- Hop-on Hop-off Kuala Lumpur
- 272 treden naar de Batu-grotten
- #332: Melaka
- Fietsen over de palmplantages
- Tempels van Prambanan
- Solo & Sangiran
- #333: Borobudur
- Ubud te voet
- Weer op de fiets
- De eerste en de laatste tempel van Bali
- Praktische info
Hop-on Hop-off Kuala Lumpur
Iedere zich zelf respecterende grote stad heeft tegenwoordig een Hop-on Hop-off bus, waarmee je een rondje door de stad kunt maken en telkens in- en uit mag stappen. Die in Barcelona is – mede door de grote afstanden aldaar en de vele attracties – een echte aanrader. Belfast heeft er eentje, waarmee je langs de muurschilderingen in de protestantse en katholieke wijken rijdt.
In Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië, rijdt er ook elk half uur zo’n bus. Voor 7 EUR mag je 24 uur lang ongelimiteerd mee. De hele ronde met 22 haltes duurt 2,5 uur.
Het is wel bijna voortdurend file rijden. De wegen in de stad zijn zo druk hier met personenauto’s en taxi’s. Een mooie stad is Kuala Lumpur ook bepaald niet.
Bij halte 15 stap ik uit. Dit is bij de Nationale Moskee en enkele andere islamitische monumenten. De moskee is vandaag, vrijdag, gesloten voor niet-moslims. Je kunt hem wel van de buitenkant bekijken. Net als veel andere gebouwen in Kuala Lumpur heeft het iets futuristisch: het lijkt absoluut niet op een traditionele moskee.
Even verderop ligt het Museum voor Islamitische Kunst. Ook een groot, wit, glimmend gebouw. De eerste zaal heeft interessante maquettes van een twintigtal bijzondere moskeeën in de wereld. Verder zijn er zilveren sieraden, kleden en keramiek te zien. Het museum heeft maar weinig van Maleisië zelf. Iran, Uzbekistan, Syrië: daar zijn toch wel de echt mooie dingen te vinden.
Voor mijn volgende bestemming, het Vogelpark, had ik eigenlijk een halte eerder moeten uitstappen. Dus sjouw ik maar weer een kwartiertje terug. Overal zijn brede trottoirs, dus dat is geen punt.
Eigenlijk heb ik een hekel aan vogels, vooral aan hun gefladder. In dit vogelpark vliegen de mooiste regionale soorten vrij rond. Er is een heel groot net over het park gespannen zodat ze niet de stad in vliegen. De vogels zijn ook behoorlijk tam, ze zullen wel gewend zijn door de massa’s mensen die iedere dag voorbij komen. Er zitten mooie exemplaren bij, maar echt onder de indruk ben ik niet. Zeker de helft, de grotere exemplaren, zit toch nog in kooien.
Voor ik verder ga, lunch ik nog in het restaurant bij het park. Ik neem er een lekkere nasi lemak, rijst met kip, groente, gedroogde visjes, pinda’s en zo meer. Net als anderen zit ik buiten te eten op een balkon. Maar als enige selecteert een gekleurde vogel zo groot als een duif mijn bord om er wat van af te jatten. Hij hupt er gewoon naar toe, en mijn afweerbewegingen met de vork helpen niks. Tot twee keer toe weet hij een stuk kip te pakken! Ik weet niet hoe snel ik mijn bord leeg moet eten. Stomme beesten, vogels.
De bus maakt zijn ronde verder af door de stad. We komen langs het oude Britse koloniale centrum. Het bestaat uit een cricketveld, een kerk en een paar oudere gebouwen. Voor je het weet ben je weer in het moderne Kuala Lumpur, met zijn kantoren, banken, winkelcentra en hotels. Alles moet hier modern en zelfs een beetje protserig zijn.
De bekendste voorbeelden daarvan zijn wel de Petronas Twin Towers. Dit waren van 1998 tot 2004 de hoogste gebouwen ter wereld. Nu zijn ze nog nummer 3 en 4. In de skyline van Kuala Lumpur vallen ze nog niet eens zo op door hun hoogte: het staat er vol met wolkenkrabbers. Het Traders hotel waarin ik logeer heeft ook 34 verdiepingen.
Na precies 22 haltes stap ik weer uit waar ik deze ochtend begonnen ben. Kuala Lumpur heb ik nu wel zo’n beetje gezien, geloof ik.
272 treden naar de Batu-grotten
De Batu-grotten liggen ongeveer 13 kilometer ten noorden van het centrum van Kuala Lumpur. Ik wil er heen met het openbaar vervoer, wil dat ook eens meemaken hier in Maleisië. Om er te komen moet ik eerst met de monorail naar station Chow Kit. De monorail is een soort bovengrondse metro, heel netjes en snel. Het ritje kost 30 cent.
Vanaf Chow Kit zou je bus U6 naar de grotten moeten pakken. Maar echt overzichtelijk is het daar niet. Er komen tientallen bussen voorbij, maar na een half uur nog geen U6. Ik weet niet eens of ik aan de goede kant van de weg sta. Dan zwicht ik toch maar voor een taxi. Op de meter rijdt hij mij voor 3 EUR in een kwartiertje tot voor de deur van het Batu-complex.
