World Heritage Traveller

Maleisië 2023

Written by:

Deel 3 van mijn Zuidoost-Azië reis van 2023, die me door Maleisië en Brunei voert en gestart is in Cambodja en Thailand.

  1. Route
  2. George Town
  3. #832: Lenggong vallei
  4. Kuching
  5. Bako NP
  6. #833: Gunung Mulu
  7. Niah
  8. #834: Kinabalu park
  9. Een vrijdag in Brunei
  10. Sandakan
  11. Kinabatangan rivier
  12. Kuala Lumpur
  13. Terugblik Maleisië 2023
    1. Voorbereiding
    2. Vervoer
    3. Hotels
    4. Eten
    5. Kosten

Route

In 2009 was ik al eens kort in Maleisië. Ik bezocht toen alleen het Maleisisch schiereiland (Melaka, Kuala Lumpur). Dit keer steek ik ook over naar Borneo, voor de deelstaten Sarawak en Sabah. En ik maak een korte stop in buurland Brunei. Dit deel van de Zuidoost-Azië reis heeft de meeste voorbereiding gevraagd: Borneo stond al heel lang op mijn verlanglijstje, en ik wil zoveel mogelijk zien van wat de natuur daar te bieden heeft. Een Orang-oetan in het wild bijvoorbeeld…

Ik maak de reis met het openbaar vervoer (inclusief binnenlandse vluchten):

DatumProgrammaVerblijf
25 febAankomst overland vanuit Thailand (Hat Yai) in de late namiddag / avond.George Town
26 febBezoek aan het oude centrum van GeorgetownGeorge Town
27 febDagtocht naar de Lenggong Vallei (WE6), de oudste bekende plaats van menselijke activiteit op het Maleisisch schiereiland.George Town
28 febVlucht in de ochtend naar Kuching. Daar stad en musea bekijken.Kuching
1 mrtDagtocht naar het Bako NP, met zijn neusapen.Kuching
2 mrtNaar het Semenggoh Orang Utan Sanctuary.Kuching
3 mrtRechtstreekse vlucht naar Mulu. In de middag eerste verkenning van het Gunung Mulu NP (WE7), bekend om zijn grote grottenstelsels, en een begeleide avondwandeling.Mulu
4 mrtDeer Cave tour in Gunung Mulu NP.Mulu
5 mrtCanopy Walk in Gunung Mulu NP.Mulu
6 mrtVlucht naar Miri.Miri
7 mrtDagtocht naar de Niah grotten.Miri
8 mrtBus naar Brunei (3h), bezoek Kampung Ayer.Brunei
9 mrtBus naar Kota Kinabalu (8h).Kota Kinabalu
10 mrtRustdag/bufferdagKota Kinabalu
11 mrtKinabalu Park (WE8), wandelen over de lager gelegen trails om deze hoogste berg van Maleisië en bezoek aan botanische tuin.Kota Kinabalu
12 mrtVlucht naar Sandakan.Sandakan
13 mrtStart 3d/2n tour in het Kinabatangan riviergebied.Kinabatangan
14 mrtBoottochten in het Kinabatangan riviergebied.Kinabatangan
15 mrtTerug per boot naar Sandakan. In de avond vliegen naar Kuala Lumpur.Kuala Lumpur
16 mrtBezoek aan het Sungai Buloh Leprosarium en FRIM Selangor Forest Park.Kuala Lumpur
17 mrtNog dag in Kuala Lumpur. Terugvlucht naar NL om 23.00.Vliegtuig
18 mrtAankomst 6 uur in de ochtend.Thuis

George Town

George Town staat samen op de Werelderfgoedlijst met Melaka, dat ik al in 2009 bezocht. Beiden staan bekend om hun multiculturele erfgoed. Eind februari 2023 arriveerde ik per veerboot in George Town vanuit Butterworth, waar ik met de trein vanaf de Thaise grens heen was gereisd. Deze simpele boot gaat ongeveer eens per uur en heeft slechts een minuut of 10 nodig om van het vasteland naar het eiland Penang te varen.

George Town, Penang

In vergelijking met het bruisende Thailand, waar de deuren voor toeristen wijd open staan, leek George Town een post-Covid-toeristische dip te zitten en er was niet veel gaande. Het was ook een Maleisische schoolvakantieperiode. Toch beviel het met wel en de stad is een dag of twee waard.

Ik verbleef in het hart van de wijk Little India – heel erg India, met vele armoedig ogende (maar uitstekend smakende) Indiase restaurants, sari- en gouden armbandwinkels. Mijn hotel – de Ren I Tang Heritage Inn – was een prachtig 19de-eeuws herenhuis in de ‘Early Straits Eclectic Style’ en pas gerestaureerd. Binnen zijn er houten vloeren en trappen.

Little India, George Town, Penang

Mijn stadsverkenningen, allemaal te voet gedaan, brachten me eerst bij de monumenten uit de Britse koloniale periode. Dit lijkt nog steeds het zakelijke en politieke centrum van de stad te zijn. Er zijn verschillende historische gebouwen bewaard gebleven, waarvan de meeste spierwit van kleur zijn. Ze liggen deels aan een groot grasveld, de Esplanade. Dit werd vroeger gebruikt voor militaire parades, nu waren mensen er aan het sporten en was er één of andere activiteit voor schoolkinderen aan de gang.

‘Om de hoek’ liggen de overblijfselen van het Fort Cornwallis van de Britse Oost-Indische Compagnie; Ik ging niet naar binnen omdat ik de toegangsprijs van 40 ringgit te hoog vond en vervallen forten me sowieso niet zo kunnen bekoren.

George Town, Penang

Daarna volgde ik de kustlijn, met een mooi uitzicht op de Straat van Penang en de stad Butterworth op het vasteland, waar ik met de trein was aangekomen. Aan de waterkant staat ook een blok met monumentale kantoren van Europese handelsfirma’s uit de 19de eeuw.

Een expliciet onderdeel van dit werelderfgoed zijn de Chinese ‘Jetties’ – nederzettingen van paalwoningen, gebouwd langs een pier. De Chew Jetty verwelkomt bezoekers tijdens bepaalde openingstijden overdag. Het dateert uit 1888 en wordt bestuurd door de Chew Clan, nog steeds een hechte gemeenschap met een eigen taoïstische tempel. Het is erg toeristisch en zo ongeveer iedere inwoner heeft een winkeltje of eet/drinkkraampje geopend.

Chew Jetty, George Town, Penang

De Chinese gemeenschap van George Town heeft erg zijn best gedaan haar erfgoed om te zetten in toeristeninkomsten. De zeer sierlijke Cheah Kongsi-tempel is een ander voorbeeld. ‘Kongsi’ waren clans van mensen uit dezelfde plaats van herkomst die elkaar na de immigratie hielpen. Deze tempel dateert uit 1810 en is nog steeds in gebruik voor bijeenkomsten.

Sem Tek Tong Cheah Kongsi, George Town, Penang

Het Pinang Perakan Mansion ligt ook in het stadscentrum en is misschien wel de meest populaire attractie. Het is een zeer eclectische, luxe villa “met Chinese houtsnijwerkpanelen en Engelse vloertegels en Schots ijzerwerk”. Hier is het vooral het interieur dat de aandacht trekt.

Penang Peranakan Mansion, George Town, Penang

Er zijn nog tientallen kleine monumenten en tempels te bekijken, meestal afkomstig uit de Chinese en Indiase gemeenschappen, die je vanzelf tegenkomt als je ronddwaalt door de straten van het centrum van George Town.

#832: Lenggong vallei

Wat is het?
Het Archeologische erfgoed van de Lenggong-vallei omvat de oudste bekende plaats van menselijke activiteit op het Maleisisch schiereiland. Het gebied werd door mensen bewoond tussen 1,83 miljoen en 1700 jaar geleden. Er zijn skeletten, grotschilderingen en paleolithische gereedschapswerkplaatsen gevonden. De belangrijkste vondst is het skelet van Perak Man, 10.000 jaar oud en symbool voor de verspreiding van Homo sapiens tussen Azië en Australië via Zuidoost Azië.

Archeologisch museum, Lenggong

Cijfer: 3 (Er zijn inmiddels elders in de regio (Niah) veel oudere menselijke resten gevonden, er is weinig tot niets te zien, en het geheel wordt erg onprofessioneel beheerd)

Toegang: De entree is gratis. Voor de tour betaalde ik 200 ringgit (40 EUR).

