Palma de Mallorca
Met z’n 400.000 inwoners komt Palma over als een doorsnee grote Spaanse stad: je krijgt hier niet snel het eilandgevoel. Ik ga me er toch een halve dag proberen te vermaken, op doorreis van het internationale vliegveld naar het buureiland Menorca.
Bovenaan mijn lijstje om te bezoeken staat La Seu, de kathedraal van Palma. Onder de vele gotische kathedralen in Zuid-Europa is dit één van de hoogste. Hij werd gebouwd op een prominente plek op een klif vlak aan zee; die zee rijkt nu niet meer zo ver, maar er is een zoutwatermeertje aangelegd om dit maritieme effect ook in de 21ste eeuw te creëren. Zo van de zijkant lijkt de kathedraal met z’n vele zijbeuken trouwens wel op de Grote Moskee van Djenné.

Ik loop er eerst rustig een rondje omheen. De stenen heb een warme oranje-rode gloed, zelfs nu er alleen maar een waterig zonnetje schijnt. Er zijn twee gebeeldhouwde portalen die de aandacht trekken. Ze zijn in de 16de eeuw aan het gebouw toegevoegd in een plateresco stijl (“op de wijze van de zilversmid”) – simpelweg heel verfijnd en delicaat. Je blijft kijken naar wat er allemaal afgebeeld is.

Om naar binnen te mogen moet je 8 EUR entree betalen. Dat is hier zeker de moeite waard: de kathedraal is heel licht van binnen en er is een grote variatie aan kapellen te zien die de standaard barok en overdaad aan goud ver te boven gaan. Een bijzonder voorbeeld is de kapel van het Heilige Sacrament: naar een ontwerp van de Majorcaanse kunstenaar Barcelo zijn de muren met klei bedekt. Met grijze en blauwe kleuren wordt zo de suggestie van een zeebodem gewekt.
Gaudí heeft ook zijn steentje bijgedragen aan het interieur: onder andere de frêle baldakijn boven het altaar is van zijn hand.

Een ander hoogtepunt van Palma zijn de Arabische baden: de restanten van een badhuis uit de Moorse periode van het eiland (ca. 10de eeuw). Ze liggen aan een achterafstraatje. Hier betaal je 3 EUR voor de toegang. Het bad hoorde bij het huis van een hooggeplaatste persoon. De verschillende ruimtes van het badhuis, waar de warme en koude baden waren, zijn nog goed bewaard gebleven.

In het badhuis zijn Romeinse en Byzantijnse elementen hergebruikt. Het mooiste deel is het tepidarium, het centrale deel waar het lauw-warme bad was en er volop gesocialized werd. Daglicht valt er naar binnen door 25 openingen in het halfronde plafond. Hierna loop je de tuin in, een kleine oase met palm- en sinaasappelbomen in het hart van de binnenstad van Palma.

Helaas is het stilaan steeds harder beginnen te regenen. Er zijn gelukkig genoeg portieken in Palma om onder te schuilen, maar een lange wandeling naar het Castell de Bellver zie ik niet meer zitten. Ik steek nog snel de Plaza Mayor over, het centrale plein dat niet meer zo’n grootse uitstraling heeft door de vele goedkope eettentjes die er zijn neergezet.
Dat “goedkope” overheerst sowieso wel in Palma, een overnachting is het mij niet waard en ik laat het bij dit bliksembezoek van zo’n 3 uur.

