- Via Beijing naar Almaty
- Almaty
- Tanbaly & Ungirtas
- Taraz
- Aisha Bibi en naar Shymkent
- Turkestan
- Shymkent
- Naar Astana
- Korgalzhyn
- Astana
- Naar Frankfurt
Via Beijing naar Almaty
Vandaag verlaat ik China en reis ik door naar Kazachstan. Dat gaat met een vlucht van Shanghai via Beijing naar Almaty (11.25-22.10, China Southern Airlines). In Shanghai neem ik ‘s ochtends de metro naar het vliegveld Hongqiao. De vlucht naar Beijing Daxing airport duurt 2 uur.
Daxing is het ‘andere’ vliegveld van Beijing. Ik moet me hier 7 uur zien te vermaken, omdat de vervolgvlucht pas van 18:30 – 22:10 is. Ik moet eerst een rondje binnenlands-buitenlands maken en opnieuw bij een balie inchecken. Er zijn een paar restaurants (bij eentje met een naam zoiets als ‘Oma’s keuken’ eet ik heel redelijk Chinees). Ik wissel nog wat overgebleven yuan terug naar 25 EUR.
Na de security check is het helemaal uitgestorven. Enige voordeel is dat er genoeg stoelen zijn om te zitten. Op mijn laptop heb ik de hele dag al internetproblemen, dus ik geef het maar op. Erg druk wordt het niet om me heen.

Uiteindelijk blijken er maar zo’n 50 mensen in een vliegtuig met ruimte voor 300 te zitten. De vlucht duurt 5 uur, er is geen entertainmentsysteem en ook het eten is niet al te best.
Op het vliegveld van Almaty neem ik voor 7000 tenge een taxi via het officiele loket naar mijn hotel in het centrum, Hotel Voyage.
Almaty
Ik heb een volle dag in Almaty en besteed het met een lange stadswandeling. Mijn hotel ligt in de buurt van het Panfilov park. Dit is een groot stadspark, waar in het midden de Zenkov kathedraal te vinden is. Het is een houten orthodoxe kerk in pastelkleuren, erg mooi. In de rest van het park zie je vooral veel oorlogsmonumenten. Er is zelfs een of andere herdenking aan de gang, waarbij militairen en bejaarde oorlogshelden aanwezig zijn.

Het is prettig wandelen in de straten in deze buurt, met veel groen en fijne terrassen. De bouwstijl is niet echt een eenheid. Wel vind je er een paar staaltjes brutalisme uit de Sovjet-tijd, zoals Hotel Kazakhstan en het Abai-operahuis (dat ook classicistische trekjes heeft).

‘s Middags eet ik bij Navat, een keten met Centraalaziatische specialiteiten die ik ook van mijn reis naar Kirgizië een paar jaar geleden ken. Het is wel goed (het brood is heerlijk), maar de Centraalaziatische keuken is verder niet echt mijn smaak.
Tanbaly & Ungirtas
Op een kaart lijkt het Kazachse werelderfgoed van Tanbaly niet ver van Almaty te liggen, maar het duurt behoorlijk lang om de 170 km tussen de twee plaatsen af te leggen. Het kost ons 2u45. Ik ben met een auto en chauffeur die ik voor de dag heb gehuurd via Indyguide. Eugenia, die in het dagelijks leven lerares Russisch is voor Engelstaligen, is mijn chauffeur/gids.
We moeten eerst door het drukke en chaotische verkeer navigeren om Almaty te verlaten. We zijn de stad nog niet uit en we worden aangehouden door de verkeerspolitie. Deze controleert overal en heeft de naam erg corrupt te zijn. Hij kan niks fouts aan ons en onze auto ontdekken (ik houd mijn mond, beter ook zegt de gids later omdat buitenlanders een extra doelwit zijn), dus we mogen door.
Dan rest er nog een flink stuk goede snelweg in westelijke richting en een afslag naar het noorden, die met de borden naar Tanbaly is aangegeven. Dit is een B-weg over met wat kuilen maar weinig verkeer. Het enige wat je langs de kant van de weg ziet zijn grote boerderijen, waar schapen en paarden als vee worden gehouden.
Zoals zo vaak met rotstekeningen, ligt Tanbaly in een afgelegen rivierkloof die ooit een speciale betekenis had voor mensen die in de regio woonden of er doorheen trokken, maar later zijn betekenis verloor. Het is ook het enige stuk blootgestelde rots in een steppegebied en biedt bescherming tegen zon en wind.

