- Naar Japan
- Tomioka
- Naar Hokkaido
- Shiretoko
- Shiretoko pas
- Boot tour en terug naar Tokyo
- Naar Niigata
- Sado
- Terug in Tokyo
- Tokyo
- Musea in Tokyo
- Op zee
- Ogasawara
- Ogasawara – Kominato
- Ogasawara – het binnenland
- Laatste ochtend in Ogasawara en terugreis
- Hikone
- Kofun in Sakai
- Naar Hakata
- Naar Ishigaki
- Iriomote
- Asuka
- Terug naar Parijs
Naar Japan
Vanaf het vliegveld van Busan vlieg ik vandaag met Korean Air naar Tokyo Narita. Het is maar een klein vliegveld, maar je kunt er wel alle kanten op in Azië. Vooraf heb ik een digitaal douaneformulier voor Japan ingevuld (je krijgt dan een QR code wat het proces versnelt), maar je kunt ook nog gewoon een papieren briefje invullen.
Op het vliegveld pin ik eerst wat Japanse Yen (300 EUR/50.000 Yen) en ga dan met de Keisei Access Express naar Ueno. Deze kun je betalen met een digitale Suica kaart, die ik thuis al op mijn telefoon heb gezet en opgeladen met wat geld. Vanaf Ueno is het dan nog maar één metrohalte naar de wijk Asakusa, waar ik overnacht in het APA Hotel Asakusa Kuramae Kita.

Tomioka
4 September 2024 – 29°
Ik begin de ochtend bij mijn oude favoriet Doutor, een keten die ik al ken van mijn eerste reis naar Japan in 2000. Ze hebben er namelijk lekker verse broodjes en goede koffie. Prima voor het ontbijt.
Dan neem ik de metro naar Ueno station, waar ik op de Shinkansen naar Takasaki stap – de eerste stop op mijn weg naar het werelderfgoed van Tomioka. Het is geen probleem nog een gereserveerde zitplaats te krijgen voor de eerstvolgende trein. Takasaki is een schattig stationnetje waar je zomaar 10.000 yen (60 EUR) in een automaat kunt stoppen (ik kreeg gisteravond geen kleinere biljetten uit de geldautomaat..). Een retourtje met de private trein inclusief entree tot de zijdefabriek kost 2200 yen. Deze treinrit duurt ook zo’n 40 minuten. De trein stopt om de paar kilometer, het is echt voor de plaatselijke bevolking.

Voor de Zijdefabriek van Tomioka moet je uitstappen in Joshu-Tomioka. Ze zijn hier zo trots op hun werelderfgoed dat het in de trein wordt aangekondigd en de wandeling ernaartoe vanaf het station staat aangegeven. Deze Zijdefabriek uit de late 19de eeuw staat bekend als een van de eerste Japanse ondernemingen die op moderne, westerse schaal industrialisatie van hun proces doorvoerden. Daarvoor schakelden ze Franse hulp in: niet alleen als management, maar ook vrouwelijke docenten om de Japanse werkneemster het fabriekswerk bij te brengen.

Het is een groot terrein waar nog drie grote fabriekshallen overeind staan, en diverse woonhuizen en slaapzalen voor het personeel. Alles is in een mix van Japanse en Westerse elementen gemaakt, met gebruik van veel baksteen en hout. Op het middenterrein zijn ze nog druk aan het werk (restauratie? herbouw?), zodat het allemaal nogal rommelig overkomt. Ook moet je zelf je weg een beetje zoeken tussen alle gebouwen.
Hier en daar zijn wel wat interessante elementen, zoals een stel levende zijdewormen in een bakje.

Ik haal lunch bij de lokale supermarkt en om half 2 neem ik de trein(en) terug naar Tokyo (Ueno).
‘s Avonds ga ik in de buurt van mijn hotel eten bij Asakusa Gyukatsu. Je moet er een half uur buiten in de rij voor wachten, maar ze komen buiten alvast de bestelling opnemen. Niet dat er veel te kiezen valt: ze hebben alleen de kleine, medium en grote versie van hun standaardmenu, met als hoofdgerecht ‘gyukatsu’ (gepaneerd, gegrild rundvlees). Ze hebben maar een paar stoeltjes in een kelder om gasten te ontvangen en iedereen eet dus hetzelfde. Er is zelfs een geplastificeerde uitleg bij wat er in het menu zit en hoe je het moet eten. De biefstuk grill je zelf. Het is heerlijk.

Naar Hokkaido
5 September 2024 – 26°
Na weer een ontbijtje bij Doutor neem ik de Airport Limited Express naar Tokyo Haneda vliegveld. Je bent zo’n 50 minuten onderweg. Ik moet in terminal 1 zijn, voor de binnenlandse vluchten. Daar vertrekt mijn Japan Airlines vlucht naar Memanbetsu Airport op Hokkaido. Je hoeft alleen maar een digitale code twee keer te scannen en je bent zo overal door. Er zijn gemakkelijke stoelen en voldoende eettentjes.
We vertrekken iets te laat, ondanks dat het boarden razendsnel gaat. Op de vlucht van 1u20 krijg je alleen een drankje.
Op het kleine vliegveld van Memanbetsu meld ik me bij de balie van Orix om mijn huurauto op te halen. Ik word eerst met een busje naar ‘het kantoor’ buiten het vliegveld gebracht. Daar verwachten ze me al. De afhandeling gaat snel (geen borg!), en met goede uitleg met wat extra aandacht voor afwijkende Japanse verkeersborden. Ook stelt de medewerker de autonavigatie in op Engels. De auto is een kleine witte Nissan Note E-Power.

Het is dan 1.5 uur rijden/80km naar hotel. Het is een rustige plattelandsregio dus het rijden is gemakkelijk. Het landschap lijkt op Zweden of Canada. Veel landbouw.
Om kwart over 4 kom ik aan in Hotel Iruka in Utoro. Het is een typisch Japans 2-sterrenhotel – een soort herberg maar van alle gemakken voorzien.
Ik ga dan snel nog even het dorp in. Het bezoekerscentrum van het Shiretoko Nationaal Park is nog net open (tot 5 uur) – ik ga eerst kijken of er morgen boten varen voor een cruise langs de kust. De kleinere boot is al voor de hele dag geannuleerd, voor de grote boot bekijken ze het weer morgen. Het is stralend weer, zeer warm voor zo noordelijk, maar de golven zijn te hoog.

De meeste restaurants zijn vanavond gesloten, misschien zijn de meeste bezoekers hier dagjesmensen. Ik strijk neer in een cafeetje waar ze gegrilde ree op het menu hebben. Het zijn reepjes vlees die je zelf moet grillen en dan in saus of peper/zout dopen.
Shiretoko
6 September 2024 – 25°
Voordat je naar Shiretoko NP gaat, is het belangrijk om te weten in welk ‘seizoen’ je je bevindt: dit heeft grote invloed op welke activiteiten je kunt doen en welke dieren je kunt zien. Het is nu ‘Eco Preservation Awareness Season’ (augustus tot half november). In deze periode mag je zelfstandig over het hoofdpad bij de Shiretoko Five Lakes lopen (in het ‘Bear Active Season’ niet). Hiervoor moet je wel een vergunning halen bij het Shiretoko Goko Field House. Dit kost een symbolische 250 yen en het bijwonen van een presentatie van 13 minuten over wat je wel en niet moet doen in het bos, en vooral hoe je je moet gedragen in de buurt van beren (niet rennen!).

De 3 km lange wandeling volgt grotendeels een pad door het bos, dat af en toe wordt onderbroken voor één van de vijf meren waarnaar de wandeling genoemd is. Verschillende Japanse wandelaars die tegelijkertijd met mij vertrekken, dragen berenbellen, dus dat heeft de beren waarschijnlijk weggejaagd, als ze er al waren. De grafiekjes in de voorbereidingsvideo lieten zien dat in augustus en september ongeveer om de dag beren langs dit pad zijn gezien. Het enig wat ik tegenkwam waren twee herten. Verder was het weinig opwindend.

