- Programma Costa Rica 2021
- San José
- Guayabo
- #742: Talamanca reservaten
- De Pan-Amerikaanse weg
- Uvita
- #743: Stenen bollen van de Diquís
- Van Sierpe naar Drake
- Corcovado
- Drake Bay Hiking Trail
- Manuel Antonio
- #744: Guanacaste
- Terugblik Costa Rica 2021
Programma Costa Rica 2021
Veel reizigers komen enthousiast terug uit Costa Rica, maar het heeft bij mij nooit hoog op het verlanglijstje gestaan. Er is iets teveel massatoerisme, vooral van Amerikanen voor wie dit ongeveer de achtertuin is. Maar in het coronatijdperk wordt het opeens een heel aantrekkelijke optie: het is een land met een goede gezondheidszorg, lage besmettingscijfers en open voor toeristen.
Ik heb een route van twee weken in elkaar gezet. Daarop ga ik natuurlijk langs drie van de vier werelderfgoederen (het vierde is een afgelegen eiland dat niet te bereiken is). Ook probeer ik in de weelderige natuur mijn zoogdierenlijst aan te vullen. En ik ga op stap langs cultuur en architectuur aan de hand van de aanbevelingen van een Costa Ricaanse werelderfgoedliefhebber.
Ik reis rond per huurauto. Het programma is ongeveer:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 19 maart | Vlucht Amsterdam – San José: 12.35-17.20 KL0759. Vluchtduur is ruim 11 uur. Het is in Costa Rica 7 uur vroeger dan in Nederland. | Fleur de Lys, San José |
| 20 maart | Hele dag in San José. Op pad met ‘collega’ Esteban langs moderne architectuur en monumenten in de hoofdstad van Costa Rica. | San José |
| 21 maart | Auto ophalen en dan door naar Guayabo, de ruïnes van een stad van voor de komst van de Spanjaarden (2 uur rijden). Daarna door naar Orosi (1,5 uur). | Orosi Lodge, Orosi |
| 22 maart | Bezoek aan het park Tapanti Macizo de la Muerte, een zeer nat regenwoud, onderdeel van het Talamanca Natuurreservaat (WE1). In de middag ga ik nog naar wat oude kerkjes in de Orosi-vallei. | Orosi |
| 23 maart | Rit door de bergen langs nog meer delen van het werelderfgoed en kort bezoek aan het Quetzal Nationaal Park. Na 4 uur aankomst in de kustplaats Uvita. | El Paraiso, Uvita |
| 24 maart | Rustdag in Uvita, met een lange strandwandeling, of eventueel toch nog een dagtour per boot. | Uvita |
| 25 maart | Korte rit naar de Stenen ballen van de Diquis (WE2). Rondleiding over één of hopelijk meerdere vindplaatsen. | Hotel Margarita, Sierpe |
| 26 maart | Auto achterlaten op een parkeerplaats in Sierpe, en dan met de boot naar Drake (1 uur). Deze vaart vanuit de rivier via een mangrovegebied de zee op naar de kustplaats Drake op het Osa schiereiland. | Sunset Lodge, Drake |
| 27 maart | Dagtocht naar het natuurreservaat Corcovado: 1,5 uur met de boot en dan met een gids de wandelpaden af op zoek naar apen en tapirs. | Drake |
| 28 maart | Misschien een extra dag in Corcovado (met overnachting) of een natuurtour elders op het schiereiland. | Drake |
| 29 maart | Boot terug naar Sierpe (1 uur) en dan met de auto door naar Manuel Antonio (2 uur). | Millenium, Manuel Antonio |
| 30 maart | In de vroege ochtend bezoek aan Manuel Antonio Nationaal Park, een compact park met laaglandregenwoud en veel aapjes. Daarna doorrijden naar Liberia (4 uur). | Hotel Las Espuelas, Liberia |
| 31 maart | Bezoek aan Santa Rosa park, onderdeel van Guanacaste (WE3). Daarna nog een uur rijden tot bij de lodge. | Rinconcito Lodge, Hacienda Santa Maria |
| 1 april | Wandeltour door Rincon de la Vieja park, ook onderdeel van WE3. Park met watervallen, heetwaterbronnen en vulkanische activiteit. | Hacienda Santa Maria |
| 2 april | Terugrijden naar San José (3,5 uur). Terugvlucht om 19.15 uur met Air France via Parijs. | Vliegtuig |
| 3 april | Aankomst 19.15 uur in Amsterdam | Thuis |
San José
Bij elk ‘nieuw’ land dat ik bezoek, plan ik altijd minstens een volledige dag in de hoofdstad in. Ook als die hoofdstad op papier niet zoveel bezienswaardigs heeft. Hier kom je er meestal het beste achter hoe het land zichzelf ziet en wil presenteren aan de buitenwereld.
De hoofdstad van Costa Rica, San José, is zo’n typische hoofdstad die gemakkelijk wordt overgeslagen. Gelukkig was ik er in de handen van mede-werelderfgoedreiziger, geboren Costa Ricaan en architect Esteban. Hij heeft me er een volle dag rondgeleid. We begonnen ’s ochtends met een wandeling van het ene architectonische hoogtepunt naar het andere in de rustige woon- en zakenwijken net buiten het stadscentrum. Brede trottoirs maken het wandelen gemakkelijk, het gebrek aan zebrapaden is wat minder. De bloeiende paarse Jacaranda’s verzachten het straatbeeld.
Het probleem met San José is dat het in het verleden nooit zo rijk is geweest, het heeft geleden onder zware aardbevingen en veel is er met de grond gelijk gemaakt omdat het allemaal moderner moest. Dat laatste is nog steeds aan de gang, het aanleggen van parkeerplaatsen is de nieuwe rage. We stopten onder meer bij scholen, privéwoningen, voormalige fabrieken en het treinstation. De architectuurstijlen variëren van neoklassiek tot “Hollywood koloniale stijl”, eclectisch en brutalistisch. We hebben er letterlijk tientallen gezien, maar ze zijn moeilijk te vinden voor een buitenstaander omdat ze zo verspreid liggen.
San José heeft geen werelderfgoed maar wel twee plekken die ooit genomineerd zijn geweest: het Nationaal Monument en het Nationaal Theater. Beiden zijn in 1980 zonder opgaaf van redenen afgewezen.
Het Nationaal Monument is een groots bronzen beeld dat de overwinning van Costa Rica in de oorlog van 1856-57 herdenkt – een oorlog tegen de binnendringende troepen van de Amerikaan William Walker die Engelssprekende slavenkolonies wilde creëren in Midden-Amerika. Het beeld toont alle betrokken partijen (vrouwen die elk een Midden-Amerikaans land vertegenwoordigen en de vluchtende William Walker). Het is een deel van de geschiedenis waarvan maar weinig mensen in de rest van de wereld zullen hebben gehoord, maar het staat voor de onafhankelijkheid van Midden-Amerika. Het monument ligt midden in een gezellig stadsparkje.
Het Nationale Theater werd geopend in 1897, tijdens een economische bloeiperiode veroorzaakt door de export van koffie en betaald door een belasting op koffie. Het wordt beschouwd als het mooiste historische gebouw in San José en staat bekend om zijn weelderig ingerichte interieur. Helaas kwamen we niet verder dan de lobby, aangezien het alleen bezocht kan worden met een rondleiding waarvoor we te vroeg waren. Toch was het het meest weelderige gebouw dat we zagen gedurende de hele dag.
Lunchen deden we op de Centrale Markt van San José. Als je de goede ingang tot het overdekte complex kunt vinden wacht daar een verzameling van verrassend schone restaurantjes. Je zit aan een bar, wordt bediend en het eten wordt in de keuken één verdieping hoger gemaakt. Ik neem een menu met gebakken vis – met rijst, bonen en gebakken banaan die je hier overal bij krijgt.