Onze eerste stop is bij het museum, dat in 2021 mooie nieuwe huisvesting kreeg en zelfs een museumwinkel heeft. Ze tonen enkele vondsten van de vindplaats, zoals aardewerk dat in de graven is gevonden. Verder zijn het meestal grote foto’s van de tentoongestelde rotskunst. Ze leggen ook uit hoe ze de rotsen van graffiti hebben ontdaan, wat op deze plek in de jaren negentig, toen er geen toezicht was, een reëel probleem was.
Ongeveer een kilometer verder langs de weg kom je in het omheinde reservaat waar de rotskunst en bijbehorende archeologische vindplaatsen zich bevinden. Er is een grote parkeerplaats en bij de receptie moet je de entreeprijs van 500 tenge (1 euro) betalen. We zijn verrast dat we niet de enige bezoekers zijn – er staat al een grote bus geparkeerd. Hij is van een groep kunststudenten, die voor een wedstrijd ‘en plein air’ op de plek aan het schilderen zijn. We komen ze overal tegen, zittend met hun doeken.
Een bezoek aan de site zelf doe je te voet via goed gemarkeerde paden. Niet alle rotspanelen zijn open (ze hebben er 7) – we hebben 3, 4 en 5 gedaan en paneel 2 vanuit een uitkijkpunt bekeken. Mijn chauffeur/gids is er al wel eerder geweest, maar is geen specialist op dit gebied. Wel weet ze waar ze moet zoeken naar de meer bijzondere gravures zoals de drachtige koe, de vechthond, dansende mensen en enkele zonnegoden. Ik heb mijn superzoomcamera meegenomen, wat goed van pas komt omdat de rotskunst van een afstand vaak beter te zien is dan wanneer je er recht voor staat.

Het specifieke soort gesteente van hier lijkt zeer geschikt om de rotskunst bewaard te houden en de manier waarop de tekeningen werden gemaakt (het uit de rots pikken van de voorwerpen met behulp van gereedschap, niet uithouwen) lijkt gunstig te zijn voor de zichtbaarheid. Ze zijn niet zo afhankelijk van weer en zonlicht als andere rotskunstlocaties over de hele wereld. Ik vind vooral hun zilverachtige achtergronden mooi.
Het hoofdpad, dat ongeveer 1,5 uur in beslag neemt, eindigt bij enkele begraafplaatsen uit de Bronstijd. Dit zijn stenen ‘dozen’ in de grond. Zowel volwassenen als kinderen werden hier in gehurkte posities te ruste gelegd, en sommige graven worden beschouwd als cenotaven (ze hebben dus helemaal geen lichaam). Een paar van de dozen bevatten interieurgravures die lijken op de rotskunst.

Het is een prettige, afgelegen plek om te bezoeken. We hebben onze eigen picknicklunch mee (er zijn geen restaurants of andere voorzieningen in de omgeving) en eten deze op een van de bankjes op de parkeerplaats, voordat we aan de lange terugrit beginnen.
Langs de snelweg hebben we nog een stop: het is Ungirtas, een heuvel die als heilige plek wordt vereerd. Er is een grot, en op de top symboliseert een stenen markering “de navel van de wereld”. We rijden er eerst voorbij omdat het hek gesloten is, maar als we uitstappen komt een jongetje van een jaar of 10 tevoorschijn die ons rondleidt. Hij heeft een dunne lange paardenstaart, zoals hier het haar in de regio bij kinderen gedragen wordt.

Taraz
Vandaag verplaats ik me naar de stad Taraz. Hiervoor heb ik een marshrutka op het oog: treinen en bussen rijden maar zeer beperkt. De marshrutka’s vertrekken vanaf het parkeerterrein van het Sayran busstation. Als ik kom aanlopen word ik meteen naar het goede busje gewezen. De 18-zits minibus is al bijna helemaal vol (allemaal vrouwen), maar het duurt toch nog een uur voordat het laatste kaartje verkocht is.