Het bospad eindigt bij een verhoogde houten vlonder, wat de kortere wandeling is die je hier kunt maken vanaf het bezoekerscentrum. Deze is voorbeeldig aangelegd, met mooie vergezichten over zee en naar de bergen.
Ik pak weer de auto en rijd dan een paar kilometer naar het zuiden, waar een kort pad van het natuurcentrum naar de Furepe-waterval voert. Dit is een mooie wandeling in een meer open omgeving dan die bij Five Lakes. Het biedt een goed uitzicht op de hogere bergen landinwaarts. De waterval zelf is in eerste instantie teleurstellend, omdat deze uit een spleetje stroomt die wordt gevoed door ondergronds water van sneeuw en regen (vandaar de bijnaam “stromende tranen”). De klif heeft echter een steile helling van 60 m in de Zee van Ochotsk.

Voor lunch is er niet veel open, maar ik vind in Utoro toch een vriendelijk visrestaurantje waar ik gegrilde Okhotsk makreel eet.

‘s Avonds, van 19.30 tot 21.30 uur, sluit ik me aan bij een Wildlife Night Drive met een bedrijf genaamd Picchio. In een minibusje, uitgerust met verrekijkers en schijnwerpers, rijden we langzaam over de wegen rond het natuurcentrum en de toegang tot Five Lakes op zoek naar dieren. We vinden al snel een jong hert (ook in het Japans een ‘Bambi’) en later een vos.

We gaan op zoek naar beren bij de rivier, waar de gids zegt dat ze in deze tijd van het jaar beginnen te komen om zalm te eten. Maar we vinden er geen, en ook de zoektocht naar een uil blijft vruchteloos.
Shiretoko pas
7 September 2024 – 22°
Vandaag is het plan om over de Shiretokopas naar de andere, oostelijke kant van het schiereiland te rijden. Maar niet voordat ik een kleine omweg heb gemaakt naar de weg die volgens de gids van gisteravond het beste is voor beren in dit seizoen; het is de weg die is aangegeven naar de onsen, parallel aan de Iwaubetsu-rivier. Helaas kom ik (opnieuw) met lege handen terug.
Het rijden over de Shiretokopas is in deze tijd van het jaar niet spectaculair (hij is gesloten vanwege hevige sneeuwval van november tot maart). Vanaf de parkeerplaats bovenaan heb je een indrukwekkend uitzicht op Mount Rausu en de eilanden die ‘op de wolken drijven’ in de verte.

Aan het einde van de pas is weer een bezoekerscentrum. Ze hebben er opgeztte beren en een orca skelet. Je kunt er ook een wandeling van een paar honderd meter maken naar een geiser, maar die heeft er vandaag geen zin in.

Ik rijd naar het stadje Rausu en vervolgens noordwaarts over de kustweg, maar dit gebied is lang niet zo ontwikkeld voor toerisme als de Utoro-kant van het park. Er zijn vooral vissersdorpjes.
Terug in Utoro eet ik ‘s avond bij het Namishibuki restaurant, een populair tentje. Vanaf half 6 kun je je naam op een lijst zetten en dan moet je wachten tot je aan de beurt bent. Ik moet 20 minuten buiten wachten (ze hebben stoeltjes!). Ik eet de char siu ramen (met gegrild varkensbuikvet).
Boot tour en terug naar Tokyo
8 September 2024 – 26°
Bij het wakker worden kijk ik snel op mijn telefoon om de verwachtingen voor de bootafvaarten deze dag te zien. Ik heb geboekt bij Aurora voor een berencruise om 9.15 uur. Alle seinen staan op groen deze ochtend, bij mijn vertrek (het is een kleine boot, de andere zijn groter) staat alleen ‘Pas op voor zeeziekte’.

Op het kantoortje bij de haven betaal ik mijn kaartje en ik kan doorlopen naar de boot, de Aurora 3. Er kunnen maar zo’n 30 mensen op. Iedereen krijgt een zwemvest en een verrekijker in de handen geduwd, en ik ook nog eens een boekje met uitleg over de bezienswaardigheden in het Engels. Het is de bedoeling dat we naar de Rautsu Baai gaan varen, een strand waar regelmatig beren worden gezien in het zalmseizoen (augustus/september).
Eerst komen we echter langs vreemd gevormde rotsen en watervallen, die ik twee dagen eerder al vanaf land heb gezien. De boot vaart soms dicht bij de kust, maar moet ook vaak ver terug zee in om (naar ik aanneem) vissersnetten te ontwijken die met boeien zijn aangegeven.

Tijdens de laatste uitwijkmanoeuvre, na zo’n 35 minuten varen, varen we opeens de andere kant op! Ik had eerder al verhalen gehoord van cruischepen hier die zonder uitleg terugvoeren naar de haven. En inderdaad, dat is wat we doen. Na 1 uur en 10 minuten zijn we weer aan land, zonder beren en een uur te vroeg. Bij het kantoortje krijgen we 3300 yen van de 6000 betaalde yen terug als compensatie.
Mij rest nu alleen nog de rit terug naar Memanbetsu Airport. De terugrit verloopt vlotjes, alhoewel er plotseling een grote vuurvlam en rookwolk ontstaat een paar honderd meter voor me. Het blijkt dat een motorfiets in brand is gevlogen. De brandweer is er snel bij en heeft het zo geblust; alleen het geraamte is over. Na een paar minuten kan ik weer doorrijden.
Het vullen van de tank voor het inleveren is ook gemakkelijk: er is een benzinestation vrijwel naast de verhuurder. Het is ook een koopje, ik heb maar voor 2500 yen (15 EUR) verbruikt. Het was een heel zuinige auto (reed 1 op 25), de benzine is niet duur in Japan en ik heb ook niet zo veel kilometer gereden.
Omdat ik nu al vroeg op het vliegveld ben, is er tijd voor een goede lunch. Ze hebben er een curry-restaurantje. Het vraagt weer even in de rij staan, maar dan kun je bestellen via een self-service scherm. Ik neem voor 1700 yen de bacon curry met rijst. Het is zogenaamde ‘Hokkaido Soup Curry’. Het wordt vers gemaakt met heel veel groente en is heerlijk.

De vlucht terug naar Tokyo Haneda duurt anderhalf uur. In 35 minuten ben ik dan in mijn hotel dichtbij Omori treinstation, het APA Hotel Omori Ekimae.
Naar Niigata
9 September 2024 – 28°
Na weer een ontbijt bij Doutor neem ik de Shinkansen van Tokyo Station naar Niigata om 10.15 uur. De treinen rijden elk half uur. Het is ongeveer 2 uur reizen, het kaartje is duur (10,680 yen, zo’n 68 EUR). Ik krijg een stoel in het midden maar gelukkig stapt mijn buurman al snel uit en heb ik de ruimte.
In Niigata start ik met heerlijke sushi op het station bij Sushi_Kaisenya. Het is nog veel te vroeg om in te checken in mijn hotel, dus loop ik maar eens naar de ferry terminal om de situatie voor morgen (wanneer ik naar Sado eiland ga) te verkennen. Het is een zeer hete wandeling van 30 minuten. Ik kan mijn kaartje nog niet krijgen en ook hebben ze geen buspas voor Sado te koop, dus het is niet zo’n vruchtbare verkenning geweest.

Met de stadsbus ga ik terug naar het centrum. Daar ga ik zitten wachten in een Starbucks tot ik in mijn kamer in het APA Hotel & Resort Niigata Ekimae Odori in kan.
Sado
10 September 2024 – 30°
Eén van de dingen die ik het leukst vind aan het bezoeken van werelderfgoederen is dat het minder bekende gebieden opent, zelfs als het erfgoed zelf niet zo geweldig is. Dit geldt zeker voor het eiland Sado, een prachtig voorbeeld van traag, landelijk Japan. Sado is vrij groot, het is zelfs het op één na grootste eiland (na Okinawa) buiten de vier hoofdeilanden van Japan. De andere grote toeristische attractie naast de werelderfgoed goudmijnen is de Toki (kuifibis), die hier opnieuw is geïntroduceerd nadat hij in Japan was uitgestorven.
Hoewel het niet ver van Tokio ligt, is het een dure excursie. Een enkele reis met de shinkansen van Tokio naar Niigata (2 uur) kost 68 EUR en het retourticket met de jetfoil naar Sado Island vanuit Niigata (1 uur) kost meer dan 80 EUR. Vanwege de boottijden moet je minimaal één nacht in Niigata verblijven.

