- Route
- #829: Ban Chiang
- Phu Phra Bat
- Sri Thep
- #830: Thungyai – Huai Kha Khaeng
- Chiang Mai
- #831: Kaeng Krachan
- De trein naar Phuket
- Nakhon Si Thammarat
- Terugblik Thailand 2023
Route
Deel 2 van mijn Zuidoost-Azië reis van 2023, die me na Thailand door Maleisië-Brunei voert en gestart is in Cambodja.
Hoewel ik al drie keer eerder in Thailand ben geweest, heb ik toch nog niet zoveel van het land gezien. Dit keer vermijd ik Bangkok en omgeving, en ga naar het noordoosten, noordwesten en zuiden. Drie werelderfgoederen liggen op de route, plus nog een aantal die op de shortlist staan voor de komende jaren.

Ik maak de reis deels met het openbaar vervoer (inclusief binnenlandse vluchten), en ik heb een auto gehuurd voor 4 dagen voor de lastig te bereiken delen in het noordwesten:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 11 feb | Bus vanaf de grensplaats met Cambodja naar Bangkok. In de avond vlucht met Air Asia naar Udon Thani. | Udon Thani |
| 12 feb | Dagtocht naar Ban Chiang (WE3), met één van de oudste prehistorische vondsten van Zuidoost-Azië, en Phu Phrabat, een spectaculair rotslandschap met sacrale rotskunst. | Udon Thani |
| 13 feb | Ochtendvlucht naar Bangkok. Huurauto ophalen, en door naar Si Thep: de resten van een 13de eeuwse stad en religieus centrum. | Lopburi |
| 14 feb | Rondkijken in Lopburi in de ochtend. Verder rijden het noordwesten in, tot de regio waarin het Huai Kha Khaeng park ligt. | Ban Nong Chum Saeng |
| 15 feb | Bezoek aan Huai Kha Khaeng NP (WE4), een boslandschap met diverse flora en fauna in het afgelegen grensgebied met Myanmar. | Ban Nong Chum Saeng |
| 16 feb | Terugrijden naar Bangkok. Avondvlucht naar Chiang Mai. | Chiang Mai |
| 17 feb | Bezoek aan Chiang Mai, met veel tempels in de oude stad. | Chiang Mai |
| 18 feb | Dagtocht in omgeving van Chiang Mai. | Chiang Mai |
| 19 feb | Vlucht naar Hua Hin. | Hua Hin |
| 20 feb | Bezoek aan Kui Buri, deel van Kaeng Krachan NP (WE5), een boslandschap. | Hua Hin |
| 21 feb | Reservedag (buffer / dag extra in NP). Nachtbus door naar Phuket. | Nachtbus |
| 22 feb | Phuket Town en praktische zaken regelen vervolg van de reis. | Phuket |
| 23 feb | Bezoek aan Khao Lampi-Hat Thai Mueang NP, een kustlandschap aan de Andamanse Zee. | Phuket |
| 24 feb | Bus naar Nakhon Si Thammarat (5u), populair bij Boeddhistische pelgrims vanwege zijn enorme Stupa uit de 13de eeuw | Nakhon Si Thammarat |
| 25 feb | Bus naar Hat Yai (3u), vandaar de grens over naar Penang (5u) in Maleisië. | Maleisië |
#829: Ban Chiang
Wat is het?
De archeologische opgravingen van Ban Chiang behoren tot de oudste prehistorische vondsten van Zuidoost-Azië. De bewoners die zich vanaf de 4de eeuw voor Christus in dit gebied vestigden, ontwikkelden nieuwe landbouwtechnieken en gebruikten metalen voor o.a. wapens en sieraden. In graven zijn grafgiften van keramiek en metaal ontdekt.
Cijfer: 6 (Het is een sympathieke plek, die de prehistorische geschiedenis van dit afgelegen hoekje van Thailand goed overbrengt. Helaas zijn er geen locaties met originele vondsten meer te bezoeken.)
Toegang: De entree was gratis, omdat ze in Ban Chiang op de dag van mijn bezoek ‘Werelderfgoeddag’ vierden.
Hoeveel tijd: Anderhalf uur.
Opvallend: Ik ‘deed’ Ban Chiang als een halve dagtocht vanuit de provinciehoofdstad Udon Thani. Udon Thani zelf zal ik niet snel vergeten – ik had een hotel middenin het uitgangscentrum, met bars, meisjes van losse zeden en een jonge olifant die door het verkeer werd geleid.
De volgende dag was het gelukkig geen probleem om in de vroege ochtend een regionale bus te vinden op het stadsbusstation van Udon Thani. Op mijn vraag naar ‘Ban Chiang’ zetten de kaartjesverkopers me op een heerlijk gammele bus naar Nong Mek. Een half uurtje later arriveerden we op de kruising waarvan ik wist dat ik moest uitstappen en verder vervoer voor de laatste 7 kilometer moest vinden. Dat ging zonder problemen: op de hoek stonden twee songthaews te wachten, waarvan ik er eentje charterde om me van en naar de archeologische opgravingen te brengen.
Ik trof Ban Chiang in feestelijke omstandigheden: er was een Werelderfgoedfestival aan de gang. De feestelijkheden leken vooral te bestaan uit eten en drinken en wat zang en dans optredens. Ik meldde me echter eerst bij het imposante museum, waar de belangrijkste vondsten tentoongesteld worden. Aan werelderfgoedlogo’s trouwens geen gebrek in het dorp en voor het museum:
Het museum bestaat uit twee verdiepingen en meerdere zalen. Uitleg is in het Thais en Engels. Het is bijzonder dat zoveel vondsten hier in het plaatselijke museum zijn achtergebleven en niet naar Udon Thani of Bangkok zijn weggevoerd. Er zijn vroege voorwerpen van ijzer en brons te zien.
De meest indrukwekkende en ook globaal spraakmakende vondsten zijn de grote aardewerken potten. De mensen uit Ban Chiang begroeven hun kinderen 2000 jaar geleden in dit soort kleikruiken. Ze braken ook verschillende van deze roodgeverfde potten in stukken om ze toe te voegen aan het lichaam van een overleden volwassene, die ze vervolgens begroeven onder zijn/haar eigen woning.
Het werelderfgoed bestaat uit nog een tweede locatie, Wat Pho Sri Nai, en die ligt zo’n 900 meter verderop in het dorp. Veel mensen lijken hier niet te komen: toen ik voet op het terrein zette, renden twee waakhonden op me af. Gelukkig was de bewaker wakker en riep ze terug. Hier zijn graven te zien waar menselijke skeletten zijn gevonden. Het ziet er allemaal wat gereconstrueerd uit en het zijn ook niet de originele skeletten die je ziet.
Phu Phra Bat
Phu Phra Bat is Thailand’s werelderfgoednominatie voor 2024. Het staat bekend om zijn door de natuur vreemd gestapelde rotsen, maar het wordt een culturele nominatie: gericht op wat de mensen, die het spirituele betekenis gaven, hier sinds de prehistorie hebben nagelaten.
Ik bezocht het historisch park op een middag vanuit Udon Thani, met een taxichauffeur die ik via Grab gecharterd had. Met het openbaar vervoer is het niet te bereiken. De oudere chauffeur (hij was 4x in de Keukenhof geweest meldde hij me!) bleef lekker in de airco van de auto, en ik ging – na het betalen van 100 Baht (2,75 EUR) entree – in de bloedhitte op pad. Met wit-rode pijltjes is de wandelroute over de rotsen en door de droge bossen subtiel aangegeven.
Je loopt van cluster tot cluster, maar je hebt vooraf eigenlijk geen idee wat te verwachten of waar naar te kijken. Bij de belangrijkste clusters staan trouwens wel bordjes met uitleg. Onder elk precair balancerend rotsblok is een soort schuilplaats / zitbank uitgehouwen, zodat het geschikt werd voor menselijk gebruik. Vaak is de aanpassing van de natuurlijke vorm maar heel minimaal.
In de prehistorie kwamen mensen hier om uit te rusten tijdens de jacht. Later werd het vooral voor religieuze ceremonies gebruikt.
Hor Nang U-sa is een rotsformatie die is ‘omgebouwd’ tot een soort uitkijktoren. Met z’n basis van 10 meter plus nog een rotsblok van 5×7 meter er bovenop is het de meest imposante en meest gefotografeerde structuur van Phu Phra Bat.
Op het terrein is ook wat rotskunst te vinden, de beste bij Tham Khon: afbeeldingen van mensen en ossen, zo’n 2000-3000 jaar oud. Het is niet erg spectaculair in vergelijking met rotstekeningen elders ter wereld.
Het heiligste maar ook het meest recente deel ligt op het verste punt van mijn wandelroute – hier is het boeddhistisch. Er zijn twee symbolische voetprinten van Boeddha te zien, waarnaar de site ook vernoemd is (Pu Phra Bat betekent: de Heuvel van Boeddha’s Voetafdrukken). Het vroegste boeddhistisch gebruikt stamt uit de Dvaravati periode (7de-12de eeuw), maar veel van wat je ziet is van later datum en wordt ook nog steeds gebruikt. Wat Look Keoi is zelfs een hele tempel van baksteen die aan de rotswand is toegevoegd.
Uit de boeddhistische traditie stammen ook de ‘sima’ stenen: rechtop staande stenen, die gebruikt worden om de heilige ruimtes af te grenzen. Er staan er nog zes overeind bij Kok Ma Noi:
Phu Phra Bat is in 2016 ook al eens voorgedragen door Thailand als werelderfgoed, maar werd toen terug naar de tekentafel verwezen omdat het onderscheidend vermogen onvoldoende was onderbouwd. Toen was er ook nog sprake van een tweede locatie, Wat Phra Phutthabat Bua Ban, die zich zo’n 15km verderop bevindt in het plaatsje Ban Phue. Hier zijn ook een Boeddha voetafdruk en sima-stenen te zien.
Concluderend vind ik Phu Phra Bat een eigenaardige plek met fotogenieke objecten, maar als geheel niet zo bijzonder als bijvoorbeeld de veel oudere Rotsschuilplaatsen van Bhimbetka waar het nog het meest op lijkt.
Sri Thep
Ook in het noorden: Thailand’s werelderfgoednominatie voor 2023. De opgravingen bij Sri Thep hebben een aantal weinig opmerkelijke Khmer-ruïnes opgeleverd, maar de nominatie zal ongetwijfeld meer gericht zijn op de overblijfselen van de boeddhistische Dvaravati-cultuur die eerder hetzelfde gebied bestreek.
Ik bezocht Sri Thep (soms ook getranscribeerd als Si Thep) met een huurauto vanuit Bangkok, een auto die me ook toegang gaf tot het meer afgelegen park Huai Kha Khaeng verder naar het noordwesten. Toen ik op de hoofdlocatie van Sri Thep aankwam, was de buitentemperatuur 37 graden, dus ik was blij een elektrisch karretje te zien wachten om me rond te rijden.
We stopten eerst bij wat de chauffeur ‘drie tempels’ noemde. Twee van hen zijn vrij eenvoudige stoepa’s in Khmer-stijl, de derde is een onopvallende lagere rechthoekige structuur.
Pas van dichtbij kun je zien dat het een band rondom heeft die is gedecoreerd met grappige, uit steen gehouwen hurkende mannen en dieren. Deze ‘gestucte dwergen’ komen voort uit de Dvaravati-cultuur. Een beschermend dak beschermt ze nu tegen de elementen.
Daarna gingen we naar de opgravingsplaats waar ze vijf menselijke skeletten hebben gevonden en één van een olifant, die waarschijnlijk dateren van vóór de Dvaravati-periode. En dat was het – na een half uurtje werd ik weer naar de parkeerplaats gebracht.
Ongeveer 3 kilometer verder langs de hoofdweg ligt de tweede locatie, Khao Khlang Nok. Dit is één van de grootst overgebleven voorbeelden van de Dvaravati-architectuur. Het is nu een enorm bakstenen platform met nog eens een stapel stenen er bovenop. Beklimmen is toegestaan via één van de vier originele trappen.
Een betere introductie vind je bij de ingang: een schaalmodel van hoe de stupa er vroeger uitzag, een indrukwekkend hoog wit gebouw, enigszins Birmaans van uiterlijk (de Dvaravati was een Mon-koninkrijk, nog steeds een belangrijke etnische groep in het huidige Myanmar). Daarnaast hebben ze al een informatiepaneel over Werelderfgoed voorbereid (alleen in het Thais).
Sri Thep was een belangrijk religieus centrum en instrumenteel in de verspreiding van het Boeddhisme over Zuidoost-Azië, hoewel daar weinig van over is in vergelijking met bijvoorbeeld de Oude Steden van Pyu of Bagan. Al met al is het een teleurstellende site om te bezoeken en de Thai kunnen alleen maar hopen dat de nominatie in ieder geval op papier overtuigend genoeg is.
#830: Thungyai – Huai Kha Khaeng
Wat is het?
De aangrenzende parken Thungyai en Huai Kha Khaeng beschermen boslandschappen waarin veel van Zuidoost Azië’s zoogdieren voorkomen. Het gebied kent veel diversiteit aan flora en fauna, doordat het op de grens ligt van vier biologische regio’s. De parken liggen in een afgelegen berggebied dichtbij de grens met Myanmar.
Cijfer: 7 (Helaas mag je niet in het park overnachten, dus je vangt maar een glimp op van wat hier allemaal leeft. Een bosreservaat met veel ‘speciale’ zoogdieren kan mij altijd wel bekoren, en stelde ook nu niet teleur mede door de privé-tour. )
Toegang: 400 baht per persoon + 60 baht per auto (totaal ca. 12,50 EUR)
Hoeveel tijd: Hele dag.
Opvallend: Mijn bezoek begon eigenlijk al een dag eerder: ik reed langs de ”Cyber” waterval-locatie, één van de toeristische ingangen tot het Huai Kha Khaeng park. Het is een leuke route om te rijden, door een veel bosrijkere en meer natuurlijke omgeving dan ik tot dusver in Thailand had gezien. Er staan ook bordjes met ‘Pas op voor overstekende wilde olifanten’.
Op de informatieborden bij de ingang staat dat het dagelijks geopend is, maar vooraf had ik online gelezen dat het al sinds 2019 gesloten is na een dodelijk ongeval met een toerist. Toen ik aankwam was ik de enige op de parkeerplaats, en een aantal net vertrekkende werklui maakten me duidelijk dat deze parkingang inderdaad gesloten is. Ze hebben in ieder geval wel nog steeds een charmante werelderfgoed plaquette, hoewel het logo een beetje scheef hangt.
De volgende dag bezocht ik het parkhoofdkwartier verder naar het noorden. Ik vertrok om 7.15 uur vanuit het vriendelijke en ultra-schone Numhom Resort nabij Thap Thang en arriveerde net voor het openingsuur van half 9 bij de parkpoort. Ze verkochten me mijn kaartjes en belden vooruit naar het parkhoofdkwartier dat er een toerist aankwam!
Het is dan nog 9 kilometer rijden naar het bezoekerscentrum, over een onverharde weg. Ik reed langzaam met beide ramen open en de camera klaar op de passagiersstoel, aangezien het meer een safaririt is en je nooit weet wat je tegenkomt. Er was niets spectaculairs te zien, maar er waren enkele kleurrijke vogels, waaronder een (meest gele en groene) zwartkopspecht.
Het hoofdkwartier voelt bijna aan als een militair kamp, met een strenge bewaker (blijkbaar parkeerde ik verkeerd en moest ik mijn auto 1,5 meter naar rechts verplaatsen) en personeel dat rondliep in legertenue. Toen ik uit de auto stapte, verscheen boswachter/gids Djean uit het niets en hij week niet van mijn zijde tot het einde van de dag. Er bleek een dagvullend programma op me te wachten, hoewel de inhoud niet werd toegelicht en ik er ook niets over te zeggen had. Djean sprak basaal Engels, hij kende de namen van vogels en andere dieren, maar het was niet goed genoeg voor koetjes en kalfjes.
We begonnen de tour op het centrale grasveld. Op dit open terrein is het gemakkelijker om vogels te zien dan dieper het bos in. Het waren er veel (het reservaat heeft een soortenlijst van 270), maar voor mij vielen de neushoornvogels op – vooral als je ze ziet vliegen. We kwamen ook een vrouwelijk lierhert tegen met haar kalf. En een mannetje met een groot gewei keek ons van een afstand aan: dit kan een sambarhert zijn geweest, want de gids zei dat het niet dezelfde soort was als de andere twee.
Aan de achterkant van het hoofdkwartier begint een 4 km lang bospad. Het is een vlakke wandeling over een pad bedekt met dorre bladeren, zodat alle aanwezige dieren ons van kilometers ver konden horen aankomen. Geen verrassing dus dat de wandeling rustig verliep – we zagen alleen sporen die dieren hadden achtergelaten. Eigenlijk zagen we zoveel tekenen van de aanwezigheid van grote zoogdieren dat ze daar geplant leken te zijn! Er waren voetafdrukken van olifanten, luipaardpoep, botten van een banteng en krassen gemaakt door een beer op een boom.
Daarna trokken we verder met de auto/motor naar een beekje, niet ver van het hoofdkwartier. Twee fotografen waren er al, gefocust op twee herten die aan de andere kant zaten: nog een liehert en een Noordelijke rode muntjak. Dit bleek ook de lunchplek te zijn – inderdaad een prima plek om even uit te rusten; het personeel krijgt hier zijn maaltijden, maar als toerist moet je je eigen eten meenemen. Gelukkig wist ik dat, maar ik had graag mijn oude croissants geruild voor wat van hun gebakken noedels.
De middag zou worden doorgebracht bij één van de uitkijktorens, met een grote kans om banteng te zien. Deze wilde rundersoort was nummer 1 van de zoogdieren die ik hier het liefst wilde zien, dus ik kon niet tevredener zijn met het programma.
We reden 6 km terug in de richting van de hoofdpoort, totdat er een bordje ‘Geen toegang’ verscheen met een hek waarvan de gids de sleutels had. Een smal weggetje, waarop we een konvooi van 4 auto’s van het WWF tegenkwamen, leidde naar de parkeerplaats. Vandaar was het een klein stukje lopen naar de ‘Peacock Watchtower’, die we van achteren benaderden om de dieren niet te storen. De hele structuur is opgezet als een schuilhut met camouflagenetten. Voor het comfort zijn er plastic stoelen om op te zitten terwijl je wacht tot de dieren verschijnen.
De gids had al een banteng gezien toen we de uitkijktoren binnengingen maar ik kon hem niet vinden. Gelukkig begon 15 minuten later de ene na de andere banteng uit het bos te verschijnen in het open gebied met gras en rivierbedding waarover we uitkeken. Vooral de vrouwelijke bantengs hebben een mooie roestbruine vacht die oplicht in het zonlicht. Het was een geweldig gezicht en ik kreeg er geen genoeg van om ze te bekijken. Zelfs een zware tropische stortbui deerde hen niet.
Ik was helemaal blij met deze waarneming totdat de gids zei dat hij hier ooit twee tijgers had gezien en dat hij foto’s op zijn telefoon had om dit te bewijzen. Natuurlijk kwamen de tijgers vandaag niet opdagen, en de olifanten ook niet, hoewel we ze overal om ons heen bomen hoorden kraken. Toch was het een heerlijke plek om een paar uur door te brengen en naar het stille grazen van de bantengs te kijken. Groene pauwen waren er ook, plus vier wilde zwijnen.
Chiang Mai
Chiang Mai heeft als bijnaam ‘Hoofdstad van Lanna’: naar Lan Na, de lang onafhankelijke Noord-Thaise staat waar van de 13de tot de 18de eeuw de vestingstad Chiang Mai zich tot hoofdstad ontwikkelde. De stad heeft zichzelf de afgelopen decennia herontdekt en probeert zich te onderscheiden van Bangkok en het ‘mainstream’ Thailand. Er is veel energie gestoken in de restauratie van de monumenten.
Voor een niet-expert zijn de verschillen met de klassieke Thaise boeddhistische structuren subtiel. Teak wordt vaak gebruikt in de bouw en typische gebouwen hebben steile overlappende daken. Over het algemeen vertonen ze sterkere Birmese invloeden.
Op mijn eerste dag in Chiang Mai heb ik zo’n 10 tempels bezocht die allemaal binnen of dichtbij de ommuurde oude stad liggen. Desondanks heb ik toch 12,6 km gelopen! De overblijfselen van de stadsmuur zelf stellen niet veel voor, de brede gracht is echter nog volledig aanwezig en gevuld met water. Er loopt een voetpad langs dat prettig is om een tijd te volgen. Sowieso zorgen de gracht en de stadspoorten ervoor dat je hier niet snel verdwaalt.
Mijn Top 4 van deze 10 tempels bestaat uit:
Wat Chedi Luang: enorme bakstenen chedi (oorspronkelijk 82 meter hoog), met veel interessante kleinere heiligdommen en tempels eromheen. De chedi werd in de jaren negentig gedeeltelijk gerestaureerd en veroorzaakte controverse omdat het meer in Thaise dan in Lanna-stijl werd gedaan. Het mooie teakhouten Wat Phan Toa ernaast is ook een bezoek waard.
Wat Lok Moli: heeft mooie sculpturen en een teakhouten paviljoen met glas-in-lood. Bij de kale bakstenen chedi achterin hebben ze een intrigerende vergulde vogel aan een draad, waarmee je wijwater naar het boeddhabeeld in de top kunt pendelen.
Wat Suan Dok: bij de ingang staat een grote groep kleinere, witte chedi’s vergelijkbaar met wat je in Myanmar ziet. Ze bevatten de as van leden van de koninklijke familie van Chiang Mai. De hoofdtempel is enorm en heeft een open structuur.
Wat Pra Singh: dit is de grote gouden tempel in het hart van de oude stad. Hier was het telkens erg druk met toeristen.
Op de ochtend van de tweede dag bezocht ik twee locaties verder weg van het centrum. Doi Suthep is een heilige berg 15 km buiten de stad. Ik nam een GrabTaxi heen, die bleef wachten voor de terugrit. Ik kwam relatief vroeg aan, om half 10, maar het was er al erg druk. Het is een duidelijke favoriet bij reisgroepen, ook veel Nederlandse. Ik vond het te kitscherig. Ik ging met de lift omhoog en liep terug naar beneden, maar het is niet al te hoog.
Op de terugweg naar de stad liet ik me door de taxi afzetten bij Wat Ched Yot – onmiskenbaar de meest sfeervolle van alle tempels, tussen de bomen. Het complex is gemodelleerd naar de Mahabodhi-tempel in India: er zijn duidelijke Indiase invloeden in de decoratie en er staat een oude Bodhi-boom op het terrein.
Verschillende van de individuele tempels in Chiang Mai zijn zeker een bezoek waard en ze zijn allemaal in goede staat van onderhoud. Ze worden ook nog steeds actief gebruikt. Omdat het een moderne, grote stad is, liggen ze vaak niet zo mooi als in het vergelijkbare Luang Prabang.
#831: Kaeng Krachan
Wat is het?
Het Kaeng Krachan woudcomplex omvat vier beschermde natuurgebieden in het zuiden van Thailand. Het is het noordelijkste punt voor veel plant- en diersoorten uit het zuiden en het meest zuidelijke punt voor soorten uit het noorden. De bossen worden gedomineerd door groenblijvende bomen.
Cijfer: 6,5 (Uiteindelijk kwam het toch nog allemaal goed, maar het is een toeristisch oord waar het lastig wilde dieren spotten is.)
Toegang: 200 Baht (6 EUR), plus verplichte huur van 4wd truck met gids voor 850 Baht (25,50 EUR).
Hoeveel tijd: Halve dag.
Opvallend: Voor mijn bezoek aan Kaeng Krachan kies ik voor Kui Buri National Park. Kui Buri (soms ook gespeld als ‘Kuri Buri’) werd pas in 1999 opgericht nadat de spanningen tussen wilde olifanten en dorpelingen escaleerden. Het voormalige leefgebied van de olifanten was overgenomen door ananasplantages. Het park biedt nu dagelijks “olifantsafari’s” aan, waarbij je – met een beetje geluk – de wilde olifanten van een afstandje kan observeren.
Het park ligt op ongeveer 1 uur en 15 minuten rijden van de badplaats Hua Hin. Ik ging erheen met een privé-transfer verzorgd door HuaHin Taxi. Het wildobservatiegebied is dagelijks geopend tussen 14 en 17 uur (hoewel je pas tegen 18 uur weer vertrekt). Bij de entree huur je een 4WD-truck en gids.
We kwamen om kwart over twee aan en ik werd meteen het park in gereden. De luidruchtige truck reed behoorlijk snel over de zandwegen en het was al snel duidelijk dat we onderweg niet veel zouden zien. Ze brengen je naar één van de twee uitzichtpunten, waar je van boord gaat en het wachten begint.
Deze uitkijkpunten zijn open plekken met ruimte voor veel toeristen, niet de mooie gecamoufleerde wachttorens die ze gebruiken in Huai Kha Khaeng. Uiteindelijk kwamen er zo’n 15 trucks en 50 toeristen opdagen bij dit uitkijkpunt, het verste in het park. Dit was duidelijk een safari in Indiase stijl, geen serene Afrikaanse.
Ik heb amper een vogel gezien. Na een tijdje merkte ik wat beweging in de bomen links van me: er waren apen, bedreigde brillangoeren. Ze zijn erg schattig met hun witte ‘bril’ op hun zwarte gezichtjes. Alle andere toeristen waren zo gefocust op het zien van olifanten dat ze dit misten, net als de gidsen die ook niet erg oplettend waren en vooral met elkaar kletsten. Elke truck die wordt uitgerust met zijn eigen ‘gids’ lijkt vooral een werkverschaffingsproject te zijn.
Pas tegen 5 uur ging er een gemompel door de rijen van de gidsen: grote zoogdieren gespot in de verte! We keken uit over een hele brede vallei. Het bleken gaur te zijn, oftewel Indiase bizons (of ‘buffels’ zoals de gidsen ze noemden). Voor de mensen zonder verrekijker of superzoomcamera’s was het een rij bewegende zwarte stippen. Inzoomen leverde beelden op van hun karakteristieke ‘witte sokken’ en forse bouw.
Wat geknetter op de radio’s van de gidsen kondigde meer activiteit aan: twee olifanten zijn gezien bij het andere uitkijkpunt! Dus alle trucks en toeristen moesten erheen. Omdat ik gelukkig de truck voor mezelf had en geen bejaarde tante of iets dergelijks om op te wachten, waren we snel op weg.
Bij het andere uitkijkpunt waren de twee olifanten nog steeds present en van opvallend dichtbij te zien. Ze kregen al snel gezelschap van een gezin van drie, waaronder een jong. Hun verschijning duurde niet langer dan 10 minuten, de originele twee bleven wat langer. Dus net in de laatste minuut van onze safari loste het park (of de olifanten) haar belofte in.
De trein naar Phuket
Ik had me voor deze reis voorgenomen zoveel mogelijk over land te reizen, en ook de landsgrenzen zo te passeren. Dat betekent wel dat je het hele zuiden van Thailand moet doorkruisen: 800 kilometer op de kortste route. En daar was dan nog de omweg naar Phuket…
Ik vertrok vanuit Hua Hin, een badplaats populair bij de meer welgestelde Thai en dus rijkelijk voorzien van goede restaurants. Het culturele hoogtepunt is het stationnetje, grotendeels van hout:
Vanaf hier nam ik de nachttrein naar Surat Thani, een tocht van 7,5 uur. Ik reisde in een tweede klas slaapwagen, waarbij de bedden twee hoog in de lengte van het treinstel zijn gestapeld. Het bed is opgemaakt, je krijgt een deken en een kussen. Op zich lag ik prima (ik had het bovenste bed gekozen), maar ik sliep slecht doordat de hele nacht de verlichting aan bleef.
Vanaf Surat Thani had ik vooraf al vervolgtransport naar Phuket geboekt in de vorm van een shuttle busje van Phantip Travel. Een aantal ondernemende dames stond de trein ook op te wachten, o.a. in dienst van Phantip. Ze hebben er ontbijttentjes en regelen de minibusjes. Er zaten al zeker een stuk of 30 backpackers te wachten toen ik aankwam, de meesten voor Koh Samui.
De rit naar Phuket (4 uur) verliep verder probleemloos. Phuket is een modern, toeristisch eiland. Er is druk verkeer naar de hoofdstad toe. De Chinese invloeden (het resultaat van een 17e-eeuwse hausse in de tinmijnbouw) in de oude stad van Phuket bleken een verfrissende verandering te zijn ten opzichte van de monocultuur van de rest van Thailand.
Vanuit Phuket Town bezocht ik Sirinat National Park, een mogelijk toekomstig werelderfgoed, dat zo’n 30 km naar het noorden ligt. Ik nam de bus die elk uur van het busstation in de binnenstad naar het vliegveld rijdt en stapte ongeveer 3 km voor de laatste halte uit toen de bus de toegangsweg van het park passeerde.
Het park werd in 1992 omgedoopt tot ‘Sirinat’ (naar de Thaise koningin-moeder Sirikit), maar op maps.me staat het nog steeds vermeld onder de oudere naam ‘Nai Yang’. Officieel is er een toegangsprijs van 200 baht, maar de entreepoort was niet bemand en ik zie niet in hoe ze het zouden willen handhaven, aangezien het gebied ook een publiek toegankelijk strand heeft.
Sirinat bestaat uit een bos aan de kust, met zand en zoute grond die planten laag houdt. Het park is maar 2 vierkante kilometer groot en iets geschikts vinden om te doen viel nog niet mee. Het beste wat ik kon vinden was om de ‘Beach Forest Nature Trail’ te wandelen – maar liefst 500 meter lang! Het is een bospad met enkele informatieborden, totaal teleurstellend.
Ik denk niet dat er iets ‘natuurlijker’ aan het park is dan dit pad. Ik ging ook naar het bezoekerscentrum (één zaal), zag een jeugdkamp, bungalows, het parkhoofdkwartier en veel auto’s op de hoofdweg die er dwars doorheen loopt.
Het strand is redelijk mooi en was niet te druk. Ik moest lachen om de zwerfhonden die zich in het koele zand hadden begraven en heerlijk lagen te slapen. Ik liep via het strand richting het vliegveld, waar ik een bus terug naar de stad nam.
Nakhon Si Thammarat
Vanaf het centrale busstationnetje van Phuket gaan er dagelijks frequent minibussen rechtstreeks naar Nakhon Si Thammarat. Bij vertrek was ik bijna de enige passagier, maar tijdens de rit die 6 uur zou duren vulde hij zich geleidelijk. Lokale mensen bellen vooraf om ergens opgepikt te worden, voor eentje moesten we zelfs een heel eind terug rijden op de snelweg van Phuket.
Nakhon Si Thammarat is één van de oudste steden van Thailand. Dé bezienswaardigheid is Wat Phra Mahathat, de grootste boeddhistische tempel van Zuid-Thailand. Het is ook een bijzonder heilige, omdat het de relikwie van een tand van de Boeddha herbergt. Dit gecombineerd maakt het tot een druk en belangrijk bedevaartsoord.
Ik arriveerde in de middag. Het stratenplan van Nakhon is een beetje raar, met parallelle straten die van noord naar zuid lopen met enkele dorpsachtige buurten ertussen.
De tempel ligt langs één van deze noord-zuid georiënteerde straten, de belangrijkste stoepa is zo groot dat je hem niet kunt missen. Je herkent het ook aan de bedrijvigheid ervoor en ernaast, aangezien zowel souvenirs als offergaven in grote hoeveelheden worden verkocht.
Er is geen toegangsprijs om via één van de poorten naar binnen te gaan en het lijkt de hele dag open te zijn. Eerst kom je in het buitencomplex, met enkele vrijstaande gebouwen. De belangrijkste vihara staat momenteel volledig in de steigers. Er is ook een gebouw met een dak met twee niveaus dat een voetafdruk van Boeddha bevat. En er zijn twee kleinere stoepa’s.
Een volgende poort leid je dan naar het binnencomplex, waar de hoofdstoepa en 158 kleine chedi’s (met de as van overleden gelovigen) zijn ondergebracht. Deze 13de-eeuwse stoepa is gemaakt in Singalese stijl en de klokvorm is geïnspireerd op Sri Lankaanse boeddhistische kunst. Op foto’s die ik van tevoren had gezien, zag het er allemaal wit uit. Maar het schilderwerk lijkt al een tijd geleden te zijn geweest omdat de stoepa nu vooral vuilgrijs is. Het lijkt zo ouder!
In de gangen kun je je wierook branden, je bloemen achterlaten en beelden bepleisteren met bladgoud, zoals gebruikelijk is in Thaise boeddhistische tempels. Het ‘heiligste der heiligen’ (de relikwie) is verborgen achter een deur, en veel mensen bidden voor de trap die ernaartoe leidt. Ik vraag me af of de deur af en toe opengaat, zoals de gewoonte is bij de Tempel van de Tand in Kandy, Sri Lanka.
Er is nauwelijks uitleg in het Engels ter plaatse, behalve enkele mysterieuze teksten zoals “Fabric stretched his relics” (ik denk dat dit betekent dat de oranje doeken die je op het terrein kunt kopen de Boeddha-relikwie hebben aangeraakt?). Het is ook meer een bedevaartsoord voor Thaise boeddhisten dan een toeristische trekpleister.
Wat Phra Mahathat is zeker een bezoek waard als je op weg bent over land naar de grens met Maleisië. Net als Sri Thep speelde het een belangrijke rol in de verspreiding van het Theravada-boeddhisme naar Thailand, dit keer vanuit het zuiden (Sri Lanka) in plaats van het noorden (Myanmar).
Nakhon zelf doet ook wat Srilankaans aan, met een islamitische twist. Een belangrijk deel van de bevolking in de zuidelijke provincies van Thailand is moslim, wat soms tot spanningen leidt. De route die ik volgde via Hat Yai naar de Maleisische grens heeft zelfs een ‘alleen voor noodzakelijke reizen’ reisadvies.
Er wordt hier niet veel Engels gesproken of geschreven, de strandtoeristen en backpackers komen meestal niet zo ver naar het zuiden. Aan dezelfde straat als de tempel zit het halal ‘Bạng Baw Roti & Tea’ restaurant waar je heerlijke roti kunt eten. Het is ook leuk om er ‘live’ te zien hoe het gemaakt wordt.
Terugblik Thailand 2023
Thailand was mijn minst favoriete land van deze Zuidoost-Azië reis. De mensen lijken murw (en gecorrumpeerd) door het massatoerisme, en zijn sowieso vrij gesloten. De openbare ruimte interesseert ze niks. De culturele bezienswaardigheden zijn maar matig voor een land van deze omvang en geschiedenis. De nationale parken kom je nauwelijks in. En dan nog die koningscultus… Het openbaar vervoer was er wel het gemakkelijkst en het eten uitstekend.
Ik deed een blok in het noorden en sleepte me met het openbaar vervoer dwars door het zuiden. De beste herinneringen heb ik nog aan de dag in het Huai Kha Khaeng park en zijn afgelegen omgeving.

Vervoer
Binnenlandse vluchten
Ik vloog Udon Thani – Bangkok, Bangkok – Chiang Mai en Chiang Mai – Hua Hin, telkens met Air Asia. Je hoeft nooit vroeg op het vliegveld aanwezig te zijn (de boarding time is vroeg genoeg) en afmetingen/gewicht van mijn rugzak die ik als handbagage mee aan boord nam werden nergens gecontroleerd. Allemaal supermakkelijk dus, en de prijzen voor de vluchten liggen hier nog steeds erg laag.