We rijden dan in 6 uur de 490km door naar Taraz. Onderweg stoppen we twee keer om wat snacks te kopen en naar het toilet te gaan. De rit verloopt zonder problemen (nou ja, de chauffeur laat zijn portemonnee liggen bij de laatste stop, dus we rijden nog een kwartiertje terug). Het landschap is kaal en saai.
Vanaf het busstation van Taraz laat ik me met een Yandex taxi naar Hotel Bursa brengen. Dit is een nieuw hotel, met een erg goed Engels sprekend meisje aan de receptie. De volgende dag blijkt ze ook nog eens vloeiend Chinees te kunnen.
In de namiddag loop ik naar het Karakhan mausoleum en het Dauitbek mausoleum. De entree voor de twee middeleeuwse tombes samen is 200 tenge. Er zijn wat mensen aan het bidden binnen.

Aisha Bibi en naar Shymkent
Met een taxi laat ik me in een half uurtje naar het 11de eeuwse Aisha Bibi mausoleum brengen, dat even buiten Taraz ligt. Ik ben er tegen de openingstijd van 9 uur maar de kaartjesverkoper moet nog worden opgespoord. Wel zijn er al mensen aan het bidden.

Ik betaal 200 tenge entree voor toegang tot het terrein waar de schitterende tombe van Aisha Bibi ligt (die ernaast is van een van haar volgelingen). Het is een plaatje, en van dichtbij kun je zien de ontelbare uitgesneden motieven zien. Echt prachtig.

Ondanks dat het zo mooi is, ben ik na een kwartier ‘klaar’. Ik loop terug naar de doorgaande weg, waar ik langs de kant van de weg een gedeelde taxi probeer aan te houden om terug te komen in Taraz (Yandex werkt hier niet). Het valt niet mee de gedeelde taxi’s te onderscheiden van gewone auto’s, dus ik steek maar wat halfhartig mijn hand op richting passerende auto’s.
Al snel stopt er een Mercedes gevuld met lokale vrouwen en nog 1 leeg plekje voor mij. We zijn zo in Taraz , en ik word er uitgezet bij het knooppunt waarvandaan ook de gedeelde taxis naar Shymkent vertrekken. Daar is het niet lang wachten om de auto gevuld te krijgen.
Om 10.15 vertrekken we al richting Shymkent over de snelweg. Het is 149km in totaal. De rit duurt 2 uur en kost 3000 tenge. Ik heb geluk dat ik op de bijrijdersstoel mag zitten en het is dus ook een relaxte rit.
Ergens in het centrum van Shymkent stap ik uit en neem een Yandex voor het laatste stukje naar mijn hotel. Daar eet ik lunch bij Global coffee en ‘s avonds pizza bij Dodo pizza. Er zijn veel restaurants hier, maar bijna allemaal fastfoodketens en nergens kun je echt leuk buiten zitten.
Turkestan
Vandaag ga ik naar het werelderfgoed in de stad Turkestan: het Mausoleum van Khoja Ahmed Yassawi. Ik ga vanaf het Beksal busstation in Shymkent, waar ik op het parkeerterrein een minivan (11 passagiers) vind met een bordje ‘Turkestan”.
Voor 1500 tenge rijden we 150km in 1 uur en 45 minuten. Het landschap is vlak en kaal zoals elders in Kazachstan, maar ik zie wel mijn eerste kamelen langs de kant van de weg. Op de snelweg passeren we ook tientallen bussen vol pelgrims, die ook op weg zijn naar hetzelfde mausoleum als ik.
Khoja Ahmed Yassawi was een belangrijke Soefi-geleerde, en gelovigen komen nog steeds hun respect betuigen. Voor de toerist is misschien wel meer van belang wat de Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk ervan gemaakt heeft: het is één van de eerste en grootste monumenten in de Timoeridische stijl. Het is de voorloper van de azuurblauwe tegeltjes-werken in het Oezbeekse Samarkand en Bukhara.

Je kunt het meteen zien liggen als je de stad in rijdt, zo enorm is het. Het ligt in een keurig aangelegd park met veel rozenstruiken. Je mag vrij op het terrein rondlopen, maar om binnen te geraken moet je (als buitenlander) 500 tenge betalen. Binnen zijn ze aan het renoveren, maar een historische ketel en dé graftombe kun je nog wel zien.
Het beste wat je hier kunt doen is langzaam rond het immense gebouw lopen. De voorkant is altijd onafgewerkt gebleven, maar de andere drie zijden zijn heel mooi gedecoreerd. De achterkant heeft de mooiste tegels en het beste zicht op de koepels.