Hoeveel tijd: Een uur.

Opvallend: Dit is een helse site om te bezoeken. Officieel mag het alleen na toestemming en met een gids, maar het opgegeven e-mailadres weert alle e-mails van ‘buiten’. De dag voor mijn geplande bezoek speurde ik het internet opnieuw af en vond de Facebook-site van het Archeologisch Museum. Via Facebook-messenger kon ik uiteindelijk chatten met iemand, die me doorverwees naar een privégids genaamd Shima. Dit was allemaal op een zondagavond en Shima vulde onmiddellijk het formulier in om toegang tot de grotten te regelen.

Archeologisch museum, Lenggong

De volgende ochtend reed ik van George Town naar het Archeologisch Museum van Lenggong. Het werd een stressvolle expeditie, omdat de TouchNGo-kaart die ik van de autoverhuurder had gekregen verlopen bleek te zijn, en dat de enige manier is om tegenwoordig tol te betalen in Maleisië. Er zijn maar weinig plekken waar je een nieuwe kaart kunt kopen en zeker niet langs de snelweg. Dus waagde ik het er maar op en meldde me bij het meest linkse poortje van het eerste tolstation. Na enige tijd wachten verscheen er toch nog een mens achter het raam, die zijn hoofd schudde om deze domme buitenlander maar me wel een tijdelijk kaartje gaf.

Het archeologisch museum van Lenggong is al jaren gesloten wegens renovatie, maar het goede nieuws nu is dat de parkeerplaats en toiletten in gebruik zijn en dat de tijdelijke tentoonstelling is verhuisd naar het museumgebouw. De toegang is gratis, ze registreren je aankomst in een bezoekersboek. Er waren ook nog enkele andere bezoekers aanwezig.

Archeologisch museum, Lenggong

De tentoonstelling heeft een video over de site, het UNESCO-inscriptiecertificaat en een replica van de overblijfselen van Perak Man. Het museum lijkt bijna klaar om te heropenen – maar ze wachten op de originele overblijfselen van Perak Man, die nog steeds in het Nationaal Museum van Kuala Lumpur zijn opgeslagen (maar daar niet worden tentoongesteld).

Ik had hier bij het museum afgesproken met mijn gids Shima. De toeristische focus van Lenggong lijkt vooral te liggen op zijn status als Geopark vanwege zijn talrijke rotsen en grotten. Het is nog steeds een zeer landelijk gebied met veel traditionele houten huizen.

Traditionele huizen in Lenggongvallei

De gids bood me een rondleiding van een uur aan langs vijf grotten, waarvan er maar één archeologische betekenis heeft: de Kajang-grot. We reden erheen, parkeerden voor de ingang en ontmoetten direct andere toeristen. Ze wisten (uiteraard) niet dat je toestemming nodig hebt om te bezoeken, en het staat ook niet aangegeven bij de grot zelf. Je loopt er ook zo naar binnen, de grot is niet diep.

Dit is slechts één van de voorbeelden van het ‘wanbeheer’ van dit werelderfgoed. Het ontbreekt in ieder geval aan communicatie en marketing, maar de gesprekken met Shima maakten me ook niet veel hoopvoller over de conservatie.

Kajanggrot, Lenggong

In de Kajang-grot zijn twee vrouwelijke skeletten ontdekt, die dateren van 3000 jaar na elkaar, één uit het paleolithicum en één uit het neolithicum. De grot – die nog steeds een aanzienlijke populatie vleermuizen heeft – werd gebruikt voor guano-mijnbouw totdat lokale mensen deze overblijfselen tegenkwamen. Ook zijn er tal van schelpen van weekdieren gevonden, die worden beschouwd als vroege voedselresten.

Je kunt staan waar de skeletten zijn gevonden (althans waar de gids me vertelde dat het was, zie foto hieronder), het is niet afgeschermd.

Kajanggrot, Lenggong

Vanaf de achterkant van de grote Kajang-grot bezochten we de andere vier (natuurlijke) grotten via een vlonderpad. Dit was een welkome aanvulling, anders zou ons bezoek niet langer dan 10 minuten hebben geduurd! Eén van de grotten kun je alleen in door via een touw omhoog te klimmen – dat liet Shima graag aan zich voorbij gaan en ik ook. Wel kwamen er een paar lokale jongens van die kant naar beneden zeilen.

Grotten van Lenggong

Kuching

Kuching is de hoofdstad van de Maleisische deelstaat Sarawak, die het noordwestelijk deel van het eiland Borneo bestrijkt. Op het eerste gezicht lijkt het wat chaotisch, zeker als je verder van de rivier bent. Hier staat ook de Grote Moskee, gebouwd in de jaren zestig maar op een plek waar vele (houten) voorgangers hebben gestaan. Het is gedaan in een Mogul-achtige stijl met een modern interieur.

Oude Staatsmoskee van Kuching

De moskee ligt in het oude commerciële centrum van de stad. Hier vlakbij vind je ook het Borneo Cultures Museum, de opvolger van het Sarawak Museum. In dit moderne gebouw zijn vier verdiepingen met tentoonstellingen over het leven op Sarawak te vinden. Het is excellent: ruim van opzet, met Engelstalige uitleg en veel prachtige originele objecten.

Er zijn maskers, matten, rugzakken om je baby in te dragen, houten boten, de originele schedel van de 40.000 jaar oude mens uit de Niah-grotten. En veel van deze versierde rieten hoeden:

Sarawak Museum

Een kilometer of 20 buiten de stad ligt Semenggoh, een reservaat voor orang-oetans die gered zijn omdat ze gewond of gevangen waren. Het is erg dicht bij de stad, maar toch hebben ze een stuk bos weten te behouden. Twee keer per dag kun je hier komen kijken als ze de orang-oetans voedsel aanbieden. Ik koos voor de middagsessie: open om 2 uur, voederen vanaf 3 uur. Ik ging erheen met de lokale bus K6 (1 ringgit/0,20 EUR) die vlakbij de moskee vertrekt. Bij aankomst stonden er al meer toeristen te wachten tot het loket openging om een kaartje te kopen. Allemaal keken we wat zorgelijk naar het bord dat voor de ingang stond: zicht op de orang-oetans is niet gegarandeerd dit seizoen, omdat ze voldoende vruchten in het wild kunnen vinden.

Na het kopen van het kaartje loop ik meteen over de geasfalteerde weg het bos in. Alle anderen maken gebruik van het elektrische shuttlebusje naar de voederplaats, maar ja, dan zie je onderweg niet zoveel. En er is tijd genoeg. De wandeling duurt zo’n 20 minuten met wat flink klimmen en dalen.

Terwijl de anderen apathisch zitten te wachten tot wat er komen gaat, verken ik de omgeving en zie mijn eerste Prevosts klapperrat – een grote, bonte eekhoorn.

Prevostklappereekhoorn, Semenggoh

De parkwachters vertellen dat er nog geen orang-oetan gespot is, en gaan ze ‘roepen’. De beesten roepen echter nog niet terug.

Dan arriveert er een particuliere gids, die zegt dat hij een moeder met jong gezien heeft langs de weg. Ik loop een kilometer of zo terug naar de ingang, en inderdaad daar beweegt een orang-oetan zich tussen de lage elektriciteitspalen. De ook aangesnelde parkwachter heeft wat banaantjes meegenomen, die ze maar graag aanneemt voor haarzelf en haar jong. Dat je zo dichtbij kunt komen zegt wel wat over hoezeer de orang-oetans hier aan mensen gewend zijn.

Orang-oetan, Semenggoh

Ondertussen hebben zich ook twee orang-oetans gemeld op het voederplatform, dus ik ga ook daar nog even kijken. Het maakt een wat trieste indruk. Gelukkig zijn maar 2 van de 27 orang-oetans die zich in het park bevinden hier op komen dagen, wat zegt dat de rest zich wel zelf redt.

De volgende dag verken ik Kuching nog wat meer. In de ochtend regent het hevig, dus ik neem een Grab naar het Fort Margherita. Je kunt het goed zien vanaf de waterkant, maar het ligt aan de overkant van de rivier. In het Fort zit sinds kort een museum waarin de bijzondere geschiedenis van Sarawak in de 19de en begin 20ste eeuw wordt verteld, toen het privé-bezit was van een Britse familie. De Brooke’s waren de ‘Witte Rajahs’ die Sarawak bestuurden en verder uitbreidden. De familie wordt vrij sympathiek neergezet in de tentoonstelling, misschien niet zo gek omdat het mede door hun nazaten is gefinancierd.