Ik heb de eerste boot om 7.55, zo vroeg dat de stadsbussen in Niigata nog niet rijden en ik 25 minuten naar de haven moet lopen. De overtocht verloopt vlot. In de haven van Ryotsu op Sado blijkt bus #1 van 9.15 uur blijkt mooi aan te sluiten bij de aankomst van ‘mijn’ jetfoil. Hij rijdt rechtstreeks door naar de Sado goudmijnen. Bij de tourist info in de haven koop ik een dagkaart voor de bus.

Ik begin mijn bezoek bij de twee mijnen van Sado Kinzan: Sohdayu (400 jaar oud) en Dohyu (100 jaar oud). De gecombineerde toegangsprijs is 1500 yen (9 EUR). Geen rondleiding hier: je loopt gewoon door de tunnels en bekijkt de tentoonstellingen in je eigen tempo. De informatie wordt weergegeven in zowel het Japans als het Engels.
De oudste van de Sado-mijnen stammen uit de Edo-periode (16de-17de eeuw). Ik zie er niet veel specifiek Japans in, hoewel aan het einde van de rondgang door de Sohdayu-mijn een display laat zien dat er Shinto-rituelen werden uitgevoerd om de ontdekking van een nieuwe ader te vieren of om te bidden dat het erts zachter zou worden.

De iconische afbeelding van de Sado-mijnen toont de Dohyu-berg die bijna in twee helften is gesplitst. Deze 30 meter brede scheur begon al te verschijnen tijdens de Edo-periode toen ze begonnen met dagbouw vanaf de bovenkant en steeds dieper gingen. Buiten de mijn kun je naar deze scheur toe lopen.

Opvallend in de presentatie van deze mijnen is het lot van de “ongeregistreerde” of “dakloze” mensen die hier vanaf 1789 naartoe werden gestuurd om te werken. Dit waren Japanse mannen die van de straten van grote steden zoals Edo, Osaka en Nagasaki werden gehaald om 10 jaar lang hard te werken als drainagearbeiders in de mijnen op het eiland Sado. Er is ook een gedenkteken voor hen langs de weg net ten zuiden van de hoofdmijnen.
Vanuit Sado Kinzan loop ik 30 minuten naar beneden naar het stadje Aikawa. Dit is een aangename wandeling, met uitzicht op de stukjes en beetjes van de mijnbouwgeschiedenis die verspreid liggen in het omringende landschap.
Een belangrijke stop is de Sado Bugyosho: een reconstructie van het voormalige kantoor van de magistraat. Het belang van de Sado-mijnen uit de Edo-periode is deels afgeleid van de vele administratieve documenten die bewaard zijn gebleven over de productie en het beheer ervan. Het kantoor bestaat uit een enorm complex, omgeven door een gracht, omdat al het kostbare goud erin werd bewaard. Op de tentoonstelling in de Sohdayu-mijn kun je een model zien van hoe het destijds werkte, met kantoren, een munt en een smelterij.
De tentoonstellingen in het hoofdkantoor zijn beperkt, of zo ingetogen dat je Japans moet zijn om ze te begrijpen. Er is bijvoorbeeld een kale kamer met alleen een bordje ‘Oshirasu’ – later toen ik het opzocht op Google, zag ik dat het betekent “Rechtbank tijdens de Edo-periode, waarin de partijen op wit zand zaten”.
Het tweede gebouw dat open is voor publiek heeft tentoonstellingen over het smeltproces dat hier werd uitgevoerd.
Voor lunch strijk ik neer in een door een bejaard stel gerund noedel restaurant in centrum van het stadje Aikawa. Voor slechts 900 yen (5,40 eur) krijg ik een menu met tempura, rijdt en koude soba noedels.
Er komt al een bus langs om 2 uur, dus die neem ik maar vast. Om 15.10 ben ik terug in de haven. In een leuk cafeetje heb ik daar koffie gedronken tot het tijd is voor de terugvaart naar Niigata om 16.55.
Terug in Tokyo
11 September 2024 – 34°
Met de trein reis ik vandaag terug van Niigata naar Tokyo Ueno om 10.28. Eindelijk heb ik een plek aan het raam en 3 plaatsen voor mezelf. Ik heb de hele rit aan de website zitten werken, er is ook wifi aan boord.
Voor de lunch heb ik vooraf 3 goed aangeschreven restaurantjes in de buurt van Ueno station opgezocht. Ik kom uiteindelijk uit bij Ramen Kamo To Negi.

De specialiteit hier is noedelsoep met eend. Ik moet weer aansluiten in een rij. Ze hebben 10 genummerde stoeltjes buiten staan voor de wachtenden. Bestellen doe je via een machine. De meest luxe versie van de noedelsoep (die ik neem) kost 1480 yen (9 EUR) en komt met een extra ei en extra vulling van reepjes eend.

Pas om 4 uur kan ik inchecken in mijn hotel, de Toyoko Inn 2 in Asakusa (2 straten verderop van waar ik een paar dagen geleden verbleef). Ik dood de tijd in een Starbucks, waar nog veel meer toeristen de verzengende hitte buiten lijken te ontwijken. Ook in de hal van het hotel kun je goed zitten en is het koel. De rest van de middag en avond blijf ik lekker binnen, ik haal alleen wat snacks van de supermarkt als avondeten.
Tokyo
12 September 2024 – 33°
Het belooft (weer) een heel hete dag te worden in Tokio, 34 graden, dus ik ga al om 7.15 op pad. Het doel van vandaag is om een aantal gebouwen van de Japanse architect Kenzo Tange te zien, die verspreid liggen door de stad.
Ik begin bij het Yoyogi Stadion. Het is gebouwd voor de Olympische Spelen van 1964. Het is nog steeds in gebruik als sporthal. Je kunt vrij op het terrein rondlopen en ik zie heel wat jongeren in een rij zitten, naar ik aanneem te wachten op het vrijkomen van kaartjes voor een concert. Tange mengde modern-westerse en traditioneel Japanse invloeden. Het meest opvallend is het ‘hangende’ dak, als een soort laken gedrapeerd. Naast de grote hal staat nog een kleinere versie ervan, die ik eigenlijk mooier vind.

Verder met de metro naar Mode Gakuen Cocoon Tower in Shinjuku, midden tussen de winkels en kantoren. Hij is ontworpen door het kantoor van Tange na zijn dood. De opdracht was om een wolkenkrabber te maken die niet rechthoekig mocht zijn. Het is een soort cocon, en het gebouw wordt gebruikt door studenten.

De laatste en misschien wel de beste is de St. Mary Cathedral. Dit ligt nogal in een buitenwijk, ik moet er met de bus heen en dan nog een stuk lopen. Deze kerk dateert net als het stadion uit 1964. De massieve buitenmuren zijn gemaakt van roestvast staal. Het is de katholieke kathedraal van Tokio dus nog steeds in dagelijks gebruik. Je kunt er binnenlopen maar mag er binnen geen foto’s maken. Dat is jammer, want het is heel verrassend: alsof je in het binnenste van een betonnen piramide zit. Het lijkt een beetje op de Kathedraal van Rio de Janeiro, maar dan zonder het glas in lood.

Met bus en metro verplaats in me weer ‘huiswaarts’. Ik eet in de zakenwijk Ginza bij een groot en druk restaurant waar veel zakenmensen komen lunchen. Daarna neem ik een lange siësta om bij te komen van de hitte (ik heb al 11 km gelopen vandaag).
Tegen zonsondergang loop ik dan nog naar de Senso-ji Tempel in de buurt van mijn hotel. Ik ben hier al wel eerder geweest, het is de mooiste en drukst bezochte tempel in Centraal-Tokio. Zo aan het einde van de middag is het terrein mooi verlicht en ik struin er een uurtje rond.