Het mausoleum ligt binnen de muren van de oude stadsmuren. Op het terrein zijn nog wat resten van de oude stad en andere moskeeën en tombes te vinden, maar die zijn niet zo interessant. Wel kom ik nog een beige steppemarmot tegen op een wat meer afgelegen pad: hij kruipt snel zijn holletje in.

Op de heenweg denk ik gezien te hebben waar de marshrutka’s en gedeelde taxi’s naar Shymkent vertrekken, dus daar ga ik te voet heen. Onderweg koop ik bij een stalletje een lunch van döner kebab – dat is erg populair in Kazachstan. Op het parkeerterrein aangekomen blijkt er alleen transport te zijn naar andere delen van Turkestan maar niet verder weg. Gelukkig heb ik nog de naam van een ander busstation opgeschreven, en ik bestel een Yandex taxi daarheen.
Merey blijkt inderdaad het goede station. Hier staat al een gedeelde taxi naar Shymkent klaar met 2 oude mannen er in. De chauffeur vraagt of we OK zijn om 500 tenge extra te betalen (3000 ipv 2500t), zodat we direct wegrijden en in comfort kunnen zitten zonder te wachten op een vierde passagier.
Terug in Shymkent ga ik ‘s avonds eten op het terras bij Namaste, een prima Indiaas restaurant.
Shymkent
Shymkent is best een prettige stad, met veel groen en veel terrassen en restaurants. Maar op mijn volle dag hier kan ik me er niet toe zetten om een van de (magere) bezienswaardigheden te bezoeken. Zo zijn er oude tombes zo’n 10km buiten het centrum, maar daarvan heb ik er de afgelopen dagen al een paar goeie gezien in Taraz en Turkestan. Het is ook nog eens heet, 32 graden, en ik voel me zo lethargisch dat ik het grootste deel van de dag op mijn koele hotelkamer doorbreng.

Alleen ‘s ochtends vroeg maak ik een rondje door het park, dat vooral vol staat met oorlogsmonumenten o.a. ter nagedachtenis aan de Afghaanse Oorlog (1979-1989).

‘s Avonds ga ik eten bij een Koreaans restaurant. Het lijkt door de lokale mannen vooral gebruikt te worden om bier te drinken, maar het eten is wel OK.
Naar Astana
Vandaag vlieg ik met SCAT Airlines van Shymkent naar de hoofdstad Astana. De rit naar het vliegveld met een Yandex taxi duurt 20 minuten en kost 1260 tenge. Het blijkt een heel klein vliegveld te zijn, met weinig zitplaatsen. De check-in verloopt nogal chaotisch, er is maar één balie open en passagiers hebben veel bagage. Een nette rij maken kunnen ze niet, maar na een minuut of 40 krijg ook ik mijn boardingpas.

Ik moet dan naar Gate A, die nergens staat aangegeven maar na navraag verscholen blijkt te liggen aan de zijkant van de grote wachtruimte. Gelukkig kun je er nog wel iets te drinken kopen dus ik dood de tijd met een cappuccino. De chaos gaat nog even door in het vliegtuig, waar verschillende mensen op de verkeerde stoel belanden.
De vlucht verloopt verder zonder problemen. We krijgen alleen een klein flesje water als versnapering. Het vliegveld van Astana is ook niet zo groot.
Via de Yandex app roep ik weer een taxi die me voor 2350 tenge (5 EUR) naar mijn hotel brengt. Het Comfort Hotel Astana blijkt een mooi, groots hotel te zijn die zijn 4 sterren waard lijkt te zijn. Voor het avondeten blijf ik in de buurt: ik eet een cheeseburger by Hardees. Tegenover het hotel blijkt ook een goedgesorteerde supermarkt te liggen, waar ik ook nog het een en ander koop zoals lunch voor de tour van morgen.