San José heeft drie belangrijke historische musea: het Nationaal Museum, het Goudmuseum en het Jade Museum. We bezochten alleen de eerste twee. Beiden rekenen forse prijzen voor buitenlandse toeristen (11 dollar), terwijl de Costa Ricanen voor een veel lager bedrag naar binnen mogen.
Het Nationaal Museum is bijna symbolisch gehuisvest in een voormalige legerkazerne, die niet meer nodig was toen het Costa Ricaanse leger in 1948 werd afgeschaft. Twee van de wachttorens (één met veel kogelgaten) staan er nog steeds, evenals de kerkers waar gevangenen werden vastgehouden. De eerste ruimte van het museum is een vlindertuin, ongetwijfeld de eerste die ik ooit ben tegen gekomen in een Nationaal Museum! Daarna betreed je het centrale plein van de kazerne, hier zijn een aantal stenen bollen uit het Diquis-gebied gebracht. Hiervan ga ik er later op mijn reis nog veel meer zien.
De meer conventionele tentoonstellingsruimten vertellen het verhaal van het land van de inheemse rijkjes van voor de komst van de Spanjaarden via de koffie- en bananenplantages tot de welvaartsstaat van de 20ste eeuw. Tot aan de opmars van de koffie-export halverwege de 19de eeuw was Costa Rica maar een onbeduidende streek in het Spaanse koloniale rijk. Ook dat is één van de redenen waarom je in San José niet van die rijke bouwwerken ziet zoals in Mexico-Stad of Quito.
Het Pre-Columbiaanse Goudmuseum van San José lijkt veel op het beroemde Goudmuseum in de Colombiaanse hoofdstad Bogota. Ook hier is het eigendom van de Centrale Bank en ga je er naar binnen door dikke kluisdeuren. De inheemse Costa Ricanen blijken erg gefascineerd geweest te zijn door kikkers: die beestjes zijn vaak in goud afgebeeld. Al met al zijn de werken wat simpeler en kleiner dan in Bogota. Bovendien begin ik de vermoeidheid te voelen na een dag slenteren door de stad. We blijven dus niet lang. We nemen nog een koffie in een cafeetje en dan neem ik afscheid van Esteban na een dag vol indrukken.
Guayabo
Mijn eerste rit met de huurauto gaat van het vliegveld van San José naar Guayabo. Het is maar 80 kilometer rijden, maar je doet er twee uur over. Omdat het zondag is lukt het me met gemak om het centrum van San José te doorkruisen. Daarna volgt er een slingerweg door allerlei dorpjes – je mag daar maar 40 kilometer per uur, vandaar dat het niet opschiet. Ook zijn er voetgangers, fietsers en een motorclub op de weg aanwezig.
Ik heb een Hyundai Creta gehuurd – voor Costa Rica wordt aangeraden om een vierwielaangedreven auto te nemen, vanwege de onverharde en soms natte wegen. Dit is een “gewone” 2WD maar hij staat hoog op de wielen. 95% van de route van vandaag gaat over een prima asfaltweg, maar op het laatst is het toch nog vijf kilometer lang onverhard. Dan is het toch prettiger om niet bang te hoeven zijn dat de onderkant van je auto over de grond schaaft.
De weg naar Guayabo staat goed aangegeven en parkeren doe je gewoon langs de kant van de weg. Er staat al een 30-tal auto’s. Bij een stalletje neem ik eerst een fruitsalade voordat ik het park in ga, het is inmiddels bijna lunchtijd. Guayabo is een deels opgegraven stad die bloeide tussen de jaren 1000 en 1400. Het is de grootste inheemse stad van voor de komst van de koloniale Spanjaarden die is ontdekt in Costa Rica.
Betalen bij de ingang gaat met een creditcard (het kost 5 USD voor buitenlanders). De route naar de opgravingen loopt eerst 1,6 kilometer door een stukje regenwoud. Het is lekker om weer in de tropische natuur te wandelen, het doet me denken aan de weg in het Christoffelpark in Curaçao waar ik een half jaar geleden was. Alleen kom je hier bouw- en kunstwerken tegen van de oude bewoners. Eén daarvan is een aan twee kanten bewerkte steen, met een afbeelding van een hagedis aan de ene kant en een van een jaguar aan de andere kant.
Op een gegeven moment splitst het pad zich: je kunt naar een uitkijkpunt (de Mirador) of naar de opgravingen. Ik besluit eerst naar de opgravingen te gaan, maar later blijkt dat ik beter eerst het uitkijkpunt had kunnen kiezen. De opgravingen zijn in het dal, eerst afdalen dus en daarna moet je hetzelfde pad weer omhoog klimmen naar het uitkijkpunt.
De oude bewoners van Guayabo hadden een heel waternetwerk aangelegd, met open en gesloten aquaducten, en opslagtanks. Sommige van deze waterwegen functioneren nog steeds en leveren schoon bronwater. Ze hebben deze plek waarschijnlijk ook uitgekozen om hun stad te bouwen vanwege de schone waterbron. Op het middenterrein zie je aan de randen dat het water in een soort baden uitmondt.
Het middenterrein is een grote open plek in het bos. De stad hier zou 2.000 inwoners gehad hebben. Ze leefden in grote gemeenschappelijke houten huizen met rieten daken. Deze stonden op ronde stenen plateaus, en dat is het enige wat je nu daarvan nog kunt zien. De route leidt je langs een aantal van die plateaus. Hij eindigt bij een ander sterk stukje infrastructurele bouwkunst van de oude bewoners: een lange en brede stenen weg die de stad invoert.
Het lijkt of er een wandelroute is die je aan de andere kant van de opgravingen terug laat lopen, maar die is om een of andere reden gesloten. Ik moet terug via hetzelfde pad als ik ben gekomen, want ik moet nog naar het uitkijkpunt.
Na weer een stukje klimmen sta ik op het punt vanaf waar je een mooi overzicht hebt over het opgegraven deel van de voormalige stad. Op de voorgrond zie je de verschillende ronde plateaus waarop de huizen stonden. En je ziet hoe de weg keurig recht de stad inloopt. Aan het begin daarvan liggen twee vierkante plateaus, wat misschien wachttorens waren ter verdediging van de stad. De stad wordt verder omsloten door een dicht regenwoud.
Na voor de derde keer weer hetzelfde stuk van de route te hebben gelopen sla ik af naar de uitgang. Stiekem blijken de opgravingen daar heel dichtbij te zijn, er is een route van 400 meter voor mindervaliden die je zo van de ingang naar de ruïnes brengt. Met mijn langere lus heb ik me anderhalf uur op het terrein vermaakt en vooral genoten van het ingenieus aangelegde waternetwerk en de oude weg.
#742: Talamanca reservaten
Wat is het?
De Talamanca reservaten omvatten een grote bergketen die bedekt is met dichte bossen. Hij loopt onafgebroken door tussen Panama en Costa Rica. De bergketen is ontstaan door glaciale activiteit. Zowel de hoge bergen als de natuurlijke bossen zijn uniek voor Centraal Amerika. Het is ook een landbrug die dier- en plantensoorten uit Noord- en Zuid-Amerika met elkaar verbindt. De omvang van het gebied, de goede bescherming en het voor mensen ondoordringbare terrein maken dat de natuur hier ongestoord haar gang kan gaan.
Cijfer: 7 (Omdat het zo ondoordringbaar is, is het lastig te bezoeken. Van de 6 beschermde zones die samen het werelderfgoed vormen, kun je alleen Tapantí Nationaal Park op eigen gelegenheid verkennen. Tapanti vormt de noordgrens van het Talamanca gebergte en zelfs daar kom je maar een klein stukje in – je hebt het dus eigenlijk over de rand van de rand van het gebied, en dat is jammer. Wat je ziet is vooral heel veel regenwoud.)