Musea in Tokyo
13 September 2024 – 33°
Om wat aan de hitte te ontkomen heb ik vandaag twee musea op het programma staan. Daar zal de airco vast goed werken. Ik begin bij het Nationaal Museum voor Moderne Kunst. Het zit in een groots gebouw vlak naast de ingang tot het (hermetisch gesloten) Keizerlijk Paleis. De kunst hier is van de eind 19de eeuw en later.
De permanente collectie is ruim gepresenteerd. Veel nadruk ligt er op de relaties tussen de Japanse kunstenaars en de internationale trends van die tijd. Het meest aansprekende vind ik het werk van Saori Akutagawa, met primitivistische-folkloristische schilderijen waarin vrouwen worden afgebeeld.

Ze hebben ook kunst uit de Tweede Wereldoorlog, schilderijen die laten zien hoe de oorlog in Japan werd beleefd. Echt recente kunst ontbreekt en het is allemaal erg braaf.

Daarna neem ik de trein in de richting van Ueno Park, voor het Nationale Museum. Dit is het oudste en grootste museum van Japan. De collectie is verspreid over verschillende gebouwen op één ‘campus’. Ik ben hier in 2000 ook geweest, toen was er een interessante expositie van oude Japanse kunstschatten. Nu kijk ik wat rond bij de No-maskers en de netsuke beeldjes.

Bij beide musea heb ik moeite mijn draai te vinden, misschien is het gewoon te heet vandaag.
Op zee
14 September 2024 – 28°
De Ogasawara-eilanden zijn een heel afgelegen werelderfgoed: elke trip kost minstens 5 dagen. De boottocht heen en terug duurt elk 24 uur, en daartussen heb je ruim 3 dagen om de eilanden te verkennen.

De veerboot naar Ogasawara vertrekt vandaag om 11 uur uit de haven van Tokio. Het is een erg groot schip, met zo’n 890 bedden. Ik heb het vooraf geboekt en je moet dan nog ter plekke het bewijs omwisselen voor een boardingpas. Deze heeft ook het nummer van je ‘bed’ – in mijn geval een Economy Berth, wat een half-open ruimte is met 2×2 bedden boven elkaar. Je hebt ook een gordijntje en er is vrij veel privacy.

Ik spendeer de eerste twee uur op het buitendek van dek 6 en 7. Ik heb in de haven nog een zalmbento als lunch gekocht, en die eet ik ook buiten op. Ik zit aan tafel bij een Japanse moeder en studerende dochter, die goed Engels kunnen en leuk gezelschap zijn.
Vertrekkend uit Tokio past het schip net onder de brug door. We komen ook langs eilandjes met oude vestingswerken.

Het duurt uren voordat we op open water zijn, en dan ga ik naar binnen. Het wordt te koud en er is niet veel meer te zien. Binnen zijn er weinig goede plekken om te zitten. De meeste mensen blijven in hun ‘kamer’, gordijntjes dicht.
Het schip voelt heel stabiel, maar als je een hele tijd op de laptop werkt voel je de bewegingen wel. We komen net hoge golven tegen als ik naar het restaurant ga. Het kost me heel wat moeite om mijn noedelsoep van de balie te pakken.

Om 8 uur maak ik me klaar om naar bed te gaan. Om 10 uur gaan de lichten uit.
Ogasawara
15 September 2024 – 28°
Ik heb vannacht met horten en stoten geslapen, het matras was vooral heel hard ondanks dat ik gisteravond nog een extra deken heb bemachtigd. Om 6 uur gaan de lichten weer aan. Ik sta om half 7 op.
Zowel het restaurant als de ‘bar’ zijn vanaf 7 uur open voor ontbijt. Ik scoor in de bar van het observatiedek een ontbijtmenu van koffie, gekookt ei en een BLT sandwich voor 800 yen. Dit eet ik op al starend over de oceaan. De golven lijken wat rustiger dan gisteravond.
Vanaf 8 uur nestel ik me weer op het buitendek. Tegen 9 uur komt het eerstje stukje land in zicht. We zijn nu ook volgens maps.me binnen de Ogasawara archipel. We varen eerst langs enkele kleine, onbewoonde eilanden. Bruine genten vliegen met de boot mee.

Een half uur te laat leggen we aan aan de kade van Chichi-jima (dat is de naam van het hoofdeiland). Daar staan tientallen uitbaters van hotels en andere overnachtingsplaatsen te wachten op hun gasten. Ook Mary, van mijn AirBnB, staat er. Naast mij gaan er nog twee Japanse jongens mee naar haar huis. We hebben de hele bovenverdieping, met een gedeelde badkamer en keuken. De kamer is ruim en westers.

Ik ga snel maar een rondje door het dorp lopen. Ik boek een nachttour voor vanavond (4500 yen) en eet bij Bonina een poke bowl. Je hoort hier overal Hawaiiaans-achtige muziek en het geeft me ook een Paaseiland vibe. Het bezoekerscentrum blijkt geen info te hebben over tours, maar wel een interessante tentoonstelling over de endemische slakken, waar de eilandengroep bekend om staat.
Ik loop ook naar Miyanohama Beach – slecht 1.5 km maar met een steile klim. Ik weet meteen dat ik de komende dagen ander vervoer moet zien te regelen. Het strand is niet zo bijzonder, maar je ziet op de weg ernaar toe al wel veel typische planten zoals de pandan-boom met grote vruchten.
Weer terug in het centrum ga ik nog even langs de supermarkt. Waar eerder deze middag de schappen half-leeg waren, is met de komst van de veerboot (waar ook veel vracht op meegaat) alles weer aangevuld en de lokale bewoners shoppen erop los.
Om 7 uur komt een minibusje me van mijn AirB&B ophalen. Mijn hoofddoel voor de nachttour is om een Bonin Flying Fox te zien, het enige endemische zoogdier van Ogasawara en een nachtdier. We beginnen de 2 uur durende tour in de haven, waar we naar wat palingachtige vissen staarden.
Daarna rijden we weer naar Miyanohama Beach, waar 5 minibusjes van andere tourbedrijven zich al op de parkeerplaats hadden verzameld. Een lang verhaal in het Japans volgt, maar het blijkt dat we groene schildpad-babies in zee gaan vrijlaten. Medewerkers van het Ogasawara Marine Center hebben dozen vol diertjes meegebracht en geven elk een doos aan de tourleiders. Het voelt een beetje dubbel, aangezien groene schildpadden prominent op de menu’s van de restaurants in Ogasawara voorkomen als sushi of in een stoofpot. Een erkende visserij mag traditioneel jaarlijks een beperkt aantal groene schildpadden vangen.

Dit alles neemt behoorlijk wat tijd in beslag, dus ik hoopt dat het mijn kansen om een Flying Fox te zien niet belemmert. We rijden naar het zuiden van het eiland (het is zo klein dat dit ongeveer 15 minuten duurt) en stoppen bij een donkere weg met een reeks Pandanus-bomen. Dit is de perfecte plek om te zoeken naar een Bonin Flying Fox, aangezien de vruchten van deze boom zijn favorieten zijn. Je kunt al aan de rommel op de grond zien dat er een actief is geweest. Het kost de gids wat zoeken (alleen rode lenzen worden gebruikt), maar daar is hij: ondersteboven hangend, met doordringende ogen en kroeshaar.

Missie volbracht voor mij, en een kleine wraak voor de ongrijpbare beren van Shiretoko. We sluiten de tour af met een blik op kleine schimmels die in het donker oplichten.
Ogasawara – Kominato
16 September 2024 – 28°
Op dag twee neem ik om 7.45 de lokale bus naar de laatste halte, de “meest zuidelijke bushalte van Tokio” (heel Ogasawara is een subprefectuur van Tokio).
Dit gebied, vernoemd naar Kominato Beach, is waarschijnlijk het beste deel van het eiland om op eigen houtje te verkennen. Het heeft een prachtig zandstrand omgeven door kliffen met kussenlavarotsen die zijn ontstaan door onderwatervulkaanuitbarstingen.

Ik doe er ook een mooie rivierwandeling langs de Yatsusegawa.