Bussen
Minibussen rijden hier frequent tussen de steden en hoef je niet vooraf te boeken. Ik raakte er helemaal mee overland naar de grens met Maleisië in Padang Besar. Je moet hier dan zelf over de grens lopen (tussen de vele vrachtauto’s door). Aan de andere kant kun je met de trein verder naar Butterworth (voor George Town), het station in Padang Besar is te ver lopen dus nam ik een Grab.
Trein
Tussen Hua Hin en Surat Thani nam ik de nachttrein (tweede klas sleeper), die ik een paar dagen vooraf online boekte. Het was een gemakkelijke manier om een grote afstand te overbruggen, maar echt slapen deed ik niet in de volle trein waar het felle licht de hele nacht aanbleef.
Huurauto
In het noorden had ik 4 dagen een huurauto om Si Thep en Huai Kha Khaeng te kunnen bereiken – ik huurde er eentje bij Budget op het vliegveld van Bangkok. Auto rijden is gemakkelijk in Thailand. Mensen rijden vrij voorzichtig en de wegen zijn goed. Wel komt er zelfs op de ‘snelweg’ vaak verkeer aansluiten van links en gaat het een U-bocht maken op de rechterbaan. Dus echt opschieten doet het niet. Een internationaal rijbewijs is officieel verplicht (Thailand heeft een ander schrift), maar werd niet naar gevraagd bij de verhuur.
Grab
Grab, de Aziatische Uber, doet het prima in de steden van Thailand. Ook vanaf de vliegvelden is het makkelijk een Grab te krijgen en er zijn vaak speciale oppikpunten. Ze hebben ook GrabMoto, waar je voor ongeveer de helft van de prijs achterop de motor mee kunt. Dit gebruikte ik ook een paar keer, onder andere om in Bangkok van het ene naar het andere vliegveld te komen (de motoren rijden om de files heen).
Hotels
Ik sliep in de volgende hotels:
Udon Thani: Banbua Grand Udon
Groot hotel helemaal ingericht op Valentijnsdag, in een straat met cafés voor buitenlandse mannen en Thaise meisjes.. Vriendelijk personeel. Nette kamer met lekkere douche.
Kosten: 36 EUR per nacht exclusief ontbijt
Lopburi: Hop Inn
Hotel aan de rand van de stad (in de apenvrije zone), bij een groot winkelcentrum. Goede parkeergelegenheid. Ibis-achtig basic.
Kosten: 17 EUR per nacht exclusief ontbijt
Ban Nong Chum Saeng: Numhom Resort
Kleinschalig vakantiepark met huisjes op het platteland. Ziet er leuk uit. Vriendelijke eigenaresse die goed Engels spreekt en simpel maar goed restaurant op het terrein.
Kosten: 20 EUR per nacht inclusief ontbijt
Chiang Mai: Pissamorn House
Ouder gebouw in binnenstad, gerund door een wat vreemd bejaard stel dat vrijwel nooit aanwezig was (er is een afgesloten hek voor de voordeur waarvoor je een sleutel krijgt). Ze hebben hier maar 4 kamers. Werd hier steeds vroeg wakker, misschien was het de droge lucht.
Kosten: 27 EUR per nacht exclusief ontbijt
Hua Hin: Hop Inn
Typische Hop Inn. Goede locatie, naast de supermarkt en op loopafstand van een scala aan restaurants.
Kosten: 20 EUR per nacht exclusief ontbijt
Phuket: Baan Sutra Guesthouse
Keurig guesthouse in het oude centrum, overal dichtbij. Netflix op TV.
Kosten: 25 EUR per nacht exclusief ontbijt
Nakhon Si Thammarat: Bunprasop Garden Hotel
Fris, nieuw hotel een beetje buitenaf. Weinig Engels. Ontbijt wordt geserveerd in het café dat er bij zit, voor goede koffie moet je bijbetalen.
Kosten: 31 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten
Ontbijt
Ik had hier vrijwel nooit ontbijt in de hotels. Ik ging dus meestal maar naar een cafeetje met goede koffie, lokaal of Starbucks. Alleen in Hua Hin vond ik een lokale bakker waar ze zowel lekkere koffie als goede sandwiches hebben (The Baguette).

Lunch en Diner
Voor lunch en diner at ik Thais. Er zijn veel simpele restaurants waar ze specialiseren in één gerecht. Zoals op deze food market in Udon Thani, waar je uit tientallen aanbieders kunt kiezen. Je betaalt met een kaartje waar je vooraf geld op zet.

Kosten
Thailand is een goedkoop land om in rond te reizen, het is niet moeilijk hier goedkope hotels te vinden en het lokale eten is nooit duur. Het leven is nog wel veel gebaseerd op cash geld.
De kosten, gedeeld door 14 dagen, waren als volgt verdeeld:
| Land | Per dag | Hotels | Eten | Vervoer | Overig |
| Thailand | 84 EUR | 27 EUR | 15 EUR | 37 EUR | 5 EUR |














































Leave a comment