De entree tot de Batu-grotten is imposant. Een ruim 42 meter hoog gouden standbeeld van de hindoegod Lord Murugan verwelkomt de bezoekers. Tijdens hindoeïstische feestdagen schijnt het hier een grote drukte te zijn. Thaipusam, een driedaags festival in januari/februari, trekt honderdduizenden pelgrims. Zij doorboren delen van hun lichaam met haken en pijlen als boetedoening. Vandaag zijn er helaas (of gelukkig) alleen maar toeristen en dagjesmensen.
Om bij de grotten te komen moet je eerst een trap op met 272 treden. Op en om de trappen woont een troep makaken. De aapjes hebben een goed leven door eten te bedelen of te stelen van bezoekers. Ze hebben een goed oog ontwikkeld voor waar eten in zit. Een klein meisje wordt al beroofd van haar koekjes voordat ze aan de klim is begonnen. Brullen natuurlijk, want de aapjes sluipen heel slim van achteren op iemand af om ze te overvallen.
De traptreden zijn breed en niet al te steil. Op de middelste trap staat aangegeven hoeveel treden je al gehad hebt. Met een beetje rusten af en toe gaat me de klim wonderbaarlijk goed af.
Boven kom je in een natuurlijke grot met drie grote ruimtes. De laatste is deels open aan de bovenkant zodat er zonlicht binnenvalt. Een sfeervol gezicht.
Er leven hier in de grotten allerlei dieren, naast de apen ook veel duiven en wat katten. Het stinkt er dan ook flink, hoewel de wierook van de tempels dat nog een beetje goed maakt. Elk moment verwacht ik een vleermuis voorbij te zien fladderen (daar ben ik misschien nog wel banger voor dan voor vogels).
De grotten herbergen verschillende kleine hindoetempels. Sinds 1891 zijn die hier gesticht. Het is allemaal nog vrij nieuw dus, geen vergelijk met de eeuwenoude hindoetempels in India. In Maleisië wonen veel van oorsprong Indiase hindoes, ze maken zo’n 7,5% van de bevolking van Maleisië uit. De tempels zijn fijngevoelig versierd met kleurrijke godenbeelden in Zuid-Indiase stijl. Het echte, actieve religieuze gevoel zoals je dat in Nepal of India meemaakt ontbreekt hier helaas. Toch is het een leuke plek om anderhalf uur te spenderen.
Terug naar het centrum van Kuala Lumpur ga ik weer met de taxi. De chauffeur moet eerst even tanken. Het blijkt dat alle taxi’s hier op NPG Biogas rijden. De luchtkwaliteit in Kuala Lumpur is dan ook een stuk beter dan in Bangkok of Kathmandu. Ze hebben hier ook geen tuk tuk’s of andere smerige motorvoertuigjes.
#332: Melaka
Wat is het?
Melaka en George Town, historische steden aan de Straat van Malakka, staan bekend om hun multiculturele erfgoed. Deze havens bevonden zich op een strategische positie voor de 15de – 18de eeuwse handel tussen Europa en Azië. Hun cultuur en stadsgezichten evolueerden verder nadat ze waren gekoloniseerd door de Portugezen, Nederlanders en Britten. In Melaka behoren twee buurten tot het werelderfgoed: St. Paul’s Hill en de historische woon- en handelszone. De laatste heeft meer dan 600 winkelpanden en herenhuizen.
Cijfer: 6 (Over het algemeen is het wel aardig, maar ik kan er geen echt hoogtepunt benoemen).
Toegang: Gratis.
Hoeveel tijd: Tijdens mijn verblijf van 1,5 dag heb ik een paar keer door de stad geslenterd en een halve dag doorgebracht op een aan te raden fietstocht naar het omliggende platteland.
Opvallend: Melaka wordt wel vergeleken met Macao, Hoi An en Galle. Maar ik zie nog een andere: Ping Yao. De eigentijdse uitstraling van Melaka is erg Chinees. En de honderden winkels, woningen en tempels deden me denken aan deze Chinese werelderfgoedstad. Het lijkt ook veel Chinese toeristen aan te trekken, hoewel ze misschien inheems zijn uit Maleisië of Singapore.
Het bekendste uitzicht op Melaka is dat van “Dutch Square”, met zijn stadhuis (Stadthuys), klokkentoren en kerk. Ze zien er voor mij niet erg Nederlands uit, waarschijnlijk omdat ze (de Britten, de Maleisiërs) ze opnieuw hebben geverfd met rode verf. Geen Nederlander zou dat ooit doen.
Een paar andere Nederlandse overblijfselen zijn bergopwaarts te vinden, bij de St. Paul’s Church. Het zijn veelal grafstenen van 17e-eeuwse Nederlanders.
Fietsen over de palmplantages
Om half negen stopt er een rammelend busje voor de deur van het hotel. Achterin liggen twee fietsen, en een kwieke kleine Maleisiër in fietskledij stapt uit. Het blijkt dat ik de enige ben voor de fietstour vandaag. De tocht gaat drie uur duren en brengt me dichterbij het platteland van Maleisië. Voor deze ervaring moeten we eerst nog wel een half uurtje rijden, want Melaka met zijn 600.000 inwoners is een grote stad waar je niet zo maar uit bent.