Korgalzhyn
Ik geniet eerst van het uitgebreide ontbijtbuffet in dit luxe hotel. Om half 8 komt de chauffeur me halen voor de dagtour naar het Korgalzhyn natuurreservaat. Ik heb de tour voor 380 EUR geboekt bij Indyguide; het is inclusief transport van en naar het reservaat, en een tour in het reservaat zelf met een 4wd en een gids.
De chauffeur die me weg gaat brengen heet Amir en lijkt een echte stadsjongen, inclusief hoodie en zonnebril. Hij spreekt een beetje Engels, genoeg om de essentiele dingen uit te wisselen, Korgalzhyn ligt op slechts 125 km afstand van Astana, en hoewel het een secundaire weg is met een snelheidslimiet van 80 km/u, komen we al na ongeveer 1u45 aan. Het uitgaande verkeer vanuit Astana is lang niet zo druk als in Almaty.
Bij een benzinestation aan de rand van het plaatsje Korgalzhyn staat de gids met zijn auto al te wachten. We wisselen daar van voertuig (de stadschauffeur gaat ook mee, hij heeft onze lunch mee en blijkt ook geinteresseerd in vogels). Natuurgids Artem komt uit het dorp en spreekt goed Engels.
Het reservaat wordt alleen doorkruist door zandwegen en -paden, en we rijden ook behoorlijk wat off-road gereden door het steppegras. De paden zijn af en toe ook modderig; het heeft de afgelopen weken veel geregend en het gras staat erg hoog. Er staan nog wel wat bloemen, maar die bloeien hier vooral in april/mei. De meeste buitenlandse bezoekers hier zijn vogelaars – mijn gids zegt dat de Nederlanders en Denen de meest voorkomende zijn. Terwijl we vanuit Astana aan kwamen rijden, passeerden we ook al een kleine 4WD-bus die langs de kant van de weg stond, met buitenlanders eromheen vastgelijmd aan hun verrekijker.
Aan het begin van de tour test de gids me een beetje op mijn vogelkennis, maar wanneer ik niet onder de indruk lijk van een zwarte leeuwerik (een regionale specialiteit), begint hij zich te concentreren op zoogdieren en meer iconische vogels zoals flamingo’s. We zien nog wel een kleurige bijeneter die ik wel mooi vind.

De talrijke meren van Korgalzhyn (sommige zijn zout, andere zijn zoet water) zijn een broedplaats voor grotere flamingo’s, en we zien er tientallen, misschien wel honderden in verschillende meren. Ze zien er meestal wit uit, maar zijn roze/oranje onder hun vleugels, wat te zien is als ze opstijgen. We parkeren de auto en lopen door het hoge gras naar een van de meren om ze van dichterbij te bekijken.
Dit eerste “Flamingo Lake” ligt nog buiten de grenzen van de beschermde zone en dus ook buiten de kernzone van het werelderfgoed. Pas na ongeveer een uur passeren we een bordje dat aangeeft dat we de “Gereserveerde Zone” binnengaan. Nergens hoef ik trouwens entree te betalen, het kan zijn dat we een ‘achteringang’ genomen hebben…

Met z’n drieën eten we de meegebrachte lunch op bij een van de meren. De tourorganisatie heeft erg zijn best gedaan met gevulde broodjes, allerlei soorten beleg, ei en banaan, en het smaakt ons prima. De tour verloopt als een safari, dus we zitten in de auto en rijden rondjes in de hoop iets interessants te spotten. We brengen het grootste deel van de 4,5 uur in en rond het reservaat door met het zoeken naar typische steppezoogdieren zoals de suslik (grondeekhoorn), de steppemarmot (zeer dikke!) en – het meest opvallend – de saiga.
De Saiga is een antilope met een karakteristieke slappe neus. De soort is in de jaren 2010 bijna uitgestorven, maar is sindsdien massaal teruggekeerd (zozeer dat de Kazachse regering een programma is gestart om een aantal van hen neer te schieten). Saiga’s worden nu ook vaker dan voorheen gezien in het Korghalzhyn-reservaat, maar toch is het hard werken om er een te vinden. Bij de meren zijn veel paarden aanwezig en de gids zei dat de saiga niet graag in bij hen in de buurt zijn.
Pas op de laatste plek waar we gaan kijken, buiten het reservaat en vlakbij landbouwgrond, zie ik plotseling in de verte een goudbruin dier van ons wegrennen – wat maar één soort kon zijn: een saiga!