En een zwaardere klim naar de Nakajima-pas (20 minuten bergopwaarts). Het is de inspanning helemaal waard vanwege het adembenemende uitzicht op de kust.

Terug met de bus naar het hoofddorp Omura. Daar loop ik langs het werelderfgoedcentrum. Hier kun je een beter begrip krijgen van de unieke evolutionaire processen die in Ogasawara hebben plaatsgevonden vanwege zijn geisoleerde ligging. Het is ontstaan door een vulkaanuitbarsting en elke soort die er nu op zit, is vliegend of drijvend uit verschillende regio’s gekomen. Ze hebben hier ook een paar levende endemische landsslakken. In de realiteit leven ze vooral op de onbewoonde eilanden en komen ze alleen in het regenseizoen tevoorschijn. Vooral de evolutionaire ontwikkeling van de Mandarina landslak is fascinerend.

‘s Avonds ga ik weer eten bij Bonina. Je kunt er leuk zitten en er is verder niet zoveel open. Ik neem wagyu beef en een biertje.
Ogasawara – het binnenland
17 September 2024 – 28°
Eén van de grappige dingen in deze kleine eilandgemeenschap is dat elke dag om 9 en 17 uur “nieuwsberichten” worden omgeroepen via publieke luidsprekers. Je hoort ze overal. Ik weet niet wat er gezegd wordt, het gaat vast vooral over weersvoorspellingen (de eilanden zijn behoorlijk gevoelig voor tsunami’s).
Het grootste deel van het nationale park op Chichi-jima bestaat uit beboste bergen. Er is een bergweg, maar die is niet toegankelijk met de bus en wandelend of fietsend lijkt het een hele uitdaging. Bovendien heb je voor verschillende delen van het bos een officiële gids nodig om binnen te komen. Dus ik kies ervoor om een Forest Hiking Tour te doen met een bedrijf genaamd TAKE Nature Academy.

Ik heb ze gevonden via een brochure die ik van de tourassociatie kreeg (een derde “bezoekerscentrum” in het kleine stadje), ze waren de enige die een tour in het aanbod hadden die me aansprak. Ze mailden me (in goed Engels) dat de gids alleen Japans kan, maar dat vind ik niet zo’n probleem. We zijn uiteindelijk met een groepje van 7 en een jong meisje als gids&chauffeur. Meerdere van de andere gasten spreken redelijk Engels, dus ik krijg het meeste wel mee.
We bezoeken 6 verschillende habitats op het eiland en maken bij elk een korte wandeling. Dit was de ‘softe’ tour (ze hebben ook een zwaardere met klim naar de hoogste berg). Niet onverwacht starten we de dag bij Kominato Beach waar ik gisteren ook al was. Maar het is ook zo’n mooie plek. En nu gaan we bomen en planten kijken, toch weer anders dan gisteren.
Daarna volgt de aankondiging “We go to the mountains!” Voor het eerst ben ik op de bergweg die het eiland doorkruist. Het is maar een smalle weg en ze zijn ook nog eens overal met de weg aan het werk. Maar de gids parkeert gewoon aan de kant van de weg.

We lopen een bospad in. Dit voert weer langs een heel aantal inheemse bomen. Bij een grote klimboom waar we even pauzeren zien we ook weggeworpen gasmaskers, nog een restje van de Tweede Wereldoorlog?
De rest van de dag komen we precies op de plekken terecht waar ik op gehoopt had. De hoogtepunten zijn Iwayama en Higashidaira Sanctuary. Voor beide gelden specifieke bioveiligheidsregels: er is een platform aan het begin van het pad waar je je schoenen moet schrobben om van zaden af te komen en de zolen moet inspuiten. Er is ook een creatief systeem om bezoekers te tellen door koraalstenen in een buis te plaatsen.
Iwayama ligt in het meest oostelijke deel van het eiland, het vulkanische gesteente is hier zichtbaar en er zijn weer prachtige uitzichten langs de kust.
Het Higashidaira Sanctuary, ter bescherming van de endemische Red-headed Wood Pigeon, intrigeerde me meteen toen ik het op een kaart zag tijdens mijn voorbereidingen. Dit is stevig afgesloten voor buitenstaanders, het is zelfs volledig omheind – niet tegen toeristen, maar vanwege verwilderde katten, die de grootste bedreiging voor inheemse vogels zijn geworden. Tijdens het wandelen zie je vaak vallen om ze te vangen. Ik moet zeggen dat het natuurpad hier een beetje tegenviel, hoewel we een aantal ‘nieuwe’ plantensoorten zagen. Geen vogel te bekennen!

Tegen 4 uur word ik terug afgezet bij mijn B&B. ‘s Avonds eet ik bij Bueno Horizon.
Laatste ochtend in Ogasawara en terugreis
18 September 2024 – 28°
Dit is mijn laatste ochtend in Ogasawara. Ik haal wat bij de supermarkt en eet mijn ontbijt op vanaf een bankje aan de haven. Ik pak weer de eerste bus langs de kustweg, en stap uit bij Sakaiura Beach. Hier ligt in de baai nog een gezonken schip uit de Tweede Wereldoorlog. Er steekt nog net een verroest stukje boven het water uit. Het strand daar is verder niet veel bijzonders.

Bergafwaarts wandel ik dan langzaam terug naar ‘de stad’. Er is de hele tijd een voetpad langs de weg, dus dat is gemakkelijk lopen. Zelfs als je door een tunnel moet. Volgende stop is het Ogasawara Marine Center, dat om 9 uur open zou moeten gaan. Ik ben er al iets eerder en zit een tijdje aan de kade.
Maar ook om 9 uur gebeurt er niet veel. Er blijkt een bordje te hangen (alleen in het Japans natuurlijk) dat ze aan het verbouwen zijn, maar dat je vrij naar achteren mag lopen om de schildpaddden in hun baden te zien. Ze houden hier groene en lederschildpadden, om te herstellen of te kweken. Er staan self-service bakjes bij, waar je voor 100 yen een paar blaadjes sla mag pakken om hen een snack te geven.

Ik heb het al snel weer gezien, en strijk terug in de bewoonde wereld neer bij het Heart Rock Café. Hier koop ik een T-Shirt van het eiland en drink wat op het terras. Een paar huizen verderop neem ik mijn lunch, een rijst + sashimi bowl.
De boot terug naar Tokio vertrekt om 3 uur. Ik dump snel mijn rugzak in mijn ‘hokje’ en ga dan op het dek staan kijken. Het is weer druk op de kade, zeker zo’n 200 eilanders komen het schip uitzwaaien. Ook is er een optreden van drummers. Wanneer we de haven uitvaren, worden we begeleid door een tiental bootjes met enthousiast zwaaiende opvarenden. Een warm afscheid!

De vaart verloopt verder rustig. Ik heb wat ‘huiswerk’ op mijn laptop geladen (foto’s uitzoeken en zo), zodat de tijd snel gaat. Om 6 uur eet ik in het grote restaurant nog een kitsune udon. Daar praat ik ook bij met de Japanse moeder en dochter die ik op de heenweg leerde kennen. Ook zij vonden Ogaswara fantastisch.
Hikone
20 September 2024 – 32°
Gisteren op TV zag ik nieuws over uitgevallen treinen vanwege hevige regen. Gelukkig betreft het niet mijn trein, de Tokaido shinkansen van 8.33 van Tokyo naar Maibara. Hij gaat er 2u15 over doen en kost 12,000 yen.
In Maibar moet ik overstappen op een lokale lijn, voor één halte naar het plaatsje Hikone. Hier ligt één van de Japanse topkastelen. Ik stop mijn rugzak in een kluisje op het station en loop dan 15 minuten rechtdoor naar het kasteel. Je kunt zijn hoge toren niet van ver zien, maar wel de uitgebreide verdedigingswerken.
Bij de ticketbalie koop ik voor 1200 yen het meest uitgebreide ticket, dat toegang geeft tot het paleismuseum, kasteel en tuinen. Het is de combinatie van deze 3 elementen die Hikone-Jo onderscheidt van vergelijkbare Japanse kastelen. Er zijn twee grachten, nog steeds gevuld met water. De muren zijn steil en de poorten zijn strategisch geplaatst.
Het paleismuseum begint met een paar tentoonstellingsruimtes (één met prachtig samoeraipantsers). Het transformeert vervolgens in een reconstructie van het paleis zoals het eruit zou hebben gezien toen de daimyo (leenheer, van de erfelijke Li-clan) hier woonde. Het is een eindeloze reeks tatami-kamers, die lijken op die talloze kamers in Europese paleizen. Vanuit zijn woonvertrekken kon hij zitten nadenken, starend over een kleine tuin.

