World Heritage Traveller

Chili 2024

Written by:

Deel 6 van mijn Reis van Miami naar Patagonië in 2024, die me door Chili voert en gestart is in de VS, Jamaica, de Dominicaanse Republiek, Uruguay en Argentinië.

  1. Puerto Natales
  2. Torres del Paine
  3. Punta Arenas
  4. Pale Aike NP
  5. Naar Santiago
  6. Sewell
  7. Rustdag in Santiago
  8. Iquique
  9. Humberstone
  10. Naar Arica
  11. San Miguel
  12. San Pedro de Atacama
  13. Valle de la Luna
  14. El Tatio
  15. Pukara de Quitor
  16. Terugreis naar Amsterdam

Puerto Natales

Vandaag vertrek ik naar Puerto Natales in Chili. De bus van Marga Taqsa vertrekt om 8 uur en gaat er 6,5 uur over doen.

Het is maar 4,5 uur rijden maar er zit ook een grensovergang in (bij Dorotea) die moet worden uitgevoerd door 50 mensen uit de bus. Argentinie uit gaat snel (ze stempelen niet eens meer). Voor Chili moet je een douaneformulier invullen. Dat had ik vooraf al online gedaan. Maar ze hebben ook nog papieren versies voor wie niet aangemeld is. Behalve een stempel krijg je een PDI formulier, dat je met je leven moet bewaken anders krijg je geen BTW korting op je hotels en mag je het land niet uit!

Mijn reservering in Hotel Hallef was niet helemaal goed gegaan – door mijn schuld, ik had 3-5 maart geboekt in plaats van 4-6 maart. Ik kwam er pas gisteravond achter. Ze hebben mijn reservering uit het systeem gegooid, maar ze hebben nog wel plek dus ik betaal gewoon ter plekke.

Aan het eind van de middag loop ik een rondje door het centrum van Puerto Natales. Het staat er vol met kleurige houten huizen. Net als El Chalten is het goed toegerust voor backpackers, maar toch meer een echte stad waar ook gewone mensen wonen. Ik pin mijn Chileense pesos die hopelijk voor 2.5 week genoeg zijn. Ik eet een Pizza Salvaje (met guanacovlees) bij Pizzeria Napoli.

Vanaf de waterkant heb je al een mooi uitzicht op de besneeuwde pieken van Torres del Paine.

Torres del Paine

Vandaag doe ik een doe-het-zelf-dagtocht naar het Torres del Paine Nationaal Park met het openbaar vervoer. Twee dingen heb ik al vooraf geregeld: de buskaartjes (heen en terug) en het toegangsticket voor het park. Deze laatste is niet meer verkrijgbaar bij de parkpoort, je moet dit vooraf aanschaffen via de parkwebsite.

Voor mijn busritten kies ik voor BusSur, die om 7.15 uur vertrekt naar Torres del Paine en om 14.30 uur terugkeert. De bus stopt bij 4 haltes en de reistijden (en kosten) van de buskaartjes daarheen variëren. De eerste, Lake Amarga, oftewel de Park Administration, is waar de meeste mensen uitstappen om aan de W-trekking te beginnen, maar de latere stops zijn beter voor dagjesmensen, omdat ze je dieper het park in brengen. Ik ga voor Pudeto, dat ongeveer 120 km van Puerto Natales ligt.

Als ik vroeg in de ochtend naar het busstation loop, kom ik veel andere reizigers tegen met zware rugzakken die dezelfde kant op gaan. We komen allemaal terecht bij de drukke terminal, waar zo vroeg in de ochtend elke tien minuten een bus naar het park vertrekt.

De eerste verrassing komt al voordat we het park officieel betreden: er zijn flamingo’s in het meer van Amarga! Ik had nooit gedacht dat ze dit koudere klimaat leuk zouden vinden, maar blijkbaar maakt het de Chileense Flamingo niets uit.

Bij de ingang van het park stapt een ranger in de bus en legde de parkprocedures in het Spaans en Engels uit. Vervolgens moeten we allemaal uitstappen om onze tickets te laten scannen. De bus vervolgt dan met veel minder passagiers naar Pudeto. Op dit moment kun je het beste aan de rechterkant van de bus gaan zitten, omdat je dan een geweldig uitzicht op Torres hebt – alleen heb ik dat niet door en een Chinese tourgroep wel.

We komen om 09.50 uur aan in Pudeto (een parkeerplaats met cafetaria) en ik begin meteen aan mijn wandeling richting Mirador Cuernos. Deze wandeling van 1 uur begint net voorbij de Salto Grande-waterval, die ook een kijkje waard is. Het pad is breed en heel gemakkelijk (veel gemakkelijker dan de Mirador Torre-wandeling die ik twee dagen geleden in El Chalten deed). Het landschap hier in Torres del Paine vind ik ook meer dramatisch, op een IJsland-achtige manier. De meren hebben een turquoise kleur en in sommige zwemmen eenden. Tijdens de wandeling zie je ook veel inheemse planten en vogels.

Het uitkijkpunt biedt een onbelemmerd uitzicht op de Frances-gletsjer aan de linkerkant en de Cuernos del Paine aan de rechterkant. De Cuernos zijn fascinerende ‘omgekeerde bergen’ met het oudste deel bovenop. Bij de gletsjer zien we wat lijkt op mensen die zich in de sneeuw voortbewegen. Een gids die ook bij het uitkijkpunt aanwezig is pakt zijn verrekijker en inderdaad – dit zijn 3 klimmers. De gids is verbaasd omdat dit volgens hem niet het juiste seizoen is om dit te doen. Er kwam ook veel gerommel en gedonder uit de gletsjer, dus lawines zullen vaak voorkomen.

Teruglopend ontmoet ik nog vele andere dagjesmensen. Dit deel van het park is duidelijk bedoeld voor ouderen: veel Amerikaanse Amerikanen, Duitsers en Fransen, allemaal gekleed in hoogwaardige outdoorkleding. Sommigen hebben er wat moeite mee, maar de meeste mensen lijken het uitkijkpunt te bereiken.

Ik loop verder naar de cafetaria waar ik koffie en een broodje neem. Voor de resterende tijd tot het vertrek van de bus loop ik naar het uitkijkpunt over het meer van Pehoe. Dit duurt een half uur enkele reis. Helaas moet je op de hoofdweg lopen, die kent behoorlijk wat verkeer en is onverhard (dus stofwolken). Het uitkijkpunt zelf is echter goed: dezelfde bergen maar vanuit een andere hoek.

Rond 14.00 uur begint het een beetje te regenen en ik schuil onder het dak van de cafetaria om op de bus te wachten. Verschillende bussen gaan op dit uur terug (ik had de 2.30 uur vooraf geboekt) en ook rond 5 uur. Ik zit dit keer wel aan de goede kant van de bus en kan nog wat foto’s van de Torres maken. Ook de flamingo’s zitten er nog, maar we flitsen te snel aan hen voorbij voor goede foto’s.

Tegen 5 uur zijn we terug in Puerto Natales. Hier loop ik meteen door naar restaurant Bote in de hoofdstraat. Dit ziet er gezellig uit en is ook vriendelijk, maar het eten is zijn prijs niet waard.

Punta Arenas

Om 10 uur vertrek ik met de bus van BusSur naar Punta Arenas, nog verder naar het zuiden. Het is ruim 3 uur rijden over de inmiddels zo bekende stille rechte wegen. De bus maakt ook een stop bij het vliegveld. Onderweg zie je veel schapenboerderijen en een monument voor de wind. Het is echter warm en zonnig vandaag.

Punta Arenas is een echte stad, dit in tegenstelling tot de (toeristen)dorpen waar ik de afgelopen week ben doorgekomen. Een zeer industriële stad ook. Ik begin mijn kennismaking met een lunch bij de populaire tent Lomito’s. Ik eet er een lomito – een steak sandwich.

Na ingecheckt te zijn in het hotel loop ik een rondje door de stad. Je ziet er veel cruiseschiptoeristen. Met de lokale bevolking gaat het minder goed, er is veel drank- en drugsmisbruik.

Ik bekijk het Magellaan standbeeld op centrale plein en wandel langs de promenade. Hier staan veel monumenten die met de scheepvaart te maken hebben, o.a. eentje ter nagedachtenis aan de reis van Shackleton.

Om 5 uur haal ik mijn huurauto op bij Mittal voor de excursie van morgen.

Pale Aike NP

Om kwart over 7 in de auto vertrek ik voor de rit van 190km/2.5 uur naar Pali Aike Nationaal Park. Als je de stad uit bent wordt het al snel rustig op de weg. Het is gemakkelijk rijden weer over de lange, rechte wegen en je mag 100km per uur.

28km voor het einde draai je een grindweg on naar het nationaal park. Het ziet eruit of er zelden iemand komt, maar de weg ligt er goed bij en je rijdt gemakkelijk 50. De hele omgeving is vol enorme schapenboerderijen. De grappigste ontmoeting met de schapen heb ik vlak voor de entreepoort van het park: naar wat ik later hoor 8000 schapen zijn de weg aan het oversteken, voortgedreven door hun herder te paard. Ze kijken alleen naar het schaap voor hun en steken over in schier eindeloze rijen. Ik zet de auto maar even stil.

In het park moet ik 5500 pesos entree betalen (5 eur) en krijg ik van de goed Engelssprekende ranger uitleg over wat je kunt doen. Er zijn ook wat vondsten te zien van tot 11.000 jaar geleden, toen de vroegste jager-verzamelaars hier leefden. Je moet dan met de auto nog verder het park in, zo’n 10km over een onverharde weg.

Ik begin met een kijkje bij het zoute Laguna Ana, waar ik enkele guanaco’s tegenkom die niet al te schichtig zijn.

Het meest interessante deel ligt echter aan een andere weg, rechtsaf na de ingang. Hier begint de steppe zich te vermengen met donkere vulkanische rotsen. Je kunt een krater inlopen, maar ik ga meteen naar de Pali Aike-grot. Dit maakt ook deel uit van een ingestorte krater en de rotsen zijn volledig begroeid met korstmos en mos; ze zien er heel raar uit.

Er wacht een parcours van een half uur met enkele informatiepanelen over het leven van de Aonikenk, de inheemse bevolking van Patagonië. De Grot zelf is wat je kunt verwachten van elke oude grot waar belangrijke archeologische vondsten zijn gedaan – er is niets bijzonders te zien!

De terugrit naar Punta Arenas verloopt probleemloos. Nadat ik de huurauto heb gedropt bij Mitta Rentalcars in het centrum ga ik snel wat eten. Ik neem weer een pizza, die uit een houtskooloven komt en goed smaakt. De rest van de middag rust ik uit op mijn kamer van de toch wel vermoeiende lange autorit. ‘s Avonds eet ik nog iets kleins bij Wake Up, een leuke koffiebar.

Naar Santiago

Vandaag vlieg ik door naar Santiago. Ik verlaat Punta Arenas in de regen. Een Uber brengt me naar het vliegveld. Het vliegtuig van Latam vertrekt om 11.40. Een half uur eerder vertrekt er ook al eentje met dezelfde bestemming, dus het is geen wonder dat onze vlucht halfleeg is en ik een hele rij voor mezelf heb. De vlucht duurt 3 uur.

Op het grote, nieuwe vliegveld van Santiago is het een eindje lopen naar het busstation (het staat aangegeven, rechtsaf vanuit de deur van de aankomsthal). Hier strijden TurBus en Centropuerto om de reizigers naar de stad. Ik kies voor Centropuerto, die doorrijdt naar Los Heroes in de buurt van mijn hotel. Een ritje kost nog geen 2 EUR, de bussen vertrekken aan de lopende band en zitten vol.

Na ingechekt te zijn in mijn hotel, ga ik op aanraden van de beheerster hier eten bij het Ocean Pacific’s visrestaurant. Het is wat duur, maar de tonijn met-van-alles is heerlijk.

Sewell

Vandaag ga ik op excursie naar het voormalige mijndorp Sewell, met een door Fundacion Sewell georganiseerde dagtour. Ik neem een Uber naar het vertrekpunt, waar al zo’n 30 mensen staan te wachten en niet veel later een grote touringcar voorrijdt.

We rijden in ruim een uur naar de plaats Rancagua, waar het hoofdkantoor van de Fundacion zit. Hier moeten we een security video bekijken (naar de gids luisteren! val niet van de trappen!). Met nog een stuk of 10 extra passagiers rijden we dan in 1u20 verder naar Sewell.

Het gebied wordt nog steeds gebruikt voor mijnbouw, en we rijden dan ook over een privé-weg van de firma Codelco. Aan de ingang van deze weg worden de passagiersgegevens gecontroleerd (als je boven de 70 bent mag je er niet in!). Onderweg komen we veel bussen met mijnwerkers tegen.

Het ruwe kopermijnlandschap is al een attractie op zich. We slingeren tegen de bergen op, door tunnels en onder afdekkingen tegen sneeuw en steenslag.

Even voor 11 uur zijn we bij de voormalige mijnstad Sewell, op 2000m hoogte. Hier begint de rondleiding. We worden in een Engelstalige en een Spaanstalige groep gesplitst, met ieder een gids. In mijn groep zitten meest studenten uit New York met hun docent. De rondleiding begint in de Social Club van de Noordamerikanen, die klasse A vormden binnen de mijngemeenschap. Er is een indrukwekkend zwembad in de kelder. Ook voor de Chileense arbeiders was het aantrekkelijk om hier te werken, omdat er veel meer werd verdiend dan op het omringende platteland en voorzieningen zoals elektriciteit, onderwijs en ziekenhuis er goed waren.

Alle gebouwen zijn van hout gemaakt, en later (jaren 50?) in vrolijke kleuren geschilderd naar voorbeeld van de stad Valparaiso. We gaan heel wat gebouwen in (de gids heeft een grote sleutelbos), o.a. het voormalige theater/bioscoop en verschillende wooneenheden.

Voor lunch kun je (als je de optie ‘met lunch’ hebt gekozen bij het boeken van de tour) in de kantine eten samen met de mijnwerkers. Ik eet mijn zelf meegebrachte broodjes in de cafetaria bij het museum, waar ze koffie en snacks verkopen.

Na de lunch ga ik even naar de WC in het naastgelegen museum, en raak meteen de groep kwijt! Na een half uur of zo komen de eersten weer opdagen. De Spaanstalige gids is zo vriendelijk me de bowlingbaan en kerk te laten zien, die ik gemist had. Vooral de bowlingbaan is uniek, helemaal van hout en uit het begin van de 20ste eeuw.

Om 15.50 start terugrit naar Santiago via Rancagua, en om 18.15 zijn we weer waar we vanochtend beginnen. Ik ga snel even iets eten in die wijk, en neem dan een Uber terug naar mijn hotel.

Rustdag in Santiago

Na 4 weken reizen is het eindelijk tijd voor een rustdag! In de ochtend doe ik het achterstallige werk op mijn website. Op zondag is zo ongeveer alles gesloten in het centrum van Santiago. Ik loop naar La Moneda, het presidentieel paleis. Ik was er in 2008 ook al en je mag er niet naar binnen, dus ik houd het bij een fotootje.

Hier in de buurt zijn de Burger King en Starbucks wel open, en ik lunch bij de laatste. ‘s Avonds eet ik bij het Thaise Bangkok.

Iquique

Met de airportbus ga ik naar Terminal 1 – de rit gaat zo vlot dat ik er veel te vroeg ben. Het is dan 2u15 vliegen naar de stad Iquique in het noorden van Chili.

Om in Iquique van het vliegveld weg te raken (het ligt 40km van de stad) is het gebruikelijk om een Taxi compartido te nemen. De vele maatschappijen staan je al op te wachten. Met 2 willekeurige anderen neem je dan een taxi om de 45min te overbruggen, tegen een prijs van 7000 pesos per persoon.

In het centrum van Iquique loop ik direct door naar de vismarkt, waar je voor lunch goed kunt eten. En je hebt er nog eens een fijn uitzicht op de vis- en containerhaven, én je kunt er zeeberen zien zwemmen.

In de namiddag ga ik wat dollars wisselen bij een wisselkantoortje (ik heb er nog teveel). Daarna loop ik door de Baquedano-straat, met gebouwen die als winkels of huizen werden gebouwd door immigranten die fortuinen vergaarden in de nitraatwerken. Het zijn nu meest restaurants.

Humberstone

De eerste bruikbare bus naar Humberstone vertrekt om 8 uur (met Pulman Santa Angela in een minibusje, 3000 pesos). Het is ongeveer een uur rijden naar de saltpetergroeves van Humberstone en Santa Laura. Onderweg doorkruist de weg hoge muren van zand zoals je die ook aan de Peruaanse kust ziet.

De bus zet me er langs de snelweg uit, vanwaar je via een loopbrug naar Humberstone kunt lopen.

Het ziet er een beetje spookachtig en verlaten uit, en een herdershond kijkt van een afstandje toe. Maar eenmaal door de poort blijkt er toch al een bewaker aanwezig en de kaartjesverkoper. De entree kost 6000 pesos (6 eur) en is geldig voor beide locaties: dit Humberstone en Santa Laura 2km verderop.

In Humberstone (en zijn voorgangers op dezelfde locatie) werd saltpeter/nitraat gewonnen die eind 19de en begin 20ste eeuw naar Amerika en Europa werd verkocht als kunstmest. Er zijn kleine tentoonstellingen in elk van de gebouwen. De stad had zijn hoogtijdagen in de jaren 30. In de Pulperia (winkelgalerij) moesten de arbeiders verplicht hun aankopen doen met penningen die ze verdienden (een praktijk die werd beëindigd in 1924). Hoogtepunten zijn onder meer het Art Deco hotel en het zwembad.

Op het oude plein verkoopt een souvenirwinkel drankjes en ijs, en ik zit er een tijd op een bankje. Ik spendeer maar liefst 2,5 uur in Humberstone.

Wat dan nog volgt is een winderige en onbeschutte wandeling door de woestijn naar Santa Laura. Je kunt het al van ver zien liggen. Hier houdt slechts een bewaker toezicht, die ik tref in het eerste ‘museum’ en mijn kaartje controleert. Santa Laura moet het vooral hebben van zijn industriële resten; van het dorp zijn alleen nog ruines over.

Voor de bus terug naar Iquique moet ik weer naar de grote weg lopen. Al binnen 30 seconden stopt er een minibus van Paraiso del Norte die me tot in het centrum brengt. Op beide saltpetergroeves samen en de weg daartussen heb ik vandaag bijna 10 km gelopen.

Eenmaal terug in de straten van Iquique neem ik een late lunch met mixed ceviche op het terras van Inti Phajsi. Het is de beste ceviche die ik ooit heb gegeten, en ook nog eens spectaculair gepresenteerd als een soort ijscoupe.

Naar Arica

‘Mijn’ bus van PlussChile arriveert in Iquique met 40 min vertraging. Er zijn veel duiven en weinig info op dit busstation, maar bij het loket hebben ze me de vertraging uitgelegd.

De busrit die dan volgt gaat volledig door de woestijn. ‘Beneden’ (salon cama) zit maar 1 andere passagier, dus het is een rustige rit. We komen langs de Chiza geogliefen (niet te zien vanuit de bus) en een enorme rivierbedding. Langs de weg bij het dorp Cuya is er de eerste hint op het Chinchorro werelderfgoed – de derde component ligt hier dieper in de vallei.

Het busstation ligt een behoorlijk eind buiten het centrum, in een zo op het oog niet zo beste buurt. Ik neem dus een taxi naar mijn hotel. Daar in de buurt eet ik een snelle lunch bij een hypermoderne McDonalds.

Daarna ga ik meteen door naar het Chinchorro werelderfgoed. Het belangrijkste punt ligt heuvelop, op het adres Colon 10. Hier is bij bouwwerkzaamheden een hele begraafplaats van de Chinchorro gevonden, een visser-verzamelaar cultuur die hier leefde van ca. 7000 – 1500 voor Christus. De entree kost 2000 pesos en je kunt een audiogids in het Engels downloaden.

Meer dan een bezoek van 10 minuten kan ik er niet van maken. Ze hebben glasplaten over de mummies gelegd, zodat je er over kunt lopen wat een beetje raar voelt. Door de weerspiegeling is foto’s maken bijna onmogelijk.

Twee huizen verder zijn nog archeologische opgravingen langs de rand van de zandwal, maar dat lijkt niet open. Via een uitkijkpunt kun je er wel op kijken, maar er is niets opvallends te zien.

De rest van de middag werk ik aan mijn website. ‘s Avonds ga ik naar het I Mio Cafe voor een sandwich en cappucino

San Miguel

De beste overblijfselen van de Chinchorro cultuur zijn te vinden in het museum in San Miguel Azapa. Dit is een dorpje zo’n 10 kilometer buiten Arica. Ik ga erheen met een gedeelde taxi rural – voor 1700 pesos brengt hij me tot voor de deur.

Ik ben er om 10 uur en het museum gaat net open. Het bestaat uit 2 gedeeltes, 1 over de inheemse geschiedenis in het algemeen en 1 speciale Chinchorro-zaal. In beide kun je via je telefoon een audiogids downloaden.

De Chinchorro-zaal is het meest spectaculair omdat het het mummificatieproces laat zien waar deze groep bekend om staat. In de vroegste fase mummificeerden ze alleen overleden kinderen, zelfs foetussen. Je ziet dus ook veel hele kleine mummies. Op de plek van hun gezicht hadden ze een masker van klei.

Met een gedeelde taxi race ik terug naar Arica. Bij een lunchrestaurant eet ik kipfilet met patat en heerlijk vers maracaguasap.

Terug in het hotel wissel ik online mijn buskaartje voor de nachtbus van vanavond om – toen ik op de website van de busmaatschappij keek, zag ik opeens dat ze ook salon cama stoelen hadden in plaats van alleen semi-cama. Dat is het verschil tussen business class en economy, en slapen of niet op deze rit van 11 uur. Met Uber ga ik nog naar de luxe mall van Arica om wat dollars in te wisselen voor pesos. Ik eet er snel iets bij Dunkin Donuts. In een half uur loop ik terug naar het hotel, de meest smoezelige straten vermijdend. Het is niet echt mijn stad, Arica.

Het busstation blijkt ook vervallen en smerig. Je moet zelfs een kaartje kopen om op het perron te mogen, ook als je al een busticket hebt. Gelukkig mag ik snel aan boord.

San Pedro de Atacama

De busrit verloopt rustig, met uitzondering van twee stops voor controle en douane midden in de nacht. Iedereen moet dan uitstappen en de bagage door een scanner. Het laatste stuk van de reis laat al meteen de mooie omgeving hier zien.

Om 8.15 komen we aan op het busstationnetje van San Pedro de Atacama. Het dorp is nog rustig maar ik heb er nu al in de straten meer toeristen gezien dan in weken. Ik loop eerst naar het Salon de té O2 voor ontbijt. Rond 9 uur meld ik me bij mijn hostel, waar ik al mijn kamer mag betrekken. De rest van de ochtend rust ik een beetje uit.

Tegen twaalven loop ik het centrum in met als doel tickets voor tours te bemachtigen. Ik heb er vanochtend al een paar via whatsapp aangeschreven. Ik slaag voor een trip zondag naar de El Tatio geisers (mijn hoofddoel) bij Whipala. Inclusief entree van 15.000 pesos kost de tour 53.000 pesos (ca. 55 EUR) (als je cash betaalt). Een volle dagtour naar de hoogland lagunes blijkt lastiger – de kortere (en dus goedkopere) tours zijn het populairst. Ik laat het er maar even bij, haal een lekker vers sapje en ga op een bankje op het centrale plein bij de kerk lunchen.

Voor de middag is het plan om naar Aldea de Tulor te fietsen, een archeologische opgraving uit de tijd voor de Inca’s (zo’n 2500 jaar oud). Hiervoor moet ik eerst een fiets hebben natuurlijk. Gelukkig zien ze wel handel in fietshuur – ik haal de mijne bij een geldwisselkantoortje waar ze ook zo’n 50 mountainbikes hebben staan. Voor 6 uur betaal ik 7.000 pesos. Ik krijg ook een helm en reflecterend vest mee (beiden verplicht te dragen), en een fietspomp, reparatieset en slot.

De man van de verhuur vertelt me ook dat het 11km fietsen is – wel wat meer dan gehoopt maar ik ga toch maar op pad. Met uitzondering van een heuvel als je de stad uitrijdt is de weg vlak. Probleem is echter de hitte, de felle zon en het gebrek aan beschutting. Ook heb ik een kettingprobleem – de fiets heeft zoveel versnellingen dat bij het schakelen er wel eens iets mis gaat. Gelukkig kan ik zelf de ketting weer goed leggen.

Om kwart over 2 kom ik aan bij de entree. Ze hebben zelfs een fietsenstalling! De ingang tot de opgravingen is echter gesloten – een vrouw komt naar me toe en zegt dat het gesloten is voor lunch. Gelukkig duurt die maar tot half 3 en ik kan in de schaduw gaan zitten wachten.

De deur gaat op tijd weer open en ik koop mijn entreekaartje voor 5000 pesos. De vrouw geeft uitvoerige uitleg, maar het enige wat je kunt doen is 600 meter door het hete zand lopen om replica’s te zien van de huizen en de funderingen van de originelen. Geen wonder dat de bewoners hier weggetrokken zijn! Zo heet en geen water. Ze vonden een nieuw thuis in San Pedro.

Terug bij het begin wachten nog twee niet zo boeiende exposities. Er zijn ook toiletten. Helaas verkopen ze niks, een koud drankje zou welkom zijn. Ik stap dus maar weer op de fiets. Met een paar schaduw-tussenstops en nog een kettingprobleem red ik het toch nog vrij vlot tot San Pedro. Je hoeft nauwelijks te trappen.

In de stad eet ik nog snel een goede empanada bij Andino en loop dan vermoeid terug naar mijn hotel.

Valle de la Luna

Ik doe rustig aan in de ochtend. Voor lunch ga ik naar het Roots café, waar ze heerlijke salades hebben.

Om 4 uur sluit ik aan bij de tour naar Valle de Luna uitgevoerd door Whipala Expeditions. Er zijn 13 gasten en we worden over twee busjes verdeeld. Ik heb een volledig Engelssprekende tour en een goede gids/chauffeur.

De entree tot het park ligt 5 minuten rijden van de stad, ik had het gisteren tijdens de fietstocht al zien liggen. Tientallen witte toeristenbusjes staan er al, het is de plek om kaartjes te kopen en een toiletstop.

We moeten dan nog 16km dieper het park in om bij de mooiste delen te komen. We passeren hier ook fietsers, maar het is bergop en zwaar. We stoppen als eerste bij de Big Dune. Dit is een berg van zout, klei en gips, gemaakt door zandstormen die vanuit de zandvlaktes in de grensregio met Bolivia hierheen waaien. Elk jaar wordt het duin een beetje hoger. Het is een mooie wandeling over een aanpalende bergrug.

De volgende stop is een paar minuten bij de Three Sisters – voorheen 3, nu nog maar 2 vormen van evaporiet gesteente. Daarna stoppen we bij de voormalige zoutmijn Victoria. Je kunt hier in de wanden het meest pure zout zien zitten, het lijkt wel marmer. Onze gids “redt” hier nog een stel toeristen die al 2 uur niet meer met de auto weg kon omdat de deur niet meer open kon.

De laatste stop voor zonsondergang is het amfitheater, een prachtig gebogen zout-zandwal. Het punt waar de zonsondergang gaan bekijken ligt buiten het park: de Mirador de Okari. Hier is het heel druk en de zonsondergang doet me sowieso nooit zoveel. Er zijn veel schaduwen dus het is niet gemakkelijk goede foto’s te maken.

El Tatio

Voor vandaag heb ik een tour geboekt naar de Tatio geisers. Ze zijn het meest actief vroeg in de ochtend, dus het tourbusje rijdt de hotels tussen half 5 en 5 uur langs om de gasten op te halen. Ik heb mijn wekker op 4.15 gezet, maar natuurlijk ben ik al om 3 uur wakker. Ik ben de eerste die opgehaald wordt, daarna duurt het nog drie kwartier voordat we alle 13 passagiers verzameld hebben.

Wat dan rest is een rit van 90km (anderhalf uur) in het donker de berg op. Net als gisteren zijn we zeker niet het enige witte toeristenbusje op de weg. El Tatio ligt op ruim 4300m hoogte – hoog genoeg om te voelen maar niemand heeft er echt last van. Geadviseerd wordt om vooraf een paar dagen in San Pedro te acclimatiseren, dat op 2500m hoogte ligt. De temperatuur ligt rond het vriespunt en ik krijg koude handen tijdens het fotograferen. Ik heb wel de warmste kleren aan die ik bij me heb: lange broek, fleece en regenjack.

We stoppen bij het grote geothermische veld, een open vlakte waar tientallen geisers en fumaroles borrelen en roken. Vooral hun aantal is indrukwekkend – erg hoog spuiten ze niet.

Na een uur rijden we door naar de ontbijtplek – ook een standaardonderdeel van deze tour. Vanaf hier hebben we een prachtig vergezicht over de vallei met de geisers. Het ontbijt met vers brood smaakt ook goed.

Op de terugweg stoppen we nog een paar keer om dieren te zien, maar de kansen op goede foto’s zijn gering.

We eindigen bij het traditionele dorpje Machuca waar ze eten en souvenirs verkopen, maar ook een mooi oud kerkje hebben.

Deze tour beviel me een stuk minder dan gisteren, hoewel het van dezelfde organisatie is. De gids doet alles in het Engels en het Spaans, dus je moet steeds wachten. Ook had ik graag meer tijd gehad bij de geisers en vooral onderweg bij de vicunas en andere dieren. De parkbeheerders lijken hier ook debet aan: ze sturen de busjes die langs de kant van de weg stoppen steeds snel weer weg.

Pukara de Quitor

Voor ik aan de lange thuisreis begin, doe ik nog een korte excursie te voet. Zo’n 3 kilometer buiten San Pedro de Atacama ligt de Pukara de Quitor. Dit is een fort uit de 14de eeuw, dat uiteindelijk door de Spanjaarden werd ingenomen.

Ik ga om 8 uur op pad, zo ongeveer het laatste tijdstip waarop het nog koel is. De wandeling gaat over een onverharde weg waar ook fietsers, auto’s en busjes passeren. Ik loop iets te ver door aan een kant van de ‘rivier’, die volledig droog staat, maar gelukkig zie ik aan degene die een paar honderd meter voor me loopt dat ik een doorgang moet zien te vinden.

De opgravingen zijn niet echt van de weg te zien. Ze bedekken een kant van een heuvel, maar er zijn hier zoveel heuvels. De entree is met 5750 pesos (6 eur) aan de prijs voor Chili. En dat blijkt des te meer zo omdat je het opgravingen terrein niet op mag: het ziet er ook kwetsbaar uit. Voot dat geld moet je dus zelf lopen naar twee uitkijkpunten vanaf de heuvel ernaast. Gelukkig hebben ze het pad aangelegd met haarspeldbochten dus het is niet al te zwaar.

Aan het begin van de route staan een paar informatieborden die de geschiedenis van de regio beknopt maar helder uitleggen. Veel details van de oude stad zie je niet als je het van een afstand moet bekijken, ik ben na een uurtje dan ook wel klaar en loop terug naar San Pedro.

Terug in het centrum vier ik mijn verjaardag met een dubbele cappuccino zonder gebak bij het Roots cafe. Om 11.50 neem ik dan de bus naar Calama met Frontera del Norte. Deze heeft weer luxe zetels, terwijl het maar een korte rit is. We stoppen bij Frontera’s eigen terminal. Op de hoek van de straat vind ik snel een taxi naar het vliegveld (7000 pesos, 15min). Daar eet ik eerst wat en stap dan op de vlucht Calama naar Santiago (15.47-18.11) met Sky. Van het vliegveld van Santiago neem ik weer de Centropuerto bus naar mijn hotel in het centrum.

Terugreis naar Amsterdam

Het Ibis is een handig hotel als een alternatief airporthotel – het ligt pal in het centrum van Santiago en naast het vertrekstation van de Turbus bussen die je voor een schijntje in 35 minuten naar het vliegveld brengen. Er is ook een goed continentaal ontbijtbuffet.

In de bus krijg ik een mail van Air France dat ze me op een andere vlucht hebben gezet. Het is een rechtstreekse naar Amsterdam (alhoewel met tussenstop in Buenos Aires). Al met al vertrek ik nu 40 minuten later en ben een uurtje eerder op Schiphol. Ze hebben me ook een upgrade gegeven naar Economy Comfort. Voor mijn vertraagde vlucht op de heenreis kreeg ik al eerder een voucher ter waarde van 800 EUR.

Het vliegtuig is halfleeg als we vertrekken uit Santiago. Desondanks zijn we bijna een half uur te laat weg. In Buenos Aires moeten we het vliegtuig uit, een rondje lopen, door de security en dan weer in de rij om in te stappen. De vlucht naar Amsterdam is dan nog 12u35. De stoel naast me blijft leeg dus gecombineerd met de Economy Comfort die 10cm meer beenruimte geeft (en dus ook voldoende ruimte om de laptop open te klappen) zit ik er wel gerieflijk bij.

Leave a comment