Fort Margherita

Een tastbare herinnering aan de tijd van de Brooke familie is ook de Astana, die aan dezelfde kant van de rivier ligt. Het was het paleis van de Rajah, en nu nog steeds de zetel van de gouverneur van Sarawak. Het ziet er prachtig uit maar je mag er niet naar binnen. Aan de stadskant van de rivier liggen ook nog wat andere fraaie gebouwen uit die tijd, die nog in gebruik zijn door het bestuur.

In de afgelopen jaren is de waterkant van Kuching nog verder verfraaid. Er is een loopbrug over de rivier aangelegd, die leidt naar het parlementsgebouw van Sarawak (dat uit Turkmenistan lijkt te zijn geïmporteerd). En er is een grote, drijvende moskee toegevoegd.

Kuching is een fijne plek om een paar dagen te verblijven: er is veel te zien, je kunt er lekker eten, het is een beetje toeristisch maar niet té.

Bako NP

Bako Nationaal park is een klein natuurgebied niet ver van Kuching. Ik maakte er een dagtocht naar toe en pakte om 7 uur de bus vanuit het stadscentrum. Rode bus #1 kost maar 1 ringgit (0,20 EUR) en rijdt er in een uurtje naar toe. Behalve wat lokale mensen die onderweg uitstapten, zaten er nog een Amerikaanse vrouw en een Nederlandse man met Maleisische vriend bij mij aan boord. Met ons vieren meldden we ons bij de Bako Jetty, vanwaar je een boot kunt charteren voor het resterende stukje naar het puntje van het schiereiland Bako.

De ticketverkoopster maakte het nog even spannend: we moesten eerst bij de bootverhuurder gaan vragen of ze wel zouden gaan varen vanwege het weer. Het was erg bewolkt en voor later op de dag werd regen voorspeld. De zee was onrustig. Gelukkig mochten we gaan, maar we kregen het advies mee op tijd (vóór drie uur) weer terug te gaan met de boot.

Bako NP

De boottocht was niet al te ruig. Onderweg zagen we nog een grote watervaraan op het land. De bootsman maakte er een ‘natte landing’ van: we moesten uitstappen in het water bij het strand, omdat de aanlegsteiger onder water stond. We waren gelukkig wel vlakbij het bezoekerscentrum – de dag ervoor hadden toeristen 45 minuten moeten lopen vanaf de aanlegplaats.

Bij het bezoekerscentrum moet je je entreekaartje laten zien en aangeven welke wandeling je gaat maken. Ik koos voor wandeling nummer 3, terwijl de andere drie voor de zwaardere combinatie van 6&7 gingen. We liepen eerst een tijdje samen op. Nog op het terrein van het parkhoofdkwartier zagen we een groep apen in de bomen: mutslangoeren. Dit zijn slanke grijze apen met een soort kapje van haar op hun kop. De route vervolgt over een mooi aangelegd vlonderpad door een mangrovebos.

Bako NP

Aan het eind van de vlonders kom je in het ‘echte’ bos. Goede wandelschoenen zijn hier een must – de ondergrond was hier nog erg drassig van de regen van de voorafgaande dagen, en ook zijn er veel wortels van bomen die over het pad lopen. Ondanks dat ik voor een korte route had gekozen, was het een behoorlijk inspannende klauterpartij van een uur. Het pad gaat continu omhoog en omlaag, soms met behulp van houten trappen.

Bako NP

Wandelpad #3, de witte route ofwel Telok Paku, is de meest geschikte voor het zien van neusapen. Deze iconische bewoners van Borneo komen in Bako NP veelvuldig voor en zijn hier misschien wel het gemakkelijkst te fotograferen.

Tegen het einde van de route zag ik voor het eerst een groep van deze apen, maar ze zaten heel hoog in de bomen. Ik liep nog een stukje verder, het strand op, en daar vond ik een mannetje vol in het zicht. Alleen de mannetjes hebben zo’n lange neus, de vrouwtjes hebben meer een wipneus. Dit mannetje was op zijn gemak aan het ontbijten en het was niet moeilijk om dichtbij te komen. Ideaal voor de foto’s, en ook met beter licht dan diep in het donkere bos.

Bako NP - Neusaap

Pas op de terugweg kwam ik de eerste andere wandelaars tegen. De meeste dagjesmensen arriveren laat, tegen 11 uur zag ik hele gezinnen – sommigen zelfs op slippers – landen. Zij gingen vast niet verder dan de vlonderpaden.

Bij het bezoekerscentrum is een eenvoudig restaurant, waar ik met een drankje neerstreek om te wachten op mijn drie bootgenoten voor de reis terug. In de buurt van de keuken trof ik een familie baardzwijnen aan, die heel goed wisten waar de voedselresten te krijgen zijn.

Bako NP - Baardzwijn

Mijn drie reisgenoten arriveerden een uurtje later. Ze zagen er verhit uit en gaven aan dat het zwaarder was geweest dan verwacht. Ze hadden continu gelopen en weinig gezien.

Terwijl we stonden na te praten, riep een parkmedewerker ons: hij had een Maleise vliegende kat gevonden in een boom achter het hoofdkwartier. Die moesten we natuurlijk ook nog even bekijken. Ik had eerst veel moeite hem te vinden, een grijs beestje op een grijze boomstam tussen de dichte groene bladeren. Achteraf zag ik hem op de foto nog het beste. Hier zie je ook dat hij vliezen heeft tussen zijn buik en poten, waarmee hij kan zweven.

Bako NP - Maleise vliegende kat

Om één uur belden we de bootman om ons op te halen. Hij was elders bezig, maar we konden opstappen bij één van zijn collega’s. Vanaf de echte aanlegsteiger dit keer. Zo bereikten we volledig droog weer het vasteland en konden net instappen in de bus naar Kuching die al stond te wachten.

#833: Gunung Mulu

Wat is het?
Het nationaal park Gunung Mulu is een tropisch karstlandschap. Het park heeft 295 kilometer aan verkende grotten, waarin miljoenen vleermuizen huizen. De Sarawak Chamber is één van ’s werelds grootste ondergrondse grotkamers, de Deer Cave heeft de grootste grotpassage ter wereld, en Clearwater Cave het langste grottenstelsel in Zuidoost-Azië.

Gunung Mulu NP - Clearwater Caves

Cijfer: 8 (Het is niet zo bekend, maar het is één van de allerbeste werelderfgoederen. Misschien het meest als je echt van grotten houdt, wat ik niet doe, maar het dichte tropisch regenwoud is ook fascinerend. Daarnaast wordt het park vanuit bezoekersperspectief werkelijk voorbeeldig gerund.)

Toegang: De toegang tot het park kost slechts 30 ringgit (6 EUR). Daarnaast betaal je voor de tours, zo tussen de 5 en 15 EUR.

Hoeveel tijd: Ik was er drie nachten / vier dagen, en overnachtte in een comfortabel huisje in het park.

Opvallend: Het begint al bij de vlucht naar Mulu. Het park ligt zo afgelegen dat het niet over de weg te bereiken is. Je vliegt over een prachtig groen regenwoud en landt op een ‘bush’-landingsbaantje. Naar de ingang is het dan nog maar anderhalve kilometer. Met een paar anderen reed ik mee met één van de lokale bewoonsters die een shuttledienst heeft opgezet (je kunt het ook makkelijk lopen, dat deed ik op de terugreis). Te voet ga je dan de houten brug over die de toegang tot het park aangeeft. Meteen stuit je op een plaquette met alle onderscheidingen die Gunung Mulu heeft gekregen.

Gunung Mulu

Vanaf het parkhoofdkwartier, met het restaurant, de huisjes en een tentoonstelling, leidt een lang vlonderpad dieper het woud in. Het is zo’n drie kilometer lopen naar het einde, bij de Deer Cave. Er zijn wat zijpaden die je zelfstandig mag bewandelen, sommige zelfs dag en nacht.

Gunung Mulu

Qua fauna hoef je hier niet te komen voor iets groters dan een wandelende tak. Alleen de schattige Borneo-pygmee-eekhoorn (7,5 cm inclusief staart) zie je veel rondrennen en springen. Op een vroege ochtend wandelde ik in mijn eentje het Botanische pad af, en ondanks de stilte zag ik niet meer dan één interessante vogel: de Indiase paradijsmonarch, met een lange witte staart.

