- Programma
- #793: Rideau-kanaal
- Ottawa
- #794: Québec
- #795: Miguasha
- #796: Joggins Fossil Cliffs
- #797: Gros Morne
- Witless Bay
- #798: Mistaken Point
- #799: L’Anse aux Meadows
- #800: Red Bay
- Port au Choix
- #801: Grand Pré
- Cape Split
- #802: Lunenburg
- Prince Edward Island
- Terugblik Oost-Canada 2022
Programma
In 2014 was ik in het westen van Canada; dit jaar reis ik 4 weken door het oosten.
De ruige natuur van het westen is populairder onder Canada-reizigers, maar het oosten heeft veel meer werelderfgoed: 10 stuks op het moment. Het is een gebied met veel fossielen, en de overblijfselen van het werk van vroege en late immigranten.

De reis per huurauto en twee veerboten gaat door 5 Canadese provincies en zal ruim 6000 kilometer lang zijn. De route ziet er ongeveer als volgt uit:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 6 juni | Vlucht Amsterdam – Montreal 15.20-16.50 met KLM. Het is in Montreal 6 uur vroeger dan in Nederland. | Montreal (QU) |
| 7 juni | Rit naar het zuiden, langs het Rideau-kanaal (WE1). | Kingston (ONT) |
| 8-9 juni | Terug naar het noorden via de hoofdstad Ottawa, naar de oude Frans-koloniale stad van Québec (WE2). | Québec (QU) |
| 10-11 juni | Zes uur rijden voor Miguasha (WE3), bekend om zijn fossielen van vissen. | Carleton sur Mer (QU) |
| 12 juni | Doorrijden Nova Scotia in, met eventueel nog een omweg naar Prince Edward Island. | Amherst (NS) |
| 13 juni | Meer fossielen onderaan het Joggins klif (WE4). Doorrijden naar de veerboot, voor de nachtboot van North Sydney naar Port aux Basques op Newfoundland. | Veerboot (NS-NFL) |
| 14-16 juni | 2,5 dag de tijd om het nationaal park Gros Morne te verkennen (WE5), via wandelingen en een boot tour door een fjord. | Deer Lake (NFL) |
| 17-18 juni | Fossielen aan de kust bij Mistaken Point (WE6), op het zeer afgelegen schiereiland Avalon. | St. Johns (NFL) |
| 19-20 juni | De langste rit van de reis: maar liefst 11 uur naar het noordwestelijke puntje van Newfoundland. Dat voor de resten van een Vikingdorp bij L’Anse aux Meadows (WE7). | St. Anthony (NFL) |
| 21-22 juni | Met de veerboot van St. Barbe naar Blanc Sablon aan de noordkust van Québec (1.5 uur). De resten van een 16de eeuws walvisvaartstation in Red Bay (WE8). | Blanc Sablon (QU) |
| 23 juni | Via de twee veerboten terug naar Nova Scotia. | Veerboot (NFL-NS) |
| 24 juni | Aankomst North Sydney in de vroege ochtend en dan 3 uur doorrijden naar Pictou. Onderweg bezoek aan de Alexander Graham Bell Historic Site. | Pictou (NS) |
| 25-26 juni | Grand Pré (WE9), een poldergebied gecreëerd door afstammelingen van Franse kolonisten. | New Minas (NS) |
| 27 juni | Naar het Brits-koloniale havenstadje Lunenburg (WE10). Daarna alvast een paar uur rijden voor de lange terugweg naar Montreal. | Moncton (NB) |
| 28 juni | 5 uur rijden naar Cabano. | Cabano (QU) |
| 29 juni | Laatste stuk (ook 5 uur) terugrijden naar Montreal, vanwaar de vlucht terug naar Nederland om 18.45 vertrekt. | Vliegtuig |
| 30 juni | Aankomst op Schiphol om 7.35 uur. | Thuis |
#793: Rideau-kanaal
Wat is het?
Het 202 kilometer lange Rideau-kanaal is het oudste continu werkende kanaalsysteem in Noord-Amerika. Het werd in 1832 aangelegd voor militaire doeleinden: de verdediging van de Britse kolonie Canada tegen de Verenigde Staten. Later was het vooral in gebruik voor de handel en het droeg bij tot de economische ontwikkeling van de regio. Nu is het alleen nog in gebruik voor de pleziervaart.
Cijfer: 5 (Het voelt een beetje als vals-spelen – slechts 19 van de 202 kilometer is door mensenhanden gekanaliseerd, voor de rest volgt het het natuurlijk verloop van twee rivieren. Ook was het kanaal nooit een groot succes en werd de infrastructuur in de regio al snel verbeterd door de aanleg van spoorlijnen. Nu ligt het er een beetje tam bij.)
Toegang: Gratis
Hoeveel tijd: Een halve dag.
Opvallend: Om het Rideau-kanaal te bezoeken zijn er een aantal opties: je kunt het zien op een stedentrip naar Ottawa, je kunt je richten op vijf specifieke locaties in en rond de stad Kingston, of wat tijd doorbrengen met het volgen van het kanaal op zijn traject tussen die twee steden. Dat laatste deed ik: na een overnachting in Montreal reed ik een paar uur naar het zuiden en bezocht ik Burritts Rapids Lock Station, Merrickville Lock Station en Jones Falls Lock Station. Dit deel van Ontario is een vlak en groen landbouwgebied, een soort supergrote versie van Nederland of Noord-Duitsland. Er staan veel mooie, grote huizen.
Ik begon bij Burritts Rapids – een kleine, verlaten plek waar ik de enige bezoeker was. Hier kun je de vier kilometer lange ‘Tip to tip trail’-wandeling doen die vanaf de sluizen via een draaibrug langs het kanaal naar een dam loopt.
Het is een prettige ochtendwandeling, maar de kanaal-aspecten zijn een beetje teleurstellend. Het pad is hier en daar modderig en sommige delen hebben veel muggen (het bloed zat op mijn armen!). Wel is het een goed terrein om vogels te spotten (het is erg rustig), en eekhoorns en schildpadden. Op de weg hier naar toe zag ik zelfs waarschuwingsborden voor overstekende schildpadden.
Merrickville Lock Station heeft een heel andere setting: het ligt in het stadscentrum. Als je een koffie- of lunchpauze nodig hebt, is dit de beste plek om dat te doen, want er is weinig onderweg of op de andere locaties. Blikvanger hier is de ‘Blockhouse’: een verdedigbaar gebouw ooit (af en toe) bemand door het Britse koloniale leger en ontworpen naar het voorbeeld van middeleeuwse vestingwerken. Helaas heeft het zeer beperkte openingstijden, dus ik heb de binnenkant niet kunnen zien.
Tot slot, Jones Falls. Mijn Waze-app had problemen om me naar deze sluizen te leiden; het is het beste om richting Hotel Kenney te navigeren. Je kunt voor het hotel parkeren of op het parkeerterrein van Parks Canada eerder in de straat. Deze sluizen waren de meest indrukwekkende van de drie die ik bezocht: het is een mooie, bosrijke omgeving en de sluizen moeten het grootste hoogteverschil overwinnen.
Er waren 2 plezierboten op weg naar beneden toen ik daar was. Net als op de andere locaties bedienen medewerkers van Parks Canada de sluizen – een herinnering dat het geen commercieel kanaal meer is en alleen in recreatief gebruik.
Ottawa
Ottawa is de officiële hoofdstad van Canada. Net als in Australië bijvoorbeeld was dat het resultaat van een compromis, om niet voor één van de concurrerende grote steden te hoeven kiezen (Toronto of Montreal in dit geval). Er wonen nu een kleine miljoen inwoners. Het is de zetel van de federale overheid, hoewel veel ook in de provincies (eigenlijk zijn het meer deelstaten) beslist wordt.
Zeker voor buitenlandse toeristen is de stad niet echt een trekpleister. Maar ja, ik kwam er (bijna) langs op mijn terugweg van Kingston naar Québec. En ik wilde graag het Canadees Nationaal Museum voor Geschiedenis zien, dat aan de overkant van de rivier ligt in Gatineau (Québec). De imposante Alexandra-brug uit 1901 verbindt de twee steden.
Ik heb een zwak voor nationale musea, waar ook ter wereld: het is altijd interessant om te zien hoe een land haar eigen geschiedenis presenteert. Canada doet dit in een ruim bemeten gebouw met weinig oorspronkelijke inhoud – je zou bijna zeggen dat dit representatief is voor Canada als geheel, maar daarmee doe je beide (museum én land) toch te kort.
Ik had vooraf een kaartje gekocht voor het openingsuur van 9 uur, en het was er nog lekker rustig (alhoewel niet al te lang daarna de schoolklassen begonnen binnen te stromen). De geschiedenis wordt chronologisch weergegeven, via een vaste looproute. Het verhaal gaat ongeveer als volgt: “De beschaving begon met de Fransen, de Britten die daarna kwamen vochten steeds met iedereen! En dan nog die Amerikaanse buren!”
Vreemd genoeg is het meeste van de inheemse geschiedenis te zien in een eigen expositieruimte, de First Peoples Hall, weg van de historische looproute. Dit is voor een Europeaan toch het meest exotische deel. Helaas zijn er echt heel weinig originele voorwerpen van historische waarde te zien. Waar elders in de wereld men vaak trots is op de oudste pijlpunt die op het nationale grondgebied gevonden is, ligt de focus in Canada toch vooral op de immigratiegeschiedenis.
Een paar dingen waren toch de moeite waard: vooral onderstaand beeldje van een ijsbeer, gemaakt van walrusivoor. Er is wat kleding (mocassins, jassen) van 19de eeuwse Chiefs. Ook zijn er enkele totempalen verhuisd van elders naar de museumhal.
Na het bezoek aan het museum liet ik mijn auto in de parkeergarage staan, en ging ik te voet de brug over naar Ottawa. Het is maar een kwartiertje lopen en op de brug is er een afgescheiden gedeelte voor voetgangers en fietsers. Je hebt er mooie vergezichten op zowel Ottawa’s Parliament Hill als de brede Ottawa rivier, die een belangrijke handelsrivier was in de begindagen van de Europeanen in wat nu Canada is.
Ottawa zelf blijkt een keurige, schone stad met wat Europees-aandoende gebouwen. Een soort Québec, maar dan net niet. Er zijn wat mensen aan het protesteren tegen het een of ander, en bij de Tim Horton’s in het centrum kom ik vooral daklozen tegen die hier koffie komen halen.
Net voorbij de brug liggen op een prominente plek de sluizen van het Rideau-kanaal, een ander stukje van het werelderfgoed dat ik al eerder deze reis bezocht. Het is een heel steil gedeelte dat hier overbrugd moet worden, je kunt het goed overzien vanaf de straatkant. Als je niet genoeg tijd hebt om het kanaal af te rijden zoals ik deed, is dit zeker representatief genoeg. Hier begint het kanaal, en het kanaal faciliteerde de economische groei van Ottawa.
Dit blijkt ook de plek waar de meeste toeristen in Ottawa rondhangen, want hiermee heb je de bezienswaardigheden wel zo’n beetje gehad. De parlementsgebouwen hoef ik niet zo nodig van dichtbij te zien.
#794: Québec
Wat is het?
De historische wijk van het oude Québec is de meest complete vestingstad in Noord-Amerika en één van de oudste koloniale nederzettingen in Canada (uit 1608). De stad was de hoofdstad van Nieuw-Frankrijk en werd in 1759 deel van de Britse kolonie. Het historische district omvat de bovenstad (met zijn administratieve en religieuze gebouwen) en de benedenstad (het district van handel en de marine).
Cijfer: 7 (Het is voor niet-Europeanen meer bijzonder dan voor mensen die uit Europa komen – die raken niet zo in vervoering van een paar steegjes in Franse stijl. Maar cultureel gezien is Québec is een wereld op zich, en dat maakt het toch een charmante plek om te bezoeken.)
Toegang: Het meeste is in de open lucht. We gingen alleen naar binnen bij het ondergrondse Saint-Louis Forts & Châteaux (gedekt door de Canada Park Pas) en het museum van het Ursulinenklooster. Voor het laatste betaalde ik 12 CAD (9 EUR).
Hoeveel tijd: Een halve dag.
Opvallend: Ik verkende Québec samen met een andere werelderfgoedliefhebber, Frédéric, die in deze stad geboren en getogen is. Het historische centrum is niet heel groot: we hebben in totaal 9,5 kilometer gelopen, in iets minder dan 5 uur. Helaas zagen we de stad niet op zijn best door aanhoudende regen en bouwwerkzaamheden.
Ik had voor mezelf een lijst gemaakt van 10 dingen die ik wilde zien in de oude stad – dat bleek een grondige voorbereiding. We kwamen zelfs op plekken waar Frédéric nog nooit was geweest.
Ongetwijfeld het meest toeristische deel is de Place Royale: de plek waar Samuel de Champlain in 1608 landde en de eerste Franse nederzetting in Noord-Amerika stichtte. Aan dit kleine plein ligt ook de zeer fraaie Église Notre-Dame-des-Victoires, die wordt beschouwd als de oudste stenen kerk in Noord-Amerika. De omliggende straten met hun terrassen en winkeltjes doen het meest aan Frankrijk denken. We waren hier ook zeker niet de enige toeristen: meerdere groepen werden rondgeleid door gidsen in traditionele kledij. Québec is een belangrijke stop op de cruisevaart – de grote schepen kunnen aan de kade vlakbij de oude binnenstad aanleggen.
Een stuk minder druk was het bij de Forts-et-Châteaux-St-Louis: dit zijn de ondergrondse overblijfselen van de officiële residenties van de gouverneurs tussen 1620 en 1834. Ze zijn pas opgegraven toen de promenade er boven werd vernieuwd. Er is een ijskelder te zien, waarin vlees en andere etenswaar werd bewaard op ijs (wat volop aanwezig was hier bij de haven in de winter). Ook zijn er veel kostbare gebruiksvoorwerpen gevonden.
Omdat het stevig door bleef regenen, kwamen we terecht bij de Kapel en het Museum van het Ursulinenklooster. De Ursulinen waren een vrouwelijke kloosterorde die zich richtte op het opvoeden en onderwijzen van meisjes. Het moderne museum heeft 3 verdiepingen met tentoonstellingszalen. Te zien zijn onder andere indrukwekkende borduurwerken (de meisjes kregen dagelijks een uur borduurles) en lesmateriaal.
Voor de lunch gingen we naar L’Antiquaire Buffet, een gezellig restaurant met veel specialiteiten uit Québec op de kaart. We kozen beiden voor de ‘Assiette Québecoise’: een schotel met van alles, waaronder een vleespastei en een bonengerecht. Ondanks dat Québec ongeveer op dezelfde breedtegraad als Parijs ligt, zijn de winters hier echt streng. Dat vraagt om een stevige keuken.
In de Rue St. Louis zijn nog verschillende woningen te zien die stammen uit de koloniale begintijd van de stad. Met name de nummers 17, 34-36 (foto hieronder) en 57-63 zijn de moeite waard.
De vestingwerken van Québec omsluiten de oude stad bijna volledig. Er is een 4,6 kilometer lange route die je helemaal rond zou moeten voeren, maar door de vele bouwwerkzaamheden waren hele stukken afgesloten of haast onbegaanbaar door de modder. We bereikten nog wel de Citadel, Artillery Park en de drie stadspoorten: St. Louis, Kent en St. John.
#795: Miguasha
Wat is het?
Nationaal park Miguasha herbergt de best geconserveerde en meest productieve fossielenvindplaats uit de periode die bekend staat als het Tijdperk der Vissen. De fossielen hebben de wetenschap meer inzicht gegeven in de ontwikkeling van vis naar amfibie. Ze dateren van ca. 370 miljoen jaar geleden.
Cijfer: 6 (Misschien niet spectaculair, maar wel goed gepresenteerd en een leuke manier om iets over ‘oude’ vissen te leren.)
Toegang: 9,25 CAD voor het park en 11,52 CAD voor het museum (samen 16 EUR)
Hoeveel tijd: Twee uur.
Opvallend: Het Miguasha Nationaal Park ligt op het Gaspé schiereiland in de provincie Québec. Hoe verder ik vanaf de hoodstad naar het noorden reed, hoe dramatischer het landschap werd: snelstromende rivieren waar je op zalm kunt vissen, dichte bossen, de eerste bergen (de Appalachen). Kilometers voor de afslag vanaf de doorgaande weg staat ook het Miguasha werelderfgoed al aangegeven. Van zo’n bord word ik altijd al blij.
Ik bezoek het park de volgende ochtend, ik ben er bij het openingsuur van 9 uur en in het bezoekerscentrum moeten ze voor mij de deur open doen. Ik krijg enthousiaste uitleg in het Quebec-Frans wat je hier allemaal doen kunt. Gelukkig weet ik het wel zo ongeveer, want het meeste van dit dialect gaat geheel aan mij voorbij.
Ik word eerst naar een aparte zaal geleid, waar de Elpistostege watsoni (“de Koning van Miguasha”) is te zien. Dit volledig complete exemplaar van de enige in zijn soort is pas in 2010 gevonden en verdient blijkbaar een speciale behandeling.

In het ‘gewone’ museum wordt het verhaal verteld over hoe de fossielen hier ontdekt zijn. Een geoloog op zoek naar steenkool vond de eerste exemplaren in 1832. Later werd er op veel grotere schaal gegraven en gezocht, vooral Zweedse wetenschappers waren erg actief en betaalden de lokale schatgravers om materiaal naar Stockholm te verschepen. Pas in 1972 is het gebied (een kuststrook van 3 kilometer lang) door Canadese overheid beschermd.
De vissen uit deze tijd zien er niet allemaal zo uit als we ze nu kennen. Eén van de eerste vondsten is wat op een schildpad leek, maar uiteindelijk een primitieve vissoort met een benen pantser over kop en ribbenkast bleek te zijn (zie foto boven).
Als ik het museum uitloop geeft mijn telefoon aan dat het al half 11 is – ik zal toch geen anderhalf uur in het museum zijn geweest? Het blijkt dat je hier zo dicht bij de grens met de volgende provincie New Brunswick bent, dat de telefoon automatisch naar die tijdszone overschakelde (een uur later).
Buiten is een 3,6 kilometer lang wandelpad aangelegd. Dit gaat vooral door het bos, maar aan het begin is er een trap naar beneden, naar het strand en de kliffen waar de fossielen gevonden zijn. Het klif is samengesteld uit afwisselende lagen van steen en slib. Het strand ligt vol met stukken leisteen. Vooral na de fossielen in het museum gezien te hebben, denk je hier ook steeds afdrukken in de steen te zien. Dat maakt het een leuke plek om een tijdje rond te lopen, je weet nooit wat je tegenkomt!
#796: Joggins Fossil Cliffs
Wat is het?
De Joggins Fossil Cliffs bevatten het meest complete fossielenbestand uit het “Kolentijdperk” van de geschiedenis van de aarde, ongeveer 310 miljoen jaar geleden. Op het 14,7 km lange stuk kliffen zijn de versteende overblijfselen van een kustbos blootgelegd, waaronder bomen (meer dan 7 meter hoog) en landdieren zoals het vroegst bekende reptiel. De fossielen zijn op hun plek geconserveerd, in hun complete ecosysteem.
Cijfer: 6 (Een dag na het bezoek aan het soortgelijke Miguasha ga je natuurlijk vergelijken. De tentoonstelling binnen is in Miguasha beter, maar het deel buiten en met name het strand is bij Joggins een stuk interessanter. Je kunt er daadwerkelijk fossielen vinden tussen alle stenen, en ook de Fundybaai met zijn grote getijdenverschil is fascinerend.)
Toegang: 10 CAD voor toegang tot de tentoonstelling en tour van half uur met gids (7,60 EUR), maar je mag ook (gratis) zonder gids het strand op.
Hoeveel tijd: Anderhalf tot twee uur (inclusief rondleiding).
Opvallend: Ik bezoek Joggins op een zondagmiddag. Ik had weken van tevoren al gereserveerd voor de tour van 14 uur. Na zo’n 6 uur rijden uit de provincie Québec (plus een uur tijdsverschil) was ik er netjes op tijd. Het bezoekerscentrum is een stuk kleiner dan dat van Miguasha, en er lijkt ook wat minder geld beschikbaar te zijn. Joggins is eigendom van een stichting, het is geen provinciaal of nationaal park.
Er blijken maar 2 andere mensen (Amerikanen) op de tour mee te gaan. Ze hebben gebeld dat ze een paar minuten later zijn, dus ik kan eerst zelf de tentoonstelling bekijken. Je ziet er vooral afdrukken van varens en de stammen van iets wat op bamboe leek. Alle planten en dieren uit deze periode hebben met elkaar gemeen dat ze erg groot waren.
De Fundybaai, waar de kliffen aan liggen, heeft het hoogste getijdenverschil ter wereld. Als het hoogtij is kan het verschil oplopen tot 16 meter, en zijn het strand en de kliffen niet toegankelijk. Gelukkig ben ik er op een moment dat het water aan het zakken is: hoogtij was om 11 uur, laagtij zal het om 5 uur worden. En ook daarna heb je nog wel een paar uur de tijd. Bezoekers worden wel gewaarschuwd voor het hoogtij, maar ze worden niet fysiek geweerd. Het strand is altijd open, maar het water komt soms tot aan de hogere delen van de trap die van het bezoekerscentrum naar het strand leidt. De tijden zoals ze op een betreffende dag verwacht worden, zijn te vinden op de officiële website van Joggins.
Het dagelijks gebeuk van het tij is ook de reden dat hier zo gemakkelijk fossielen gevonden worden: elke dag wordt een nieuw stukje ontbloot. Vroeger werd hier ook naar steenkool gegraven, daar zie je nog de resten van.
De kliffen zelf brokkelen zo snel af dat er al heel wat huizen op de kust onbewoonbaar zijn geworden. Ook vallen er nogal eens wat stenen naar beneden als je direct langs het klif loopt.
De gids laat ons zien waar je op moet letten om fossielen te vinden op het strand. Eigenlijk is het vooral uitkijken naar zwarte patronen op de stenen, dat is de kool die er nog in zit. Het is niet moelijk om kleine ‘blaadjes’ te vinden. Ze heeft voorbeelden bij zich van de meest gangbare soorten die hier voorkomen, maar zo gaaf tref je ze zelf niet snel. Toch is het leuk om een tijdje over het strand te struinen, omdat het vol ligt met stenen in alle kleuren en vormen.
In enkele gevallen zijn ook hele boomstammen gefossiliseerd. In het klif zie je ze horizontaal, op het strand in de vorm van een boomstronk. Juist in deze boomstronken zijn in de holle delen fossielen van diertjes (amfibieën en reptielen) gevonden.
#797: Gros Morne
Wat is het?
Het Nationaal park Gros Morne is bekend vanwege zijn rol in de evolutionaire geschiedenis en zijn landschappelijke schoonheid. Het is één van de zeldzame plaatsen op aarde waar het fenomeen van het bewegen van continenten zichtbaar wordt, en waarbij diepe oceaankorst en de rotsen van de aardmantel bloot zijn komen te liggen. Het park ligt aan de westkust van Newfoundland en herbergt verder veel rotsformaties, fjorden en watervallen.
Cijfer: 8 (Het park is heel gevarieerd met prachtige vergezichten, en ik heb er een paar fijne wandelingen gemaakt. Ik had het graag nog wat “wilder” gezien, en ook ben ik geen enkele kariboe of eland tegengekomen, de meest voorkomende grotere zoogdieren in dit park.)
Toegang: Onderdeel van Canada’s Discovery Park Pas, die ik vooraf aanschafte voor 72,25 CAD (55 EUR) en die toegang geeft tot alle nationale parken. Anders kost het 10,50 CAD per dag, maar er wordt niet echt gecontroleerd en er is geen formele entree.
Hoeveel tijd: Ik was er 2,5 dag.
Opvallend: Het Gros Morne National Park in Newfoundland is niet erg bekend en ontvangt niet zoveel bezoekers – toen ik er half juni was, waren er meestal maar een of twee auto’s op de parkeerterreinen van de uitkijkpunten en startpunten van de wandelingen. Bij de laatst bekende telling (2018) zag het ongeveer 39.000 bezoekers.
Het park heeft een grote verscheidenheid aan landschappen, variërend van gletsjers en fjorden tot zoetwatermeren, tuckamore-bos (wat in goed Nederlands Krummholz schijnt te heten) en kliffen aan de kust. Praktisch gezien is het park opgesplitst in een noordelijke en een zuidelijke zone, gescheiden door Bonne Bay.
De noordelijke zone wordt doorsneden door Highway 430, wat nogal hinderlijk is vanwege te hard rijdende vrachtwagens en ander doorgaand verkeer. Mijn start was desondanks veelbelovend: bij het uitkijkpunt op de Gros Morne-berg wees een andere reiziger me op een beer die op een hooggelegen weide rondliep. Deze was alleen met een verrekijker te zien.
Op mijn eerste middag in het park maakte ik een paar korte wandelingen gemaakt, het Berry Head Pond-pad (een lus rond een meer) en Lobster Cove Head (met een vuurtoren en tuckamore-bomen).
Rijdend door het zuidelijke deel van het park, trekt Tablelands meteen de aandacht: het is een kale, bruine bergketen tussen de omliggende groene, beboste hellingen. Het zag er prachtig uit met de nog resterende stukjes sneeuw en ijs op de bovenkant en flanken. De oorsprong ervan is ook fascinerend en het is een essentieel onderdeel van waarom dit park een werelderfgoed is geworden: het is waar diepe oceaankorst en de rotsen van de aardmantel bloot komen te liggen nadat ze zijn opgetild door de werking van platentektoniek.
Een gemakkelijke wandelroute van 4 kilometer lang, met informatieborden, brengt je er dichtbij. Er is hier geen ‘echte’ grond, alleen enkele specialistische plantensoorten zoals bekerplanten kunnen overleven.
De Green Gardens-wandeling is een prima combinatie met Tablelands, omdat het een totaal ander landschap heeft en er toch slechts 5 kilometer van verwijderd is.
Dit is een zwaardere wandeling (met het label ‘medium’, 9 kilometer retour). Je klimt over een heuvelrug en daalt dan af richting kust. Onderweg biedt een tuckamore-bos beschutting tegen de zon: deze tuckamore-bomen zijn een ander kenmerk van dit park. Het zijn sparren- en dennenbomen die door de wind en het winterweer in hun groei worden belemmerd, zodat ze naar één kant leunen. Het pad eindigt bij een lange kuststrook met weiden, met uitzicht op brandingspilaren en fijne plekken voor een picknick.
Op mijn laatste dag deed ik de Western Brook Pond Tour. Deze boottocht is het meest populaire om te doen in het park: je moet weken van tevoren reserveren en toen ik op de parkeerplaats aankwam, waren 2 bussen net hun (oudere) passagiers aan het uitladen. Het is 3 kilometer lopen van de parkeerplaats naar het dok.
De tourgidsen waren wat te jolig naar mijn smaak en de boot erg vol, maar het landschap stelde opnieuw niet teleur. Western Brook Pond is een binnen- of zoetwaterfjord sinds het van de zee is afgesneden. Ik vond het erg vergelijkbaar met de Noorse Geiranger Fjord, met watervallen, vreemd gevormde rotsen en torenhoge rotswanden (tot 700 meter hoog) langs de route.
Witless Bay
Vooraf twijfelde ik de hele tijd of ik nu wel of niet een tour moest doen in Witless Bay. Walvistours zijn vaak teleurstellend, weet ik uit ervaring. En dit zag er uit als een typisch tourtje om wat geld uit de toeristen te persen: slechts anderhalf uur lang en meerdere malen per dag. De doorslag om het toch te doen was om een doel te hebben na 6,5 uur rijden die dag – ik moest Newfoundland van west naar oost doorkruisen voor de reservering voor Mistaken Point de volgende dag. Witless Bay ligt aan de weg richting Mistaken Point, slechts een half uurtje van de grote stad St. John’s.
Bij aankomst mochten we wachten in de grootste souvenirwinkel die ze van een tourkiosk konden maken. Ik deed mijn warmste kleren aan, lagen over elkaar. Het was mistig en guur in de haven. De boot zelf was niet al te groot en er waren ca. 30 medereizigers (en zingende gidsen, wat normaal schijnt te zijn in Newfoundland merkte ik later ook op de Western Brook Pond Tour). Ik bracht de meeste tijd buiten op het dek door, alhoewel mijn vingers bijna bevroren.
Het Witless Bay Ecologisch Reservaat is opgericht om de honderdduizenden zeevogels te beschermen die hier elke zomer komen broeden. Ze nestelen op de vier eilandjes in de baai. Het gebied is niet groot en dat is ook de reden dat de tour maar zo kort duurt: binnen een paar minuten ben je bij een vogeleiland (ik geloof dat het Gull Island was). Gelukkig was de mist daar opgeklaard zodat de lading vogels goed zichtbaar was.
Het was grappig om te zien dat elke vogelsoort een ander deel van de hellingen op het eiland in beslag had genomen. In het gras zaten de papegaaiduikers (puffins): er schijnen 260.000 paartjes hier te broeden. Ik had ze natuurlijk al goed gezien in IJsland, ook van heel dichtbij. Maar ze blijven grappig om te observeren.
De boot komt niet heel dicht bij de kust, dus je moet wel goed je zoomlens gebruiken om de individuele vogels te bekijken. Meer nog dan papegaaiduikers is dit het eiland van de zeekoeten. Met hun zwarte kopjes bij elkaar maken ze de indruk van één grote zwarte vlek tegen de grijze rotsen. Maar later bij het bestuderen van de foto’s blijkt er ook nog een andere “zwarte” soort tussen te zitten: de alken. We zien ook nog jan-van-genten en drieteenmeeuwen, in kleinere aantallen.
Als de vogels onraad vermoeden, vliegen ze opeens in een zwerm de zee op. Gezien de enorme aantallen hier is dat een indrukwekkend gezicht.
Ik was al helemaal blij met de vogels, maar deze baai is ook populair bij walvissen. Ze gaan hier voor een snack die bestaat uit grote scholen loddes (capelin), een kleine vissoort die graag in kustgebieden komt om te paren.
Hoewel het niet eens de beste tijd van het jaar was (hoogzomer is nog beter), zagen we dwergvinvissen (minke whales), die een beetje op dolfijnen lijken zowel qua formaat als gedrag. En we konden meerdere bultruggen (humpback whales) volgen.

Praktische info: Ik maakte deze tour met Gatheralls. De tour kostte 80,50 CAD (61 EUR). Je kunt online boeken en ze hebben meerdere afvaarten per dag vanuit Bay Bulls. Ze hebben ook een concurrent, O’Brien’s, die ongeveer hetzelfde doet. Daarnaast zijn er langs de kust nog kleinere organisaties (met kleinere boten), maar het is de vraag of die voldoende klandizie hebben om een tour op een bepaald tijdstip te garanderen.
#798: Mistaken Point
Wat is het?
Mistaken Point is een 17 kilometer lange kuststrook die bekend staat om de vondst van meer dan 10.000 fossiele resten, die dateren van 580 tot 560 miljoen jaar geleden. Ze tonen de overgang van het leven op aarde van microben naar de voorouders van dieren zoals wij die kennen. Deze wezens met een week lichaam leefden op de diepzeebodem en werden tot in het kleinste detail begraven en bewaard door de instroom van vulkanische as.
Cijfer: 7 (De weg er naar toe en de kennismaking met het Avalon-schiereiland is misschien wel het meest gedenkwaardig. En ook dat de fossielen zo oud zijn en nog vrijwel in hun geheel op hun oorspronkelijke plek te bewonderen.)
Toegang: Alleen met een georganiseerde tour vanuit het Edge of Avalon bezoekerscentrum. Deze kost 23 CAD (17,50 EUR). Ik reserveerde 4 weken van tevoren per e-mail, en kreeg de keuze uit twee tijdsslots op mijn voorkeursdag.
Hoeveel tijd: Zo’n 3,5 uur voor de hele expeditie.
Opvallend: Samen met het nog te bezoeken Red Bay in Labrador is Mistaken Point het lastigst te bereiken werelderfgoed van de 10 in Oost-Canada. Het ligt in een zuidoostelijke uithoek van het eiland Newfoundland en het is alleen te bezoeken met een vooraf te reserveren tour. De dag ervoor ben ik al gaan rijden van Deer Lake in het westen naar St. John’s, de grootste stad in het oosten (dat is 6,5 uur). Vervolgens is het nog 2 uur verder naar het zuiden via de “Irish Loop”, een kustweg over het Avalon-schiereiland langs allerlei dorpjes met Ierse oorsprong.
Ik heb geboekt voor de tour van half 11. Er blijken in totaal zo’n 12 mensen mee te gaan, allen Canadezen. We kunnen eerst wat rondkijken in het bezoekerscentrum, waar ook een interessante video wordt afgespeeld. Daarna gaan we in kolonne met onze auto’s achter de gidsen aan, naar het vertrekpunt van de tour. Onderweg komen we groepen mannen tegen op ATV’s – ze zijn op zoek naar een lokale man die sinds de vorige ochtend verdwenen is. Waarschijnlijk is hij bessen gaan plukken. (N.B.: een dag later hoorde ik op de radio dat hij nog niet gevonden was).
Op een parkeerplaats laten we de auto’s achter. We krijgen een bordje met de tekst “Tour” erop om achter de voorruit te leggen: er wordt gecontroleerd op illegale bezoekers. Daarna gaan we te voet verder richting de fossielen. Het is een 3 kilometer lange wandeling door een veenlandschap. We hebben 2 gidsen mee, waarvan er 1 in opleiding is. Helaas is het gaan regenen, dus we gaan niet al te vaak stilstaan voor een verhaaltje over de omringende natuur. Maar mooi is die zeker wel, met bloeiende planten met bessen.
Het wandelpad is gemakkelijk, en er is zelfs recent een houten bruggetje aangelegd om je over een stroompje water te helpen. Uit een verslag van de wandeling uit 2018 had ik gelezen dat je er via wat stenen over moest springen.
Gelukkig is het opgeklaard als we bij de fossielen zijn aangekomen. Deze zijn het beste te zien op twee vlakke, horizontale rotsblokken aan de kust. Je mag op de rotsen lopen, zolang je maar je schoenen uitdoet en andere spullen zoals rugzak of wandelstok achterlaat. We krijgen een formulier met uitleg, en de gids wijst de belangrijkste aan.
Sommige lijken op blaadjes, of op de varens die je ziet in Joggins. Het zijn echter allemaal kleine organismen zonder schild, botten of andere harde delen.
In vergelijking met Miguasha en Joggins zijn hier relatief weinig fossielen weggehaald. Het komt waarschijnlijk doordat ze zo laat zijn ontdekt (1967) – tot in de jaren ’80 was het gebied onbeschermd en zijn er 200-250 verdwenen naar museumcollecties. Je kunt op een enkele plek nog zien dat er een stukje ontbreekt. Ook valt er wel eens een rotsblok van boven op, te zien aan de beschadigingen.
Door erosie raken ze steeds meer fossielen kwijt, maar in de loop der tijd zijn er ook meer kliffen bijgekomen langs de kust waar nieuwe fossielen zijn gevonden – nu is 17 kilometer lang beschermd.
De wandeling terug mogen we op eigen gelegenheid doen en in eigen tempo. Met een bleek zonnetje erbij geniet je meer van de hele omgeving. Boven de kliffen is een smalle strook veen als bufferzone aangemerkt, om de paar honderd meter staat er een paaltje. Behalve toeristen die op een tour als deze meegaan (zo’n 1000 per jaar), mogen ook lokale mensen met een speciale vergunning het gebied betreden. Ze mogen er jagen en bessen plukken; de bakeapple (kruipbraam, een gele braamsoort) is hier populair om jam van te maken.
#799: L’Anse aux Meadows
Wat is het?
L’Anse aux Meadows is de enige bekende Viking-nederzetting en de vroegste Europese nederzetting in Noord-Amerika buiten Groenland. Het was een permanent basiskamp voor exploratie naar en exploitatie van de in Groenland wenselijke hulpbronnen. De nederzetting – met ruimte voor 70 tot 90 bewoners – werd in het begin van de 11de eeuw gesticht en ongeveer tien jaar later verlaten. De site bevat de overblijfselen van acht gebouwen, waaronder een ijzersmelthut, in dezelfde stijl als die in het Noorse Groenland en IJsland.
Cijfer: 6,5 (Het is echt een unieke plek in de geschiedenis. Ook fascinerend om te denken hoe dicht je hier bij Europa bent – de Vikingen hopten van Noorwegen via IJsland en Groenland hierheen, eiland voor eiland. Helaas is er maar heel weinig van over gebleven.)
Toegang: Inbegrepen in mijn Parks Canada Discovery Pas. Anders kost het 12,50 CAD (9,50 EUR)
Hoeveel tijd: Een uur.
Opvallend: Soms denk je dat het Canadees Bureau voor Toerisme het allemaal heeft verzonnen, deze ‘Ontmoeting van twee werelden’ op de noordwestelijke punt van Newfoundland. Dit om toeristen naar een economisch achtergesteld deel van het land te trekken. Voor werelderfgoedreizigers is het nog erger, aangezien L’Anse Aux Meadows in één reisroute moet worden gecombineerd met Mistaken Point, dat volledig aan de andere kant van het eiland op de zuidoostelijke punt ligt. De afstand tussen de twee is 1150 kilometer.
Met nog handig gekozen overnachtingsplekken al langs de snelweg betekende het voor mij gisteren een volle reisdag van 9 uur rijden (plus 2 uur voor koffie-, lunch- en tankstops). De rit was goed te doen (er is heel weinig verkeer), maar vooral op het eerste deel lag er veel water op de weg door de niet aflatende regen van de afgelopen dagen. Dus het kostte wel meer concentratie dan anders.
De regen komt ook met bakken uit de hemel als ik op het parkeerterrein van L’Anse aux Meadows aankom. Hier aan de kust wordt de druilerigheid nog verergerd door mist die er het grootste deel van de dag hangt. En de temperatuur: het is 4 graden! Het is er tegen tienen al flink druk, met zeker zo’n 20 auto’s en campers op het parkeerterrein. Vanaf daar is het een sprint van een paar honderd meter naar de ingang van het bezoekerscentrum.
Ik bekijk eerst de interessante tentoonstelling, met een video en enkele voorwerpen die hier zijn opgegraven. De conclusie dat dit geen inheemse nederzetting was, maar een kamp dat werd bewoond door vroege Europese zeevaarders, wordt toegeschreven aan de vondst van ijzeren voorwerpen en een bepaalde pin die in Scandinavië werd gebruikt om kleding bij elkaar te houden.
Daarna is het tijd me weer naar buiten te wagen. Het is zo’n 10 minuten lopen in de stromende regen over het terrein met de archeologische opgravingen. De contouren van de Noorse constructies lijken vandaag wel op eendenvijvers. Veel is er toch al niet van over: de bewoners staken hun gebouwen in brand toen ze deze plek definitief verlieten.
Om het geheel meer aanschouwelijk te maken heeft Parks Canada enkele turfhuizen en een ijzersmederij nagebouwd.
Vandaag is dat vooral fijn omdat je er binnen kunt schuilen. Gelukkig brandt er een vuurtje in het grootste gereconstrueerde turfhuis, waar drie lokale mannen halfslachtig proberen het Noorse leven na te bootsen van rond het jaar 1021. Zelfs het vuur blijkt nep te zijn – het werkt op propaangas.
#800: Red Bay
Wat is het?
Het Baskisch walvisvaartstation Red Bay omvat de archeologische overblijfselen van de grootste pre-industriële walvisvangstlocatie in het noordoosten van Canada. Het werd in 1530 gesticht door Baskische zeelieden, die jaarlijks een trans-Atlantische reis maakten naar deze plek om in de zomer op walvissen te jagen. Ze verwerkten de walvissen ter plaatse en namen de olie mee naar Europa. Er zijn resten van gebouwen (inclusief ovens voor het smelten van de walvisblubber), walvisbotafzettingen en scheepswrakken gevonden. De overblijfselen liggen vooral onder water of zijn opnieuw bedekt.
Cijfer: 6,5 (De Baskische walvisvaart is maar een voetnoot in de geschiedenis en ze hebben ook nog eens de lokale walvispopulatie leeggevist. Toch is Red Bay een mooie plek die de verre omweg waard is: de uitzonderlijk gunstige natuurlijke haven is door vele groepen bewoners gebruikt. Met z’n onbewoonde eilandjes, typische watervogels, vergezichten en wandelmogelijkheden is het vandaag de dag een perfecte excursiebestemming.)
Toegang: Inbegrepen in de Parks Canada Discovery Pas. Anders kost het 12,50 CAD (9,50 EUR). Dit is inclusief de boottocht naar Saddle Island.
Hoeveel tijd: Drie uur
Opvallend: Als je op de kaart opzoekt waar dit ligt, dan zie je hoe afgelegen en geïsoleerd het is. De eerste “grote” stad van Labrador – met de prachtige naam Happy Valley Goose Bay – heeft maar 8000 inwoners en is 550 km ver weg. Maar gelukkig maakt Labrador deel uit de provincie Newfoundland & Labrador, zodat de provincie een veerboot subsidieert die dagelijks tussen het topje van Newfoundland (nabij L’Anse aux Meadows) en Blanc Sablon (een uurtje ten zuiden van Red Bay) vaart. Ideeal dus voor de werelderfgoedreiziger.
Ik maakte me vooraf wel wat zorgen over deze veerboot: hij krijgt heel slechte recensies, de maatschappij heeft een dramatisch slechte website en je kunt alleen telefonisch reserveren. Bij dat laatste krijg je een reserveringsnummer en ze halen 20 CAD voorschot van je creditcard af. Ter plekke bleek het allemaal nog wel mee te vallen en beide vaarten waren keurig op tijd op een ruim schip. Er gaat ook veel vrachtverkeer en een enkele tourbus mee op deze overtocht van 1,5 uur.
De rit langs de kust van Labrador de volgende ochtend is prachtig. Er ligt hier nog meer sneeuw dan in Newfoundland. Je ziet bergen, eindeloze naaldbossen en snelstromende rivieren.
In het bezoekerscentrum van Red Bay is een tentoonstelling te zien over het leven van de Baskische walvisvaarders hier. Ik loop echter meteen door naar de kade, waar ik mee kan met het bootje dat elk uur toeristen naar Saddle Island brengt. Er zijn maar 3 andere passagiers. Op Saddle Island kun je een wandeling van een uur doen langs enkele archeologische opgravingen. Doordat het vogelbroedseizoen is, is een stuk van het eiland afgesloten en moeten we dezelfde weg terug.
Het is maar goed dat er bordjes met nummers bijstaan, anders was je er zo voorbijgelopen. De Baskische resten bestaan vooral uit ovens. Ook is er een begraafplaats. Ze zijn na te zijn uitgegraven weer bedekt met aarde. Dus op z’n best zie je een verhoging in de grond. Nog erger is het gesteld met de onderwatervondsten: vanaf de kust kun je naar het water staren, waar een paar meter dieper (onzichtbaar) een volledig schip moet liggen.
Terwijl we op de boot terug wachten, vraag ik één van de anderen me op de foto te zetten voor mijn mijlpaal vandaag: het 800ste bezochte werelderfgoed! Ik ben nu op 69,3% van de hele lijst.

Een paar minuten rijden buiten het plaatsje Red Bay ligt de Boney Shore Walking Trail, een wandelpad langs walvisbotten op het strand aan de andere kant van de baai. Ik loop eerst nog verkeerd, maar als ik geen vlonderpad of bordjes zie weet ik inmiddels in Canada dat dit geen officieel wandelpad is. Bovenlangs vind ik gelukkig snel de goede route. Deze is hoog genoeg om weer prachtige vergezichten over de baai te hebben. Er is een binnenhaven en een aan zee gelegen deel. Eilandjes beschermen de ingang, de resten van vorige bewoners zijn nog te zien maar er wonen al lang geen mensen meer.
De walvisbotten zijn eerst wat lastig te vinden – ze liggen niet op het strand en niet aan het pad, maar er net tussenin. Ook lijken het net stenen, maar de vorm verraadt ze toch.
Langs de kust hier zie je ook veel interessante watervogels, die typerend zijn voor dit noordelijke klimaat. Ik ben niet goed in het herkennen, maar met hulp van Google denk ik o.a. een IJsduiker, Eidereend en Middelste zaagbek te hebben gezien.
Om mijn mijlpaal van de 800ste te vieren, eindig ik mijn bezoek in het Whalers restaurant in Red Bay. Hier hebben ze goede Fish & Chips, en ik neem nog een stuk Bakeapple (= bergbraambes) Crumble taart toe!
Port au Choix
Port au Choix is de belangrijkste archeologische vindplaats van resten van de inheemse geschiedenis in het oosten van Canada. Meer dan 4000 jaar oude graven zijn gevonden, en de Paleo-Eskimo’s jaagden er vanaf zo’n 2800 jaar geleden vanaf de kust op zadelrobben en zeehonden.
Ik bezocht het op een volle reisdag, waar ik ’s ochtends eerst de veerboot van Labrador naar Newfoundland nam, en ’s avonds op tijd bij de volgende veerboot naar Nova Scotia moest zijn, 560 kilometer verderop. Maar ik had het zo uitgerekend dat het net kon om bij Port au Choix te stoppen, het ligt langs de route een uurtje ten zuiden van St. Barbe waar de Labrador ferry aankomt.
Het ligt helaas niet helemaal aan de doorgaande weg, je moet nog 12 kilometer richting de kust rijden over een schiereiland. Het landschap wordt hier steeds kaler en desolater, het lijkt wel een woestijn. De opzet is hier net als bij andere Parks Canada sites: er is een bezoekerscentrum waar je de entree moet betalen, een ranger in uniform vertelt je wat je er kunt doen en er is een kleine tentoonstelling.
De ranger legt uit dat het park uit twee delen bestaat, een deel hier en een deel een paar kilometer verderop bij een vuurtoren. Beide delen hebben wat oude opgravingen en moderne sculpturen, en er zijn wandelpaden. Hij maakt me nog lekker met het feit dat er ook kariboes/rendieren rondzwerven in dit gebied, maar mijn verwachtingen om deze dieren in Newfoundland te zien zijn inmiddels niet al te hoog meer.
Ik kijk even rond bij de tentoonstelling, waarbij de oude harpoenpunten het meest tot de verbeelding spreken. Ik focus me echter al snel op de wandeling: ik heb gekozen voor die van 1,5 uur naar Phillips Garden, die start aan de overkant van de weg vanaf het bezoekerscentrum gezien. Hier staat ook uitleg over het bijzondere landschap. Het staat bekend als Limestone Barrens (= kalksteenvlaktes?). Er zijn maar weinig plantensoorten die deze kalkrijke ondergrond kunnen overleven.
De wandeling van 5,4 km in totaal gaat voor een deel over de vlakte, maar ook door een naaldbos.
Het pad eindigt bij een groen grasveld aan de kust. Dat blijkt Phillips Garden te zijn, waar 2800 jaar geleden jagers vrij uitzicht hadden over de baai terwijl zadelrobben dicht langs de kust voorbij trokken aan de rand van het pakijs. De jagers stonden met name in maart en april, wanneer de robben jongen krijgen, klaar om hun prooi te vangen. Per seizoen kampeerden hier maar één of twee jagerfamilies. Eén van hun tentenkampen is teruggevonden, daar komen ook de harpoenpunten vandaan.
Er staan wat borden met uitleg bij, maar alles wat er ooit is opgegraven is ook weer netjes onder de aarde verborgen. Hier is aan het terrein nog minder van de geschiedenis te zien dan in L’Anse aux Meadows of Red Bay.
#801: Grand Pré
Wat is het?
Het landschap van Grand Pré is een polder die door de Acadische gemeenschap is aangelegd voor landbouwgrond. De Acadiërs, afstammelingen van 17de-eeuwse Franse kolonisten, voerden de landaanwinning op een moerasgebied in fasen uit in de 17de en 18de eeuw. Grand Pré is ook de plaats van herinnering voor de Acadische diaspora: de Acadiërs werden van hieruit in 1755 door de Britse koloniale officieren gedeporteerd, en de grond werd in gebruik genomen door Britse Planters.
Cijfer: 4 (Ik heb er geen problemen mee dat de nazaten van de Acadiërs deze plek willen herdenken, maar de universele waarde is ver te zoeken.)
Toegang: Entree tot het bezoekerscentrum en het nagebouwde kerkje is inbegrepen in de Parks Canada Discovery Pas. Anders kost het 8,50 CAD (6,50 EUR). De andere locaties in het gebied zijn gratis te bezoeken.
Hoeveel tijd: Ik was er anderhalf uur.
Opvallend: Na 1,5 week in de Canadese provincie Newfoundland & Labrador ben ik terug in de bewoonde wereld van Nova Scotia. Het is drukker op de weg en er is meer keuze aan radiostations voor de autoradio. Ik heb hier nog twee werelderfgoederen “te doen”, en de eerste daarvan is Grand Pré.
Er is een groots bezoekerscentrum, met een al even zo ruim parkeerterrein. Op deze fraaie zaterdagmiddag staan daar een stuk of 20 auto’s. Binnen word ik meteen gestimuleerd de video te gaan zien, die in het theater wordt afgespeeld. Deze duurt 20 minuten en vertelt vooral het verhaal van hoe de Acadiërs van hun grond zijn verjaagd. Ik heb er een raar gevoel bij – het is net een propagandafilm.
Na de deportatie zijn alle gebouwen door de Britse kolonisten verbrand. In 1922 is het Acadische kerkje herbouwd en dat is nu de blikvanger. Het ligt in een keurig parkje, waar ook nog wat andere monumenten te zien zijn en een appelboomgaard.
Het werelderfgoedgebied is groter: erbij hoort de landbouwgrond in de polder, een houten kerk uit 1861 gesticht door de Britse Planters die de grond nadien bebouwden, en een gedenkplaats voor zowel de Acadiërs als de Planters bij Horton Landing. Met de auto rijd ik langs al deze locaties, ze liggen maar een paar kilometer uit elkaar.
De grote foto bovenaan toont het Acadische Kruis bij Horton Landing, de locatie van waaruit de Acadiërs per boot moesten vertrekken. Dit visuele perspectief, met Kaap Blomidon in de verte, is één van de kernelementen van dit werelderfgoed.
Cape Split
Cape Split is een landtong die uitsteekt in de Fundybaai, in het westen van de Canadese provincie Nova Scotia. Op mijn weg terug van het verre noorden richting het vliegveld van Montreal bracht ik twee dagen in deze omgeving door. Vooral om het werelderfgoed Grand Pré te bekijken, maar ik had ook een 4 uur lange wandeling uitgezocht in het Cape Split Provincial Park.
Op zondagochtend om half 9 trof ik maar 6 auto’s op het grote parkeerterrein. Er zijn geen parkwachters, maar de wandeling en de uitkijkpunten staan goed aangegeven.
Ik had een kustwandeling verwacht, maar de route start door het bos, licht stijgend over een zandpad en hier en daar wat modderig. De alarmroepen van eekhoorns vliegen me om de oren. Het zijn zowel Amerikaanse rode eekhoorns als de kleinere Oostelijke wangzakeekhoorn (chipmunk). Erg schichtig zijn ze niet.
De route is eenvoudig te volgen, er is één pad langs de oostkant (Minas Basin Trail) en één langs het westen (Scots Bay Trail). Een beetje vreemd is dat er om de 500 meter een blauw bordje aan een boom gespijkerd is met hoe ver je al gelopen hebt. Het lijkt een beetje op de bordjes die je langs de autowegen ziet.
Ondanks dat is dit een mooi gebied om te wandelen. Je kunt bijvoorbeeld nog vier kilometer verder langs de kust lopen naar de vuurtoren. Ik kwam onderweg maar één andere bezoeker tegen, maar bij het bezoekerscentrum was het wel wat drukker.
Op het routekaartje staan verschillende uitkijkpunten aangegeven, waar je even van het pad af moet en langs de kustlijn over de baai kunt kijken. Deze afslagen staan onderweg ook goed aangegeven, maar helaas zijn veel van de uitzichten overgroeid. De beloofde kliffen zien er dan ook veel minder ruig uit dan ik verwacht had.
Ik loop dus maar in stevig tempo door. Het blijkt 1 uur en 45 minuten lopen te zijn naar de punt van het schiereiland. Hier is alleen nog gras. Je hebt er een mooi zicht op een sea stack (“brandingspilaar” schijnt het Nederlandse woord te zijn) – een eenzame rots langs de kustlijn. Op de basaltrots zitten natuurlijk weer de nodige aantallen zeevogels. Hier zijn het vooral aalscholvers en grote mantelmeeuwen.
Ik ben niet de enige hier: de auto’s op het parkeerterrein blijken te horen bij een groepje lokale jongens en meisjes. Ze luieren wat in het gras en eten chips. Ook op de terugweg kom ik veel jongeren tegen – er is verder weinig te doen hier in de buurt blijkbaar.
Na ook mijn sap en snacks genuttigd en een tijdje in het gras gezeten te hebben, loop ik via de andere route terug. De Scots Bay Trail is de lastigere van de twee: meer hoogteverschillen en meer stenen. Ook hier heb je weer die uitkijkpunten: met wat moeite zijn hier de kliffen en stranden wel te onderscheiden.
De terugweg is inderdaad een stuk zwaarder dan de heenweg – je kunt de route eigenlijk beter andersom lopen. Ook is het zo tegen het middaguur al behoorlijk warm geworden. Desondanks blijven de wandelaars me tegemoet komen. Na 4,5 uur en 13,9 kilometer gelopen te hebben ben ik weer terug op het parkeerterrein. Daar zijn alle 50(?) parkeerplaatsen bezet en is er zelfs aan de randen geparkeerd.
#802: Lunenburg
Wat is het?
De Oude Stad Lunenburg is het beste voorbeeld van geplande Britse koloniale nederzettingen in Noord-Amerika. Het heeft zijn oorspronkelijke, 18de eeuwse stratenplan behouden, inclusief karakteristieke houten lokale architectuur. Het was een belangrijke zeehaven, waar de mensen leefden van de scheepsindustrie en Atlantische visserij. De bevolking van Lunenburg bestaat voornamelijk uit Duitse, Zwitserse en Franse protestanten die gedurende de eeuwen naar Nova Scotia zijn geëmigreerd.
Cijfer: 6,5 (Het is vrij klein en je kunt vrijwel nergens naar binnen, dus je bent er snel uitgekeken. Maar het is een goed bewaard gebleven geheel van kaarsrechte straten en kleurrijke houten huizen.)
Toegang: Gratis. Het visserijmuseum kost 16 CAD (12 EUR)
Hoeveel tijd: Anderhalf uur.
Opvallend: Er was mooi weer voorspeld, maar een hangt een dichte mist over het stadje als ik er om half 10 aankom. Voor parkeren moet je ook nog eens betalen, in het centrum en aan de haven althans.
Het grote visserijmuseum opent net z’n deuren. Op drie verdiepingen staan attributen uit de Atlantische visserijgeschiedenis uitgestald. Het is meer een pakhuis dan een museum dat een specifiek verhaal vertelt. In 1992 is de kabeljauwvangst vanuit Lunenburg en omgeving stopgezet door de Canadese regering vanwege overbevissing.
Daarna loop ik de heuvel op om een aantal straten met originele huizen te bekijken. De meeste stammen uit de late 19de eeuw – eerdere gebouwen zijn door brand verwoest. Ze hebben bijna allemaal een bordje met de constructiedatum en de geschiedenis van het gebouw. Elk huis is net iets anders van kleur en architectuur, het is leuk om de variatie te zien. Alleen de laaghangende elektriciteitskabels zijn niet zo fraai.
In het centrum is een parkje waar verschillende monumenten staan. Eén daarvan herdenkt de Noorse trainingsaanwezigheid hier in de Tweede Wereldoorlog, toen Noorwegen bezet was door de Duitsers. Zeelieden die hier gestrand waren kregen hier een militaire opleiding. En ook de Werelderfgoed-plaquette heeft er een eigen hoekje gekregen, met wat informatieborden eromheen over het Canadese werelderfgoed.
Ik geloof dat ik alle straten afloop, er is een groot hoogteverschil tussen het havengedeelte en de “bovenstad”. Er zijn opvallend veel kerken, van verschillende protestantse denominaties.
Aan de rand van het plaatsje ligt de voormalige Academie. Het blijkt maar 800 meter lopen te zijn vanuit het centrum, dat geeft wel aan hoe klein Lunenburg is (er wonen nu 2000 mensen). Dit schoolgebouw uit 1895 is het meest imposante nog overgebleven gebouw uit de geschiedenis van Lunenburg. Nu huisvest het de lokale bibliotheek en muziekschool, en wordt het verder gerestaureerd.
Prince Edward Island
Prince Edward Island (standaard afgekort tot PEI, ook op de verkeersborden) is één van de 10 provincies van Canada, en de kleinste. Toen Canada ontstond in 1867 was PEI een separate Britse kolonie, een status aparte die het binnen de Canadese Confederatie voortzette.
Ik kon het niet laten om PEI aan mijn reisschema toe te voegen, aangezien het slechts een omweg van 1,5 uur was van mijn route uit het noorden van Nova Scotia naar New Brunswick. De grootste twijfel zat in de kosten: sinds 1997 is PEI door een brug met het vasteland verbonden. Ze zijn die vast nog aan het afbetalen want een overtocht kost 50,25 (37 EUR). Gelukkig hoef je maar één keer te betalen, bij het verlaten van het eiland.
Het rijden over deze Confederation Bridge is zeker een belevenis. Het is de “langste brug ter wereld over met ijs bedekt water”: 12,9 km lang en er lijkt echt geen einde aan te komen. De betonnen muren aan beide kanten zijn zo hoog dat je onderweg nauwelijks het water ziet. Je mag en kunt nergens stoppen. Op z’n hoogste punt ligt de brug 60 meter boven het water, zodat ook grote schepen er onderdoor kunnen passeren.
PEI is een vlak en dichtbevolkt eiland met veel landbouw (aardappelen!). Het heeft wel wat weg van Nederland of Denemarken. Daardoor voelt het toch anders dan de andere provincies. Ik had er wel een nachtje willen blijven, maar ik moest na een paar uur weer door richting mijn gereserveerde hotel in Monction, New Brunswick.
De grootste toeristische attracties van het eiland zijn de rode zandstenen kliffen en stranden. Ik koos voor Argyle Shore Provincial Park, dat ligt niet al te ver rijden van de brug. Het bleek alleen een stukje kust, maar wel indrukwekkend qua kleuren. Het was er behoorlijk druk in de namiddag, we moesten parkeren in een grasveld. Via een trap kom je op het strand. De meeste mensen komen hier om te zonnebaden of om hun kinderen in het zand te laten spelen. Er zitten ook veel krabben en mosselen.
Ik had gehoopt vanaf hier ook de brug in zijn geheel te kunnen zien, maar dat bleek toch te ver weg.
Terugblik Oost-Canada 2022
Praktische info over reis naar en verblijf in het oosten van Canada (2022). Waar kun je overnachten? Wat kost het? Hoe is het eten?
Dit was mijn tweede keer in Canada. Ik vond het oosten wat gevarieerder en leefbaarder dan het westen, waar ik in 2014 was. Het is een regio gedomineerd door dramatische kustlandschappen.
Newfoundland was zonder twijfel het hoogtepunt van de reis. Waar je op dat eiland ook kijkt, overal is het mooi – een beetje Iers/Schots met uitschieters naar Noord-Noorwegen. Het Gros Morne NP is daarbinnen weer de overtreffende trap, met ook nog eens fantastische bergen.

Voorbereiding
Een paar kleine dingen zijn verplicht:
- eTA: de elektronische toestemming om zonder visum het land in te reizen. Eenvoudig in te vullen.
- Arrivecan app: dit is om je corona-vaccinatiecertificaat te uploaden. Bij aankomst wordt wel gecontroleerd of je het gedaan hebt, maar dat is het dan ook. Verder waren er geen restricties meer in Canada zelf.
Canada is geen land voor goedkope simkaarten. Ik nam daarom een aanvullende databundel op mijn KPN mobiele abonnement, voor 20 EUR. De 2GB data was precies genoeg voor 3,5 week.
Vanwege de sterk verschillende temperaturen en weertypes is het belangrijk om lagen kleding mee te nemen: een T-shirt, een sweatshirt met lange mouwen en een regenjack bijvoorbeeld. Ik reisde in juni, gedurende zo’n 10 dagen was het warm genoeg om in korte broek te lopen (vooral in Nova Scotia), maar het was fris in het noorden van Newfoundland en in Labrador (4-7 graden). De boottochten (Western Brooke Pond, Witless Bay) waren zelfs zo kil dat ik wel handschoenen had kunnen gebruiken.
Daarnaast boekte ik vlucht, auto, veerboten en veel van de hotels al maanden van tevoren: vlucht en auto 8 maanden, en hotels, veerboten en tours zo’n 3 maanden vooraf.
Ook bestelde ik een Parks Canada Discovery Pas, die gratis toegang geeft tot de nationale monumenten en parken. Hij kost 60 EUR inclusief verzendkosten. Je haalt hem er in Oost-Canada net uit, in het Westen heb je er meer aan omdat er meer nationale parken zijn waar je dagenlang blijft.
Veerboten Newfoundland
De veerboten van en naar Newfoundland waren vooraf mijn grootste logistieke zorg van deze reis door Oost-Canada. Hoe ver van tevoren moet je boeken? Hoe gaat dat met de auto? Kun je er slapen? Er is verrassend weinig informatie over te vinden online.
Hieronder volgt wat ik heb geleerd als ervaringsdeskundige in juni 2022. Ik reisde alleen en met een huurauto (een Hyundai Accent, wat in deze streken gezien wordt als een kleine auto). Ik deed twee verschillende overtochten: tussen Nova Scotia en Newfoundland, en tussen Newfoundland en Labrador. Beide twee keer: heen en terug via dezelfde route.
Tussen Nova Scotia en Newfoundland
Aanbod
De enige maatschappij die tussen de twee provincies vaart is Marine Atlantic. Ze hebben zowel boten naar Argentia (in het zuidoosten van Newfoundland, 1.5 uur van St. John’s) als Port aux Basques (in het zuidwesten). De overtocht naar Argentia duurt 16 uur en gaat 3 keer per week. Die naar Port aux Basques gaat tweemaal daags: een keer overdag en een keer ’s nachts. Deze tocht duurt 7 uur. Ze vertrekken allemaal uit North Sydney.
Je kunt kiezen voor een hut, een reserved seat of geen accommodatie (dan slaap je dus op een stoel). De hutten zijn vaak al maanden vooraf volgeboekt voor truckers, en ook nogal prijzig (vanaf ca. 100 EUR).

Ik had gekozen voor de nachtboot, om zo hotelkosten te besparen en geen tijd te verliezen. Je moet minimaal 2 uur van tevoren aanwezig zijn, en maximaal 4 uur. Ik was er eerder en doodde de tijd in het plaatsje New Sydney met avondeten in een restaurant en koffie bij Tim Horton’s. Het vertrek vanuit Port aux Basques ligt wat meer afgelegen, en daar moet je met de auto ook nog door een soort quarantaine straat om de landbouw te beschermen. Omdat de kleine auto’s als eerste ingeladen worden, is het aangeraden om op tijd te komen.
Je checkt hier in via een soort tolpoort. Dan krijg je je boardingpas, die zowel geldt voor je auto als voor eventuele accommodatie aan boord die je geboekt hebt. Personeel geeft dan aan in welke rij je moet aanschuiven met de auto. Als ze starten met inladen, gaat dat per rij. De kleine auto’s worden onderin gestouwd: op aanwijzingen van personeel moet je je plekje achterwaarts indraaien. Er is voldoende ruimte (zeker niet krap inparkeren) en het wordt als een militaire operatie georganiseerd.

Aan boord had ik een zogenaamde reserved seat. Dit bleek een verstelbare, business class-achtige stoel in een afgescheiden ruimte. Het beviel me erg goed, op de terugweg heb ik zelfs de hele nacht geslapen. Er zijn stopcontacten om je telefoon op te laden, een bijzettafeltje en voetensteun. De stoelen zijn zo breed dat je ook op je zij kunt draaien. Heen was het wat frisjes, trek warme kleren aan of neem een deken mee. Misschien maar 30% van alle stoelen waren bezet, dus het was er ook lekker stil.

Tussen Labrador en Newfoundland
Aanbod
Ook hier is maar 1 maatschappij die de overtocht maakt: Labrador Marine Inc. Ze hebben een route die eens per week langs enkele kuststeden gaat, maar de meest praktische overtocht is de dagelijkse tussen St. Barbe (Newfoundland) en Blanc Sablon (Labrador).
De rammelende website stond me niet toe online te boeken, maar ze hebben sowieso liever dat je belt geloof ik. Let op de tijdsverschillen met Nederland! Er zit een service desk klaar, die gericht vragen stelt en helder Engels spreekt. Het is handig om vooraf op de website je gewenste tijdstip van de overtocht op te zoeken, dan gaat het vlot. Als bevestiging van de reservering krijg je een nummer (alleen mondeling) en halen ze 10 CAD per overtocht van je creditcard af als aanbetaling.

De vaart
Je moet hier 1 uur van tevoren aanwezig zijn (let op: ze varen op de Newfoundland tijdzone, ondanks dat Blanc Sablon in Québec ligt en het daar 1,5 uur vroeger is). Dan ga je eerst bij een kantoortje iets buiten de haven je boardingpas ophalen. Vanuit Labrador stond hier een lange rij. Ze zoeken je reservering op naam op, maar in geval van twijfel is het handig de reserveringscode van je boeking bij je te hebben.
Ook hier word je dan weer naar een baan gedirigeerd, die voor kleine auto’s in mijn geval. Deze boot is een stuk kleiner dan die naar Nova Scotia, maar er kunnen toch ook wel heel wat vrachtwagens en bussen op.

De overtocht duurt 1,5 uur. Je moet uit je auto en kunt zowel buiten op het dek gaan staan (was het veel te koud voor) of binnen op één van de vele stoelen gaan zitten. Er is ook een restaurant, waar je ontbijt of lunch kunt halen.
Veelgestelde vragen
Word je zeeziek onderweg?
Dat ligt natuurlijk aan het weer en hoe gevoelig je ervoor bent, maar dit zijn grote schepen die erg stabiel zijn. Ik heb niks gevoeld.
Hoeveel kost het?
- Labrador (naar St. Barbe): 35,25 CAD (27 EUR) enkele reis voor 1 persoon met auto
- Nova Scotia (naar Port aux Basques): 179,53 CAD (136 EUR) enkele reis voor 1 persoon met auto en reserved seat
Moet ik vooraf reserveren?
In het hoogseizoen (juli/augustus) zeker. Ik was er in juni, en op de boot naar Labrador lieten ze nog wel last-minute campers toe. Ook op de boot naar Nova Scotia zag ik online een dag van tevoren nog wel plek. Maar ik zou er niet op gokken, het verschilt per dag en de veerboten zijn veel drukker dan je zou zeggen op basis van het verkeer op Newfoundland. Ik maakte mijn reserveringen zo’n 3 maanden vooraf.
Overig vervoer
Internationale vluchten
Ik vloog met KLM heen en weer naar Montreal. Heen was het 8 uur vliegen, terug maar 6 uur. Met mijn Flying Blue Gold status heb ik gelukkig geen last gehad van lange wachtrijen op Schiphol. Op de terugreis bracht ik een paar uur door in de Air France-lounge in Montreal: je kunt er comfortabel zitten, het aanbod aan eten was niet zo groot.
Autohuur
Mijn auto (Hyundai Accent) had ik al 8 maanden van tevoren geboekt bij Budget. Toen waren de prijzen nog redelijk, ik betaalde 40 EUR per dag.
Auto rijden in het oosten van Canada is erg gemakkelijk. Meest heb je lange snelwegen, soms moest ik 520 kilometer rechtdoor! Juni is wel het “pothole season”: dan liggen er nog allemaal gaten in de weg door de vorst van de winter, die moeten nog opnieuw geasfalteerd worden. Vooral op Newfoundland en rond Montreal was het erg gesteld met het wegdek.
De benzine is er nog een heel stuk goedkoper dan in Nederland, ik betaalde 45 EUR voor een volle tank.

Hotels
Hier heb ik het meest mijn best gedaan om kosten te besparen. Met een gemiddelde van een kleine 85 EUR per nacht ben ik erg tevreden. Eigenlijk was het 78 EUR per nacht, maar ik moest 1 boeking annuleren omdat ik voor een iets andere (kortere) route koos op de langste reisdag. Deze budgetbeperkingen leverden me we wel een paar vreemde overnachtingsplekken op (met name in St. Anthony en Pictou), maar het was altijd schoon en veilig.
Montreal: Auberge St. Jacques
Dit is een echt motel, gelegen in een industrieterrein-achtige buitenwijk van Montreal. Het is populair bij overnachtende werklieden. Er is wel een supermarkt en een enkel restaurant in de buurt. Nette kamer.
Kosten: 63 EUR per nacht zonder ontbijt
Kingston: Hilltop Motel
Dit was net iets meer verouderd dan het vorige, maar toch ook goed genoeg opgeknapt. Een echt motel aan de rand van de stad (auto voor de deur), niet ver van restaurants en winkels.
Kosten: 62 EUR per nacht exclusief ontbijt
Québec: Repotel Henri IV
Een groot hotel in een niet zo inspirerende buurt. Maar met prima kamer, met grote TV, zitje, en veel stopcontacten. Voor restaurants en supermarkten kun je beter een eindje gaan rijden.
Kosten: 76 EUR per nacht exclusief ontbijt
Carleton sur Mer: Motel L’Abri
Een erg nieuw motel. Ik had er een soort studio met zitje, keuken, badkamer met ligbad. Je kunt er ook buiten zitten en Carleton sur Mer is een leuk plaatsje.
Kosten: 85 EUR per nacht exclusief ontbijt
Amherst: Comfort Inn
Dit is een standaard Amerikaans ketenhotel met een lekker bed. Het ligt in een buurt met restaurants en een Walmart Superstore op loopafstand.
Kosten: 112 EUR per nacht inclusief ontbijt
Deer Lake: Deer Lake Motel
Dit is een beetje chaotisch hotel, dat begon al bij het boeken toen we een heel lange mailwisseling kregen omdat ik een dag wilde bijboeken. Met een verouderde kamer, langzame wifi, maar wel een wasmachine voor gasten en een lekker bed. Een stevig ontbijt (ei, spek, aardappels) in de ochtend in het degelijke restaurant hoorde erbij. Het ligt heel gunstig, pal aan de afslag richting het Gros Morne Nationaal Park vanaf de Transcanada Highway.
Kosten: 113 EUR per nacht inclusief ontbijt
St. John’s: Ramada by Wyndham
Verouderd hotel met een slome check-in. De kamer was een suite, een beetje muf en gehorig.
Kosten: 64 EUR per nacht exclusief ontbijt
Clarenville: Quality Hotel
Dit ligt langs de snelweg en is populair bij groepsreizen met de bus. Ik had er een ruime kamer inclusief ontbijt. Het heeft ook een populair restaurant, dat vrij goed maar wel duur was. Ik boekte dit hotel pas een paar dagen van tevoren, vandaar de (te) hoge prijs. Maar het scheelde me anderhalf uur rijden op een reisdag van wat anders 1030km zou zijn geweest.
Kosten: 140 EUR per nacht inclusief ontbijt
St. Anthony: Wildberry County Lodge
Hier kun je wel een boek over schrijven. Het is een soort uit de kluiten gewassen blokhut ergens aan de doorgaande weg richting L’Anse aux Meadows en St. Anthony, ver van andere huizen. ’s Nachts was het er dus ook lekker stil. Spartaanse maar schone kamer. De wifi was te traag om foto’s te kunnen uploaden. Het ontbijt kun je zelf pakken uit de keuken, maar de warme delen worden door de eigenaar op de kookplaat gelegd. Dit leidt tot een gezellig ontbijt met hem en andere gasten. Brood, muffins en jam worden vers aangeleverd door zijn 87-jarige moeder, die we echter niet te zien krijgen.
Kosten: 76 EUR per nacht inclusief ontbijt (cash te betalen, ze lijken een conflict te hebben met Booking.com)
Blanc Sablon: Auberge Motel 4 Seasons
Weer een motel gerund door een oude moeder en haar zoon? Nou ja, je ziet ze bijna niet. Ontbijt mag je zelf pakken en maken in de keuken.
Kosten: 100 EUR per nacht inclusief ontbijt
Pictou: Braeside Country Inn
Hier hanteren ze een strakke check-in tijd van 3 uur in de middag, voor die tijd doen ze gewoon de deur niet open. Ik overbrugde de tijd in de lokale Tim Hortons, net als andere gasten en de lokale bejaarden. Ik heb altijd een hekel aan zo weinig flexibiliteit, maar de Aziatische vrouw die dit hotel runt lijkt het helemaal alleen te doen dus ik vergeef het haar. Het is een oud landhuis, de Engelse Princess Anne was hier ooit ook (vast in betere tijden). Goed continentaal ontbijtbuffet. Ik had er een echte eenpersoonskamer. Snelle wifi.
Kosten: 68 EUR per nacht inclusief ontbijt
New Minas: Slumber Inn
Beetje oud van buiten, maar modern van binnen. Heel vriendelijk. Misschien wel het meest comfortabele hotel van de hele reis. Goed bed. Redelijk ontbijt. Hele dag gratis koffie uit bonenkoffieautomaat.
Kosten: 91 EUR per nacht inclusief ontbijt
Moncton: Quality Inn
Ik krijg een upgrade naar de Jacuzzi room waar de jacuzzi het niet doet. Wel heb ik een hele suite met keuken en zithoek.
Kosten: 95 EUR per nacht inclusief ontbijt
Cabano: Motel Royal
Leuk Franstalig plaatsje. Het motel ziet er fris uit en je kunt lekker buiten zitten.
Kosten: 80 EUR per nacht exclusief ontbijt
Eten
Ontbijt
Bij ongeveer de helft van de hotels was het ontbijt inbegrepen. Dat kwam in vele verschijningsvormen. In de ketenhotels was het de gebruikelijke Amerikaanse karigheid, met alles voorverpakt in plastic. In de meer traditionele Canadese familiehotels krijg je een bord vol gebakken eieren, worst, spek, gebakken aardappelen en beboterde toast.
Het meest gelukkig was ik in de hotels waar ze een self-service ontbijt hadden – dan pakte ik yoghurt en geroosterde bagels. Voor de andere dagen reed ik rond met een heel bruin brood in de kofferruimte van mijn auto, gecombineerd met een potje honing en een pakje smeerkaas. Koffie was op bijna alle kamers wel aanwezig.

Lunch en tussendoor
Op lange autoritten in Canada is Tim Hortons niet weg te denken: deze keten met koffie en snacks/broodjes zit werkelijk overal. Het is er erg goedkoop, een koffie plus een bagel heb je al voor zo’n 4 EUR. Verder kan ze het niet schelen of je er de hele dag zit, dus het is ook een handige plek om wat wachttijd te overbruggen (de wc’s zijn ook aan te raden).

Diner
De (fast food) ketenrestaurants zijn hier dominant, maar in elke plaats (in ieder geval in de wat meer toeristische) hebben ze toch wel één fatsoenlijk restaurant. Ik heb er veel vis gegeten, voor het eerst een hele kreeft in Gros Morne (25 EUR), maar vaak ook zalm of fish&chips. In de stad Québec at ik onderstaande bonensoep en pastei, wat wel laat zien dat het hier het grootste deel van het jaar erg koud is.

Van de ketenrestaurants kon mij Pizza Delight het meest bekoren, ze hebben er stevige Amerikaanse-stijl pizza’s ook met hartige toppings.
Kosten
Je betaalt hier eigenlijk alles met een creditcard. Ik had één hotel waar je cash moet betalen, daarvoor heb ik gepind. Verder heb ik nergens cash gebruikt. De prijzen in restaurants worden meestal aangegeven zonder belasting en fooi, dus je bent zo’n 30% duurder uit dan het lijkt.
Met 235 EUR per dag (exclusief internationale vlucht) zit ik 17 EUR hoger dan in West-Canada in 2014. Maar nog net onder Australië en IJsland bijvoorbeeld. Vooral voor hotels en eten is het goed mogelijk binnen een redelijk budget te blijven. De transportkosten (autohuur, benzine, veerboten) maakten dit een dure reis, maar dat weet je bij een road trip.
De kosten waren als volgt verdeeld:
| Land | Per dag | Hotels | Vervoer | Eten | Overig |
| Canada | 235 EUR | 85 EUR | 107 EUR | 28 EUR | 15 EUR |

































































Leave a comment