Uiteindelijk arriveren we bij het huis van gids Alias. In een schuur heeft hij tientallen mountainbikes staan. Hij kiest er eentje voor me uit, duwt een fles water in de bidonhouder en neemt zelf een rugzak met reparatiespul mee. We kunnen op pad!
We fietsen over onverharde wegen, maar ook vaak kriskras over grote plantages met voornamelijk palmbomen. Hierdoor ben je ook aardig beschut tegen de felle zon en de hitte die er ook vandaag weer is.
De meerderheid van de fietstoeristen die Alias hier rondgidst zijn Nederlanders. “Als er geen Nederlanders meer zouden komen, zou ik niet meer kunnen leven van de fietstochten”, zegt hij. Hij is ook vol lof over de oudere Nederlanders, die zijn ook heel fit op de fiets.
De meest voorkomende palm hier in Maleisië is de oliepalm. Op de route tussen Kuala Lumpur en Melaka had ik al enorme plantages van deze soort gezien, en ook hier staat het er vol mee. Na Indonesië is Maleisië de grootste exporteur van palmolie – en Nederland (Unilever!) is de grootste importeur.
In de toppen van de bomen zitten de oranjerode olienoten. Langs de weggetjes zie je dan ook steeds trossen daarvan liggen, die worden later met een kar opgehaald.
Rubber is een ander traditioneel belangrijk product. Veel rubberbos heeft plaatsgemaakt voor de lucratievere oliepalmen. Maar rubber is ook nog steeds gemakkelijk geld verdienen. Een paar keer aansnijden per dag, en de vloeistof loopt door de zwaartekracht zo de bakjes in.
We bezoeken ook een centrale post waar alle rubber verzameld wordt.
Dieren zien we niet veel onderweg. De islamitische Maleisiërs houden geen honden dus voor onze broekspijpen hoeven we niet bang te zijn. Af en toe kruist een leguaan ons pad. En er zitten aapjes in de palmbomen. Ze worden soms getraind om kokosnoten te plukken uit de palmen. De troep die wij zien zijn echter wilde aapjes die ons met grote belangstelling aanstaren.
Onderweg stoppen we ook nog bij een theestalletje. We drinken een beker thee voor een paar cent. Twee oude mannetjes, die hier vast een groot deel van hun dag doorbrengen, vragen mijn gids het hemd van het lijf over de fietstours. Hoe ver het wel niet is, en of het niet zwaar is.
We fietsen zo af en toe dwars over het erf van de lokale bewoners. De meeste huizen zijn van steen, hebben een flink stuk land en zijn er luxe uit. Alleen af en toe kom je de nog in traditionele stijl gebouwde houten huizen op palen tegen.
Een aanzienlijk deel van de huizen op het platteland hier is grotendeels onbewoond en wordt alleen nog als vakantiehuis voor families gebruikt. De meeste jongeren zijn naar de stad getrokken. Zo niet Alias, mijn gids. Hij kan al 12 jaar leven van het rondfietsen met toeristen. Hij woont in een huis dat is gebouwd op een voormalige rubberplantage, en de grond is eigendom van zijn schoonfamilie. Hij houdt van zijn zorgeloze leventje ver weg van de economische crisis. En van fietsen en nieuwe routes ontdekken.
Tempels van Prambanan
Zowel in Maleisië als hier op Java heb ik gemerkt dat het weer ’s ochtends vroeg het meest helder is. De rest van de dag is het vaak strak bewolkt (en bloedheet). Dus wil ik al om 6 uur opstaan en zo snel mogelijk naar het tempelcomplex van Prambanan. Maar als ik op deze donderdagochtend om 6 uur naar buiten kijk, is het bewolkt! Erg veel haast hoef ik dus niet te maken.
Toch nog redelijk vroeg (5 voor 7) zit ik uiteindelijk in de bus naar Prambanan. Het is een minibusje met airco van TransYogya. Deze maatschappij heeft sinds 2008 wat luxe toegevoegd aan het openbaar vervoer in de stad. Er is een halte pal voor mijn hotel. Een ritje enkele reis kost 3000 rupiah (0,20 EUR). Voor dat geld worden heel wat mensen aan het werk geholpen: bij de halte een meisje dat kaartjes verkoopt en een jongen die mensen de bus inloodst, en in de bus zelf een chauffeur en een conducteur die de haltes afroept.
Het busje stopt erg vaak en doet dan ook zo’n 50 minuten over een rit van 20 kilometer. In Prambanan zelf is het nog een paar honderd meter lopen naar het tempelcomplex. Je kunt het van verre zien liggen, maar de ingang is ergens onhandig aan de zijkant.
Het is nog geen acht uur als ik het terrein op loop. De tientallen souvenirstalletjes zijn nog gesloten. Na betaling van de entree van omgerekend 7,5 EUR kan ik naar de tempels.
Het hindoeïstische Prambanan tempelcomplex dateert uit de 10e eeuw. In 2006 is het zwaar getroffen door een aardbeving. Het zal nog jaren duren voordat alles weer is opgebouwd. Je ziet het al meteen aan één van de grote tempels: die staat helemaal in de steigers.
Door de reparatiewerkzaamheden is ook een deel van het hoofdtempelcomplex afgesloten. Je kunt de tempels wel zien, maar niet naar binnen of om heen lopen. De enige grote tempel waar ik naar binnen kan is die gewijd aan de god Siva. Daar staat een standbeeld van de mythologische stier Nandi.