Talayotisch Menorca
“Talayotisch Menorca” staat op de nominatie om in 2022 werelderfgoed te worden. Daar moest ik dus vast heen! Menorca lijkt heel graag een werelderfgoed helemaal voor zichzelf te willen hebben, zonder connectie met buureiland Mallorca dat het altijd al overschaduwt.
“Talayotisch” slaat op de prehistorische periode van het eiland, tussen 2100 en 123 voor Christus. Uit die tijd zijn er vele graftombes, torens, heiligdommen en resten van nederzettingen overgebleven. In totaal zijn er 24 locaties, verdeeld over 9 clusters, die tot het werelderfgoed gaan behoren. Omdat geen van deze plekken handig te bereiken is met het openbaar vervoer, kies ik ervoor om een dag een e-bike te huren bij Bike Menorca. De afstanden tussen de locaties in het zuidoosten van Menorca zijn perfect geschikt om te fietsen.
Mijn bezoek begint niet goed: ik raas voorbij de afslag naar Talati de Dalt. Deze nederzetting, naar verluidt één van de interessantste, staat niet aangegeven vanaf de ME12. Later ontdek ik dat de enige ingang aan de ME1 ligt, de grote weg dwars over het eiland die ik met mijn fietsje maar heb vermeden. Torralba d’en Salort vind ik wel, maar met een stevig afgesloten hek eromheen (zie foto hierboven). Ik rijd dus meteen maar door naar de stad Alaior, waar ik mijn lunchpauze heb gepland omdat het de enige grotere plaats in de omgeving is.
Gelukkig is de volgende Talayotische plaats op mijn lijst, Torre d’en Galmes, wel open. Er staan zelfs 2 auto’s van andere bezoekers op de parkeerplaats. En er is een heus fietsenrek voor mijn fiets! In het winterseizoen is de ingang niet bemand, dus ik hoef niet voor een kaartje te betalen. De site is gemakkelijk zelf te bezoeken, met informatieborden om uit te leggen waar je naar kijkt.
De overblijfselen van de nederzetting spreiden zich naar beneden uit vanaf een heuveltop, waar de uitkijktorens en de heilige plekken stonden. Beneden liggen de omtrekken van talrijke ronde woningen. Het lijkt op Su Nuraxi di Barumini in Sardinië, waar ik vorig jaar nog was.
De door stenen muurtjes omsloten woningen hadden een efficiënt wateropvangsysteem, waarbij het regenwater werd opgeslagen in reservoirs voor de voordeur. Binnen de omheining waren er verschillende “kamers”, waaronder een keuken en ruimtes voor de schapen en geiten. Sommige waren “hypostyle” ruimtes, gevuld met zuilen. Zorgvuldig gebalanceerde stenen platen worden ondersteund door zuilen die aan de basis smaller zijn dan aan de bovenkant.
Torre d’en Galmes is de grootste onder de prehistorische nederzettingen op Menorca. Het heeft van alles wat: torens, huizen, graven, ceremoniële plekken. Ik liep er ongeveer een uur rond, er is veel te ontdekken en je kunt overal naar binnen.
De structuren hier in Torre d’en Galmes, zoals bij de meeste Talayotische sites, hebben zich over een lange periode ontwikkeld. Sommige waren tot in de Moorse tijd, tot aan de 13de eeuw, bewoond.
In totaal fiets ik deze dag zo’n 45 kilometer. Het is behoorlijk winderig en minder vlak dan ik had gehoopt. Gelukkig was er de trapondersteuning van de e-bike! Op sommige stukken is er een fietspad, op andere delen fiets je langs de grote weg of (in de stad) over het trottoir.
Op de terugweg naar Mahon, waar ik overnachtte, bezoek ik nog twee andere Talayotische plekken. Van So Na Caçana denkt men dat het een ceremonieel centrum voor de hele regio was. Het verschil met een “gewone”nederzetting is voor een leek echter niet zichtbaar. Het meest indrukwekkende bouwwerk hier is de hoge, vierhoekige Talayot (uitkijktoren) die dateert uit de 8e eeuw voor Christus.
Trepuco tenslotte ligt aan de rand van de Menorcaanse hoofdstad Mahon. Ook hier is er van alles wat, maar op veel kleinere schaal dan bij Torre d’en Galmes. Het heeft wel een mooi exemplaar van een T-vormige Taula (een stenen structuur die bij ceremonies wordt gebruikt). Het is een wonder dat de horizontale plaat op zijn plaats blijft. De monumenten hier staan tegen zonsondergang mooi in het licht.