De saiga zijn erg schichtig en kunnen ook snel rennen (70 km/u), zodat ze op een modderig pad gemakkelijk een 4×4-voertuig ontlopen. Af en toe stopt het om naar ons te kijken, en op die momenten probeer ik foto’s te maken met mijn superzoom. Aan zijn neus kun je in ieder geval zien dat het een saiga is. Dit individu is een jong vrouwtje, de neus is niet zo groot als die van de mannelijke volwassenen en vrouwtjes hebben geen hoorns. Toch ben ik blij er eentje gezien te hebben. Het is ook grappig om haar te zien bewegen: ze rent en maakt dan hier en daar ook een paar gekke sprongen, als een gazelle.
De tour eindigt na 4,5 uur bij waar we begonnen, bij het benzinestation. We stappen over naar de gewone auto, die me dit keer in slechts 1,5 uur terug naar Astana brengt.
Astana
Het is weer een stralende dag. Gelukkig is het hier in Astana altijd wat frisser dan in de zuidelijke steden zoals Shymkent en Almaty. Vandaag loop ik een zelfontworpen route langs verschillende modernistische monumenten van Astana, eindigend bij het Nationaal Museum.
Rechtstreeks vanaf mijn hotel is het ongeveer 5 kwartier lopen, maar ik maak eerst een omweg naar het noorden. Daar ligt de Visbrug – een brug geplaatst in 2018. Je loopt als het ware door het binnenste van de vis. De hele omgeving is een plaatje.

Daarna loop ik meer naar het centrum. Hier kom ik eerst nog door wat oudere, ‘Russische’ straten. Astana is een geplande stad, groots veranderd na zijn promotie tot hoofdstad in 1997. Sindsdien zijn er talloze modernistische bouwwerken verschenen. Sommige zijn van wereldberoemde internationale architecten, andere zijn wat meer kitsch. De goudkleurige “bierblikken” bijvoorbeeld (2 kantoren in de buurt van het presidentieel paleis). Er is ook een soort voetbal, het Baiterek Monument. En een pyramide.

Over het algemeen loopt het vrij prettig door de straten van deze uitgestrekte stad, er zijn overal trottoirs en voetgangersoversteekplaatsen. Alleen op het laatste stuk naar het Nationaal Museum wordt het wat lastiger. Ik word nog aangesproken door een beveiliger van het Presidentieel Paleis, maar als ik wijs hoe ik wil lopen is het OK.
Het Nationaal Museum zit ook in een groots, modern gebouw. Er zijn veel scholieren aanwezig en ik moet mijn rugzakje in een kluisje achterlaten. Er zijn verschillende soorten kaartjes te koop – ik krijg de duurste met toegang tot alle exposities. In de gewone collectie zijn het vooral de Turkse grafsteles die de aandacht trekken. Bij de speciale exposities valt het vele goud op. Ze hebben wat meer moeite de moderne geschiedenis van het land te verbeelden, maar er is aandacht voor hoe veel mensen hier beland zijn na te zijn verbannen uit Rusland.

Ik eet lunch (prima pizza) bij Focaccia, niet ver van het museum waar ik me met een Yandex-taxi heen laat brengen. Ook naar het hotel terug neem ik een taxi.
Voor het avondeten loop ik nog naar de Khan Shatyr, een futuristisch gebouw in de vorm van een nomadische tent. In totaal heb ik vandaag 17.6km gelopen.

Naar Frankfurt
De ochtend begint met regen, storm en onweer. Gelukkig hoef ik alleen maar met een taxi naar het vliegveld. Het vliegveld van Astana is maar klein. Ik loop er zo vlot doorheen dat ik vergeet mijn resterende 20.000 tenge (40 EUR) te wisselen. Nou ja, bewaren dan maar voor een volgende reis in de regio, wellicht Tajikistan in 2026.
De enige bijzondere grenscontrole is dat ze vragen hoeveel geld je uitvoert – je mag blijkbaar maximaal ‘maar’ 1000 US dollar bij je hebben.
De vlucht met Air Astana naar Frankfurt vertrekt redelijk op tijd. Het is 7h10 vliegen. Het is een nieuw vliegtuig in een 2-3-2 configuratie. Ik heb dus maar 1 buurvrouw en zit comfortabel. Ook het eten is goed, ik neem de kipkerrie met rijst. Ze zijn ook scheutig met drankjes en snacks. De vlucht zit vol met “Duitse” Kazakhen – velen met Duitse roots hebben Kazachstan in de jaren 90 ingeruild voor Duitsland.
Op Frankfurt komen we aan op de goedkope Terminal 2, dus ik moet eerst met de volle shuttlebus naar Terminal 1 om vandaar de S-Bahn te nemen naar Frankfurt Hauptbahnhof. Het is wel weer even wennen om in de drukte van West-Europa te zijn. Het station van Frankfurt is ook rijkelijk voorzien in bedelaars, zakkenrollers en andere ongure types. Ik loop maar snel naar mijn hotel voor de nacht, de Toyoko Inn. Simpel maar goed genoeg.
Leave a comment