Het gebrek aan zoogdieren heeft zeker met de jacht te maken. Dit gebied is pas sinds 1974 beschermd als Nationaal Park. De nomadische Penan-bevolking mag nog steeds dieper in het park jagen. Tijdens de Clearwater-tour bezocht ik het dorp Batu Bungan (of vooral: hun handwerkmarkt). Hier kun je een blaaspijp uitproberen die ze gebruiken voor de traditionele jacht. De punten van deze oefenpijlen zitten natuurlijk niet onder het gif – “maar we hebben een gifboom naast de school!”. Het dorp heeft nog steeds geen 24/7 elektriciteit en verzet zich tegen plannen van de regering van Sarawak om hun gemeenschapsgronden op te geven ten gunste van een snelweg en uitbreiding van de luchthaven.

Gunung Mulu NP - Clearwater Caves

Deze Clearwater Caves-tour was mijn favoriet, omdat er ook een boottocht en aan het einde een verfrissende duik in zat. Grotten zijn nog steeds niet echt mijn ding; druipsteengrotten zijn overal ter wereld hetzelfde. Sommige Mulu-grotten zijn ‘gespecialiseerd’ in druipsteeneffecten (de Lang Cave is daarvan de mooiste, deze ligt naast de Deer Cave), terwijl andere vooral opvallen omdat ze zo ontzettend groot zijn.

Gunung Mulu NP - Deer & Lang Caves

Het kijken naar de ‘Exodus of the Bats’ vanuit de Deer Cave is de belangrijkste attractie van het park en trekt dagelijks rond 17.30 uur een kleine menigte. De vleermuizen laten zich echter niet altijd zien, ze houden er niet van om naar buiten te gaan als het regent (“Hoe weten ze dat?” vroeg mijn Taiwanese buurman die bij het ‘theater’ wachtte terecht.). Op mijn tweede dag had ik het geluk ze te zien vliegen – ze verschijnen in groepen die samen vliegen en slingerpatronen in de lucht maken.

Gunung Mulu NP - Bat Exodus Deer Cave

Het park heeft ook nog eens de langste Canopy Walkway ter wereld: 420 meter lang. Ik sloot me aan bij een wandeltour om 7 uur in de ochtend, vroeg in de hoop om vogels te zien. Met een gids en zes andere, jonge medereizigers waarvan twee uit Nederland liep ik de touwbruggen tussen de bomen af. Het zijn inderdaad erg lange stukken, je mag ook maar met twee personen tegelijk op een brug lopen. Ondanks dat je op 25 meter hoogte bent, hangen de bruggen niet echt in de ‘canopy’ (boomkronen), maar een stukje eronder, zodat het nog net zo donker en ondoordringbaar is als elders in het park. Maar het is wel een leuke wandeling.

Hier zag ik wat volgens de gids een ‘middelgrote’ eekhoorn was (waarschijnlijk een Prevosts klapperrat, die ik ook al zag in Semenggoh) – ergens tussen de pygmee en de reuzeneekhoorns in. Vogels zijn ook moeilijk te zien. Opvallend waren alleen de zes overvliegende neushoornvogels; hun vleugels maken een swoosh-swoosh-geluid.

Gunung Mulu - Canopy Walk

Uiteindelijk deed ik drie begeleide tours in Mulu. De vierde, de nachtwandeling, werd twee keer geannuleerd vanwege hevige regen en daarmee het gevaar van vallende boomtakken. Twee tours had ik al vastgelegd toen ik 3 maanden vooraf mijn parkhuisje reserveerde, maar je kunt ook gemakkelijk ter plekke nog wat bijboeken. Tijdens mijn verblijf regende het elke middag stevig, soms begon het wat eerder (twee uur), soms wat later (half zes) – maar de middagactiviteiten zijn dus altijd wat onzeker.

De gidsen zijn heel goed getraind, spreken goed Engels en leggen vooraf helder uit wat de bedoeling is. Daarnaast stoppen ze er veel humor in of persoonlijke ervaringen. Verder vond ik de sfeer op het hoofdkwartier heel prettig: iedere aanwezige toerist komt hier om te eten, en omdat je steeds met wisselende groepjes tours doet leer je ook makkelijk mensen kennen.

Niah

De Niah-grotten zijn een groep kalksteengrotten in Sarawak die bekend staan om de vondst van prehistorische menselijke resten, stenen werktuigen en rotsschilderingen. Hier is o.a. een 37.000 jaar oude schedel gevonden, bekend als Deep Skull.

Een bezoek aan het archeologisch erfgoed van de grotten van Niah begint tegenwoordig in Kuching, waar in het prachtige Borneo Cultures Museum de originele ‘Deep Skull’ te zien is. Op de vierde verdieping van het museum bevindt zich een intrigerende expositie over de vondsten in Niah. Ook andere menselijke botten die eerder verscheept waren naar de VS, zijn in 2020 teruggegeven aan Maleisië en worden hier tentoongesteld.

Sarawak Museum

Ik reisde vanuit Miri met het openbaar vervoer naar Niah. Er gaan geen rechtstreekse bussen naar toe, maar de bussen naar de grotere steden Bintulu, Sibu en Kuching rijden langs de kruising met de weg naar het dorp Batu Niah. Er waren veel wegwerkzaamheden en we deden er anderhalf uur over. Ik werd afgezet bij een grote parkeerplaats met restaurants en winkels, waar de bussen stoppen voor hun lunch- en toiletstops. Daar kostte het me nog wel een kwartiertje rondvragen om een chauffeur te vinden die me de resterende 15 kilometer naar het park zou brengen – er zijn momenteel niet veel toeristen dus wachten heeft voor hen geen zin.

Toen ik bij Niah National Park zelf aankwam, was ik blij verrast om overal spandoeken te zien met de tekst ‘Niah National Park Toward UNESCO World Heritage Site’. Aangezien de nominatie pas in 2024 is, is dit wel een beetje voorbarig. De voorzieningen, waaronder een grote parkeerplaats, cafetaria en toeristenbungalows, zijn in ieder geval al ingericht op hoge bezoekersaantallen. Op de doordeweekse dag in maart 2023 toen ik er was waren er echter maar een handvol andere bezoekers.

Niah Nationaal Park

Het nationaal park ligt aan ‘de andere kant’ van de rivier vanaf de ontvangst. Hoewel de rivier maar smal is, is er geen brug. Twee jonge jongens brachten de bezoekers met een pontje naar de overkant (1 ringgit, 1 minuut).

Op de andere oever begint het drie kilometer lange pad naar de grotten. Ik had van tevoren berichten gelezen over hoe glad het is, zelfs gevaarlijk. Tot overmaat van ramp had het de hele nacht hard geregend, het begon net op te klaren toen ik bij Niah aankwam. Dus ik deed het rustig aan en gebruikte de handleuningen langs de vlonderpaden waar ik maar kon. Het was hier en daar inderdaad glad, maar ik denk dat het park al maatregelen heeft genomen. Zo zijn er extra rood-wit gekleurde ijzeren staven op de steilste delen geplaatst, zodat je niet van de helling af glijdt.

Niah Nationaal Park

Na ongeveer 50 minuten lopen kwam ik heelhuids aan bij de trap die leidt naar de grotten. Een vrouw heeft daar een kraampje waar je koude dranken en snacks kunt kopen, en ik ging er even zitten uitrusten.

Slechts een korte klim leidt daarna naar de eerste grot, de Traders Cave. Ik was net in Gunung Mulu geweest met zijn enorme grotkamers en het was een verrassing deze halfopen grotten te zien. Ook zijn ze droog van binnen (geen druipsteen dus!), dat is ook de belangrijkste reden dat ze van oudsher door mensen zijn bewoond. Ook liggen er dikke lagen guano (poep van vleermuizen en zwaluwen). Wat meteen opvalt zijn de houten- en bamboeconstructies, achtergelaten door vogelnestverzamelaars die deze Chinese delicatesse hier komen oogsten.

De Great Cave ligt slechts 300 meter verderop en is gemakkelijk te bereiken via nog een trappetje. Je hebt nog steeds geen zaklamp nodig, er valt voldoende daglicht naar binnen. Het heeft inderdaad een grootse, amfitheaterachtige setting, met verschillende bezienswaardigheden. Er is het omheinde terrein waar de archeologische opgravingen plaatsvinden. Er hangen bamboestokken aan het dak die worden gebruikt voor het verzamelen van vogelnestjes. Er is zelfs een tempeltje. Ik klauterde dwars over de guano de trap helemaal op naar boven om te genieten van het volledige panorama van deze grot.