Toegang: Vanwege de coronamaatregelen wordt er maar een beperkt aantal toeristen per dag binnengelaten in het Tapanti NP en moet je vooraf online boeken. Een kaartje kost 15 EUR. De ochtend dat ik er ben zie ik geen enkele andere toerist – alleen het onderhoudsmannetje kom ik twee keer tegen.
Hoeveel tijd: Halve dag om een indruk te krijgen. Om het gebied echt te leren kennen moet je een meerdaagse trektocht maken.
Opvallend: Vanuit mijn overnachtingsplaats Orosi reed ik in een half uurtje naar de toegangspoort tot Tapanti NP. Het is een mooie rit door het groen en langs de landbouwgronden van de Orosi-vallei; het laatste gedeelte is een onverharde weg. Ik ben er om 8 uur, dat is ook het moment dat het park opengaat.
Op aanraden van de Zwitserse eigenaren van mijn pension laat ik de auto achter bij de receptie van het park en ga ik te voet verder. Het toegankelijke gedeelte van het park bestaat uit een asfaltweg van 5 kilometer, met aan weerszijden daarvan een vijftal korte wandelroutes. Omdat het bos zo dicht is, zie je alles eigenlijk het beste vanaf de weg. Vooral de vogels dan, de grote zoogdieren zullen zich zo dicht bij de bewoonde wereld niet laten zien.
Het is gemakkelijk lopen over de verharde weg, hij stijgt licht. Het is heerlijk weer, een graad of 25 maar ook half-bewolkt zodat de zonnestralen niet te heet worden. Ik hoor veel vogels maar zie er maar weinig. Kleine bruine en groene vogels in een groen bos zijn ook wel erg moeilijk te spotten.
Na een kilometer of twee kom ik bij de afslag naar het eerste wandelpad. Het is een 1200 meter lang, vlak bospad met de kwalificatie “eenvoudig”. Hij loopt naar de oever van een rivier. Er zijn zelfs wat picknickplaatsen en een toiletgebouw bij. Vanaf de rivier heb je ook weer wat meer open zicht op de beboste bergen.
Daarna loop ik nog twee kilometer verder over de verharde weg naar het volgende wandelpad. Dit zijn er eigenlijk twee, het pad splitst halverwege. Het gaat aan het begin vrij steil naar beneden, het heeft niet voor niets de zwaardere kwalificatie “medium” meegekregen. Toch is het wel goed te doen, gelukkig is het droog vandaag.
Ik kies de route naar de waterval. Die gaat niet echt naar een waterval maar naar een uitkijkpunt vanaf waar je er eentje verticaal de bergwand af kunt zien vallen. Ik pauzeer hier ook even en spot nog een eekhoorntje.
De asfaltweg loopt nog 1 kilometer door, maar ik heb het wel gezien. Ik moet hetzelfde stuk ook weer helemaal teruglopen. Gelukkig gaat het nu bergafwaarts. Ik vermaak me met pogingen om oropendola’s op de foto te zetten, maar deze zwarte vogels met opvallend gele staart zijn me steeds te snel af.
Vlinders zijn nog lastiger te fotograferen dan vogels. Ze zitten bijna nooit stil. Ik zie prachtige grote, blauwe exemplaren snel voorbij fladderen. Alleen een wat kleinere oranje-bruine zit uit te rusten in het gras zonder dat hij mij in de gaten heeft.
De Pan-Amerikaanse weg
De Pan-Amerikaanse weg is een netwerk van wegen dat de uiteinden van het Amerikaanse continent met elkaar verbindt. De weg loopt van Fairbanks in Alaska tot Vuurland in Argentinië (met een onderbreking tussen Panama en Colombia). In Costa Rica heet deze weg Interamericana Sur en heeft het wegnummer 2. Ik rijd hem op bij Cartago, een grotere stad die je eerst moet doorkruisen komende vanuit mijn overnachtingsplaats Orosi.
De naam doet iets groots vermoeden, maar het is een (weliswaar strak geasfalteerde) tweebaansweg waar je 60 kilometer per uur mag rijden. Hij loopt precies tussen twee natuurgebieden door: aan de oostkant ligt de Talamanca bergketen (van het werelderfgoed van gisteren) en aan de westkant o.a. het Los Quetzales Nationaal Park. De weg slingert langs de bergen, maar het wordt nergens heel steil of hoog.
Rond half 9 kom ik aan bij de entree van Los Quetzales Nationaal Park. Ze hebben er heel wat van gemaakt, de parkeerplaatsen zijn per plek afgemeten met lint. Ik ga eerst nog op een verkeerde plek staan maar een parkwachter wijst me de goede. Betalen kun je hier alleen met een creditcard – wat de man achter het loket zoveel pogingen kost dat ik het uiteindelijk maar van hem overneem.
Informatie krijg je ook niet mee, dus ik begin maar gewoon aan het verharde pad dat vertrekt vanaf de parkeerplaats. Los Quetzales Nationaal Park is genoemd naar de quetzal, een prachtige maar schuwe vogel die bekend is om zijn metalige groene kop, rug en vleugels. Ze leven in de boomkruinen. In deze streek komen ze het meeste voor, en maart-april is ook nog eens het broedseizoen zodat ze zich meer laten zien. Lukt het me er eentje te spotten zonder gids?
Het park hier heeft een microklimaat: het is een nevelwoud, een bos dat op hoogte tegen een berghelling aanligt en door de dagelijkse nevel een hoge vochtigheidsgraad heeft. De bomen zijn er bedekt met veel verschillende plantensoorten (mossen, varens, orchideeën) waardoor ze aantrekkelijker zijn voor vogels en dieren. Over een verhard wandelpad loop je door het dichte woud. Vooral die dikke mossen die op de bomen hangen zijn indrukwekkend.
Na een half uurtje lopen eindigt het pad bij een punt waar je goed zicht hebt op een aantal boomtoppen. Tijd om naar de quetzal te gaan zoeken dus! Ik ben er alleen dus de vogels worden niet verstoord door menselijk geklets. Er fladdert wel wat rond maar ik kan niet zeggen dat het op een quetzal lijkt. De oogst omvat uiteindelijk twee vogelsoorten die ik nog niet eerder had gezien in Costa Rica, waaronder deze prachtige Langstaartzijdevliegenvanger.
Veel meer dan dit verharde pad is er niet toegankelijk in dit park, dus ik stap weer in de auto. Het is nog steeds rustig op de weg. Ik kan zelfs nog even langs de kant stoppen om een foto te maken van het toepasselijke verkeersbord “Pas op voor overstekende tapirs” (zie foto helemaal bovenaan). Misschien worden die hier wel net zo vaak doodgereden als een hert in Nederland.
Voor ik afsla naar mijn volgende overnachtingsplaats aan de kust, neem ik nog een zijweg naar het Chirripo Nationaal Park. Dit is ook één van de Talamanca reservaten, waar ik gisteren over schreef. Hier kun je alleen onder begeleiding in, met een zware trektocht naar de Chirripo (de hoogste berg van Costa Rica). Mijn idee is om vanaf de rand van het park nog wat foto’s te gaan maken. Het blijkt een prachtige omgeving, maar ook weer ondoordringbaar. Als de weg te slecht wordt, maak ik na een handjevol foto’s rechtsomkeert.
Uvita
De Amerikaanse eigenaren van mijn Bed&Breakfast in Uvita begrijpen eigenlijk niet dat zoveel toeristen in hun stadje overnachten. Zoveel is er niet te doen. Voor mij is het een tussenstop, tussen twee bestemmingen die anders een te lange rit uit elkaar liggen. Uvita is een badplaats aan de Stille Oceaan. De kustweg loopt er dwars doorheen en aan weerszijden daarvan zijn hotels, restaurants en supermarkten.