Voordeel van zo vroeg zijn is dat er nauwelijks andere toeristen zijn. Ik zie alleen een groepje Duitsers en wat Indonesiërs. De laatsten blijken al net zo enthousiast te reageren op westerse toeristen als Chinezen: ik moet twee keer met een stel op de foto. Wel druk is het met bouwvakkers / restaurateurs. De hele tijd hoor je gehamer en gebeitel.
Langer dan drie kwartier lukt het me niet om me te vermaken bij de hoofdtempel. Ik loop daarom door naar de andere kant van het park. Een kwartiertje slenteren (het is toch al weer heet aan het worden), en ik kom bij de Candi Sewu. Dit is een boeddhistische tempel uit de 8e eeuw. Hier is het helemaal rustig. Ik kom bij het binnengaan twee enthousiaste Australiërs tegen. “She’s a beauty”, roepen ze me toe.
En inderdaad is dit een verfijnd mooie tempel. Hoewel deze ook erg is getroffen door de aardbeving, kun je er toch nog helemaal omheen lopen en zijn er veel mooie sculpturen bewaard gebleven. En ik heb hem helemaal voor mij alleen.
Via het niet al te interessante museum loop ik terug naar de uitgang. In totaal ben ik zo’n 2 uur binnen geweest. Met het minibusje dat elk kwartier rijdt, reis ik comfortabel weer terug naar Yogyakarta.
Solo & Sangiran
Vandaag ga ik weer een ander deel van het Indonesisch openbaar vervoer uitproberen: de trein. Het centrale station van Yogyakarta ligt op 10 minuten lopen van mijn hotel. Het is een mooi, ruim gebouw. Een kaartje naar Solo, mijn bestemming voor vandaag, kost 8000 rupiah (0,50 EUR). Je mag alleen met een kaartje het gebouw binnen. Het ziet er dan ook allemaal keurig uit.
De trein is behoorlijk vol met Indonesische forensen. In het treinstel waar ik zit wil de deur niet dicht, dus we hebben ruim uitzicht over de omgeving. Na de buitenwijken van Yogya bestaat dat uitzicht vooral uit rijstvelden en meer rijstvelden. De rit duurt een uur, de trein stopt op een handvol tussenliggende stations (waaronder bij het vliegveld).
Vanaf het station van Solo neem ik direct een taxi die me naar het werelderfgoed Sangiran moet brengen. Dat ligt nog 18 kilometer van Solo af. We rijden door een mooie landelijke omgeving. Sangiran is de vindplaats van de Java mens, één van de vroegste vondsten van een voorouder van de moderne mens (homo erectus). Ik heb in mijn werelderfgoedverleden al een aantal van dit soort vindplaatsen bezocht, zoals Zhoukoudian in China en Atapuerca in Spanje. Veel stel ik me er dan ook niet meer van voor: een museumpje, wat botten en schedels.
En dat is dan ook precies wat het hier is. De toegangspoort en de parkeerplaats doen je nog wel geloven bij iets groots aan te komen. Maar feitelijk is het maar een museumpje met twee tentoonstellingsruimtes. Behalve schedels zijn dat hier ook botten van dieren en stenen bijlen en zo. Er is natuurlijk wel weer heel veel personeel. Een bewaker of vijf zit bij een groot gastenboek, waarin je je persoonlijke gegevens moet schrijven.
Terug in Solo laat ik me door de taxichauffeur afzetten bij de Puro Mangkunegoro. Dit is één van de twee Koninklijke paleizen hier in de stad. Deze lokale Koninklijke familie regeert over 4000 huishoudens in Solo. De familie bewoont nog ongeveer de helft van het paleis, de andere helft is open voor bezoekers.
Ik krijg een rondleiding van een jonge vrouwelijke gids. Het paleis is gebouwd in dezelfde stijl als dat in Yogyakarta, met een paviljoen-achtige hal. Het dateert uit 1757. Verder naar binnen zien we foto’s van de familie, gouden sieraden en munten, dansmaskers en traditionele krissen. Veel van deze dingen komen uit Bali, China en Nederland.
Na de rondleiding komt een stel verlegen meisjes af op mijn gids. Ze willen mij graag interviewen. Ze zitten allemaal in het eerste jaar van de universiteit. Als ik het goed begrijp is dit het eerste jaar dat ze Engels krijgen. Erg veel kunnen ze er nog niet van, en ze zijn ook te verlegen om het te proberen. Alleen met één meisje is nog een redelijk gesprek in het Engels te voeren. Nadat ze mijn antwoorden op hun vragen hebben opgeschreven, willen ze wel graag met mij op de foto. Ze hebben natuurlijk allemaal een camera op hun mobiele telefoon.
Het is inmiddels tijd geworden voor de lunch. Die eet ik in het reizigerscafeetje Warung Baru. Voor minder dan een euro krijg ik de lokale specialiteit Nasi Liwet en een cola. Ik vind het nog steeds ongelooflijk hoe goedkoop alles hier in Indonesië is. En de kwaliteit is gewoon goed. Ben niet ziek geworden van het eten, overal lijkt het behoorlijk schoon en kun je op je gemak zitten.