Een steile wandeling bergopwaarts volgt dan naar de donjon (kasteeltoren) en de hoofdtorens. Het interieur van de donjon kan op dit moment niet worden bezocht vanwege renovaties, maar gelukkig is de buitenkant intact in al zijn pracht. Ik ga wel de drie verdiepingen tellende toren aan de achterkant van het kasteelterrein in en klim via steile trappen naar de top.

De tuinen zijn misschien wel het hoogtepunt van dit kasteel. Er zijn er hier twee (plus degene die bij het paleis hoort) en ze waren bedoeld als pleziertuinen voor de leenheren en hun gasten. Ze zijn groot en lijken soms bijna op Engelse landschapstuinen met vijvers en bomen (het is eigenlijk gemodelleerd naar een Chinese paleistuin). Ik bezoek ze laat in de ochtend en heb pech met de positie van de brandende zon, maar er zijn veel taferelen om van te genieten tijdens het rondstruinen.
Terug in het centrum lunch ik bij Chanpontei Hikone – zo te zien een ketenrestaurant waar ramen (noedels) de specialiteit is. Ik kies voor de “garlic pork ramen special” en die is heel voedzaam. In de buurt van het station is er verder niet veel open op deze doordeweekse dag.

Met de lokale trein reis ik daarna in 90 minuten door naar Shin-Osaka, vanwaar je gemakkelijk met de metro verder de stad Osaka in kunt. Ik overnacht in Hotel Code Shinsaibashi, midden in het uitgaansgebied van Osaka.
Kofun in Sakai
21 September 2024 – 33°
Om 8 uur ga ik op pad. Dat blijkt best vroeg voor een uitgaansstad als Osaka, onderweg kom ik wat laveloze jongeren tegen die aan het herstellen zijn na een nacht uit. Ik ga vandaag naar de voorstad Sakai, dat kan met een lokale spoorlijn. Ik kom nog steeds schoolkinderen tegen hier in de trein: ze gaan ook op zaterdagochtend naar school.
Sakai is het centrum van oude graftombes, de Kofun, die hier in de 4de en 5de eeuw in grote aantallen zijn gebouwd. 45 ervan zijn nog in dusdanige staat dat ze tot het werelderfgoed behoren. Ik heb een wandelroute uitgestippeld die me langs een aantal moet voeren.
De route begint echter in het stadhuis van Sakai. Dit zit in een hoge flat, en op de 21ste verdieping hebben ze een observatieplatform gemaakt van waaraf je 360 graden rond kunt kijken zodat je de Kofun van bovenaf kunt zien. Je loopt hier zo het stadhuis in, in een hoekje zit een enkele oudere bewaker die me vriendelijk groet.
De Kofun herken je in het volgebouwde stadslandschap als een plukje groen. Alle tombes zijn overgroeid met bomen. Je kunt hun vormen dan ook niet meer goed zien. Dat is jammer, vooral voor de ‘sleutelgat’-tombes: deze bestaan uit een cirkel aangesloten op een rechthoek, en vanuit de lucht ziet dat er als een sleutelgat uit. De grootste is honderden meters lang. Helaas ben je hier in de toren nog niet hoog genoeg, je ziet het het beste vanuit een vliegtuig.

Dan begin ik aan mijn wandeling (het is nog steeds 33 graden Celsius eind september). De eerste kleine Kofun liggen in een woonwijkje – wat met zand bedekte heuveltjes tussen de huizen.
Dan volgt er een langere verplaatsing richting het Daisan Park langs de westkant van de Nintoku-tenno-ryo: dit is de grootste ‘sleutelgat’-tombe, met keizerlijke relaties en dus strict verboden. Je ziet alleen de omringende gracht en wat bos.

Het Sakai City Museum heeft een centrale ligging in het Daisan park en rekent een kleine toegangsprijs (200 yen). Ik word direct naar de filmzaal geleid, waar een animatiefilm met Engelse ondertiteling uitleg geeft over hun historische context, hoe de kofun werden gemaakt en hoe ze eruit zagen. De kofun waren monumentale platforms voor begrafenisceremonies, gemaakt van aarde en droge stenen muren (niet bedekt met bomen zoals tegenwoordig) – het resultaat leek een beetje op Meso-Amerikaanse locaties zoals Monte Alban. De heersers van die tijd handelden met de Baekje in Korea en de Liu Song in China en werden ook beïnvloed door hun culturen. Ze leerden ook (van wat nu Mongolië is) dat je op paarden kon rijden!
De tentoonstellingsruimtes tonen enkele van de vondsten uit het buitenland die in de film werden genoemd, zoals glaswerk uit Perzië. De beste stukken zijn echter de haniwa-kleifiguren. Deze haniwa versierden de grenzen van de kofun; de vroegste waren holle terracotta cilinders, maar later gebruikten ze kleisculpturen die mensen, dieren, boten, huizen, etc. voorstelden. Ze waren vrij groot, tot 1,5 m hoog, en vaak gegraveerd met geometrische patronen. Sommige tentoongestelde exemplaren zijn reproducties, andere zijn gerestaureerde originelen.

Ik heb weer wat nieuwe energie opgedaan, dus bezoek ik nog de Itasuke kofun (deze is meer open dus je kunt de vorm beter zien) en de ceremoniële poort naar Nintoku-tenno-ryo. Helaas mag je nergens in. De bezoekerservaring zou veel baat hebben bij ten minste één toegankelijke Kofun, of zelfs een replica met haniwa-versieringen.

Terug in Osaka eet ik ‘s avonds in de buurt van mijn hotel bij Hatena Thai authentiek Thais.
Naar Hakata
22 September 2024 – 29°
Dit is vooral een reisdag, maar opgeleukt met een nieuw werelderfgoed. Om 7 uur vertrek uit mijn hotel voor de metro naar Shin-Osaka. Daar stap ik op de trein van 7.50 naar Hakata. Dit is een extra ‘luxe’ (of extra snelle) trein, de Muzohi. De 2.5 uur durende rit overbrugt de ruim 600 kilometer. Het kaartje kost dan ook meer dan 100 EUR. Je zit hier in een 2+2 configuratie (de normale shinkansens zijn 3+2). De wifi werkt niet goed aan boord maar ik heb toch nog productief kunnen ‘werken’ onderweg dankzij de tethering via mijn telefoon.

Vanaf station Hakata moet ik met de lokale trein verder naar Togo. Google Maps waarschuwt voor vertragingen door zware regenval, maar daar merk ik niks van – geen regenval, geen vertraging. Vanaf de bushalte bij het station ga ik verder met bus 1 naar mijn bestemming: het Hetsu-miya schrijn. Het is maar 10 minuten rijden en de bus stopt voor de toegangspoort. Er zijn ook grote parkeerterreinen en er zijn veel dagjesmensen op de been.
Het ‘Heilige Eiland Okinoshima en de bijbehorende locaties in de regio Munakata’ bestaat uit rituele Shinto-heiligdommen waar votiefoffers worden gebracht om te bidden voor veiligheid op zee. Okinoshima zelf is zo heilig dat het niet bezocht kan worden, dus al in de middeleeuwen werden er ‘satelliet’-heiligdommen gecreëerd. In dit Hetsu-miya-heiligdom is een ceremoniële locatie in de open lucht in het bos nog steeds in gebruik is, naast een 16e-eeuwse houten gebedsruimte.

De houten tempel is het belangrijkste aandachtspunt wanneer je via de torii naar binnen gaat en de tuin met de twee vijvers doorkruist. Hij wordt omringd door vele kleinere houten schrijnen, en ook daar wordt nog driftig voor gebeden.