Ik heb hier eigenlijk een rustdag gepland, maar voor ik het weet sta ik om 8 uur ’s ochtend weer aan de poort van een nationaal park. Dat het hier erg toeristisch is blijkt wel uit het feit dat ik voor het parkeren moet betalen: ondernemende bewoners bieden parkeerplaatsen aan voor 2000 colones (2,75 EUR per dag). Er zijn twee groepjes toeristen die met een boottour meegaan, ik ben de enige die naar het park komt op de vroege ochtend om te wandelen.
Het Marino Ballena park is gecreëerd ter bescherming van de migratie van de bultruggen. Deze walvissoort zwemt hier elk jaar tussen juli en oktober in groten getale langs. Ik ben er in maart en doe dus geen moeite om ze te zien te krijgen. Het grappige aan dit park is dat er aan het strand van Uvita een natuurlijke rots- en zandformatie in de vorm van een walvisstaart ligt. Vanuit de lucht zijn de foto’s die ik ervan heb gezien prachtig, zo vanaf het strand is het wat moeilijk te herkennen. Als het eb is kun je de staart ook op lopen.
Ik stop echter bij de bosrand langs het strand: krakende takken verraden de aanwezigheid van apen. Ze zijn bezig hun ontbijt bij elkaar te scharrelen. Het duurt niet lang of ik krijg ze te zien: witschouderkapucijnaapjes. Ik ga zitten op een oude boomstam en observeer ze een tijdje. Ze lopen één voor één dezelfde route door de bomen, via dezelfde takken.
De stranden zijn nog verlaten. Je kunt hier wel zwemmen maar de stroming is erg sterk. Ook is er vrijwel geen schaduw. Er is één roofvogelsoort die het blijkbaar wel lekker vind om met zijn poten in het water te staan: de geelkopcaracara. Het is onduidelijk naar wat voor eten hij op zoek is, misschien visjes.
Terwijl ik over het strand loop zie ik honderden, duizenden holletjes in het zand. Ze worden bewoond door kleine krabben. Op het moment dat de zon wat sterker wordt verlaten ze hun ondergrondse verblijf en rennen over het strand de zee in. Een prachtig gezicht.
Op de weg terug loop ik nog het “Sentero Centenario“-pad in. Hier kom je in de bosjes achter waar ik aan het begin van de ochtend de kapucijnaapjes zag. In de kokospalmen en andere hoge bomen hangen nu op hun gemak de mantelbrulapen. Eentje plast vlak naast mij naar beneden, maar verder lijken ze zich niet gestoord te voelen. Er zijn nog steeds geen andere toeristen, wel komt er een mannetje met kruiwagen langs die kokosnoten verzamelt.
Ik vermaak me 3 uur lang prima in dit nationaal park, dat boven verwachting mooi is. Daarna ga ik lunchen en neem ik een lange siësta. Om 4 uur in de namiddag is het dan tijd voor de tweede attractie van Uvita: de watervallen. Ze hebben er een hele uitspanning van gemaakt: een keurig aangelegde parkeerplaats, souvenirwinkel en een vlindertuin vormen de entree tot het pad naar de watervallen. Deze zijn vooral populair bij zwemmers, je kunt er zelfs in duiken omdat het basin 3 meter diep is.
Ik beperk me tot vogels kijken. Bij de waterval zitten wat typische riviervogeltjes. Ik loop via een andere route terug, over de (onverharde) doorgaande weg en daar zie ik nog veel meer. Met als hoogtepunt mijn eerste toekans van deze reis!
#743: Stenen bollen van de Diquís
Wat is het?
De Stenen bollen van de Diquís zijn tot 2 meter doorsnede grote, door mensenhanden gevormde perfect ronde voorwerpen uit de periode 700 – 1500. Ze zijn gemaakt door leden van de Diquís, een Precolumbiaanse inheemse stam uit Costa Rica. Het werelderfgoed bestaat uit vier archeologische vindplaatsen waar naast 45 bollen ook begraafplaatsen, bestrating en terpen gevonden zijn uit dezelfde tijd.
Cijfer: 7 (Het is het soort werelderfgoed waar ik altijd naar uitkijk: overblijfselen van een oude cultuur. Alleen zijn hier slechts de stenen bollen overgebleven – net alsof je van Nederland in de 20ste eeuw alleen de tuinkabouters terug vindt! Desondanks is het een sfeervolle en keurig onderhouden plek in een omgeving vol bananen- en palmolieplantages.)
Toegang: De entree kost 5 dollar voor buitenlanders. Ik mocht gratis naar binnen en kreeg een privé-rondleiding vanwege mijn speciale status als werelderfgoedreiziger.
Hoeveel tijd: Voor het museum en de op dit moment enig toegankelijke route samen heb je ongeveer een uur nodig.
Opvallend: Met hulp van mijn Costa Ricaanse contact Esteban heb ik enkele weken geleden geprobeerd toestemming te krijgen voor het bezoek aan meer dan één en het liefst alle vier archeologische vindplaatsen van deze bollen. Helaas bleek alleen de hoofdlocatie, Finca 6, geopend. Wel zou ik een rondleiding met gids krijgen over het terrein. De mensen achter het loket raken bij mijn komst op het afgesproken tijdstip enigszins in verwarring (wat wil ze?), maar na wat gezoek in de computer vinden ze een afspraak met een Nederlandse. Dat ben ik dus. Ik hoef geen entreekaartje te kopen en krijg een gids mee om het museum en de opgravingen toe te lichten.
Het museum is klein, maar laat zien dat de Diquís naast stenen bollen ook keramiek en stenen beeldjes hebben nagelaten.
Daarna lopen we het terrein van de opgravingen op. Er is een pad aangelegd dat je langs de belangrijkste punten voert van wat ooit een nederzetting was met zo’n 500 inwoners. Het duurt maar een paar minuten voordat de eerste bol te zien is.
Voordat we er dichterbij kunnen komen gebeurt er eerst iets wat ook typerend is voor deze plek: er komt een vracht bananen voorbij! De grond in deze omgeving is sinds de jaren dertig door de United Fruit Company (nu: Chiquita) in gebruik als bananenplantage. Ze gebruiken een systeem van rails over het terrein waarlangs de zware trossen bananen door een mannetje worden voortgetrokken. Je hoort ze van ver aankomen, het is net of je een trambaan moet oversteken.
De eerste stenen bollen die we zien horen bij woningen van hooggeplaatste inwoners. Hun huizen stonden op een verhoging, met een oprit gemaakt van rivierstenen en dan aan weerszijden van de ingang elk een stenen bol. Naar gelang het prestige van de bewoner waren de bollen groter of kleiner. Enkelen zijn ook bewerkt met in de steen gekerfde tekeningen (deze exemplaren staan nu allemaal in musea).
De nederzetting was op een gunstige plek gebouwd vlakbij een rivier. Ze wordt doorkruist door zijstromen. Uit de rivier haalden ze stenen om te bewerken, hoewel de grotere stenen voor de bollen wel van verder weg zijn gehaald.
De meeste stenen bollen die hier bij Finca 6 zijn gevonden, zijn bewaard gebleven omdat ze eeuwenlang onder dikke lagen sediment begraven lagen. Ze lagen tot wel anderhalve meter diep. Door de zon en ook door landbouwmachines van de bananenplantage zijn sommige exemplaren beschadigd geraakt. Vandaar dat de meesten nu herbegraven zijn en alleen met hun topje boven het gras uitkomen.
Naast de bollen voor de huisdeur van de hooggeplaatste personen, waren er ook bollen geplaatst op publiek terrein. Deze hadden waarschijnlijk een rol bij ceremonies.
Aan het eind van de route liggen nog twee groepen bollen die vanaf andere plaatsen in de provincie hier naar toe zijn gebracht. Ze zijn her en der gevonden en hebben lang gewoon bij mensen thuis of in de tuin gelegen. Hier worden ze nu beschermd, hoewel ze wel te lijden hebben onder de zon en wisselende temperaturen. Aan deze geheel uitgegraven bollen kun je wel mooi zien hoe ze gemaakt zijn: uit een grote steen gehakt en daarna geschuurd.
Na de rondleiding met gids loop ik zelf hetzelfde rondje nogmaals, om nog wat extra foto’s te maken en de informatieborden te lezen. Het is een lekker rustige plek om te wandelen, met natuurlijk weer veel vogels. Opeens hoor ik veel lawaai tussen de bladeren – ja hoor, het zijn weer apen. De derde apensoort van deze reis alweer: het gele doodshoofdaapje. Een stuk of 10 van deze kleine aapjes dartelt door de bomen en laat zich goed zien.
Van Sierpe naar Drake
Ietwat afgelegen in het zuidwesten van Costa Rica ligt het Osa-schiereiland. Dit is bekend om zijn Corcovado Nationaal Park. Om er te komen kun je een hele lange rit maken over een onverharde weg. Of – zoals de meesten doen – met een boot van Sierpe naar Drake Bay. In Sierpe is alles erop ingericht om toeristen op weg te helpen: er worden parkeerterreinen aangeboden om je huurauto een aantal dagen veilig achter te laten en bij het restaurant Donde Jorge kun je al etend wachten op de boot.
De boten gaan twee keer per dag. Ze worden geboekt door de hotels in Drake Bay en dan kijken ze wel hoeveel boten ze nodig hebben. Vandaag zijn het er drie. Eén wat grotere waar ruim 20 mensen op kunnen en twee kleinere. Ik zit op één van de kleinere met (helaas) een luidruchtig Amerikaans gezin met opa en oma. De tocht van ongeveer een uur gaat voor een groot deel langs de dichte mangrovebossen in de buurt van Sierpe.
Na zo’n drie kwartier varen komen de binnenwateren uit op de Stille Oceaan. Precies op die samenvloeiing wordt het water ruiger en stuitert de boot wat meer. Niks echt heftig overigens – ik had anti-zeeziektepilletjes meegenomen maar die waren niet nodig.
Al snel komt het plaatsje Drake Bay in zicht. Het bestaat uit groepjes houten huizen, veel ervan zijn nu restaurants of hotels. Er is geen pier om aan te leggen, dus het wordt een “natte landing”. Iedereen moet zijn schoenen uitdoen en dan in het water stappen, terwijl een paar mannetjes de boot proberen tegen te houden. Iedereen houdt het gelukkig droog.
Er staat voor mij (en jawel: de Amerikanen) een taxi klaar om ons naar ons hotel te brengen. Daar wordt ik naar een houten huisje op palen voor mezelf geleid. Er is prachtig zicht over de oceaan. Veel tijd om van de veranda te genieten heb ik niet, want ik wil eerst nog even lunchen en dan om 3 uur word ik opgehaald voor een vogelkijkwandeling.
De vrouwelijk vogelgids komt me met een taxi halen en dan gaan we naar de omgeving van haar huis. Daar is nog een stukje oerbos en weet ze bepaalde soorten te vinden. Ook heeft ze haar telefoon met vogelgeluiden mee, dat helpt ook erg.
De eerste vogeldoelgroep zijn de Manakins. Dit zijn zeer kleurrijke zangvogeltjes. Je vindt ze niet langs de weg of bij de voederplaatsen. Maar in deze bosjes zitten maar liefst drie soorten: eentje met een blauwe kruin, een oranje exemplaar en deze roodhoofdige. De gids heeft een scope bij zich waardoor je ze goed kunt zien. Pas na een tijdje kijken en vergelijken lukt het me er zelf ook foto’s van te maken.
We wandelen een stuk door het bos. We komen weer apen tegen: brulapen en dit keer ook (volgens de gids) zwarthandslingerapen. Deze laatsten bevinden zich tussen het groepje brulapen. Ik krijg ze niet heel goed in beeld. Morgen in het Corcovado Nationaal Park verwacht ik er nog wel meer te zien.
Het bos hier, hoewel dicht bij het plaatsje en aan een doorgaande weg, is zich de laatste jaren aan het herstellen. Zowel vogels als zoogdieren komen hier terug, tot aan de grote katachtigen als ocelot en jaguar aan toe.
Het tweede deel van de vogelwandeling doen we langs de weg. Hier hebben we beter zicht op de boomtoppen. We zien grotere vogels zoals ara’s, toekans en een grijze havik (voor het eerst dat de gids die ziet). Maar ook weer wat kleurrijke kleintjes die op de vogelgeluiden vanuit de telefoon afkomen.
Corcovado
Voor vandaag heb ik voor 85 USD een dagtour geboekt naar het Corcovado Nationaal Park. Je mag dit park alleen onder begeleiding van een gids bezoeken. De tour vertrekt om 6 uur ’s ochtends vanaf het strand van Drake Bay. Er hebben zich al groepjes toeristen verzameld, het wachten is op onze boot die te laat is. Iets verderop aan het strand vertrekt er nog één. Ik ga samen op pad met een stel uit Alaska en een jongen uit Spanje, we delen één gids. Op de boot zitten allerlei groepjes bij elkaar, hij zit helemaal vol met zo’n 25 man.
Net als gisteren bij het uitstappen moet je weer met blote voeten door het water waden om op de boot te komen. Daarna varen we op hoge snelheid langs de kust van het Osa-schiereiland. De tocht duurt ruim een uur. De landing bij eb bij Corcovado is ook weer een bijzondere ervaring: er is een heel groot getijdeverschil en we moeten wel 200 meter over kiezelstenen en gesmolten lavastroken lopen om aan land te komen. Dan melden we ons bij de toegangspost tot het park, waarna alle groepjes uiteen gaan.
Wij lopen eerst noordwaarts langs het strand. Het lijkt een beetje op het Marino Balena park waar ik een paar dagen geleden was. We zien wat roofvogels, een dode kreeft en duiken dan even een bosje in om te kijken of daar “iets” zit. Corcovado is vooral bekend om de aanwezigheid van een groot aantal zoogdieren. De man uit Alaska blijkt erg goede ogen te hebben (hij jaagt) en spot niet voor het laatst voor ons groepje een dier. Het is een klein hertje, een Centraal Amerikaans spieshert.
De gids vertelt ook over het park zelf. Het was vroeger bewoond en er was landbouwgrond. Pas in 1975 is het een beschermd gebied geworden. Het is ook ooit als werelderfgoed genomineerd geweest, maar het beoordelingscomité vond het te klein (de dieren zouden er op termijn niet kunnen overleven) en teveel lijken op parken in de buurt.
Na de inspannende strandwandeling komen we bij de monding van een rivier vanaf waar we verder het bos ingaan. Het is een idyllisch plekje.
Hét dier van Corcovado is de Bairds tapir. Het is het grootse inheemse zoogdier van Midden- en Zuid-Amerika en kan 300 kilometer zwaar worden. Op het strand hebben we hun pootafdrukken al gezien. De beesten zijn vroeg in de ochtend het meest actief, nu rond 8 uur is het eigenlijk al te laat en liggen ze te rusten. Het duurt niet lang voordat de gids er eentje gevonden heeft. Of zelfs twee: het is een moeder met 6 maanden oud jong. Ze liggen in de bosjes en we wringen ons in bochten om goede foto’s te kunnen maken.
Dat was helemaal niet nodig geweest, want na een paar minuten gaan ze uit zichzelf aan de wandel. Ze eten wat blaadjes, plassen in de rivier en verdwijnen dan uit zicht. Hoewel we op slechts 5 meter afstand staan, gaan ze onverstoord hun gang.
Terwijl we op de tapirs aan het wachten zijn spot de vrouwelijke Alaskaan plots een ander beestje, dat over een boomstam loopt. Ik herken het meteen als een tayra, een marterachtige. De gids is ook helemaal perplex dat we die ook nog zien op klaarlichte dag.
Halverwege de wandeling, die in totaal 4,5 uur duurt, rusten we uit bij het Sirena Ranger Station. Dit is een groot complex waar je in andere tijden ook kunt overnachten. Nu is er een winkeltje waar ze regionale producten verkopen (o.a. heerlijke ijsjes!). Ook kun je hier je waterfles bijvullen. Alles moet je verder zelf meenemen en de resten weer mee terug nemen naar de bewoonde wereld.
Op het tweede deel van de wandeling gaan we op zoek naar de apen. Nou heb ik de afgelopen dagen zonder veel moeite al alle vier in Costa Rica voorkomende soorten gezien, maar ik hoop altijd op nog betere foto’s. Vooral van de zwarthandslingeraap: deze zit meestal in de boomtoppen en is ook niet zo nieuwsgierig. Het kost weinig moeite om in de bossen rond het Ranger Station deze apensoort te vinden. Er hangt een groepje lekker te relaxen op de boomtakken.
We lopen verschillende paden af in het bos. Alleen hier komen we twee keer andere groepjes toeristen tegen, de rest van de ochtend zijn we steeds alleen geweest. We zien nog drie tapirs, rustend in een modderbad. Verder een agoeti, mantelbrulapen, gele doodshoofdaapjes en wat vogels waaronder een spectaculaire specht. En een groepje witsnuitneusbeertjes rent over het pad.
Om half 1 gaat de boot terug naar Drake Bay. Hoog op het verlanglijstje staat nog de luiaard. De gids speurt de boomtakken af op de plekken waar hij ze de afgelopen dagen nog gezien heeft. Maar zonder resultaat. In één van de bomen zit wel iets anders: een boa constrictor! Hij slaapt en je kunt zijn kop niet zien, maar alleen al dat dikke lichaam is imposant.
Als we terug gaan naar de boot is het inmiddels vloed geworden. Flinke golven stromen aan land. De opdracht is nu om zo snel mogelijk aan boord te springen zodat de kapitein niet al te lang de boot met zijn armen moet tegenhouden. Zelfs mijn korte broek wordt een beetje nat dit keer, maar ik breng het er zonder kleerscheuren vanaf. Dezelfde groep passagiers als vanochtend wordt weer op het strand van Drake Bay afgezet. Daar krijgen we bij een restaurant nog een lunch aangeboden. Ik praat nog wat na met de gids en de drie reisgenoten, voordat ik voldaan en vermoeid terug naar mijn huisje op de heuvel klim.
Drake Bay Hiking Trail
Vanaf het kustplaatsje Drake Bay loopt er een 20 kilometer lang wandelpad naar San Pedrillo Station, aan de rand van Corcovado Nationaal Park. Op deze zondagochtend besluit ik een gedeelte daarvan te gaan lopen: ik vertrek om 8 uur en neem me zelf voor om om 10.30 uur om te keren zodat ik rond lunchtijd weer terug ben. De wandeling is voor mij sowieso al wat langer omdat mijn pension aan de andere kant van het langgerekte plaatsje ligt. Eerst loop ik dus langs de supermarkt, een aantal restaurants en de landingsplek van de boten.
De onverharde weg wordt steeds smaller tot er een voetpad overblijft. Dit kustpad is gemakkelijk te volgen en ook goed onderhouden. Meerdere keren moet je een riviertje of stroompje oversteken, en dan is er altijd een brug aangelegd of op z’n minst een stapel stenen neergelegd. Het pad loopt langs het ene na het andere idyllische strandje. Op het eerste daarvan ga ik even in de schaduw zitten en weet voor het eerst een paar ara’s goed te fotograferen. Behalve dan dat ze hun kopjes net de verkeerde kant op hebben.
De verschillende bestemmingen langs de route staan aangegeven. Het verste is 6 uur, en dan moet je dezelfde weg ook weer terug. Er is maar één pad en je kunt eigenlijk niet verkeerd lopen.
Ik loop in een langzaam tempo over het bospad en geniet van de omgeving. Ik kom vlakbij een groep Witschouderkapucijnaapjes terecht. Het zijn er wel 10 en ze zitten op de grond. Het lijkt wel een speeltuin, de kleintjes hangen aan de takken te zwaaien en wat ouderen zitten elkaar achterna. Daarbij speelt een tunneltje een belangrijke rol: steeds weer rennen ze daar doorheen en steken hun kopje dan aan de andere kant er weer bovenuit. Ze lijken zich niet aan mij te storen en ik blijf een hele tijd kijken.
Het pad is grotendeels vlak en zoals gezegd keurig onderhouden. Er zit één klim in het parcours, en die wordt door trappen en leuningen vereenvoudigd.
Langs het pad ligt ook een aantal hotels. Bij het Corcovado Jungle Hostel stop ik even voor een fris glas ananassap. Dan gaat het weer verder, met strandjes en rotsformaties aan de kust.
Op een gegeven moment krijg ik gezelschap van twee honden, die de rest van de tocht met me mee blijven lopen. Eentje kijkt bij iedere bocht achterom of ik nog wel volg. Als ik een bruggetje over ga, lopen zij door het water om zich wat op te frissen of te drinken. “Honden hebben hier een prachtig leven”, zei de beheerder van mijn hotel gisteren al. Ze lopen vrij rond, rennen met vriendjes langs het strand en melden zich tegen de avond weer thuis.
Met de tweeënhalf uur die ik mezelf gegeven had eindig ik uiteindelijk bij het Punta Rio Claro, de entree tot een beschermd natuurgebied. Op de wegwijzers langs het pad staat het als Marenco aangegeven, naar een lodge die daar ligt. Ik heb er veel langer over gedaan dan stond aangegeven, maar ben dan ook vaak gestopt voor van alles.
In zo’n anderhalf uur loop ik daarna weer terug naar het beginpunt. Bij de start van het pad ligt de Kalaluna Bistro – een wat duurder restaurant, maar ze hebben verse tonijn en dat heb ik wel verdiend na deze wandeling van bijna 15 kilometer in een vochtig klimaat.
Manuel Antonio
Manuel Antonio is een gehucht bij het Manuel Antonio Nationaal Park, het kleinste maar ook het best bezochte park van Costa Rica. “Veel te druk” zeiden ze tegen me in mijn vorige overnachtingsplaats Drake Bay. Als ik er aankom valt het inderdaad niet mee: het ligt aan de kust en er is een groot zandstrand, dus het ziet er allemaal uit als een goedkope Spaanse badplaats. Toeristen lopen met glazen bier in de hand over straat en de lokale bewoners proberen weer geld bij te verdienen door parkeerplaatsen te verhuren.
Gelukkig heb ik een hotel mét eigen parkeerplaats zo’n 50 meter van de ingang van het nationaal park. Een kwartier voor de openingstijd van 7 uur sta ik daar al te trappelen. In totaal verzamelen zich nog zo’n 30 mensen achter mij. Ik had vooraf al een kaartje via internet gekocht, ik dacht dat dat verplicht was, maar de mensen voor mij kunnen nog gewoon bij de ticketautomaat terecht.
Er zijn meerdere wandelpaden door het park aangelegd. Alle 4 Costa Ricaanse apensoorten komen hier voor, maar ik ben maar op zoek naar één zoogdier: de luiaard. En dan liefst nog de tweevingerige luiaard, die heb ik nog nooit gezien (alleen de drievingerige soort, in Guyana en Colombia).
Ik loop voor de meute uit, in de rust van het park. Dat betekent wel dat ik zelf mijn dieren moet spotten. Ik kijk dus zo ongeveer in elke boom met blaadjes of er een luiaard in zit. Maar niks. Ook geen vogels of andere dieren trouwens, het is wat dat betreft het stilste natuurgebied dat ik tot nu toe in Costa Rica ben tegengekomen.
Ik loop het vlonderpad dwars door het park helemaal af naar twee uitkijkpunten, waarvan het eerste het mooiste is. Hier kun je ook even uitrusten van de klim, want zelfs ’s ochtends vroeg is het hier vochtig heet.
Om 9 uur loop ik weer richting de uitgang. Het is nu echt druk geworden in het park. Ik loop over de bredere weg in plaats van het pad, daar heb je wat meer de ruimte. Als ik een groepje mensen onder begeleiding van meerdere gidsen aandachtig door een kijker naar een boom zie turen, weet ik dat ik daar even bij aan moet sluiten.
En inderdaad is het een luiaard. Hij ligt lekker achterover op een tak, vrij hoog in een boom. Met mijn goede zoomlens kan ik hem gelukkig wel zien. Maar heeft hij nu twee of drie vingers? Ik kan het niet zien. Maar de soorten verschillen ook door hun vacht (glad versus ruig) en hun ogen (de drievingerige heeft een zwarte band om zijn ogen). Vooral door het laatste kenmerk denk ik dat dit toch ook weer een drievingerige luiaard is.
P.S.: als ik later op de ochtend de bergweg afrijd, weg van Manuel Antonio, staat er na een paar kilometer een auto dwars over de weg. De bestuurder zag dat een luiaard deze drukke weg probeerde over te steken. Dat kan in het tempo van een luiaard wel even duren. Daarom pakte de bestuurder hem op en ik was net op tijd om de luiaard veilig aan de overkant in een boom geplaatst te zien worden.
#744: Guanacaste
Wat is het?
Guanacaste is een beschermde zone in het noorden van Costa Rica, een strook van de kust van de Stille Oceaan tot 100 kilometer landinwaarts. Het heeft zowel op land als aan het water unieke karakteristieken, zoals nestgebieden van zeldzame zeeschildpadden en tropisch droog woud. In het gebied komen diersoorten samen vanuit de hele regio tussen Mexico en Brazilië.
Cijfer: 5,5 (Je moet wel erg van bomen houden om dit mooi te vinden. De afgelegen en zelden door anderen bezochte locatie maakte het voor mij nog wel een beetje bijzonder.)
Toegang: Toegang tot het deel dat ik bezocht, Estacion Experimental Forestal Horizontes, kost 15 US dollar – van tevoren te betalen via bankoverschrijving (!).
Hoeveel tijd: Ik was er 2,5 uur.
Opvallend: In Horizontes wordt een stuk tropisch droog woud beschermd. Het ligt hemelsbreed maar zo’n 20 kilometer achter het vliegveld van de Noord-Costa Ricaanse stad Liberia. Het aanrijden gaat dan ook prima, tot de laatste 4 kilometer. Die is onverhard – soms bedekt met zand en dan is het goed te doen, maar op andere plekken hebben ze grove stenen gestort. Met een gewone personenauto red je het hier niet. Dit is voor de tweede keer deze reis dat ik blij ben dat ik een auto met verhoogde bodem gehuurd heb.
Toegangsweg naar het park (het betere deel)
Bij de entree wacht een vriendelijke beheerder me op. Hij weet van mijn komst. Ik heb niet het idee dat er hier veel mensen komen, misschien ben ik wel de enige deze week. “Kom je voor de vogels?” Dit type bos is blijkbaar ook in trek bij de vogelaars, de droogte trekt natuurlijk weer heel andere vogelsoorten aan. De man legt me aan de hand van een kaartje uit dat er verschillende wandelroutes zijn. Ik mag overal in.
Het lijkt wel wandelen in Nederland, want de routes hier zijn ook met gekleurde paaltjes aangegeven. Ik start met de groene route, de Sendero El Guaracho. Het is nog maar kwart over 8 in de ochtend, toch is het al bloedheet. De omgeving en het klimaat hier doen erg aan Australië denken.
Ondanks de droogte hebben veel van de bomen toch volop bladeren. Dat maakt het wandelen in ieder geval wat aangenamer. Het pad is eenvoudig, vlak en 2.5 kilometer lang. Toch doe ik er anderhalf uur over: ik maak veel foto’s van bomen die me belangrijk lijken (een stuk of 30 hebben er een nummertje) en probeer zonder veel succes ook wat vogels vast te leggen.
Na de eerste wandeling heb ik het al zo warm dat ik besluit er niet nog eentje te doen. Ik ga alleen nog naar het Arboretum, de bomentuin. Hier staan veel verschillende soorten bomen uit deze streek bij elkaar. Met een bordje met hun naam erbij. Mijn favoriet is de pochote, met een stam met dikke stekels.
Het is lastig om hier dieren te zien. Alleen de hagedissen en leguanen vinden deze hitte en de dorre bladeren op de grond wel fijn. Als je aan het wandelen bent schieten ze steeds voor je voeten weg. Stil wandelen kan hier sowieso niet, de de droge bladeren kraken. Dit is het mooiste exemplaar dat ik tegenkwam. Hij zat te poseren langs de toegangsweg.
Terugblik Costa Rica 2021
Mijn vooroordelen over Costa Rica zijn wel bevestigd: het is erg ingesteld op Amerikaanse toeristen, er zijn geen bezienswaardigheden van de buitencategorie en voor de cultuur hoef je er al helemaal niet naar toe. Het is toch gek om in een land in deze regio te zijn dat geen Precolumbiaanse opgravingen van betekenis heeft (met uitzondering van Guayabo en de Stenen Bollen) én geen Spaans-koloniale historische steden. Toch is het een aangenaam land om vakantie te vieren, misschien wat meer voor gezinnen met kinderen of mensen die nog niet zoveel gereisd hebben. Het was twee weken lang korte broekenweer, overal waar je kijkt is het groen, het is schoon en de mensen zijn vriendelijk.
Het mooiste gedeelte vond ik het zuidwesten: het Osa-schiereiland met Drake Bay en Corcovado plus de omgeving van de Stenen Bollen en Sierpe. Het is hier wat ongerepter dan in de rest van het nogal aangeharkte land.
Voorbereiding
Vooraf regelen
- Cash US dollars meenemen (je kunt ze ook ter plekke pinnen, maar niet gemakkelijk in grote hoeveelheden).
- Checken welke parken online geboekt moeten worden.
- Kies het juiste seizoen (december-april is de droge periode).
- Afwegen of je een auto wilt huren (als het geen Coronatijd was geweest, had ik het niet gedaan – autohuur is duur in Costa Rica, en met het openbaar vervoer kom je bijna overal).
Coronamaatregelen
Het enige dat je voor Costa Rica moet regelen om het land binnen te komen is de QR code, die je krijgt door vooraf een gezondheidsverklaring in te vullen en een bewijs van ziektekostenverzekering te uploaden (ik heb zelf ONVZ Wereldfit, die dekt acute medische kosten in alle landen in alle omstandigheden). Die code wordt bij de grenscontrole gescand, verder kijken ze nergens naar.
Handen wassen lijkt in het land zelf de populairste maatregel te zijn: alle parken hebben bij de ingang uitgebreide stations waar je water en zeep kunt vinden.
Om Nederland weer in te komen moest ik een PCR test laten doen en een sneltest. Beiden boekte ik van tevoren online, maar je kunt ook gewoon langsgaan. De PCR test deed ik bij Lab Echandi in Liberia, een klein kantoor op een bedrijventerrein tegenover het vliegveld (het materiaal sturen ze op naar een lab in San José). De sneltest deed ik bij Clinica Biblica op de Santa Ana ziekenhuislocatie in San José. Beide resultaten kwamen snel terug per e-mail (16 uur voor de PCR test, 1 uur voor de sneltest) en het hele proces verliep gladjes.
Handen wassen voordat je het Marino Ballena Nationaal Park in gaat
Inpakken
Zomerkleren. En verder een wereldstekker en een hervulbare waterfles (plastic weggooiflessen zijn officieel verboden in de parken, hoewel er niet op wordt gecontroleerd).
Vervoer
Internationale vluchten
Heen vloog ik met KLM, een kleine 11 uur lang Businessclass op stoel 1a zonder iemand naast mij. Lekker rustig dus. De hele vlucht is wel overdag en het blijft ook licht buiten, slapen lukt dan niet voor mij. Het TV-aanbod is enorm geslonken afgelopen jaar. Het eten was goed, drankjes tussendoor hadden wel wat vaker gemogen. De landing was met een klap, waar de copiloot zich na afloop stevig voor verontschuldigde.
Vooraf had ik gehoord dat de wachttijden op het vliegveld van San Jose lang kunnen zijn, maar er was alleen het KLM vliegtuig en ik kon – als passagier van één van de voorste rijen – zo doorlopen naar een van de immigratiehokjes. Vriendelijke man, twee vragen en zo door naar de officiële taxistandplaats waar je al net na de douane iemand van op staat te wachten.
Terug zou ik gaan met Air France via Parijs, maar die vlucht werd door de maatschappij zomaar naar een tijdstip 3 dagen later omgeboekt. Gelukkig gaat er ook nog iedere dag een vlucht via Panama – Copan Air naar Panama-Stad en vandaar met KLM naar Nederland. Ik boekte die om bij de KLM via whatsapp, wat dit keer binnen een uur geregeld was.
De Lounge op Panama’s Tocumen Airport waar ik een uur of 4 doorbracht
Huurauto
Via Adobe Rentacar had ik een auto gehuurd, een Hyundai Creta met verhoogde bodem. Tankstations zijn altijd met bediening. Een volle tank kostte 27.000 colones (36,50 EUR).
Het rijden in Costa Rica is erg gemakkelijk. Alle doorgaande wegen zijn perfect gladde asfaltwegen. Opschieten doet het niet erg omdat al het verkeer over dezelfde weg gaat en de wegen ook door alle plaatsjes gaan. Voor de navigatie gebruikte ik maps.me (omdat die geen data verbruikt), afgezien van een paar kleine vergissingen ging dat prima. De meeste attracties staan ook al van verre aangegeven met borden.
Hotels
San José: Fleur de Lys
Dit is een vriendelijk hotel in het centrum van San José. Geen luxe, maar keurig schoon en van alle gemakken (goede wifi, warme douche) voorzien. Het ontbijt is het standaard saaie setje van ei, gebakken banaan en rijst met bonen. De kamer zelf (ik had de Tulpenkamer gekregen!) is donker, maar er is een leuk zitje buiten aan de straatkant.
Kosten: 39 EUR per nacht inclusief ontbijt
Orosi: Orosi Lodge
De Orosi Lodge wordt gerund door een Zwitsers stel. Netjes en mooi aangekleed pension. Ze hebben er ook een café bij waar ze koffie en cake verkopen. Ik had een ruime kamer met keukentje en eigen zitje op de veranda. De wifi was een beetje zwak en ’s avonds zijn de kikkers erg luidruchtig (’s nachts gelukkig niet). Erg lekker continentaal ontbijt (apart te betalen).
Kosten: 65,70 EUR per nacht zonder ontbijt
Uvita: El Paraiso
Hier had ik één van de drie huisjes op een privéterrein. De kletsgrage Amerikaanse eigenaren wonen er naast. Goede wifi en airco (dat is wel nodig in Uvita). Erg lekker (Amerikaans) ontbijt.
Kosten: 85,60 EUR per nacht inclusief ontbijt
Sierpe: Casa Margarita
Casa Margarita is een motelachtig, eenvoudig pension. Ik had er een brandschone kamer met airco, badkamer, wifi en zitje voor de deur. Er zit geen ontbijt bij.
Kosten: 36,50 EUR per nacht inclusief ontbijt
Drake Bay: Sunset Lodge
Fijnste verblijfplaats van de hele reis. Ik had er een eigen huisje geplakt tegen de berghelling. Het had een mooie veranda met uitzicht op de oceaan. Goede wifi. Het ontbijt is te kiezen uit verschillende internationale menu’s in het restaurant aan de voet van de helling en is al vanaf 5.20 uur beschikbaar. Ze hebben ook mijn vogel- en Corcovadotours georganiseerd en me van en naar de bootlandingsplek gebracht. Het contact met de beheerder verliep heel gemakkelijk via whatsapp. Betaald heb ik via paypal.
Kosten: 90 EUR per nacht inclusief ontbijt
Manuel Antonio: Millenium Hotel
Dit is een beetje hostelachtig, maar toch niet goedkoop vanwege de toeristische locatie. Ik had er een nette kamer met goede airco. Parkeren is hier het grootste pluspunt, dat is lastig in de buurt van het park anders. Hier loop je zo naar de ingang en staat de auto veilig. Snelle wifi. Je krijgt een polsbandje om om te laten zien dat je hier “woont”, ieeeh. Het ontbijt is in een restaurantje even verderop, maar dat ging pas om 7 uur open en op dat tijdstip wilde ik al in het Manuel Antonio park zijn.
Kosten: 98,55 EUR per nacht inclusief ontbijt
Liberia: Hotel Las Espuelas
Hotel Las Espuelas ligt aan de toegangsweg naar Liberia. Het is gebouwd in de vorm van een Mexicaanse ranch. Er waren vooral veel Costaricaanse gasten hier. Vriendelijk personeel en goed ontbijt.
Kosten: 50,75 EUR per nacht inclusief ontbijt
San José: City Express San José Aeropuerto
Dit is een soort Ibis Budget hotel. Erg groot, weinig gasten. Gratis parkeren. Het ligt naast een winkelcentrum met ook een aantal restaurants. Snel internet en frisse kamer met airco. Het ontbijt stelt niet veel voor.
Kosten: 55,60 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten
Ontbijt
Het standaard ontbijt in Costa Rica bestaat uit ei, gallo pinto (rijst met bonen) en gebakken banaan (zie foto bovenaan). Gelukkig werd er in de meeste hotels ook wel wat anders geserveerd, zoals Amerikaanse pannenkoeken of yoghurt met muesli.
Tussendoor
Er zijn genoeg plekken om te stoppen voor een vers vruchtensap of cappuccino met cake.
Lunch en diner
Door het toerisme hebben de meeste restaurants een hele internationale keuken, variërend van Mexicaans tot pizza. Als ik toch iets typisch Costa Ricaans moet noemen is dat de “Rijst met” – rijst met garnalen (arroz con camarones), rijst met kip (arroz con pollo). Het is vergelijkbaar met nasi: gebakken rijst met groenten en kruiden en dan vis of vlees.
Kosten
Cash geld is wat je hier nodig hebt. Je kunt overal betalen met of US dollars of Costaricaanse colones, beiden krijg je ook uit de geldautomaten. De hotels en de duurdere tours betaalde ik in dollars, de rest in colones. Betalen met een creditcard kan wel maar dan rekenen ze hoge toeslagen.
Zonder de autohuur gaf ik 121 EUR per dag uit. Daarmee staat Costa Rica in de buurt van Panama en Zuid-Korea in de hogere regionen qua prijsniveau van de landen die ik bezocht heb. Eten in restaurants is niet echt goedkoop, ik betaalde meestal zo tussen de 7000 en 10.000 colones (10-14 EUR) voor een hoofdgerecht met wat te drinken er bij. Ook de entreeprijzen en het tanken tikken wel aan.









































Leave a comment