#764: Serra de Tramuntana
Wat is het?
Het Cultuurlandschap Serra de Tramuntana is een door mensen voor landbouw geschikt gemaakt gebied in een bergketen op Mallorca. Op de landgoederen werden en worden nog steeds olijven, druiven en sinaasappels verbouwd. De grond is door de aanleg van landbouwterrassen en irrigatiekanalen productief gemaakt. Daarnaast werden er steden, dorpen, kerken en kapellen gesticht.
Cijfer: 6,5 (Prachtige omgeving met steile bergwanden en heel veel groen. Vooral geschikt om te wandelen, er zijn geen bezienswaardigheden die je echt gezien moet hebben).
Toegang: Het is een heel groot gebied, zonder specifieke toegangspunten. Gratis te bezoeken dus.
Hoeveel tijd: Ik was er 2 dagen.
Opvallend: Dit is een populair wandelgebied, dat zelfs buitenlandse langeafstandslopers trekt voor een weekendje vanuit Noord-Europa. Er gaan veel vluchten naar Palma de Mallorca, en vandaar is het nog maar zo’n 3 kwartier met de bus en je zit midden in dit berggebied. Er zijn toppen tot 1250 meter, de bergketen doorkruisen van west naar oost via de GR221 kost zo’n 4 dagen en er zijn berghutten om in te overnachten.
Een eerste, gemakkelijkere manier om het gebied te leren kennen is bus 203 vanuit Palma. Deze neemt de lange route, via de bergdorpjes Valldemossa en Deia, om uiteindelijk aan de noordkust te eindigen in Port de Soller. Het zijn smalle bergwegen, waar twee bussen elkaar niet kunnen passeren. De stenen dorpen lijken op dramatische wijze tegen de bergwanden geplakt.
Ik overnachtte in Soller, het meest levendige plaatsje dat ik tijdens mijn kleine week in november op Mallorca en Menorca tegenkwam. Mijn pension zat vol, en de meeste restaurants waren gewoon open en met veel gereserveerde tafels.
Op zaterdag deed ik een rondwandeling tussen Soller en Fortnalux. De wandelpaden staan hier aangegeven met bordjes, maar je moet er wel een hulpmiddel naast hebben om echt je weg te vinden. Ik had een beschrijving van internet geplukt en mijn telefoon met maps.me navigatie mee.
De “lange weg” van Soller naar Fortnalux loopt meest over onverharde paden tussen de boerderijen door. Veel stenen hier: van stapelmuurtjes tot aan de bestrating. Vanochtend hoorde ik een Engelse toerist tijdens het ontbijt vragen of deze weggetjes uit de tijd van de Romeinen stammen – “Nee” was het antwoord van de pensionuitbaatster, “ze zijn 2 jaar geleden door de Spaanse overheid aangelegd”!
Iedere centimer hier lijkt wel te zijn benut om landbouw te kunnen bedrijven. De velden staan vol met citroenbomen en ik zie ook amandelen. Met hier en daar een palmboom ertussen is het een mooi groen landschap met kleurige accenten van bloemen en planten.
Het pad wordt redelijk druk bewandeld: ongeveer elke 10 minuten kwam ik wel iemand tegen, toeristen, joggers of mensen met een hond. Het plaatsje Fortnalux is zo’n goed gerestaureerd stenen dorp waarvan je er in deze streek veel ziet. Op een terras op het dorpsplein pauzeerde ik even.
Op de terugweg naar Soller liep ik langs de andere kant van het dal, via het plaatsje Biniaraix. Hier loop je een deel over de doorgaande weg en ook de rest van het pad is meest verhad. Dit vond ik een minder mooi deel dan de “heenweg” via Binibassi. In totaal liep ik deze dag 11,2 kilometer.
Voor de zondag had ik nog zo’n mooie wandeldag in gedachten, maar het weer zat tegen. Ik ging nog wel op weg van Soller naar Port de Soller, maar het regende dusdanig stevig door dat ik halverwege maar de bus pakte om me naar de eindbestemming te brengen.
Port de Soller bleek een wat verlopen badplaats, misschien veroorzaakt door het winterseizoen of door coronasluitingen. Ik liep nog wel helemaal omhoog naar de vuurtoren van Cap Gros, zodat ik deze dag toch ook nog ruim 9 kilometer wandelde. De steile kliffen aan de kust zijn vanaf hier maar deels te zien.














Leave a comment