Ik ga daarna op zoek naar de heilige plaats in de open lucht, een van de weinige die nog buiten Okinoshima over is. Je bereikt het via een bospad en verschillende steile trappen vanaf het noordoosten achter de houten tempel. Onderweg kom je langs twee nieuwer uitziende schrijnen, deze Okitsu en Nakatsu heiligdommen vertegenwoordigen de twee gelijknamige heiligdommen op de eilanden Okinoshima en Oshima. De openluchttempel vraagt vooral veel treden klimmen, en is dan uiterst sober met een paar stenen die de kaders aangeven.

Ik ga dan op zoek naar het museum – en achteraf blijkt dat ik belangrijkste deel, de Shinpokan waar veel votiefobjecten die op Okinoshima zijn gevonden worden tentoongesteld heb gemist. Gek genoeg heb ik het wel zien liggen toen ik wat andere bezoekers volgde over een bospad, maar het gebouw was zo nieuw dat ik dacht “dit kan het niet zijn”. Het mag duidelijk zijn dat de bewegwijzering alleen in het Japans is en de vele bezoekers leken precies te weten waar ze heen moesten.
Waar ik wel uitkom is bij het “Sea Road City Museum”, aan de andere kant van de grote parkeerplaats. Het heeft ook enkele votiefobjecten, maar de collectie is zeer beperkt. Veel van de votiefobjecten waren trouwens ‘gewoon’ aardewerk, massaal geproduceerd om alleen te worden gebruikt in offers.
Met de bus ga ik terug naar het station van Togo, en verder op weg naar mijn hotel in Hakata, Het is al half 2 als ik eindelijk aan mijn lunch toe kom. Op het Yoshizuka station, waar ik moet overstappen, hebben ze een stalletje dat gespecialiseerd is in Tantanmen (Dandan noedels). Het is heerlijk, noedels in een soep met pinda en rode papers. En dat voor slechts 900 yen (inclusief extra ei voor 50 yen!).
Te voet ga ik dan door near Hotel New Gaea Kamigofuku. Ik loop door een park, waar op een heuvel zelfs een groot standbeeld van een voormalige keizer staat – dat zie je niet veel in Japan. Deze heeft het land behoedt voor Mongoolse invasies in de 13de eeuw.
‘s Avonds loop ik in 20 minuten naar het grote Hakata treinstation. Daar stikt het van de restaurantjes. Ik heb vooraf Sushi Sashisu uitgezocht. Ik kan aansluiten in de rij, de wachttijd is een half uur. Ondertussen kun je vast hun uitgebreide kaart met sushi bestuderen, het is echt geweldig. De vis is heerlijk zacht (ik heb o.a. de rauwe octopustentakels) en ik ben blij met mijn keuze.

Naar Ishigaki
23 September 2024 – 32°
Om 7.30 ga ik ontbijten bij Cafe Veloce – verder is er nog niks open in de buurt, het is vandaag een feestdag dus ze volgen de openingstijden van zondag. Na het uitchecken is het dan 20 minuten lopen naar het Hakata treinstation, en dan neem ik de K Airport lijn in 6 minuten naar Fukuoka Aiport.
De vlucht met de lowcost airline Peach van Fukuoka naar Ishigaki Island is van 12.20-14.35. Je kunt pas 90 minuten van tevoren inchecken bij een machine. Ze maken er een hele show van, zetten de apparaten pas in de laatste minuut op actief. Het is onduidelijk waarom.

We vertrekken een half uur te laat en krijgen geen eten of drinken aan boord. De vlucht duurt maar een kleine 2 uur. Ik zit dus al om 3 uur in de eilandbus naar de ‘hoofdstad’ van Ishigaki. Het lijkt zo op het eerste gezicht het meest op Okinawa, waar ik een paar jaar geleden was.
Ik kan gelijk inchecken bij Hotel Patina Ishigakijima. Voor het eerst sinds Ogasawara heb ik weer een mooie lichte en ruime kamer.
Ik loop eerst langs de haven om te zien hoe het met de vertrektijden van de ferries naar Iriomote staat, waar ik morgen heen wil. Genoeg keuze, en het blijkt dat je alleen op de dag zelf een kaartje kunt kopen. Dus het blijft bij een verkenningstocht.

Aan het eind van de middag eet ik een Soki set (met Okinawa noedels) bij een klein cafeetje aan de haven.
Iriomote
24 September 2024 – 29°
Het regent als ik wakker wordt. Ik kijk nog even naar de weersverwachting, maar vandaag lijkt toch een betere dag voor mijn excursie naar Iriomote dan morgen. Om kwart over zeven zit ik aan het ontbijt, fijn dat weer eens te hebben bij een hotelovernachting en ze hebben van alles. Om 8 uur ga ik op pad. Eerst even langs de supermarkt voor water en een lunch / snack. Er zijn niet veel restaurants op Iriomote en de meesten lijken alleen ‘s avonds open.
Ik koop mijn kaartje, een retour naar Ohara (een van de twee havens op Iriomote) voor 3960 yen (ca. 25 EUR) bij Yaeyama sightseeing ferry, één van de 2 maatschappijen die een paar keer per dag op Iriomote varen. Net voor vertrek valt er nog een enorme tropische regenbui, maar ik zit gelukkig binnen. Aan boord is het niet druk, er zijn maar een stuk of 30 passagiers. De vaart duurt 45 minuten en verloopt kalm. Iriomote ligt op maar 200 km van Taiwan, dit is echt het verre zuiden van Japan en we varen dan ook langs een basis van de kustwacht.
Het werelderfgoed op Iriomote is deel van een serie eilanden, die veel verder naar het noorden liggen. Veel van de eilanden in de Ryukyu archipel hebben hun bebossing verloren, maar op deze paar eilanden zijn de subtropische regenwouden nog intact.
Ik heb niks van tevoren geboekt, maar direct na de veerboot kan ik deelnemen aan een ‘Mangrove Cruise’ die vertrekt vanaf een naastgelegen pier. Het is misschien wel het meest toeristische wat je op het eiland kunt doen, maar het brengt je in het midden van het werelderfgoed – dus wat wil ik nog meer? Betalen (2500 yen) mag ik na afloop, ik kan gelijk aan boord.

We zijn maar met 8 personen op een boot die 60 mensen kan vervoeren, dus er is voldoende ruimte om te bewegen tussen de linker- en rechterkant van de boot als er iets interessants te zien is. Vanuit de haven van Ohara vaart de boot onder de brug door de Nakama-rivier in en daar begint het beschermde gebied.
Het commentaar is alleen in het Japans, maar naast 1.000 keer het woord ‘mangrove’ hoorde ik de schipper ‘Amazon’ zeggen. En die vergelijking is niet zo gek als het klinkt. Van tevoren was ik een beetje blasé over het zien van mangroven (voor de zoveelste keer ergens ter wereld), maar deze zijn echt spectaculair. Het bos is dicht en de mangrovebomen lijken hoger dan ik ze ooit eerder heb gezien. Ze herbergen vogels zoals de witte zilverreiger en opmerkelijke aantallen grote en kleurrijke vlinders. Het hele landschap met de kalme rivier en de beboste bergen op de achtergrond is gewoonweg pittoresk.

Als de boottocht afgelopen is, heb ik mijn doel van de dag al bereikt! Ik had wel een plan B voor het geval ik geen boot had kunnen vinden: je kunt over de hoofdbrug van Ohara lopen en dan de weg naar links volgen. Het eindigt bij een natuurpad en observatieplatform met uitzicht op het bos en de rivier. Maar ik houd het bij een picknick onder de brug en maak foto’s van een stenen versie van de Iriomote Wild Cat, voordat ik om 3 uur de veerboot terug naar Ishigaki neem.