Hierna besloot ik om niet door te gaan naar de Painted Cave omdat het nog meer glibberige inspanningen met zich mee zou brengen. Je moet dezelfde weg teruglopen.

Niah Nationaal Park - Great Cave

Op weg naar de uitgang, direct bij de steiger, bezocht ik nog het archeologisch museum. Aangezien de belangrijkste vondsten nu in het museum in Kuching zijn, is dit slechts een kleine tentoonstelling. Toch leggen ze goed de verschillende aspecten uit waar deze site over gaat, van de geologie tot het tonen van echte vogelnesten die kunnen worden gegeten (in zowel voorbereide als onvoorbereide staat).

Niah Nationaal Park - Museum

Ik at nog iets in de cafetaria op het terrein, en liet toen de dame aan de kassa een chauffeur voor me bellen om terug naar de busstop richting Miri gebracht te worden. Van deur tot deur duurde het 2,5 uur om terug in Miri te komen. Aangezien het parkbezoek je ook makkelijk 3 tot 4 uur kost, is het dus een volle dagexcursie.

#834: Kinabalu park

Wat is het?
Het Kinabalu Park is bekend om zijn rijke flora, waaronder vleesetende planten en orchideeën. Het ligt op en om de berg Kinabalu, met een top op 4095 meter de hoogste berg van Maleisië. De planten komen voor in de vier verschillende klimaatzones die van het dal tot de top lopen.

Kinabalu

Cijfer: 6 (Het is wel een terecht werelderfgoed, maar geen goede bestemming voor een dagje uit. De verandering in vegetatie zie je alleen als je de berg beklimt. Aan de voet is het niet zo interessant.)

Toegang: 50 ringgit (10 EUR).

Hoeveel tijd: Halve dag.

Opvallend: In de vroege ochtend meldde ik me in Kota Kinabalu bij het vertrekpunt van de minibussen en taxi’s naar Ranau, het plaatsje niet ver van de Kinabalu parkingang. Er waren geen andere passagiers te zien, dus ik zwichtte meteen al voor het aanbod om er een privétrip van te maken. Het is anderhalf uur rijden. We stopten onderweg bij een stalletje langs de kant van de weg, waar de chauffeur lekkere dingen kocht voor het ontbijt voor ons beiden.

Je ziet niet veel goede foto’s online van Mount Kinabalu: de top is vaak in de wolken gehuld. We hadden echter geluk toen we rond kwart over 9 de belangrijkste uitzichtpunten passeerden. De chauffeur van het busje stopte zelfs om foto’s te maken met zijn telefoon: hij zei dat het niet vaak zo helder is.

Kinabalu

Ik werd gedropt op de parkeerplaats bij het parkhoofdkwartier, met de afspraak dat de chauffeur me aan het begin van de middag weer op zou komen halen.

De toegangsprijs voor buitenlanders is nu 50 ringgit, wat ik veel vind – zeker in vergelijking met Gunung Mulu waar je voor 30 ringgit 5 dagen naar binnen kunt. En de bezoekomstandigheden bij Kinabalu zijn veel slechter: ik kreeg geen kaart of instructies bij binnenkomst (ze namen alleen het geld aan), de paden zien er niet onderhouden uit, er is continu autoverkeer (er zijn veel huisjes in het park waar toeristen een paar nachten verblijven) en slechte bewegwijzering.

Ik liep een stukje van de vlakke Silau Trail langs een rivier. De andere wandelingen die ik had uitgezocht, de Kiau View en Pandanus Trail, waren veel te nat en glibberig. Ik volgde dus maar de geasfalteerde weg, waar deels een voetpad naast ligt. Voor het uitzicht op de berg hoefde ik het ook niet meer te doen: de top heb ik na het uitkijkpunt in de vroege ochtend langs de weg niet meer gezien.

Kinabalu

Alleen de kleine botanische tuin kon mij nog enigszins bekoren. Hiervoor moet je zelfs een extra toegangsprijs betalen. Ik wilde graag vleesetende bekerplanten van dichtbij bekijken. Hier hebben ze verschillende soorten bij elkaar gezet in een bloembed, vergezeld van een groot bord met de tekst ‘Beschermde plant’. Niet storen”.

Kinabalu - Botanische tuin

Een vrijdag in Brunei

Het was de bedoeling om Brunei van west naar oost te doorkruisen, als tussenstop tussen de Maleisische deelstaten Sarawak en Sabah. Maar de verbindingen over land en zee tussen beide landen zijn na Covid nog lang niet hersteld. Brunei is pas een paar maanden geleden überhaupt weer open gegaan voor toeristen. Je kunt drie keer per week per bus via het oosten (Kota Kinabalu) Brunei uit, maar niet vanuit het westen (Miri) Brunei in.

Ik had nog een dag over in mijn programma en wilde toch wel iets van het land zien, dus boekte ik een retourvlucht op één dag vanuit Kota Kinabalu: ’s ochtends vroeg heen, aan het begin van de avond terug. De vlucht naar de hoofdstad Bandar Seri Begawan was met Royal Brunei Airlines en duurde maar 25 minuten.

Royal Brunei Airlines

Bij de balie vonden ze het wel gek dat ik maar één dag ging, maar konden ook geen reden ontdekken waarom het niet zou kunnen. “Heb je een retourticket?” – nou, kijk eens in je eigen computer, ik ga vanavond met dezelfde maatschappij terug.

De vlucht start met een islamitisch gebed, waaronder ze een filmpje laten zien van de mooiste moskeeën van het land. Smaakvol gedaan. De grenscontrole verliep probleemloos en ik wisselde wat Maleisische ringgit om in Brunei dollars om deze dag te besteden. Ik probeerde de kosten onder controle te houden, en wilde dus met de airportbus naar het centrum. Dat bleek prima geregeld: ze hadden zelfs comfortabele bankjes bij de halte geplaatst.

Airportbus

Bussen zijn hier net als in de Golfstaten vooral voor de gastarbeiders, de welgestelde lokale bevolking rijdt alleen in eigen auto’s. De bus die voor kwam rijden leek een afdankertje uit Maleisië, maar voor 1 Brunei dollar mocht ik niet klagen. Hij bracht me in een half uurtje naar het overzichtelijk kleine stadscentrum.

De belangrijkste bezienswaardigheid van de stad is Kampong Ayer, een nederzetting met huizen op palen in de rivier de Brunei. Je komt er via één van de vele taxibootjes die de waterkant afstruinen naar klandizie. Als je maar enigszins in de buurt van het water loopt komt er al eentje naar je toegevaren en wijst waar je op kunt stappen. Er geldt een vaste prijs van 1 Brunei dollar.

De bootjes zijn ook te charteren voor een tour van één of twee uur, bijvoorbeeld tegen zonsondergang naar een plek waar neusapen in het wild te zien zijn. Voor de bewoners van Kampong Ayer is dit ook de normale vorm van openbaar vervoer.

Schattingen van het aantal inwoners van Kampong Ayer schommelen tussen de 10.000 en 20.000 mensen. De stad op palen is er al eeuwen en ooit zag heel Bandar er zo uit.

Het vraagt wel wat gewenning om over de planken te lopen. Gelukkig was ik de afgelopen weken al getraind in het lopen op enigszins natte en gladde houten looppaden. Maar zeker als ik ergens wat langer stilstond en bijvoorbeeld foto’s maakte, raakte ik wel licht duizelig en zocht snel een veranda of een betonnen stukje op.

Als je aankomt zie je aan de linkerkant een nieuwe gedeelte van de nederzetting: de huizen nog steeds op pilaren, maar net als de ‘straten’ gemaakt van steen en beton. Eigen bootje voor de deur, het ziet er gerieflijk uit.

Als je rechtsaf slaat kom je in het oudere gedeelte. Er is met pijlen een looproute aangegeven langs twee moskeeën en wat andere publieke gebouwen.

Kampong Ayer

Terug op het ‘vasteland’ liep ik de Heritage Trail, die je langs verschillende monumentale panden in het stadscentrum voert. De grote witte Omar Ali Saifuddien-moskee is het middelpunt, maar overal in de buurt zijn andere interessante bouwwerken in een vreemde koloniaal-regionale stijl. Je kunt hier ontspannen lopen, er zijn goede trottoirs.