Vanuit de stad neem ik dan een becak terug naar het station. Het is de eerste keer dat ik in Indonesië van deze fietsriksja gebruik maak. Je ziet ze heel veel, voor de lokale bewoners is het een heel gewone vorm van transport. Vanuit het bakje voorop de fiets kun je lekker achteroverhangend de omgeving observeren (en verdekte foto’s maken).
Ik moet nog een uurtje wachten op de trein terug naar Yogyakarta. Ook het station van Solo blijkt een oase van rust en netheid. Dus je zit er lekker koel en op je gemak.
In de trein kom ik naast een Indonesische jongen te zitten die net terug is van 5 jaar studeren in Duitsland (Braunschweig). Zo kunnen we mooi allebei ons Duits oefenen! Het wordt een leuk gesprek over de Keukenhof, wielklemmen en terroristen. De treinreis van een uurtje vliegt zo voorbij.
#333: Borobudur
Wat is het?
De Borobudur is een boeddhistisch tempelcomplex uit de negende eeuw. Het werd gebouwd op verschillende niveaus rond een natuurlijke heuvel. De basis is een vierkant. Het heeft negen platforms, waarvan de onderste zes vierkant zijn en de bovenste drie cirkelvormig. Het bovenste platform heeft tweeënzeventig kleine stoepa’s rond een grote centrale stoepa. Elke stoepa is klokvormig en doorboord met talrijke decoratieve openingen waarin beelden van de Boeddha staan.
Cijfer: 8 (Samen met de Taj Mahal en Angkor is de Borobudur waarschijnlijk een van de drie meest iconische werelderfgoederen.).
Hoeveel tijd: Ik was er zo’n 2 uur.
Opvallend: Ik bezocht het bij zonsondergang. In het begin was ik verbaasd dat het monument niet vanaf de weg te zien is – ik had altijd gedacht dat het erg groot was? En toen ik het eindelijk in mijn zicht kreeg, zag het er veel minder spectaculair uit dan ik me had voorgesteld. De meeste stenen zijn donker door blootstelling aan de elementen.
Ik beklom het monument door op elk niveau met de klok mee rond te gaan. Met elke rondgang groeide mijn waardering voor deze plek. Het enorme aantal gravures in de muren en hun kleine details bleven intrigeren. Op sommige punten zijn er hele reliëfs, zoals schilderijen, die delen van het leven van een boddhisatva of een historisch tafereel weergeven.
De top, de centrale stoepa omringd door kleine stoepa’s, is waar alle bezoekers samenkomen. Het ziet er heel anders uit dan de niveaus eronder. Het is een fijne plek om te ontspannen na de klim en om na te denken over alles wat je onderweg hebt gezien. Er zijn ook geweldige uitzichten over de omliggende velden en bergen.
Ubud te voet
Ubud is een langgerekte plaats met eigenlijk maar drie hoofdstraten. Aan één daarvan ligt mijn hotel. Deze dag ben ik van plan om al het bezienswaardige in dit 8000 inwoners tellende toeristendorp te bezoeken.
Vanaf de uitgang van het hotel sla ik eerst linksaf. Het hotel ligt aan de Monkey Forest Road, een weg die leidt naar het Monkey Forest. Het is een minuut of 10 lopen over het trottoir naar de ingang van dit bos annex tempelcomplex.
Al bij de ingang staan de apen je op te wachten. Je kunt ook bananen kopen om ze te voeren, maar zo vroeg in de ochtend zijn ze nog druk bezig al het eten weg te stouwen dat ze van het parkpersoneel hebben gekregen. De apen hier zijn krabbenetende makaken ofwel “Java-apen”. Ze zijn te herkennen aan hun grijze snorharen (mannetjes) en baard (vrouwtjes).
Het bos waarin ze leven is maar klein, maar toch voelt het als een echt stuk natuur in het bebouwde Ubud. Er liggen ook twee tempels in het bos. De grootste is de Pura Dalem Agung Padangtegal tempel. Ik kan hem alleen maar van de buitenkant bewonderen: hij is gesloten. Wel jammer, want voor zover ik door het hek kan zien is het een rijk versierde tempel. Op een idyllische plek aan een stroompje ligt dan nog de “Heilige Brontempel”. De meeste beelden zijn hier met groen mos bedekt.
Na een drie kwartier houd ik het er voor gezien, en vervolg mijn wandeling door Ubud. Het apenbos ligt helemaal in het zuiden, ik loop nu terug richting hotel en verder naar het noorden. Je kunt goed op je gemak lopen. Er zijn steeds trottoirs (wel met rare hobbels) en aan weerszijden van de weg is het een aaneensluitende rij van winkels en restaurants. De enige hinder is het constante geroep van brommer- of taxichauffeurs zoekend naar een klant. “Hello! Taxi?”. Dat heb ik toch zeker wel een keer of 60 gehoord vandaag. Gewoon negeren maar.
Vlakbij de kruising van twee van de drie grote wegen ligt het Waterpaleis. Het ligt helemaal verscholen achter een restaurant, nauwelijks te zien vanaf de straat.
Net als in India, Nepal en Japan zie je hier langs de weg overal aangeklede godenbeeldjes, waar dagelijkse offers worden gebracht.
Mijn volgende stop is een stuk verder lopen. Aan Ubud zit tegenwoordig ook een aantal andere dorpjes vastgeplakt. Ik kom door het ene na het andere gehucht, op weg naar het Blanco Museum.
Don Antonio Blanco was een Catalaanse schilder, die een groot deel van zijn leven op Bali heeft doorgebracht. Zijn bijnaam was de “Dali van Bali”. Zijn flamboyante huis, nu een museum, is een kunstwerk op zich. In het kleurige hoofdgebouw hangen zijn grote, bonte schilderijen. In de ruimte klinkt dramatische Spaanse (opera) muziek. Ook kun je zijn atelier bezoeken, waar de spullen nog klaar staan (de man is overigens al 10 jaar dood).
En nog een eind verderop, ik begin het lopen wel een beetje zat te worden, ligt het Neka Art Museum. Dit is een groot museum vol Balinese schilderkunst, zowel traditioneel als modern. Ik ga er eerst maar een tijdje op een bankje zitten om al het zweet van mijn lichaam af te laten stromen. Het is weer bloedheet vandaag.
De traditionele Balinese schilderingen vind ik het mooist in dit museum.
Heel dapper ga ik ook lopend terug. Gelukkig is het nu vooral heuvel af. Op ongeveer een derde strijk ik neer voor de lunch. Na een mie goreng en vers sinaasappelsap lukt het me ook wel weer de resterende tocht te volbrengen.
Weer op de fiets
Het fietsen in Maleisië is goed bevallen, dus ik had me al voorgenomen ook op Bali op de fiets te stappen. Er zijn verschillende organisaties die hier fietstochten aanbieden. In mijn hotel vond ik een foldertje van Bike Baik, en hun tocht langs dorpjes en rijstvelden leek me wel wat. Gisteren telefonisch geboekt, en vandaag de hele dag op pad.
Even voor achten ’s ochtends komen ze me ophalen bij mijn hotel met een minibusje. Er gaan nog twee anderen mee, een stel van mijn leeftijd uit Londen. We gaan eerst drie kwartier rijden, de heuvels in.
Onze eerste stop is bij een koffie- en vruchtentuin. Je kunt er cacao zien groeien, bananen, durians, vanille. We krijgen er verschillende soorten koffie en thee te proeven, o.a. met ginseng erin. Erg vreemd / zoet van smaak.
Bij de tuin houden ze ook twee civetkatten in een kooitje. Deze (wilde) katten selecteren de beste koffiebonen en slikken ze door. Nadat ze de bonen weer uitgepoept hebben, worden deze verzameld, gewassen en tot koffie vermalen. Dat levert heel dure koffie op, de duurste ter wereld.
De volgende stop is bij een restaurant met uitzicht op de Batur vulkaan. Er zijn op Bali nog twee actieve vulkanen, en dit is er één van. Het is inmiddels 10 uur … en we krijgen ontbijt! Was voor mij niet echt nodig (had ik in het hotel al gehad), maar mijn Engelse medereizigers hebben een veel langere aanreisroute gehad vanaf de kust. Het ontbijt is een Indonesisch buffet, met nasi, gebakken banaan en nog zo wat van die dingen. Ik houd me bij wat lichte hapjes.
Van fietsen is het nog niet gekomen. We zetten nog wat fruitstalletjes op de foto, en proberen wat fruit uit.
Eindelijk is het dan tijd om op de fiets te stappen. Er staan mountainbikes klaar, genoeg om uit te kiezen. Helmpje op (ook handig tegen de zon) en we gaan op pad. De tourorganisatie heeft voor water gezorgd, en rijdt ook met een soort bezemwagen achter ons en een groepje van 6 Australiërs aan.
Het fietsen gaat als een zonnetje. De route is zo uitgekozen dat je vrijwel de hele tijd bergafwaarts rijdt. Het komt maar af en toe voor dat je wat bij moet trappen. De meeste inspanning komt nog van het in de remmen knijpen omdat het anders toch wel wat erg hard naar beneden gaat.
We rijden over geasfalteerde binnenwegen. We komen wat brommers/scooters tegen, maar nauwelijks auto’s of grotere voertuigen. Het is een aaneenschakeling van dorpjes die we passeren.
Alle dorpen staan vol met tempels. Iedere gemeenschap heeft er in ieder geval al drie, en daarnaast heeft iedere familie een eigen familietempel. Net als in Nepal bijvoorbeeld wordt er hier op Bali nogal vaak een festival of een andere belangrijke gebeurtenis gevierd.
Tussen de dorpen liggen de rijstvelden. De rijst hier wordt voornamelijk voor eigen gebruik verbouwd. De beplanting is aangelegd in terrassen, en de akkers worden via kanaaltjes van water voorzien. Ondanks dat het op Bali meestal heet en droog is, is het er toch erg groen. Dat komt doordat er veel natuurlijke bronnen zijn die in de watervoorziening voorzien.
Eenden houden de rijstvelden “schoon” van insecten. Je ziet ze hier massaal. En ook veel op de menukaart!
Na een uur of twee fietsen, we zijn dan bijna aan het eind, wordt er toch nog wat inspanning gevraagd. Er komen een paar steile klimmetjes in het parcours. Ze zijn alleen fietsend te nemen met een heel kleine versnelling. De Engelsen lukt dat niet en ze moeten steeds lopend omhoog. Twee Australiërs uit het andere groepje hebben er al helemaal de brui aan gegeven, en zitten in de bezemwagen. Ik voel me plotseling wel erg fit. Maar deze tocht stelt echt niks voor, zeker vergeleken bij die in Maleisië waar het toch 3 uur stevig doortrappen was over vaak onverharde paden.
Onder een grote boom treffen we een groepje mannen dat hun hanen aan het verzorgen is. De hanen worden gebruikt in hanengevechten. Het zijn stuk voor stuk statige, grote beesten.
Vlak voor de finish rijden we nog even met fiets en al dwars door een laagstaande rivier. Je krijgt er natte sokken van, maar het lukt me ongeschonden aan de overkant te komen.
Met het busje worden we vervolgens naar een plaatsje in de buurt van Ubud gebracht. Daar gaan we een Balinese maaltijd eten bij de familie van de eigenaar van de fietstourorganisatie. De familie (vader, moeder, tante, 2 van de 3 volwassen zoons en hun gezinnen) woont traditioneel bij elkaar in één ommuurd complex. Ieder gezin heeft zijn eigen slaapkamer, maar er is maar één keuken. Op het terrein staat ook de familietempel. De eigenaar is heel trots dat zijn familie inmiddels voldoende geld heeft om aan alle verplichtingen in het Balinese hindoeïsme te voldoen. En traditioneel is het leven hier nog zeker wel, ondanks dat het geld wordt verdiend met toeristen. Zo heeft deze man van een jaar of 30 gevijlde tanden. Dit wordt gedaan door een priester tijdens een ceremonie, om zo het menselijke van het dierlijke te onderscheiden.
In een soort paviljoen op het familieterrein is inmiddels voor ons een heerlijke lunch met Indonesische / Balinese gerechten klaargezet. We zijn inmiddels weer samen met de Australiërs. Ik neem van alles wat van het buffet, van saté tot mie. Om half vier eindigt de tocht, en worden we één voor één weer “thuis” gebracht.
De eerste en de laatste tempel van Bali
De laatste uren in Bali breng ik door met wat je hier het beste kunt: tempels kijken. Om één uur haalt de taxi, die me ook naar het vliegveld zal brengen, me op bij het hotel. Achter het stuur zit een praatgrage chauffeur die goed Engels spreekt. Net als alle eerstgeborenen op Bali heet hij Wayan.
We rijden eerst naar de Olifantsgrot Goa Gajah. Gisteren had ik al geprobeerd om er naar toe te lopen, maar na een minuut of 40 heb ik de moed opgegeven omdat de route te onduidelijk was (en maar door blijven lopen in de hitte is ook niet zo’n goed idee). Het blijkt nu dat ik wel op de goede weg was, maar ook dat het nog wel een kilometer of 3 verder was dan waar ik was omgedraaid.
Goa Gajah is de oudste tempel op Bali. Centraal staat een door mensen uitgehouwen grot, waar hindoepriesters leefden. Dit deel dateert uit de 11e eeuw. Entree hier kost maar 6000 rupiah (40 EUR cent). Vanaf de ingang aan de weg loop je via een trap naar beneden. Vanaf daar heb je al een fraai uitzicht over het hele complex.
Meest in het oog springend als je beneden komt is de badtempel, midden op het terrein. Het water stroomt het bad in via kruiken die door zes vrouwelijke beelden in hun handen worden gehouden.
Hét kenmerk van deze tempel, en het oudste onderdeel, is de Olifantsgrot zelf. De ingang daarvan is versierd met een druk tafereel van sculpturen. Het ziet er een beetje angstaanjagend uit, als de mond van een groot monster waardoor je naar binnen moet.
Ik loop achter een stel Japanners met gids naar binnen. De grot is maar een kleine ruimte, in een T-vorm. Aan de drie uiteinden staan beelden van Ganesh, van Shiva en drie shiva lingams (vruchtbaarheidssymbolen). Het is er donker en een beetje mysterieus.
Iets van het hoofdterrein af, verder naar beneden bij een riviertje, zijn nog meer tempels en boeddhistische relikwieën te vinden. Ook hier loop ik een tijdje genietend rond. Het is een mooie omgeving en het hele tempelcomplex is levendig en goed onderhouden.
We rijden vervolgens een uurtje naar het zuiden, voor de watertempel Tanah Lot. Bali is niet zo heel groot: het heeft 4 miljoen inwoners en de oppervlakte is iets groter dan Nederland. Tanah Lot ligt vlakbij de grote badplaats Kuta. Het verkeer is hier erg druk. Je ziet er ook veel bloot geklede toeristen. Dat past hier helemaal niet.
Hetzelfde publiek kom ik ook weer tegen bij de tempel van Tanah Lot. Je moet eerst langs honderden souvenirstalletjes om bij deze tempel te komen.

Het is een watertempel, gebouwd op een rots in zee. Het is nu eb, dus je loopt er zo naar toe. Je mag er echter niet naar binnen. De ligging is mooi, maar verder vind ik het niet zo indrukwekkend.
Tanah Lot was wel de laatste tempel tijdens mijn verblijf op Bali. De taxi brengt me door het drukke verkeer rond Kuta en Denpasar naar het vliegveld, vanwaar ik aan de lange terugreis begin.