‘s Avonds eet ik in de stad een ananas-hamburger (dit is Okinawa, een beetje buitenland!).
Ishigaki
25 September 2024 – 29°
Ik heb nog eens goed gekeken vanochtend, maar er is eigenlijk helemaal niks dat ik wel zien op Ishigaki. En mijn vlucht terug gaat pas vanavond. Dus blijf ik eerst maar zo lang mogelijk op mijn kamer, tot 10.30. Dan loop ik naar de haventerminal en stop mijn rugzak in een locker.
Met de lichtere bepakking ben ik klaar voor een wandeling van een half uur de stad uit, het platteland op voor het Ishigaki Hogihogi Shrine. Het is nog steeds erg heet en vooral op het laatste gedeelte is er weinig schaduw. Het heiligdom is maar klein, maar zit met een blauwe toegangspoort en een felrood hoofdgebouw strak in de verf. Er is zelfs nog een andere bezoeker, die met een scooter is gekomen. Je kunt hier bidden voor voorspoed.

Terug in het centrum eet ik lunch bij een okonomiyaki restaurant. Dan loop ik langs wat schamele resten van het oude Ishigaki naar het regionale museum. Hier leer ik dat deze Yaeyama eilanden (Ishigaki, Iriomote etc) al meer dan 4000 jaar bewoond zijn. De mensen kwamen uit het zuiden, zoals wat nu Taiwan en de Filippijnen zijn.
Verder is er in het centrum nog het “Monument ter herdenking van de wisseling van de rijrichting van rechts naar links.” Pas in 1972 kwamen deze eilanden terug van de VS naar Japan, en daarmee gingen ze ook links rijden.

In de loop van de middag ga ik vast naar het vliegveld, daar kan ik vast rustig zitten werken. De airportbus is vandaag gratis – heeft de chauffeur wat te vieren? Op het vliegveld eet ik Yaeyama style noodles; voor het eerst een Japans gerecht dat ik niet lekker vind (wat smaakloos en vettig).
De terugvlucht naar Osaka Kansai (19.05-21.30) verloopt vlot. Dat kan niet gezegd worden van mijn reis naar mijn hotel: ik moet eerst met een bus en dan 2x met de metro, tegen het einde van de dienstregeling (zo tegen 23.30 houdt alles er wel een beetje mee op). Misschien dat mijn instructie via Google Maps in de war waren doordat ik aankwam op de binnenlandse terminal van Osaka, waar de meeste connecties zijn vanaf de internationale. Ik overnacht in het APA Hotel Nambaminami Ebisucho Eki Shinsekai
Asuka
26 September 2024 – 30°
Asuka ligt zo’n 30 kilometer buiten Osaka. Je kunt er heen met de Sakura liner van de Kintetsu spoorwegen. Voor deze limited express moet je 520 yen bijbetalen. Je krijgt dan wel een gereserveerde zitplaats, alhoewel de trein nagenoeg leeg is.
In Asuka liggen de resten van wat Japan’s eerste hoofdstad was. Ze liggen nu verspreid over het platteland rond het station van Asuka, dus een fiets is het beste vervoermiddel om een aantal opgravingen te gaan zien. Gelukkig zijn ze hier helemaal op ingesteld: vrijwel naast het station is een fietsenverhuur. Ik ben er iets voor negen uur, en de uitbaatster is net de fietsen aan het buiten zetten. Ik kan er al wel eentje huren: ze hebben gewone en elektrische fietsen. Ik neem de laatste, voor slechts 500 yen (3 EUR) meer. Voor 1500 yen in totaal mag ik de hele dag op pad met de fiets, je hoeft ook geen borg of zo achter te laten.

Mijn eerste stop is de Takamatsuzuka Tombe. Dit ligt in een uitgestrekt park, waar ik mijn fiets op een fietsenparkeerplek kan achterlaten. Tombes zoals deze zijn overgroeid, maar in 1983 ontdekte men dat de grafkamer van de Takamatsuzuka tombe bedekt was met muurschilderingen. Deze zijn verwijderd en worden nu geconserveerd. Er is nu een ruimte waar je kopieën er van kunt zien, vooral de sierlijke courtisanes zijn erg mooi.

De volgende halte is de Kitora Tumulus, 1.7km verderop. Er zit een steile klim in het parcours en ik ontmoet 2 oudere Japanse fietsers die maar zijn gaan lopen (ik ben blij met mijn elektrische fiets!). Bij deze tumulus is een moderne tentoonstellingsruimte. Ook hier zijn schilderingen gevonden, o.a. van een kaart van het zonnestelsel die op het plafond geschilderd was. Naar het schijnt is dit de oudste overlevende map van de sterren ter wereld.
Daarna wordt het fietsen pas echt serieus. De Ishibutai Kofun ligt 4km verderop, maar je moet wel eerst een soort bergpas over. In de eerste versnelling en met de elektrische power aan gaat het net. Deze Kofun (graf) is een soort hunnebed, opgestapelde zware stenen met een holle ruimte eronder waar je ook in kunt. Net als alle andere locaties die ik vandaag aandoen is het terrein prima op bezoekers toegerust. Er komen ook veel mensen met de auto, aan de grote parkeerplaatsen te zien. Bij vrijwel elke site betaal je ook separate entree, meestal 300 yen.

Hier bij Ishibutai hebben ze ook een aanlokkelijk restaurant, waar je vanaf de 2de verdieping over het terrein uitkijkt. Het lunchmenu van 1400 yen bij “Local Food Yumeichi-chaya” bestaat uit veel groenten en andere lokale specialiteiten.
Op de fiets gaat het daarna door naar de Sakafune Ishi. Dit is een van de vreemd bewerkte stenen die in Asuka zijn gevonden. Deze is uitgesneden als een schildpad. Erboven, een paar minuten lopen het bamboebos in, ligt er nog een – deze zou gebruikt zijn in het proces om olie of sake te maken.

Mijn laatste stop is Asuka-dera. Dit is de eerste Boeddhistische tempel in Japan, gesticht in het jaar 609. De gebouwen zijn na diverse branden meermaals weer opgebouwd, maar het herbergt ook het oudste Boeddhabeeld van Japan. Het is nog een actieve tempel.

Om half 2 ben ik terug bij het station van Asuka. Ik lever mijn fiets weer in en neem om 14.10 de limited express terug naar Osaka.
Terug naar Parijs
27 September 2024 – 16°
De dag van de Lange Terugreis. Om 8 uur check ik uit mijn hotel, en loop 15 minuten naar het noorden naar het Nankai Namba Station. Hier vertrekt de Nankai Airport Limited Express die je voor 940 yen in 45 minuten naar het vliegveld brengt. Ik gebruik hiervoor het laatste saldo op mijn digitale Suica pas.
De formaliteiten op het vliegveld gaan snel. Ik koop nog een laatste koffie, en ga dan aan boord van de vlucht van ruim 14 uur naar Parijs.
Ik vroeg me al af waarom de vlucht zo lang was, maar ze nemen de Pacific route om Russisch luchtruim te vermijden (we gaan via Alaska en Groenland).

De beste versnapering tijdens de vlucht is de mini-brie. De service en het eten zijn zoals altijd bij Air France niet geweldig. De enige opwinding komt als de lichten uit zijn en iedereen wat ligt te dutten: de kat van een passagier 2 rijen voor me is ontsnapt! De crew gaat eerst helpen zoeken met zaklantaarns, maar als dat geen succes heeft gaan de lichten aan en volgt er een opsporingsbericht via de intercom. Of iedereen wil meehelpen uitkijken naar een grijs-witte kat van 20cm grootte. Na een minuut of 20 wordt hij achter in het vliegtuig gevonden en gevangen.
Op het vliegveld ga ik op zoek naar een bus of luchthavenshuttle naar mijn airporthotel. Dat valt niet mee, borden met een bus erop leiden naar een touringcar opstartpunt. Ik bel het hotel, en daar weten ze me te vertellen dat hun shuttle vanaf terminal 2b vertrekt. Dat is nog een heel eind lopen vanaf 2e, 15-20 minuten. Buiten tref ik daar inderdaad wat minibusjes aan. Ik heb niet geresrveerd en ze vragen ook nergens naar, dus deze rit is gratis. Het Mercure Hotel Parijs Roissy is een typisch airporthotel, groot, onvriendelijk en met saaie kamers. Gelukkig hoef ik er maar één nacht te slapen.

Leave a comment