Bandar Seri Begawan

Het was alleen mogelijk om op vrijdag op één dag heen en weer te vliegen naar Brunei vanuit Kota Kinabalu. Echter, op vrijdag is ‘alles’ gesloten in het vrome Brunei. De musea zijn de hele dag dicht, de winkels en restaurants alleen tussen 12 en 2. Op dat tijdstip vind je alleen wat verveelde toeristen op straat (de wifi opsnoepend van het The Coffee Bean & Tea Leaf-café), wachtend tot je weer verder kunt. Gelukkig gaat alles weer open zodra de moskee uitgaat, dat was tegen kwart voor 2.

Ik at een heerlijke Soto Ajam (rijk gevulde kippensoep) bij één van de lokale restaurantjes aan de hoofdstraat voor 6 Brunei dollar (4,20 EUR). De kosten in het notoir rijke Brunei vielen me wel mee, en de hele sfeer is ook zeker niet zo protserig als in de Golfstaten.

Later op de middag nam ik een lokale bus naar de wijk Gadong. Het heeft het grootste winkelcentrum van de stad (erg populair bij de lokale bevolking op vrijdag) en de Gadong Night Market. Ik zag een aantal erg lekkere dingen op de markt, maar slechts de helft van de kramen was operationeel en ik had niet zo’n trek meer na de late lunch. Met de stadsbus liet ik me naar het centrum terugbrengen en vandaar weer naar het vliegveld, zonder echt te hoeven wachten.

Gadong Mall

Sandakan

Vóór en na mijn trip naar de Kinabatanganrivier was ik in Sandakan, een havenstad helemaal in het oosten van Sabah. Het was de hoofdstad van het protectoraat Brits Noord-Borneo (1888-1946), en het Brits-koloniale zie je er nog wel in terug.

De eerste middag besteede ik aan een wandeling langs de monumenten. De Sandakan Heritage Trail die langs de weg met informatieborden is aangegeven knoopt 10 bezienswaardigheden aan elkaar, de meeste erg bescheiden. Dit is de oudste moskee (100 jaar oud):

Sandakan

De stad heeft een wat vreemde vibe. Voor het eerst in Maleisië zag ik drugsverslaafden en slecht onderhouden flats in een stadscentrum. Sandakan heeft de bijnaam ‘Little Hongkong’ (naar de vele Maleiers van Chinese komaf), maar de meerderheid van de bevolking bestaat tegenwoordig uit Filippijnen op zoek naar betere economische omstandigheden.

Centraal ligt een groot sportveld annex atlektiekbaan (de Padang in Britse tijd) waar mensen hun rondjes aan het lopen waren. Op een simpel terrasje aan het water en vlakbij de marinebasis at ik een goedkope garnalencurry. In de supermarkt waar ik nog wat te drinken kocht waren de kassameisjes enthousiast dat ik helemaal uit Nederland was gekomen – hoewel veel Borneo tours in Sandakan starten, gaan blijkbaar maar weinig toeristen even de stad in.

Het witte gebouw op de foto hieronder is de voormalige Brits-koloniale bank, het monument ervoor met de rode Rafflesia bloem is het Maleisische onafhankelijkheidsmonument:

Sandakan

De volgende ochtend werd ik opgepikt voor mijn tour, en reden we in een minuut of 40 naar Sepilok. Hier zit het beroemdste opvangcentrum voor orang-oetans, waar ook TV-series zijn opgenomen. Er waren al tientallen andere toeristen aanwezig. Wij gebruikten de ‘fast track’ route (we waren laat omdat we nog moesten wachten op medereizigers). Deze bracht ons eerst naar de nursery, waar de jonge orang-oetans worden bezig gehouden. Je kunt ze van achter (smerig) glas bekijken.

Daarna liepen we over een vlonderpad naar de voederplatforms. Gelukkig zijn die wel in de open lucht. Er kwamen meer orang-oetans opdagen dan in Semenggoh – Sepilok voelt veel meer aan als een wildpark/dierentuin, hoewel de ca. 80 volwassen orang-oetans zich vrij mogen bewegen binnen de grenzen van reservaat.

Sepilok

Naast het park voor de orang-oetans zit een vergelijkbaar park voor honingberen: het Bornean Sun Bear Conservation Centre. Toevallig zag ik hierover een documentaire op TV de avond voor mijn bezoek. Het is gesticht door een Maleisische bioloog en expert op gebied van honingberen. Het centrum is pas sinds 2014 open voor publiek, ze hebben nu 42 beren die zijn gered uit gevangenschap.

De honingberen zitten achter stevige hekken, maar hebben wel bewegingsvrijheid in verschillende zones op het terrein. Ook hier bezoek je ze tijdens de voedertijd, zodat het zeker is dat je er wel een paar zult zien. Je kunt vrij dichtbij komen en ik vond ze fascinerend om te observeren, o.a. hun typische gedrag van het likken van hun klauwen om die scherp te houden.

Sun Bear Conservation Centre

Na terugkeer van de driedaagse riviertocht had ik nog een middag in de omgeving van Sandakan, voordat mijn vlucht naar Kuala Lumpur vertrok. De reisorganisatie vulde die met twee excursies.

De eerste ging naar het Rainforest Discovery Center. Het klonk een beetje als programma-opvulling, maar het is misschien wel het beste wat er in de omgeving van Sandakan te doen is. Ook dit ligt in de buurt van Sepilok. Het is een stuk regenwoud met wandelpaden en een Skywalk. Deze is ligt op 25 meter hoogte, is vlak en geplaveid (wel wat anders dan het wiebelige ding in Gunung Mulu). Op drie punten op de route kun je via een trap naar nog hogere uitkijkpunten klimmen. Heel soms worden vanaf daar ook wilde orang-oetans gespot.

Sandakan - Rainforest Discovery Centre

Het is een bijzonder goede plek om vogels te kijken (340 soorten zijn er geteld). De gids vertelde dat ze hier met de hardcore vogelspottours blijven van 6 tot 11 uur in de ochtend. Wij waren er aan het begin van de middag, zowat de slechtste tijd van de dag. Maar toch wisten we aardig wat vogels te zien, meest kleine zoals deze zwartgele hapvogel.

Sandakan - Rainforest Discovery Centre

Tot slot gingen we naar het oorlogsmonument van Sandakan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Brits Borneo bezet door de Japanners. Hier in Sandakan vond een bijzonder tragische episode plaats voor Britse en Australische krijsgevangenen die op een lange dodenmarsen werden gestuurd. Slechts zes van hen overleefden het, meer dan 2000 stierven. Het herdenkingspark hier is gebouwd door de Australische staat.

Sandakan - Oorlogsmonument

Kinabatangan rivier

De Kinabatanganrivier wordt gezien als de beste introductie tot het regenwoud en de dieren van Maleisisch Borneo. Ik verbleef er 3 dagen/2 nachten in de Sukau Rainforest Lodge, één van de vele lodges langs de rivier. Ze zijn erg bedreven in het verwerken van dagelijks nieuwe groepjes toeristen, maar het is wat onpersoonlijk en meer hotel-achtig dan gefocust op de beste natuurbelevenis. Ik miste het enthousiasme van de staf van Gunung Mulu.

Kinabatangan River

Op het terrein van de lodge kun je al beginnnen met dieren spotten. Ik had een huisje helemaal aan het eind van het vlonderpad, dus had vaak de kans om onderweg wat te zien. Een groep mutslangoeren was er dagelijks te vinden. Ook de krabbenetende  makaken zag je elke dag. Er is ook een orang-oetan vrouwtje dat het terrein van de lodge tot haar territorium rekent, maar haar kregen we helaas niet te zien.

Kinabatangan River

Alle tours gaan hier per boot. Ik deelde een boot met 6 tot 8 medereizigers en een gids. Onderweg kom je regelmatig boten tegen van de andere lodges. De boten moeten op een bepaald aantal meters blijven van de dieren die aan de waterkant gezien worden.

Op de eerste middagtocht keken we uit naar olifanten. De ‘Borneodwergolifant’ is één van de dieren die deel uitmaakt van de Borneo Big 5. De andere zijn: de neusaap, de zeekrokodil, de gewone neushoornvogel, en uiteraard de orang-oetan. Volgens de gids zijn olifanten het lastigst te zien van de 5. Het lijkt meer een kwestie van ‘ze zijn er wel of ze zijn er niet’. Deze groep olifanten bivakkeerde al een week in de nabijheid van de lodge, en over het hoofd zien doe je ze zeker niet.