Praktische info
Maleisië en Indonesië zijn twee gemakkelijke landen om in rond te reizen. Zeker als je de toeristisch meest bekende plaatsen aandoet. Bijna iedereen spreekt Engels, allerlei vormen van vervoer zijn mogelijk, het eten is heerlijk en het is er spotgoedkoop. Ik was er in oktober, en zowel in Maleisië als Indonesië was het erg warm (ca. 32 graden). In Maleisië was het ook erg benauwd, vaak bewolkt en soms een bui. Op Bali waait het wat meer, dus dat was beter te doen.
Vervoer
Ik heb alle mogelijke vormen van transport wel zo’n beetje gehad:
– de transcontinentale vlucht met KLM >> Business Class, geweldig
– 3x een binnenlandse vlucht, waarvan 2x met Air Asia (resp. 17 en 45 EUR) en 1x met Garuda (84 EUR)
– bus >> niet meer dan een lokale bus, spotgoedkoop
– trein >> ook al zo gemakkelijk
– taxi >> meestal op de meter en erg vriendelijk
– metro >> in Kuala Lumpur, 40 EUR cent voor een ritje
– becak >> leuk voor een keertje
Accommodatie
Traders Hotel in Kuala Lumpur. Een vier sterren hotel in KLCC (hartje centrum). Ik had hier een Deluxe kamer (er zijn ook eenvoudigere). Kamer heeft groot raam met uitzicht over de stad, een lekkere ligstoel, een bank en een luxe badkamer. Gratis draadloos internet. En dagelijks gratis flesjes water en vers fruit op je kamer.
Het is een heel groot hotel met 34 verdiepingen. Het ontbijt is een belevenis op zich: ze zijn op gasten vanuit alle culturen ingesteld. Behalve westerse toeristen en zakenreizigers zie je ook vrij veel Arabieren met geheel in het zwart bedekte vrouwen. Leuk om hier mensen te kijken, en het ontbijtbuffet is ook nog eens ongelooflijk uitgebreid.
Prijs: 70 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.shangri-la.com/en/property/kualalumpur/traders/rooms
Hotel Puri in Melaka. Hotel middenin Chinese wijk. Mooi oud gebouw, relatief eenvoudige kamers. Ontbijt met zoete broodjes, pannenkoeken en vers fruit.
Prijs: 35 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.hotelpuri.com/
Phoenix Hotel in Yogyakarta. Chique hotel in oud koloniaal gebouw. Erg druk met Nederlandse en Franse toeristen. Uitgebreid ontbijt. Gratis internet. Lekker balkon. Nederlandse (BVN-TV) en andere Europese zenders op de TV. Toch ook wel wat minpuntjes: weinig restaurants in de buurt (behalve de McDonalds en PizzaHut), geen ligbad.
Prijs: 48 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.accorhotels.com/gb/hotel-5451-the-phoenix-hotel-yogyakarta/index.shtml
Sri Bungalows in Ubud. Leuk rijtjeshuis met uitzicht over een rijstveld. ’s Avonds hoor je de kikkers en andere kleine dieren. ’s Ochtends schuif je de gordijnen open en is de boer al bezig met zijn land. Heel landelijk, lekkere privé-veranda, volop rust maar ook midden in het toeristische Ubud.
Ontbijt kun je kiezen, toast of ei of pannenkoeken, met fruitsalade en thee of koffie. Goed genoeg voor mij.
Prijs: 42 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.sribungalows.com/
Hilton in Kuala Lumpur. Samen met het Traders Hotel, waar ik aan het begin van deze reis was, is dit het best gewaardeerde hotel van de stad. Het ligt pal naast KL Sentral, het centraal station. Handig voor vervoer van en naar het vliegveld. Je kunt er ook met de metro naar de stad.
De zeer modern ingerichte kamer heeft vooral een geweldige badkamer. Heb nog een paar minuten lopen zoeken naar de WC, maar die bleek achter een mooi weggewerkte deur achterin de badkamer te zitten. Bed slaapt ook heerlijk.
Mijn stem voor het beste hotel van Kuala Lumpur gaat echter toch naar het Traders Hotel: vanwege het bijzondere ontbijt (inclusief), draadloos internet (inclusief) en een betere ligging voor de bezienswaardigheden.
Prijs: 90 EUR exclusief ontbijt
Link: http://www1.hilton.com/en_US/hi/hotel/KULHIHI-Hilton-Kuala-Lumpur-hotel/index.do
Eten
Het eten is één van de grootste attracties van het reizen door Maleisië & Indonesië. Hieronder enkele hoogtepunten.
Assam Laksa, gegeten in het Little Penang Kafe in Kuala Lumpur. Het is een heel dikke noedelsoep. Ziet er eigenlijk niet uit, een soort bruine drab. Maar is helemaal gevuld met vis (makreel), groente (komkommer, ui), fruit (ananas) en kruiden zoals munt en tamarinde. Het smaakt zuur en pittig tegelijk (zitten veel chilipepers in).

Nasi Lemak is in kokosmelk gekookte rijst met van alles, zoals kip, pinda’s, komkommer en gedroogde visjes. Stevig genoeg voor de lunch (Maleisiërs eten het als ontbijt…).




























Leave a comment