 3 kwartier naar Quatre Bornes. In het hotel ga ik eerst nog even 2 uurtjes liggen. Daarna voel ik me goed genoeg om boodschappen te doen bij de Spar aan de overkant, en al op stap te gaan naar Port Louis.
Ik ga met de bus, loop er een paar uurtjes rond, zie mijn eerste werelderfgoed hier en eet mijn favoriete inktvis. Om half 3 ben ik weer terug in het hotel, waar ik de rest van de dag relaxend doorbreng op het balkon en op bed.
El Monaco Hotel, Quatre Bornes
19 novemberOm 9 uur met de bus naar het plaatsje Moka. Vandaar te voet naar de plantagewoning Eureka House. Daarna had ik bedacht naar Curepipe te gaan. Maar aan het eind van de ochtend begint het te gieten en stromen de straten vol. Ik lunch daarom maar in Quatre Bornes en trek me
terug in het hotel. Later in de middag schijnt de zon gelukkig weer. Ik loop de hoofdstraat een keer heen en weer, drink een cappucino in een cafeetje en lees lekker verder in mijn dikke boek op het balkon van mijn hotelkamer. ’s Avonds Indiaas gegeten aan de overkant bij Happy Rajah.
El Monaco Hotel, Quatre Bornes
20 novemberAl om 8 uur op pad voor een dagje natuur en wandelen. Ik beland uiteindelijk in Chamarel, in de zuidwestpunt van Mauritius. Flink aan mijn conditie gewerkt daar, en gelukkig bleef het droog (hoewel het wolkendek almaar toenam). ’s Avonds in het winkelcentrum van Quatre Bornes Amerikaans/Mexicaans gegeten bij Golden Spur. Met een ijsje na op de terugweg.El Monaco Hotel, Quatre Bornes
21 novemberZonnige dag vandaag (vannacht heeft het hard geregend). In de ochtend naar de botanische tuin in Pamplemousses. Weer met de bus, overstap in Port Louis. Daar ruim een uur rondgelopen. Een inktvissalade als lunch gegeten aan de haven van Port Louis. Aan het begin van de middag terug in het hotel, daar in de zon aan het zwembad gelegen.El Monaco Hotel, Quatre Bornes
22 novemberVolle dag, vanaf 7 uur. Eerst naar Vieux Grand Port, leuk rondgelopen in het Nederlands fort en -museum. Daarna naar het stadje Mahébourg: markt bekeken, nationaal historisch museum en wat door het centrum gelopen.
Heerlijk gegeten bij Chez Patrick (beste van de hele reis): viscurry. Terug in Quatre Bornes avondeten gehaald bij de Spar, en helemaal naar het nieuwe winkelcentrum gelopen voor een cappucino (moet je eerst een soort Prins Claus-plein te voet voor oversteken).
El Monaco Hotel, Quatre Bornes
23 novemberHeerlijke dag vandaag: hoe vaak maak je het mee dat je op 1 dag in de stralende zon een
prachtig nationaal park bezoekt, een werelderfgoed afstreept, luncht in een cafeetje met cappucino en een gegrilde kaassandwich, anderhalf uur een mooi boek leest aan het zwembad, naar de kapper gaat en eindigt met overheerlijk Indiaas eten?
El Monaco Hotel, Quatre Bornes
24 novemberOm 6 uur vertrek bij het hotel, 18 uur later sta ik weer thuis voor de deur.
De terugvlucht duurt 11 uur naar Parijs. Ik lees een boek van ruim 400 pagina’s en werk nog wat op de laptop.
Het laatste stukje, Parijs > Amsterdam, zit ik Premier class (een soort eenvoudige business class).
Thuis

Port Louis

Met de bus ga ik vanuit Quatre Bornes naar Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. Het is maar 17 kilometer, en je kunt zo opstappen aan de hoofdstraat. De rit gaat door aan elkaar vastgeplakte voorsteden. Het is wel de langzame route, maar wat maakt mij het uit. Zo kan ik Mauritius eens goed op me in laten werken. Het is een wat nettere versie van India dacht ik vanochtend al toen ik vanaf het vliegveld naar het hotel gereden werd. 68% van de Mauritianen is van Indiase afkomst en dat zie je aan de gezichten op straat. En aan de hindoetempels langs de weg. Mooi groen is het ook, en er zijn puntige bergen.

Port Louis is een havenstad met zo’n 150.000 inwoners. Druk verkeer in ieder geval. Qua afstanden zou je dit eiland best per fiets kunnen verkennen, maar het is veel te druk op de weg met auto’s en motoren. Gelukkig hebben ze wel goede trottoirs. Ik loop van het busstation in het zuiden van de stad naar het centrum. Het zonlicht is heel fel. Gelukkig heb ik mijn zonnebril mee. De lucht voelt als een warme deken.

Met borden word ik de weg gewezen naar ‘Aapravasi Ghat’, het werelderfgoed van Port Louis. Ze zijn er erg trots op, om de honderd meter staat een bord met het Unesco-logo. Nou, dan gaan we dat meteen maar bekijken.

Aapravasi Ghat

Aapravasi Ghat was het landingspunt voor immigrerende contractarbeiders in de 19e en begin 20e eeuw. Meest Indiërs in het geval van Mauritius, 450.000. Ze gingen werken op de suikerplantages als vervangers van de slaven. Een historisch belangrijke plek dus, waar niet veel materiële resten van zijn overgebleven. Het terrein is denk ik zo’n 300 vierkante meter en bestaat uit wat stenen muren en gebouwtjes.

De entree is gratis, net als de rondleiding. Een meisje begeleidt me langs de gebouwen. Ze zijn het flink aan het opknappen. Een paar jaar geleden was het echt nog helemaal in verval. De gids vertelt dat tweederde van het terrein zelfs platgegooid is ten faveure van de grote weg dwars door Port Louis. Nog overgebleven zijn de was- en toiletgebouwen, het ziekenhuisje en wat kantoren. De aangekomen Indiërs werden hier allemaal geregistreerd en gefotografeerd. Deze archieven hebben ze wel goed bewaard: zo kan iedere inwoner van Mauritius van Indiase afkomst precies zien wanneer zijn voorouders hier zijn aangekomen.

Het is inmiddels tijd geworden voor lunch en een koud drankje. Daarvoor hebben ze het Caudan Waterfront aangelegd: een complex van luxe winkels en terrassen met zicht op de haven. Het is duidelijk op rijke toeristen gericht, maar toch ook behoorlijk druk. Ik ga eten bij het visrestaurant Le Capitaine: mijn geliefde inktvis, in een Creoolse saus dit keer met rijst en groenten.

Port Louis

Met weer nieuwe energie loop ik wat verder noordelijk door de stad. Er is een marktstraat waar vooral allerlei rotzooi voor toeristen wordt verkocht zoals T-Shirts en nepzonnebrillen. In de buurt van de witte Jinnah-moskee verandert het straatbeeld. Chinezen en moslims delen hier de wijk, weg is het Indiase. Hier zie je juist weer veel authentieke, rommelige winkeltjes.

Wat ook opvalt in het straatbeeld van Mauritius is dat ze niet goed lijken te weten welke taal ze spreken. Engels is de officiële taal van het land, maar Frans hoor je vooral vaker. Soms zijn de opschriften tweetalig, soms ligt de ene Rue naast de andere Street. De mensen praten onderling Creools (wat mij als half-Frans in de oren klinkt).

Port Louis

Tot slot breng ik nog een bezoek aan het natuurhistorisch museum in het centrum van Port Louis. In dit ook al gratis museum hebben ze een hele zaal gewijd aan de dodo. Het uitgestorven diertje staat er opgezet en er liggen botjes.

Er is veel aandacht voor Nederland hier: in reisverslagen van de eerste Nederlanders werd de dodo nog levend gesignaleerd. Maar al snel daarna was het met hem gedaan: opgegeten, uitgestorven door ziekte. Nu is er een gezamenlijk Mauritiaans-Nederlands team bezig opgravingen te doen. Nog niet al te lang geleden zijn er stapels dodo-botten gevonden.

De dodo is het symbool van het hedendaagse Mauritius. Ieder souvenir, iedere postzegel bevat een afbeelding van de wat topzwaar lijkende vogel. Zelfs op de voorkant van het immigratieformulier dat ik vanochtend bij de douane moest invullen stond er eentje afgedrukt. “De dodo is voor Mauritius wat de panda is voor China”, aldus een opschrift in het museum.

Eureka – Ik heb het gevonden

Weer met de bus op pad vandaag. Het doel is het plaatsje Moka, en dan in het bijzonder de oude plantagewoning Eureka House

Mijn reisgids ‘Mauritius, Reunion en de Seychellen’ dateert nog uit 2001 – gekocht toen ik een keer van plan was om naar de Seychellen te gaan. Negen jaar oud dus, maar tot nu toe ondervind ik weinig hinder van achterhaalde informatie. De busrit naar Moka levert echter wel een verrassing op: er is zomaar een nieuwe plaats gesticht. Tussen Quatre Bornes en Moka, pal aan de grote snelweg, ligt Cybercity. De naam zegt het helemaal: het staat er vol met moderne kantoren en luxe hotels. Modieus geklede jongeren stappen hier uit de bus, vast op weg naar hun werk in de ICT.

Na een half uur draaien over rotondes en stoppen bij iedere bushalte komen we aan in Moka. Ik vraag aan de busconducteur de weg naar het Eureka House. Hij wijst wel vaag een kant op, maar lijkt het niet erg goed te weten. Daarom vraag ik het op een kruising nog maar eens aan een passerende oude man. Die neemt mijn vraag zeer serieus, en troont me mee een winkeltje in. Uit zijn tas komen pen en papier, en hij tekent een hele routekaart voor me. Het ziet er eerst nogal ingewikkeld uit, maar hij heeft op de kruisingen oriëntatiepunten zoals het politiebureau en een rivier aangegeven. Als ik weg wil lopen bedenkt hij zich: er is toch nog een andere, gemakkelijkere weg. Die tekent hij erbij op de kaart. Ik kan goed voorbereid op weg.

Het is een lekkere wandeling van een minuut of twintig. Je loopt wel langs een doorgaande weg, maar gelukkig hebben ze in Mauritius aandacht voor goede trottoirs. Je zit hier helemaal in het centrum van het eiland, in een groene bergachtige omgeving met ook veel kleurige bloemen. Geen wonder dat hier de mooiste huizen staan. Niet alleen plantagewoningen uit de koloniale tijd, maar ook veel eigentijdse luxe. Echt armoedige huizen heb ik hier op Mauritius trouwens helemaal nog niet gezien. Ook lijkt iedereen geld genoeg te hebben voor een auto of de bus – fietsers of wandelaars zijn zeldzaam.

Moka

De weg is trouwens makkelijk te vinden, eigenlijk is het gewoon de hele tijd rechtdoor. Op het eind staat er een bordje waar je af moet slaan naar het huis. Linksaf … het enige foutje op de speciaal voor mij getekende plattegrond.

Het plantagehuis Eureka heeft zelfs een heuse parkeerplaats voor bezoekers, en een souvenirwinkeltje. Ondanks de obscure ligging lopen er toch nog een tiental andere westerse toeristen rond. Je kunt hier ’s avonds ook chique dineren.

Eureka House (Moka)

Het Eureka House dateert uit de jaren 1830. Het is gemaakt van hout en heeft niet minder dan 109 deuren: zo blijft het lekker koel in de tropische temperaturen hier. Na betaling van een paar EUR entree mag je de woning van binnen bekijken. Op de begane grond zijn Europees aandoende stijlkamers ingericht. Veel Franse meubels, Chinees porselein en meer van dat soort dingen. En natuurlijk staat er ook een beeld van een dodo.

Dodo in het Eureka House

Als je voor het huis staat (je komt binnen aan de achterkant), zie je pas hoe mooi het ligt. De brede witte villa staat in een ruime tuin met groot gazon, met de piek van een van de vele bergen van vulkanische oorsprong als achtergronddecor. Je kunt ook nog verder de tuinen inlopen. Het ziet er allemaal een beetje verdord uit, zeker het gras. Helemaal achterin kom je bij een uitzichtpunt over een diepe kloof tussen de bergen.

Ik verlaat Moka ook weer per bus, richting Curepipe. Onderweg begint het helaas zo hard te regenen dat ik mijn dagtocht maar afbreek en terugkeer naar mijn ‘thuis’ in Quatre Bornes.

Gekleurde aarde

Met de bus naar het plaatsje Chamarel voor … gekleurde aarde.

Vandaag begin ik de dag met een extra stevig ontbijt in de vorm van een gebakken ei: ik ben van plan te gaan wandelen in een natuurgebied zonder al te veel voorzieningen. Ik heb ook al een anderhalve literfles water in mijn rugzak gestopt. De bedoeling is om naar het Black Gorges Nationaal Park te gaan, ten zuiden van Quatre Bornes. Het loopt echter anders…

Om 8 uur sta ik al bij de bushalte tegenover het hotel. Ik heb een lijstje met namen van plaatsen in en om het park op zak. De eerste bus die komt gaat naar Chamarel. Dat is al meteen heel mooi, want het is een plaats helemaal in het zuiden. Volgens het kaartje in mijn reisgids moet ik dan vlak langs of door het nationaal park komen.

We rijden als we eenmaal buiten de bebouwde kom zijn stevig door. De zon schijnt heerlijk, de bergen steken af tegen de blauwe lucht. Ik volg de route met de reisgids in de hand. We gaan de goede kant op, maar helaas niet dwars door het park maar via de kustroute. Ook vanaf die kant kun je het nationaal park in. Maar waar? Nergens is ook maar een informatiebord te zien, en de busconducteur weet het ook niet. Ik blijf dus maar zitten tot de eindbestemming Chamarel.

Chamarel

Gelukkig is er in Chamarel ook iets te zien. Een fenomeen dat ‘gekleurde aarde’ heet. Ik heb geen flauw idee wat het moet voorstellen, maar het is wel een populaire plek. De bus zet mij en een Frans stel af bij de toegangspoort. Hier moeten we 125 rupee entree per persoon betalen (3 EUR). En dan mag je te voet het gebied in. Het is nog 3 kilometer lopen tot de attractie, dus zo kom ik toch nog aan mijn wandelkilometers.

Ik raak al snel achterop bij de Fransen omdat ik een paar keer stop om foto’s te maken. De weg is omzoomd door grote palmbomen en andere exotische planten. Erg mooi. Ergens om een bocht hoor ik een enorm gekwaak: daar is een poel met tientallen kikkers. Ze gebruiken de rand als een soort duikplank. Met een sprong en een kleine plons duiken ze onder in het lichtbruine water.

En even verderop sta ik stil bij grappig gekuifde vogeltjes. Ze zitten in een struik. Hoewel ze heel klein en beweeglijk zijn, vallen ze op door hun rode wangen en zwarte kuif. Dat is het voordeel van wandelen: je ziet meer en je kunt makkelijk even stil gaan staan.

Na ongeveer een half uur arriveer ik bij een parkeerplaats en een uitzichtpunt. Dit is de waterval van Chamarel. Ziet er indrukwekkend uit. Maar waar is nu die ‘gekleurde aarde’? Toch niet op de rotswanden bij de waterval? Ik kijk nog maar eens een keer in mijn reisgids, en zie dat de aarde ‘even verderop’ is. Het blijkt nog eens 1,5 kilometer lopen te zijn.

De weg slingert zich geleidelijk aan verder omhoog. Het blijft plezierig lopen. Af en toe komt er een taxi voorbij met luie toeristen. Ook zijn er lokale werklui op de fiets, met een machete in de hand.

De ‘gekleurde aarde’ heeft zelfs zijn eigen, bemande toegangspoort. Je komt er binnen met hetzelfde kaartje als voor de waterval. Er zijn ook toiletten en een restaurant. Bij de eerste aanblik van het natuurfenomeen valt het me zeker niet tegen: het is een open terrein van zo’n 50 meter lang. De aarde is hier vreemd gekleurd door het ongelijktijdig afkoelen van gesmolten rots. Er schijnen 7 verschillende kleuren in te herkennen te zijn. Er is een pad omheen aangelegd zodat je het goed kunt bekijken. Ik houd erg van deze rood/grijs/gelige aardekleuren.

Chamarel - gekleurde aarde

Om de toeristen te vermaken zijn op het terrein ook nog een stuk of 5 schildpadden te zien. Het zijn hele grote (Aldabra-schildpadden uit de Seychellen?), en ze zijn net begonnen aan een brunch van banaantjes.

Na een minuut of 20 heb ik het allemaal wel gezien. De weg terug is dezelfde als de heenweg. Omdat ik verwacht dat er vanaf de toegangspoort niet zoveel bussen zullen gaan, loop ik nog een kilometer door. In het dorpje Chamarel wacht ik bij het gemeentehuis op de eerstvolgende bus. Die komt na 20 minuten, bijna helemaal leeg.

We scheuren naar beneden. Ik laat me onderaan de berg in Case Noyale afzetten. Ik wil nog één poging doen om het Nationaal Park te vinden. In het plaatsje Case Noyale moet het officiële bezoekerscentrum liggen, waar je o.a. een tentoonstelling kunt bezoeken over de dieren die in het park leven. Zo schijnt er een roze duif te zien die alleen op Mauritius voorkomt. Maar Case Noyale blijkt een echt gehucht. Nergens een aanwijzing dat er hier ook maar iets te bekijken zou zijn.

Ik sjouw nog een eind noordwaarts langs de kustweg, maar kom ook hier helemaal niets tegen. Het landschap hier is desolaat, veel is er ook verbrand. Dit deel van het eiland is ook een stuk armer dan waar ik de afgelopen dagen ben geweest: je ziet hele dorpen met golfplaten hutten.

Westkust Mauritius

Vanuit het plaatsje Petite Riviere pak ik dan de bus terug naar Quatre Bornes. Hij is afgeladen vol, maar ik kan nog zitten. Er gaan hier 3 mensen op een bankje dus ontspannen zit het niet. Na anderhalf uur mag ik er weer uit.

Een zondags uitje

Zelfs op zondag zitten de bussen hier vol. Een deel van de Mauritiërs stapt uit bij de kerk – allerlei Amerikaanse evangelistische genootschappen, zoals de pinkstergemeente, zijn hier populair. De hindoes vieren vandaag een feestdag die ze naar de zee brengt om een ritueel bad te nemen. En ik rijd door naar de botanische tuin van het plaatsje Pamplemousse, 11 kilometer ten noorden van Port Louis.

De tuin dateert van 1736 en is gesticht door de Franse gouverneur (hij woonde er ook). Je kunt je van alles voorstellen bij een botanische tuin, maar dit is een soort park met vooral veel palmbomen. Er lopen geasfalteerde weggetjes doorheen. Niet voor niets heb ik bij de entree ook een plattegrond meegekregen. Als buitenlander moet je 100 rupee betalen, de lokale bewoners mogen op zon- en feestdagen gratis naar binnen.

Op de plattegrond staan ook de meest bijzondere bomen en planten aangegeven. En die zoek ik ook op: een Talipot-palm die eens in de 60-70 jaar bloeit en dan sterft, en een vijver met hele grote ronde waterlelies (Victoria Amazonica). Het aantal bloemen valt me tegen, het zijn vooral heel veel bomen. Het is een fijne plek voor vogels. Ik zie weer het zwartkuifje van gisteren (de Roodoorbuulbuul), en ook een klein dik feloranje vogeltje (de Madagascar Fody) en enkele watervogels.

Pamplemousse Botanical Garden

Nederlanders op Mauritius

Vandaag ben ik al om 7 uur op pad gegaan. Ik was vroeg wakker, en het ontbijt in het hotel is niet van die kwaliteit dat het het wachten waard is. Dus stap ik maar weer in de bus. Drie bussen en twee uur later sta ik op het meest oostelijke punt van het eiland: Vieux Grand Port.

Er is iets speciaals dat me helemaal hierheen heeft gelokt. Vieux Grand Port is de plaats waar in 1584 een Nederlander voor het eerst voet aan wal zette op Mauritius. Het eiland was toen nog onbewoond. Als je het dorpje binnenrijdt zie je al aan weerszijden van de weg wat stenen en monumenten die naar die tijd verwijzen. Leuk om hier op een zo afgelegen plek verwijzingen naar Nederland en Nederlanders te zien.

Ik loop eerst naar de ‘Hollandse Toren’. Ondanks de naam is het een toren uit de Franse tijd. Er staat een groot hek omheen, men is blijkbaar bang voor graffiti of stenendiefstal.

Fort Frederik Hendrik

In het centrum van het dorp ligt Fort Frederik Hendrik. In 1638 stichtten de Nederlanders dit fort, en begonnen Mauritius te gebruiken als tussenstation en bevoorradingspunt op de route naar Indië. De ruïnes van het fort die nu nog te zien zijn, zijn trouwens ook vooral Frans en niet Nederlands. De Fransen bouwden in de 18e eeuw op dezelfde plek hun fort waar de Nederlanders het in 1710 hadden achtergelaten. Restanten van het Nederlandse fort liggen nog wel onder de grond, zo hebben archeologische opgravingen uitgewezen. Er is één Nederlandse muur ontbloot en zichtbaar.

Bij het fort is ook een gratis toegankelijk museum over de geschiedenis van de Nederlanders op Mauritius. Het werd in 1998 geopend door de huidige prins Maurits. Naar zijn voorouder, stadhouder prins Maurits, is het eiland vernoemd. In het museum zijn oude landkaarten te zien, Nederlandse bakstenen en tekeningen uit oude reisverslagen. En natuurlijk wordt ook weer de geschiedenis van de dodo verteld – de 17e eeuwse Nederlanders waren de laatsten die het beest levend gezien hebben.

Als ik ben uitgekeken in het fort pak ik de bus naar de wat grotere plaats Mahébourg. De bus is afgeladen vol, mensen staan dik in het gangpad. Maar ik krijg van de conducteur een ereplekje – zijn zitje helemaal vooraan naast de chauffeur. Zo heb je wel heel mooi zicht. En valt het extra op hard deze bussen racen. Het is wel een leuke zitplaats maar bij een ongeluk vlieg ik zo met mijn hoofd door de voorruit…

Mahébourg is een vrij toeristische plaats, het ligt aan de kust en vlakbij het vliegveld. En vandaag lopen er waarschijnlijk extra veel toeristen rond omdat het maandag marktdag is. De marktkramen staan opgesteld in de straten rondom het busstation. Het is er ook druk met lokale bewoners. Er zijn vooral kleren te koop. Meest westerse, maar er staan ook stallen met sari’s en glinsterende Indiase stoffen. De voornamelijk Franse toeristen kopen genoeg. Het is allemaal aan mij niet besteed.

Ik loop wat verder door de straten van Mahébourg. Het is een meer Indiaas aandoende stad dan die ik de afgelopen dagen heb gezien. Bijna elk huis heeft wel een eigen tempeltje voor de deur. Ook verkopen winkels bloemenslingers en andere dingen om te offeren.

Mahebourg

Aan de rand van de stad bezoek ik het Nationaal Historisch Museum. Het is gehuisvest in een prachtig oud landhuis, zoals er hier op Mauritius nog veel staan. De geschiedenis hier gaat vooral in op de Franse en de Engelse tijd, er is een kleine ruimte voor de Nederlanders. De tentoonstelling is nogal oubollig, en moet het vooral hebben van allerlei prenten en portretten.

Tot slot van mijn excursie geniet ik bij Chez Patrick van de beste (en de goedkoopste) viscurry die ik deze reis heb gehad. De witte vis is zo stevig dat het wel kip lijkt. De saus is Indiaas scherp, maar nog net te doen. Dit recept wil ik zelf ook wel kunnen maken!

Genieten in het Nationaal Park

Even voor achten staat de taxi klaar om me te gaan rondrijden over een deel van Mauritius waar de bussen niet komen: Black River Gorges National Park. Vanaf Quatre Bornes rijden we zuidwaarts. Het is een stralende dag. De chauffeur moppert dat het te weinig regent. De gevolgen daarvan zien we aan de lage waterstand bij het meer van Vacoas. Mauritius heeft deze waterreservoirs nodig voor drinkwater. Dus ik hoop dat het maar veel mag gaan regenen als ik weg ben.

Na ongeveer een half uur rijden over een rustige, gladde asfaltweg komen we aan bij Le Pétrin. Ik dacht dat dat een dorpje zou zijn, maar ik zie alleen een bewaakte entreepost tot het Nationaal Park. Je kunt uitgebreide dagwandelingen maken in het park, maar daar heb ik de schoenen niet voor bij me & ik heb nog meer plannen voor vandaag. De bewaker en de chauffeur vinden het eerst maar niks dat ik alleen aan de wandel ga. Maar als ik op de plattegrond wijs naar het eerste uitkijkpunt binnen het park zijn ze al meer gerustgesteld.

Black River Gorges National Park

Het blijkt eenvoudig lopen te zijn naar dit eerste uitkijkpunt. De gravelweg is breed genoeg voor een auto. Ook vrijwel helemaal vlak. Je ziet alleen niet heel veel: de weg is omzoomd met een soort heg van struiken en bomen. Het is dan ook niet vreemd dat de uitkijkpunten hier in het park de voornaamste attracties zijn. Na een klein half uur lopen (het is al behoorlijk warm) kom ik bij een opening in het bos. Vandaar heb je inderdaad prachtig zicht over een vallei met nog heel veel meer bomen.

Ik kijk even wat rond, en keer dan langs dezelfde weg terug. Op de terugtocht komen me nog wat andere wandelaars tegemoet: een groepje Mauritiaanse jongens en meisjes, en een eenzame toerist met grote rugzak.

We stappen weer in de auto en rijden door naar Alexandra Falls, het volgende uitzichtpunt in het park. Dit ligt langs de doorgaande weg. Je kunt zien dat hier regelmatig toeristen stoppen: een souvenirkraampje en een ijscoman zijn zich net aan het klaar maken voor de dag. Het hele terrein is trouwens mooi aangelegd. Vanaf het uitzichtpunt kijk je over de bossen uit op zee. En als je je hoofd heel erg draait ook op de Alexandra-watervallen. Hier rondlopen is echt genieten: het is er stil, zonnig, het ruikt heerlijk, er zijn veel vogels. Eindelijk lukt het me ook om zwartkuifje (de roodoorbuulbuul) goed op de foto te krijgen. Dan zie ik ook dat hij rode oren heeft en geen rode wangetjes zoals ik eerst dacht.

Black River Gorges National Park

We rijden weer verder over het gladde asfalt (pas nieuw?) via de Plain de Champagne. Na een kwartiertje komen we aan bij het Gorges-uitzichtpunt. Hier staat zelfs een hele rij met souvenirstalletje. Dit is al weer zo’n prachtige plek. Je kijkt hier echt uit over de kloof van de Black River, die tussen de bergen is uitgesneden. Ontelbare kleuren groen zijn te zien. En geen spoor van bebouwing, op dit toch behoorlijk dichtbevolkte eiland. Er is ook weer een poel met luid kwakende kikkers. Deze hebben een felgele keel.

De weg door het park eindigt in Chamarel, waar ik al eerder deze week was. Via dezelfde leuke slingerweg als ik toen met de bus aflegde, rijden we nu richting zee. Het volgende doel is de berg Le Morne. Dit is een werelderfgoed omdat het de plaats was waar in de 18e en begin 19e eeuw weggelopen slaven zich verscholen. Ze bleven hier soms tijden wonen, in grotten en om de top. Ze verbouwden er wat groente en gingen ’s nachts vissen of op strooptocht in de omliggende dorpen.

Dit werelderfgoed zien is heel gemakkelijk: zelfs al vanuit het vliegtuig bij aankomst zag ik het liggen op het zuidwestpuntje van Mauritius. Le Morne is een schiereiland dat bestaat uit één grote berg en dat bijna geheel is omringd door de zee. Behoorlijk ontoegankelijk dus (en dat was natuurlijk ook de reden waarom de ex-slaven hier naar toe vluchtten).

Le Morne

Het echt bezoeken van het werelderfgoed is een stuk moeilijker. Want eigenlijk is er niets meer te zien. De voormalige slaven lieten zo weinig mogelijk sporen achter. Op het schiereiland is nog een netwerk van voetpaden die door hen zijn gebruikt. Datzelfde geldt voor een zestal grotten, bovenaan de berg. Bij mijn 371e bezoek aan een werelderfgoed beperk ik me tot het simpelweg voet aan land zetten. Vanaf het moderne dorpje Le Morne loop ik via het strand naar het strookje land dat het schiereiland met de rest van Mauritius verbindt. Daar staat ook een bord “je betreedt nu het werelderfgoedgebied Le Morne”. Het is een lekkere wandeling in de zon. Er lopen veel honden los, die gevoed schijnen te worden door de inwoners (of zich te goed doen aan de resten van de visvangst). De berg blijft voortdurend de aandacht trekken door zijn vreemde vorm en geïsoleerde positie. Ik kan me goed voorstellen dat je je er nog steeds goed kunt verschuilen.

De huidige bewoners van Le Morne leven vooral van de visvangst. In stalletjes langs de weg staan ze de verse vis te verkopen. Mijn taxichauffeur wil ook wat mee naar huis nemen. Zijn oog valt op een grote bak met inktvis. Eén van mijn favoriete gerechten ook. Maar zo heb ik ze nog nooit gezien: een grote kluwen van glibberige tentakels in een plastic teiltje. De chauffeur neemt er twee, en gaat dan ook nog voor een grote groenige vis met een luguber oog. Daarvoor moet hij 150 rupees neertellen (3,75 EUR). Wat extra mooi is aan dit kraampje is dat ze de vis ook voor je schoonmaken. Dus naast de vrouw die de vis verkoopt staat nog een man met scherpe messen, een hamer en een beitel.

Visstal in Le Morne

Via de westkust rijden we aan het begin van de middag terug naar Quatre Bornes. De chauffeur wijst me op de vele dure villa’s hier langs de kust. Ze liggen op privé-terreinen waar je zonder introductie niet mag komen. Veel is eigendom van Mauritianen die na jaren in het buitenland (Engeland, Frankrijk) gewerkt te hebben terugkeren naar hun land.

Terugblik Mauritius 2010

Mauritius is een bekende bestemming voor huwelijksreizen en strandvakanties. Maar ik deed het natuurlijk weer anders: gedurende een week in november 2010 maakte ik vanuit de centraal gelegen stad Quatre Bornes dagtochten met het openbaar vervoer. Zo zag ik alle uithoeken van het eiland: van de hoofdstad Port Louis tot de restanten van een Nederlands fort in Vieux Grand Port, en van de botanische tuin in Pamplemousse tot het Black River Gorges Nationaal Park.

Mijn ticket (normaal een kostbare grap voor 11 uur vliegen) betaalde ik met de afgelopen jaren bijeen gespaarde Frequent Flyer-miles. De natuur van Mauritius vond ik verrassend mooi en vooral erg groen. De cultuur is erg Indiaas. Echte topbezienswaardigheden zijn er niet, maar ik heb me er toch een week lang prima vermaakt en genoten van de zon en het lekkere eten.

Mauritius is er trots op het best bestuurde land van Afrika te zijn. Geografisch mag het dan bij Afrika horen, het doet in alles Aziatisch en vooral Indiaas aan. Ik zag in een boekwinkel in Port Louis prominent de biografie van Lee Kuan Yew liggen, de man die Singapore groot heeft gemaakt. Ik denk dat Mauritius zich hieraan spiegelt: hard werken, orde, netheid.

Erg authentiek is het allemaal overigens niet. Nadat de Nederlanders in de 17e eeuw zijn langs geweest, varkens & koeien introduceerden en suikerriet gingen verbouwen, is er van de oorspronkelijke flora en fauna niet veel meer over. Ook de inwoners komen niet van hier: ze zijn hierheen gehaald voor de suikerindustrie, uit India vooral, en ook uit China, Madagascar, Afrika.

Grappig is het taalgebruik van de Mauritiërs: de officiële taal is Engels, maar de eerste voertaal is duidelijk Frans. Het kwam mij steeds wat vreemd over om mensen met een duidelijk Indiaas of Chinees uiterlijk Engels met een sterk Frans accent te horen praten.

Geld

Op het vliegveld pinde ik mijn eerste rupees. 10 Mauritiaanse Rupees is 0.2430 EUR waard (november 2010). Dat betekent alle prijzen delen door 40. Pinnen bij binnenlandse banken lukte me trouwens steeds niet, maar bij de buitenlandse banken (HSBC, Barclays) ging het altijd zonder problemen. Het meeste wat je standaard uit de automaat krijgt is 3000 rupee (75 EUR).

De dagelijkse dingen zijn goedkoop op Mauritius: een buskaartje kost 0,50 – 0,70 EUR (en daarvoor zit je met gemak 1,5 uur in de bus), een verse baguette 0,12 EUR. Eten in een leuk restaurant is wel vrij prijzig: meestal betaalde ik 10-15 EUR (inclusief drankje en soms een voor- of bijgerecht). Entreeprijzen zijn als ze al geheven worden meestal een paar EUR; maar vaak is de toegang tot musea e.d. gratis.

Vervoer

De Bus. Mauritius zonder haar bussen is niet voor te stellen. Kleurige vaak rammelende bussen van tientallen busmaatschappijen rijden af en aan, over het hele eiland. Je gaat maar ergens bij een halte staan en binnen een paar minuten komt er wel weer eentje aan. Ondanks de hoeveelheid bussen op de weg zitten ze altijd goed vol – het is duidelijk hèt lokale vervoermiddel.

De bussen hebben allemaal een conducteur die bij je langskomt om het kaartje te verkopen. Soms stappen er daarnaast nog extra inspecteurs op om te controleren of iedereen wel echt een geldig kaartje heeft.
Je hebt “Expres”-bussen en gewone bussen. De Expres-bus stopt minder vaak dan de gewone, maar kost evenveel en zit ook niet comfortabeler. Vooral de oudere bussen hebben banken voor 2 personen links en banken voor 3 personen naast elkaar aan de rechterkant van de bus. Met 3 iele Mauritiërs van Indiase afkomst past dat prima. Met een toerist of een op een rapper lijkende forse Afrikaan is het wel heel krap.

Tot slot nog iets over de routes die de bussen rijden: over 18 kilometer doen ze gerust drie kwartier tot een uur. Dat komt niet alleen omdat ze bij iedere bushalte stoppen (haltes zijn er elke paar honderd meter), maar ook omdat ze onderweg nog wat extra rondjes maken en zo veel mogelijk plaatsen aandoen.

Hotel

Ik verbleef 6 nachten in het El Monaco Hotel in Quatre Bornes. Een goede uitvalsbasis zo bleek. Het is een wat ouder 2-sterrenhotel, dus niet erg luxe. De TV op de kamer vertoont alleen Mauritius 1, 2 en 3. De douche bedien je met een schakelaar en dan hoop je dat er warm water uitkomt (’s middags vaker succesvol dan ’s ochtends).

MauritiushotelTegenover deze minpuntjes staat ook veel goeds – met 35 EUR is het zeker niet duur, de kamer is heel schoon en fris, ik had een heerlijk balkon waar je aan het eind van de middag lekker in de zon kunt zitten, er is draadloos internet (wel even lopen naar de receptie) en een zwembad. En de ligging kan niet beter: om een binnenplaats net van de hoofdweg dwars door Quatre Bornes. Bushalte voor de deur, restaurants, supermarkt en andere winkels op een paar minuten lopen.

Het is niet echt een toeristenhotel, meer voor allerlei “zaken”. Tegelijkertijd met mij verbleven er bijvoorbeeld een Amerikaanse leraar gelieerd aan een Pinksterkerk, een meisjesvolleybalteam en een groepje Kenianen op studiereis.

Eten

Je ziet veel Indiase, Chinese en westerse (fastfood) restaurants. De Mauritiaanse keuken is vooral Indiaas georiënteerd, met de nadruk op vis. Viscurry is dan ook een van de populairste gerechten.

Viscurry, Mauritius

Uit de Franse tijd hebben ze lekker brood over gehouden: voor een paar cent krijg je voor ontbijt of lunch een hele verse baguette.

Leave a comment