Kinabatangan River

Een andere publiekstrekker is de neusaap. Nou had ik mijn perfecte foto van een mannetje al gemaakt in Bako NP, dus ik was wat minder op ze gefocust dan de andere fotografen in de boot. Hier kwamen we ze elke boottocht wel een keer tegen. We zagen hier veel grotere groepen door de bosschages langs de waterkant springen, ook met vrouwtjes en jongen die een soort wipneus hebben. De mannetjes zijn zo zwaar dat ze bijna door het bladerdek heenzakken. Ook trekken ze graag dreigende gezichten.

Kinabatangan River

Aan het eind van de eerste dag ging ik nog mee op een nachtboottour (van 20-21 uur). We zagen vooral slapende vogels. En we gingen nog even kijken bij de olifanten, die een stuk dichter bij de rivier waren dan overdag.

De volgende ochtend zaten we al om 6 uur weer aan boord. Dit keer voor een wat langere tocht stroomopwaarts en naar een hoefijzermeer. In de meren en aan de waterkant zie je veel ‘onkruid’ – invasieve plantsoorten zoals lelies.

Maar gelukkig zijn er ook veel kalere bomen, waar het makkelijk apen en vogels spotten is. Er zaten veel besjes aan de bomen. Onder de meer opvallende waren deze twee bonte neushoornvogels:

Kinabatangan River

En de bedreigde soenda-ooievaar, waarvan er nog maar zo’n 500 in het wild overleven:

Kinabatangan River

Weer op het vasteland en na het ontbijt deden we nog een korte wandeling over het terrein, met gids. De wandeling werd wel erg kort want een deel van het vlonderpad was afgesloten. Het was eerder kapotgetrapt door olifanten en nog niet gerepareerd. Dit pad is ook een goede plek om de orang-oetan te spotten die hier ‘woont’ – maar we zagen dus niks.

De mooiste boottocht was zonder meer die van de namiddag op de tweede dag. Je vaart dan stroomafwaarts. Dit is ook de beste kans om orang-oetans in het wild te zien. Er zijn hier zelfs touwbruggen gespannen om de beesten van de ene kant van het bos naar de andere kant te laten lopen. Vooral in een zijriviertje was het volop genieten van de vogels die op overhangende takken zaten. Er was een fotograaf die alleen in een bootje vóór ons voer, met een enorme zoomlens, dus we wisten waar op welke tak moesten letten. We hadden hier ook prachtig zicht op een paartje ‘gewone’ neushoornvogels.

Kinabatangan River

Op de de ochtend van de derde dag liep ik zelf nog het wandelpad af dat we de dag ervoor met de gids hadden bezocht. En ik zat er een tijd stil op een bankje. Dit natuurlijk voor de allerlaatste kans op een glimp van een wilde orang-oetan. Maar ik zag alleen een neushoornvogel-paartje, een andere soort (geribbelde neushoornvogel) dit keer.

Per boot werden we daarna weer naar Sandakan terug gebracht, een tocht van zo’n 2.5 uur. Je vaart te hard om echt aan sightseeing te doen, maar we stonden toch even stil bij een mooi exemplaar van een krokodil. We hadden ze al wel eerder gezien tijdens de excursies, maar nooit heel goed. Dichter bij de monding van de rivier liggen ze ook wat meer karakteristiek op het strand te zonnen.

Kinabatangan River

Kuala Lumpur

In 2009 was ik al eens in Kuala Lumpur, en verkende toen de stad met de Hop-on Hop-off bus. Dit keer heb ik twee dagen tot mijn beschikking in de Maleisische hoofdstad. Ik overnacht opnieuw in het geweldige Traders Hotel, dat aan hetzelfde parkje ligt als de Petronas Twin Towers en de Suria Mall.

Kuala Lumpur

Kuala Lumpur moet toch ook te voet te doen zijn. Ik heb zelfs een stadswandeling gevonden door Chinatown en het koloniale district. Het openbaar vervoer in de stad is nog steeds een beetje onoverzichtelijk (je hebt LRT, MRT, stadsbus, lokale treinen), maar alle trein/metroachtige routes worden tegenwoordig wel in één kaartje weergegeven en er zijn knooppunten waar je kunt overstappen tussen de verschillende systemen. Je betaalt met een TouchNGo card.

Ik startte in Chinatown. Hier is nog vrij veel laagbouw. Ook zie je er omgebouwde oude bedrijfspanden, zoals uit de hoogtijdagen van de rubberhandel. De wijk is nu een mix van authentieke Chinese zaken, hippe winkels en restaurants, en marktjes met goedkope spullen. De kleine Sin Sze Si Ya is de oudste Chinese tempel in Kuala Lumpur. Je kunt het bezoeken maar het is vooral in gebruik bij lokale gelovigen.

Kuala Lumpur - Sin Sze Si Ya Tempel

Het koloniale hart is erg Brits, en vergelijkbaar met dat in Singapore of Mumbai. Er is een groot grasveld (de Sandakan – bedoeld voor militaire parades maar ook in gebruik als cricketveld), met daaromheen de belangrijke gebouwen van de stad. Het is ook hier dat Maleisië zich in 1957 onafhankelijk verklaarde.

Kuala Lumpur - Merdeka Square

Ze hebben in deze buurt zelfs een wandelpad aangelegd, de River of Life walkway. Deze bevindt zich op de samensmelting van de Gombak en Kelang rivieren in het centrum van de stad. De naam “Kuala Lumpur” betekent dan ook “modderige riviermonding”.

In 2009 was ik niet in het Nationaal Museum geweest. Ik probeer een dergelijk museum altijd wel te bezoeken als ik in een ‘nieuw’ land ben. Het zit in een mooi gebouw en er is metroingang vlakbij.

Verdeeld over twee verdiepingen zijn er vier tentoonstellingszalen. De collectie is helaas nogal dunnetjes. Veel ruimte is toegewezen aan de vondsten uit de Bujang-vallei, het rijkste archeologische gebied van Maleisië. Ook de tinwinning heeft een prominente plek. In dat deel genoot ik vooral van de van ‘dierengeld’ gemaakt van een standaardhoeveelheid tin. Dit was een wettig betaalmiddel van de 15de-18de eeuw in de sultanaten van Perak en Selangor.

Kuala Lumpur - Nationaal Museum

Over het algemeen lijkt het erfgoed van het Maleisisch schiereiland hier meer aandacht te krijgen dan dat van Borneo. Ook Lenggong komt uitgebreid aan bod.

De Nationale Moskee is ook een bijzonder gebouw: de minaret is heel hoog, maar de rest zo laag dat het van een afstand nauwelijks te zien is door de vele hoge omringende gebouwen. Ik was op vrijdagmiddag in deze buurt. Je kunt er gemakkelijk met het openbaar vervoer naar toe, maar je moet wel over het dak van een parkeergarage lopen en een heel drukke weg voorbij (waarvoor er een slecht aangegeven voetgangerstunnel is). Vanaf hier kom je ook op de route naar de musea en het vogelpark, er is een trottoir.

Kuala Lumpur - Nationale moskee

Het Museum voor Islamitische Kunst is zonder meer het mooiste museum van deze stad. Het heeft een enorme collectie. Zo zijn er maquettes van de qua architectuur meest interessante moskeeën ter wereld. Ook de rest van de collectie is voornamelijk internationaal, uit Maleisië is er niet zoveel.

Kuala Lumpur - Museum voor Islamitische Kunst

Op mijn laatste ochtend in de stad ging ik ver de buitenwijken in. De Sungai Buloh Leprozerie staat sinds 2019 op de Voorlopige lijst voor het Werelderfgoed van Maleisië. De leprakolonie, gebouwd in 1930, was een zelfstandige woon- en werkgemeenschap in de stad Sungai Buloh, gelegen in de staat Selangor.

Ik kwam er via een combinatie van MRT en GrabTaxi vanuit het centrum van Kuala Lumpur. Het kostte me anderhalf uur enkele reis, ook al is er een MRT-station genaamd ‘Sungai Buloh’ op een directe lijn naar KLCC. De rit was gratis omdat ze dit deel van de lijn pas de dag ervoor hadden ingehuldigd (veel lokale mensen in de trein waren foto’s aan het maken).

In de Grab-app vond ik geen logische bestemming om de taxi de laatste 3 km naartoe te sturen, dus ik koos maar voor ‘Hee Garden’. Dit is een van de vele plantenkwekerijen die tegenwoordig in het gebied te vinden zijn.

Sungai Buloh Leprosarium

Ik bezocht het op een zonnige vrijdagochtend en vond het gebied aangenaam genoeg voor een wandeling. De kwekerijen liggen direct rondom het kerngebied van de voormalige leprozerie. Ik had wat sombere en vervallen gebouwen verwacht, maar het ziet er allemaal heel vredig uit. Er is geen formele ingang, je kunt vrij door de straten lopen. Alleen de gebouwen waren gesloten, sommige beschermd door verveeld kijkende bewakers. Het gemeenschapshuis had een bord waarop stond dat het alleen op zondag open is van 9-15 uur.

Omdat er geen informatieborden aanwezig zijn, was het gissen naar het gebruik van de verschillende gebouwen. Er staan kleine huizen met moestuintjes – vermoedelijk nog bewoond. Eén van de meer opvallende gebouwen is de roze hindoetempel; deze leprozerie onderscheidde zich door zijn multiculturele aanpak en er zijn ook gebedshuizen voor andere religieuze achtergronden. Er is een ‘School of Hope’ en iets dat lijkt op een industrieel station. In een half-open galerijgang zijn foto’s te zien, maar de bewaker liet me er niet binnen.

Sungai Buloh Leprosarium

Kan dit ooit een werelderfgoed worden? Het deed me denken aan de Koloniën van Weldadigheid, waarvan de inscriptie ook sterk leunde op het achtergrondverhaal en minder op de fysieke overblijfselen. In Sungai Buloh lijken de resterende gebouwen en het ‘stadsplan’ authentiek en intact en zijn ze sinds 2011 beschermd als nationaal erfgoed. Het kost echter niet veel moeite om online verhalen te vinden van de bewoners die zeggen dat ze met rust willen worden gelaten.

Terugblik Maleisië 2023

Maleisië was mijn favoriete land van de vier die ik deze reis door Zuidoost-Azië aandeed. De mensen zijn open en behulpzaam, het multiculterele karakter maakt het eten en de bezienswaardigheden gevarieerd, en Borneo is een top natuurbestemming.

De omgeving van Kuching vond ik achteraf het mooiste, samen met Gunung Mulu en de wilde dieren in Bako NP en Kinabatangan.

Voorbereiding

Ruim vooraf organiseerde ik mijn verblijf in de twee belangrijkste natuurbestemmingen: die in Gunung Mulu en aan de rivier Kinabatangan.

  • Voor Gunung Mulu mailde ik het parkkantoor drie maanden van tevoren. Ik reserveerde het huisje en 2 tours. Ik maakte een kleine aanbetaling over via Wise.
  • Voor Kinabatangan reserveerde ik een 3D/2N pakket bij Borneo Eco Tours. Dit betaalde ik vooraf volledig (785 EUR), ook via Wise.

Net als in Thailand gebruikte ik in Maleisië de KPN buitenlandbundel met 2G aan data voor 19,95 EUR in plaats van een lokale sim. De 4g ontvangst was uitstekend, ook in Gunung Mulu waar anderen veel problemen ondervonden. Als je een beetje oplet (en wifi gebruikt waar het aanwezig is) kun je hier makkelijk drie weken mee doen.

Vervoer

Internationale vluchten
Ik vloog met KLM heen en weer naar Kuala Lumpur. Het zijn erg lange vluchten, 12-13 uur, maar gelukkig ’s nachts. Op de terugvlucht was ik jarig, daarvoor kreeg ik champagne en chocolaatjes voor het ontbijt…

Binnenlandse vluchten
Ik vloog met MASWings van Kuching naar Mulu, en met AirAsia naar Kuching, Kota Kinabalu en Kuala Lumpur. Vluchten zijn hier nog erg goedkoop en tot vlak voor tijd te boeken. Geen problemen gehad met vertragingen. De handbagage controleren ze niet (zolang je niet langs de balie gaat), met mijn zware wandelschoenen kwam ik op acht kilo wat eigenlijk iets boven de limiet was. Maar zolang het formaat van de rugzak maar in het bergvak past….

Huurauto
Ik heb één dag een auto gehuurd om van Penang naar Lenggong te geraken (en terug) binnen een dag. Het is niet zo ver maar met het openbaar vervoer zou het een hele tour worden. Auto rijden is in Maleisië misschien nog eenvoudiger dan in Thailand, de grote wegen zijn echte snelwegen. Wel zijn het tolwegen, waarvoor je een TouchNGo kaart moet hebben. Zie mijn verhaal over Lenggong over mijn ervaringen daarmee…

Grab
Grab is hier ook geheel ingeburgerd. In en om de steden is het gemakkelijk een taxi via Grab te vinden, en de kosten zijn zo laag dat het de moeite niet is te gaan lopen of het stadsvervoer uit te vinden.

Hotels

Ik sliep in de volgende hotels:

George Town: Ren I Tang Heritage Inn
Mooi gerestaureerd oud gebouw met houten vloeren (je moet je schoenen beneden in een kastje laten staan). Beetje pretentieus maar wel vriendelijk. Midden in Little India. Met redelijk ontbijt.

Kosten: 59 EUR per nacht inclusief ontbijt

Kuching: D’Green Hotel
Simpele kamer (geen raam), maar alles werkt en het is schoon. Mocht al om 9 uur inchecken en een paraplu lenen.

Kosten: 24 EUR per nacht exclusief ontbijt

Mulu: Deluxe Park Bungalow
Eén van de bungalows in het nationaal park, je kunt vanaf het bed eekhoorns en vogels spotten. De kamer is ruim, schoon en modern. 4g ontvangst op de kamer, wifi deed het in het hele park niet tijdens mijn verblijf. Inclusief goed ontbijt.

Kosten: 57 EUR per nacht inclusief ontbijt

Miri: Nova Hotel
Business achtig hotel in deze stad zonder centrum. Ook hier mocht ik al vroeg in de ochtend inchecken. Lekkere douche, OK kamer.

Kosten: 28 EUR per nacht inclusief ontbijt

Kota Kinabalu: Hotel Sixty3
Groot en bekend hotel in het centrum van de stad. Had hier een mooie, moderne kamer met een hard bed.

Kosten: 39 EUR per nacht exclusief ontbijt

Sandakan: Sabah Hotel
Het is een mooi complex bovenop een heuvel iets buiten het centrum, maar op loopafstand. Fijn zwembad. De kamers zijn verouderd en het tapijt daarin is niet zo handig in deze warmte (en niet schoon). Wifi op mijn kamer was matig.

Kosten: 57 EUR per nacht inclusief ontbijt

Kinabatangan: Sukau Rainforest Lodge
Mooi maar niet overdreven luxe. Wel 24 uur per dag elektriciteit, airco en fan. Eten goed (zeker het ontbijt en de tussendoortjes), maar het avondeten niet bijzonder. Het is te duur voor wat je ervoor krijgt, zeker in vergelijking met Gunung Mulu. De kamer daar was minstens zo mooi.

Kosten: inbegrepen in mijn Kinabatangan tour

Kuala Lumpur: Traders Hotel
Ik kende dit hotel nog van mijn vorige reis, en het is vooral geweldig vanwege zijn ligging (pal achter de Petronas towers) en het fantastische ontbijtbuffet. Het stelde ook dit keer niet teleur, hoewel je voor de helft van het geld misschien ook wel wat anders goeds in het centrum van Kuala Lumpur kunt vinden.

Kosten: 98 EUR per nacht inclusief ontbijt

Eten

Ontbijt
Je hebt hier in de grote steden veel westerse koffietentjes waar je goed kunt ontbijten, alleen zijn ze vaak niet zo vroeg open.

Lunch en Diner
Het eten in de lokale restaurantjes is zeer goed en goedkoop. Hier onder twee favorieten: Nasi Kukus en Sarawak Laksa, beiden gegeten in Kuching.

Kosten

Het meest digitale land van de reis: Grab ging altijd via de credit card net als de hotels die vaak vooraf werden afgeboekt. Toch moet je ook hier nog ruim cash geld op zak hebben voor o.a. de bus en het eten.

Ik kwam uiteindelijk uit op 137 EUR per dag. De laatste dagen waren de duurste, maar dat was ook wel zo gepland. Eten en vervoer zijn erg goedkoop.

De kosten, gedeeld door 20 dagen en exclusief internationale vlucht, waren als volgt verdeeld:

LandPer dagHotelsEtenVervoerOverig
Maleisië137 EUR85 EUR13 EUR30 EUR9 EUR

Leave a comment

Previous:
Next: