- Programma IJsland 2020
- Reykjavik
- Landmannalaugar Safari
- Ringweg #1: Reykjavik – Skaftafell
- Ingolfshofdi
- #736: Nationaal park Vatnajökull
- Ringweg #2: Skaftafell – Myvatn
- Mývatn
- Ringweg #3: Myvatn – Hvammstangi
- #737: Thingvellir
- Ringweg #4: Hvammstangi – Landeyjahöf
- #738: Surtsey
- Terugblik IJsland 2020
Programma IJsland 2020
IJsland is één van de laatste drie landen in Europa waar ik nog niet ben geweest. Je moet er eigenlijk midden in de zomer naar toe, het hoogseizoen wanneer ik reizen meestal vermijd. Maar nu de rest van de wereld nog gesloten is, lijkt dit toch opeens een aantrekkelijke bestemming. Met alle onzekerheid die er tegenwoordig bijhoort: de vluchten met Icelandair zijn in de aanloop al een keer of drie gewijzigd, waardoor ik een dag langer weg ben dan eigenlijk gepland. Ook worden de coronamaatregelen in IJsland weer strenger. Ik ben er pas gerust op als ik het land binnen ben!
Het plan is om er in 11 dagen met een huurauto een rondje te rijden over de bijna 1300 kilometer lange Ringweg. Maar het weer en de (on)beschikbaarheid van georganiseerde tours kan nog van alles doen veranderen:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 13 augustus | Vlucht Amsterdam – Reykjavik 14.10-15.25 met Icelandair. Het is in IJsland 2 uur vroeger dan in Nederland. | Center Hotel Plaza, Reykjavik |
| 14 augustus | Te voet het centrum van Reykjavik verkennen, met o.a. het Nationaal Museum en de iconische Hallgrímskirkja. Om 16 uur huurauto ophalen bij vliegveld. | Center Hotel Plaza, Reykjavik |
| 15 augustus | Georganiseerde dagtocht vanuit Reykjavik per jeep, naar het bergachtige Fjallabak natuurreservaat in het binnenland. | Center Hotel Plaza, Reykjavik |
| 16 augustus | Rit naar Skaftafell (3,5 uur), met tussenstops bij o.a. een turfhuis en lavavelden. | Hotel Skaftafell, Skaftafell |
| 17 augustus | Bezoek aan Vatnajökull Nationaal Park (WE1), een grote ijskap met de grootste gletsjer van Europa en veel vulkanen. Te zien via 2 korte wandelingen vanuit Skaftafell. | Hotel Skaftafell, Skaftafell |
| 18 augustus | Lange rit naar het noorden van IJsland, naar Myvatn (6,5 uur). Onderweg stops bij het gletsjermeer Jokulsarlon en om papagaaiduikers te kijken. | Hótel Laxá, Myvatn |
| 19 augustus | Bezoek aan Myvatn, het muggenmeer, omringd door objecten van vulkanische oorsprong, zoals de explosiekrater Hverfell, de grillige lavaformaties van Dimmuborgir en de pseudokraters bij Skútustaðir. | Hótel Laxá, Myvatn |
| 20 augustus | Doorrijden langs de noordkust, via Husavik (walvismuseum en walvistour) en nog 3 turfhuizen. Rit eindigt na 3.5 uur in het plaatsje Hvammstangi (546 inwoners). | Hotel Hvammstangi Guesthouse |
| 21 augustus | In Hvammstangi bezoek aan het zeehondencentrum en rondrit van een uurtje over een schiereiland waar 3 stranden zijn waar je zeehonden kunt zien. Daarna terugrijden naar Reykjavik (2.5 uur). | Nordurey Hotel City Garden, Reykjavik |
| 22 augustus | Naar de geisers Geysir/Strokkur, de Gulfoss-waterval en Thingvellir (WE2). Dat laatste is een nationaal park rond een verzakking van de aarde, op de breuklijn van het Amerikaanse en Europese continent. | Nordurey Hotel City Garden, Reykjavik |
| 23 augustus | Terugvlucht naar Schiphol met Icelandair van 7.40-12.55 uur. | Thuis |
Reykjavik
De IJslandse hoofdstad Reykjavik – te voet verkend. Met sculpturen, musea en veel groen.
Vandaag liep ik 14,5(!) kilometer door de IJslandse hoofdstad Reykjavik. Mede mogelijk gemaakt door het stralende weer – de middag ervoor werd ik nog zeiknat op de 1,3 kilometer tussen het busstation en mijn hotel. Deze vrijdag echter scheen de hele dag de zon. Ik ging al om 8 uur op pad om de hoogtepunten van de stad te bekijken.
De grootste blikvanger is de 74,5 meter hoge Hallgrímskirkja – te zien vanaf grote delen van de stad, ook omdat hij op een heuvel staat. Het unieke ontwerp is gebaseerd op de grote basaltpartijen die veel op IJsland te vinden zijn. De kerk is gebouwd tussen 1945 en 1986.
De kerk was zo vroeg nog niet open, vandaar dat ik weer naar beneden liep naar de waterkant. Reykjavik ligt aan een prachtige baai. Met dit heldere weer kun je de bergen aan de overkant zien.
Kenmerkend voor de stad zijn ook de vele abstracte sculpturen en standbeelden gemaakt door IJslandse kunstenaars. Deze Zonreiziger (1990) van roestvrij staal staat aan de boulevard.
Nog weer een eind verder langs de baai ligt het Höfði-huis: een witte villa in Art Nouveau stijl die lang als Frans consulaat en Britse ambassade dienst heeft gedaan. Bekend is het echter geworden door de top tussen Reagan en Gorbatsjov die hier in 1986 plaats vond en het einde van de Koude Oorlog betekende.
Reykjavik moet het verder niet echt hebben van de mooie gebouwen. Het is een rommelige stad, met een mix van typisch Scandinavische houten huizen en twintigste-eeuwse betonnen nieuwbouw. Er wordt nog steeds veel gebouwd, het centrum staat vol met hijskranen.
Een stuk landinwaarts (een flink stuk lopen, heuvel op heuvel af) ligt een museum voor moderne kunst: Kjarvalsstaðir. Het is gewijd aan de IJslandse kunstenaar Jóhannes S. Kjarval. Ik was er de enige bezoeker, maar het was volop in bedrijf met een museumwinkel en een museumcafé. Naast de natuurschilderijen van Kjarval (mos en lava, hét IJslandse landschap) was er ook een tentoonstelling met realistische kunst van andere IJslandse schilders.
Een klein maar fijn museum. Met hetzelfde kaartje van 11 EUR heb je ook toegang tot twee andere musea voor moderne kunst in Reykjavik, die zijn naar verluidt ook de moeite waard. Ik sjouwde echter weer een heel eind verder, terug naar het centrum van de stad. Langs de grote weg en niet ver van het busstation ligt daar het Nationaal Museum van IJsland.
Ik probeer in iedere hoofdstad altijd het Nationaal Museum te bezoeken – het zegt je vaak heel veel over het land, hoe het zichzelf ziet en dus presenteert. Nou, de geschiedenis van IJsland is vrij eenvoudig: het was onbewoond tot de 9de eeuw, tot een paar Noorse Vikingen zich hier vestigden. Ze bekeerden zich al snel tot het Christendom. Het meest aantrekkelijke overblijfsel uit deze IJslandse middeleeuwen is het houtsnijwerk, vaak religieus van aard.
In de eeuwen daarna werd IJsland gekoloniseerd door eerst de Noren en later de Denen. Ze bleven wel veel houtsnijwerk maken en erg religieus (hoewel inmiddels overgestapt van katholiek naar protestant). Pas in 1944 werd IJsland een onafhankelijke republiek.
Tegen lunchtijd wandelde ik weer terug richting mijn hotel. Er is veel groen in het centrum van Reykjavik en er is een aantrekkelijk meertje, Tjörnin. Mijn hotel (zie foto hieronder) lijkt uiterlijk zo uit het Oostblok overgenomen. Het ligt echter aan een gezellig plein, met bankjes, skateboarders, restaurants en zelfs terrassen.
Landmannalaugar Safari
Toen ik gisteren mijn huurauto op ging halen zat er een groot plakkaat op het stuur: instructies met waar je wel en niet mag rijden. Met een ‘gewone’ auto is zo’n 80% van IJsland verboden gebied. Dat is feitelijk het gehele binnenland: de wegen zijn hier niet verhard en je moet af en toe door een stroompje water rijden. Om toch wat van het binnenste van het land te kunnen zien heb ik een ‘superjeeptour’ naar Landmannalaugar geboekt.
We rijden op deze zaterdagochtend om 9 uur in de ochtend weg uit Reykjavik: 1 IJslandse chauffeur/gids en 16 toeristen uit Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en China (de laatsten wonen in Italië). We gaan met een speciaal geprepareerde bus met vierwielaandrijving en extra grote wielen, zodat het doorkruisen van een rivier geen probleem zal zijn.
Bij vertrek in Reykjavik is het droog, maar er hangt zeer lage bewolking zodat je niet veel van de omgeving kunt zien. Die lage wolken hangen er hier aan de kust nogal vaak: het is warme lucht vanaf zee die niet de bergen over kan komen.
De rit naar onze eindbestemming Landmannalaugar zal 3 uur duren, dus we hebben onderweg nog tijd voor stops om de benen te strekken en wat kleinere bezienswaardigheden te bekijken. Ten eerste twee watervallen: Hjalparfoss en het turquoise-kleurige Sigöldufoss. IJsland zit vol met watervallen, vandaar ook dat waterkrachtcentrales het hier goed doen. Naast vissen en toerisme is het verkopen van elektriciteit (groene welteverstaan) de belangrijkste bron van inkomsten voor IJsland.
Een derde stop is er bij het meertje Ljótipollur. Hiervoor moeten we eerst de kraterwand beklimmen, waarna je vanaf de rand het kratermeer inkijkt. Het heeft rood gekleurde wanden, hier en daar bedekt met felgroene stukken. Het is gevuld met grondwater.
Als we bij het meertje wegrijden zien we in de verte het zonlicht door de wolken komen: het lijkt erop dat juist waar wij heen gaan – Landmannalaugar – de zon is gaan schijnen! We rijden er snel naar toe en komen in een zonovergoten dal aan waar de medetoeristen in t-shirts en korte broek rondlopen.
Landmannalaugar is een dal in het zogenaamde Hoogland van IJsland. Het is onderdeel van het Fjallabak natuurreservaat. Je arriveert hier echt ergens: het is misschien wel de drukste plek van heel IJsland! Tientallen auto’s staan er geparkeerd (terwijl je er toch alleen maar over onverharde wegen kunt komen), en evenzovele tentjes staan op de rotsachtige ondergrond van het kampeerterrein. Je kunt hier 2 dingen doen: genieten van één van de geothermische warme baden of wandelen.
De meesten van ons groepje van 16 kiezen er net als ik voor te gaan wandelen. We lopen achter onze gids aan voor een tocht van zo’n 2 uur. Er zijn wandelpaden uitgezet dus het is vrij eenvoudig. Eerst lopen we de richel op achter het kampeercomplex van Landmannalaugar. Je kijkt dan mooi het dal in en recht op één van de kleurrijke bergwanden waar het beroemd om is.
Deze vele kleuren komen door het ryolietgesteente: vulkanisch stolsel dat licht is van kleur en uit kleine kristallen bestaat. In het zonlicht licht het op en krijgt het een witte, gele, roze, bruine of grijsgroene kleur.
Het dal ligt aan de rand van het Laugahran lavaveld, dat na een vulkaaneruptie in 1477 gevormd is. Aan de achterzijde van de bergrand zien we dan ook al snel pluimpjes rook opstijgen: er zijn hete zwavelbronnen. De geur komt je ook tegemoet.
Terug lopen we dwars door het lavaveld. Dit vraagt wat klimmen en klauteren, hoewel er nog steeds een goed gemarkeerd pad is. Het voordeel van lavagesteente voor de dalende wandelaar is dat het stevig is en je je goed kunt vasthouden. Het veld bevat veel van het zeldzame obsidiaan of wel vulkanisch glas, een zwart glasachtig gesteente.
Het laatste stuk van het wandelpad is vlak en loopt parallel aan een rivier, nog weer een heel ander stuk landschap. Eén van de bergwanden hier is zelfs groen. Naar verluidt is er ook een blauwe berg, maar die laat zijn kleur vandaag niet zo goed zien. De gids zegt dat er een IJslands spreekwoord is: “de verste berg is altijd het meest blauw” – zoiets als de mooiste herinnering ligt in het verste verleden.
Terug in het dal is het net alsof je in een woestijn loopt, het zou Namibië wel kunnen zijn. We zijn niet veel andere wandelaars onderweg tegengekomen. Velen hier bereiden zich voor op de 4-daagse Laugavegur trektocht, die 55 kilometer lang dwars door het binnenland van IJsland loopt. Je kunt in berghutten overnachten of kamperen.
Op de terugweg naar Reykjavik rijden we een andere route dan op de heenweg. Twee keer komen we een groep toeristen te paard tegen: tochten op de inlandse kleine paarden zijn ook een populaire bezigheid hier. We hopen nog een glimp van de vulkaan Hekla op te vangen, maar helaas is die al weer verscholen achter wolken. Wel rijden we opnieuw door een spectaculair vulkanisch landschap.
Ringweg #1: Reykjavik – Skaftafell
De IJslandse Ringweg tussen Reykjavik en Skaftafell, met turfhuizen, een lavaveld en als verrassing: een klif vol papagaaiduikers!
Vandaag begin ik aan de Ringweg: een rit van een kleine 1300 kilometer rond IJsland. Ik ga hem doen in 4 etappes, de eerste gaat van Reykjavik naar Skaftafell. Ik rijd dus tegen de klok in en start met het populaire zuidwesten van IJsland.

De eerste anderhalf uur rijd ik door zonder bijzondere stops. Gisteren met de tour was ik hier ook al. Er zijn boerderijen, zelfs kassen waarin ze tomaten verbouwen, en koeien en IJslandse paardjes staan in de weilanden.
Mijn eerste doel ligt 14 kilometer het binnenland in, van de Ringweg af. Het is het Keldur Turfhuis, één van de 14 traditionele turfwoningen en -kerken die op de lijst voor mogelijk werelderfgoed van IJsland staan. Je moet er wel wat moeite voor doen: de laatste 4 kilometer van de weg is onverhard en heeft de kwaliteit van een wasbord.
Keldur is makkelijk te vinden, maar het turfhuis maakt onderdeel uit van een moderne boerderij. Zo op zondagochtend hebben de eigenaren blijkbaar nog geen zin in toeristen. Hij zou eigenlijk om 10 uur open moeten gaan (ik ben er om kwart voor 10), maar er hangt een handgeschreven briefje dat het pas om 11 uur gaat zijn. Daar ga ik niet op wachten, dus hobbel ik maar weer terug naar de Ringweg.
Niet veel verder ligt het Skogar openluchtmuseum. Hier hebben ze een aantal turfhuizen en oude houten woningen uit verschillende delen van IJsland opnieuw opgebouwd. Er is een volksmuseum bij, met gebruiksvoorwerpen van de oude IJslanders. Zoals spullen voor het vissen of het maken van skyr, de IJslandse yoghurt.
In de turfhuizen hier op het terrein kun je ook binnenkijken. Sommige waren een combinatie van een stal beneden en boven de woon/slaapkamer van de bewoners. De mensen sliepen met z’n allen in één kamer, twee tegelijk in een smal bed.
Het rijden over de Ringweg blijkt gemakkelijk. Je moet alleen uitkijken dat je niet boven de snelheidslimiet van 90 kilometer gaat; de boetes zijn hier hoog. De Ringweg is een brede tweebaansweg, af en toe onderbroken door een bruggetje waar het één baan wordt en je even moet wachten als er een tegenligger aankomt. Het is best druk onderweg, veel toeristen (campers, caravans) en wellicht ook IJslanders die een weekendje weg zijn geweest.
Er zijn ook veel picknickplekken langs de weg, zodat je veilig kunt stoppen om foto’s te maken van het landschap. Van Petursey en Eyjarhóll bijvoorbeeld, een met gras bedekte tafelberg met een kleine, pilaarvormige heuvel ernaast.
Bezienswaardigheden staan duidelijk van de weg af aangegeven. Bij Reynisfjara, het zwarte strand, twijfel ik nog even of ik wel zal stoppen. Strand trekt me niet zo (niet dat je hier kunt zwemmen trouwens, het is levensgevaarlijk). Ik kom bij een grote parkeerplaats uit waar al tientallen andere auto’s staan. Ik loop toch maar een stukje het strand op, dat zwart is gekleurd door de lava die in zee is gestroomd.
Aan het strand ligt ook Gardar, een basaltstenen klif. Mijn oog wordt echter getrokken naar de wezentjes die bovenaan dat klif hun nesten hebben ingenomen: de papagaaiduikers. Er zitten er honderden, zoveel heb ik er nog nooit bij elkaar gezien. Voor morgen heb ik een speciale tour geboekt naar een plek hier zo’n 50 kilometer vandaan om papagaaiduikers en andere zeevogels te zien, maar hier kan ik ze met mijn sterke zoomlens zo naar voren halen.
Meer vulkanische wonderen zijn er te zien op de weg naar Kirkjubæjarklaustur. Hier ligt het lavaveld Eldhraun. Het is 565 vierkante kilometer groot en ontstaan na een vulkaanuitbarsting eind 18de eeuw. De gestolde lava is nu helemaal met mos bedekt.
Vlak voor mijn eindbestemming van vandaag, Skaftafell, valt mijn oog links van de weg op wat er uitziet als een rijtje turfhuizen. Ik ben er al voorbij gereden voordat ik er erg in heb, maar dit Nupsstadur staat op mijn lijstje van 14 turfhuizen die mogelijk werelderfgoed worden. Ik rijd dus maar even terug. Ze staan op privé-terrein, maar je kunt ze van de weg af fotograferen.
Ingolfshofdi
Van begin mei tot eind augustus broeden de papegaaiduikers op IJsland. Eén van de beste plekken om ze te zien aan de zuidkust is Kaap Ingolfshofdi. Dit is een beschermd natuurgebied dat alleen met een tour te bereiken is. Er is ook maar één organisatie die de tour organiseert: die van voormalig schapenboer Einar Rúnar Sigurdsson. Hij is eigenaar van het land tussen de Ringweg en het natuurreservaat, en brengt je erheen met zijn trekker en hooiwagen.
De tours gaan twee keer per dag: ik heb die van 10.15 uur. Er gaan 12 mensen mee. De trekker blijkt geen overbodige luxe, het blijft hier niet bij een riviertje doorkruisen – we rijden 25 minuten dwars over wat lijkt op een wad. Er zijn alleen geen getijden: het is een lavawoestijn waar wat zeewater instroomt.
Kaap Ingolfshofdi heeft ook een historische betekenis voor de IJslanders. Hier gingen de eerste Noorse kolonisten aan land. Ingolfur Arnarson, naar wie de kaap vernoemd is, bracht zijn eerste winter hier door in het jaar 874. Toen zag het landschap er nog heel anders uit: er was bos, er was gras. Tegenwoordig valt er op deze plek helemaal niet meer te leven, de vele vulkaanuitbarstingen hebben het landschap in een woestijn veranderd en er zijn veel overstromingen geweest.
Behalve voor papegaaiduikers is dit schiereiland ook belangrijk voor een andere vogelsoort: de grote jager. Zij broeden hier. De kleintjes zijn nu net uitgevlogen, dat is maar goed ook want de grotere vogels kunnen behoorlijk agressief worden. Met een spanwijdte van meer dan een meter zijn ze angstaanjagend genoeg. Gelukkig tolereren ze vandaag dat we over hun land lopen, je kunt ze tot heel dichtbij benaderen.
De grote jagers eten eieren en kleine vogels. Je ziet op de grond dan ook overal skeletjes en veren liggen. Ze bezetten het vlakke gedeelte van de Kaap, het grasland. Het klif daarentegen is het domein van de papegaaiduikers. De beestjes vertrekken elk jaar zo rond 20 augustus, maar er zitten er nu nog genoeg. Ook hier zijn de jongen al uitgevlogen.
Volgens Einar de gids nestelen er hier jaarlijks zo’n 4000 paren papegaaiduikers. Een deel is al vertrokken, de oceaan op waar ze dobberend op het water de winter doorbrengen. Maar een stuk of 1000 exemplaren zit nog steeds op het klif van Kaap Ingolfshofdi. Ze lijken het wel prettig te vinden om in groepjes bij elkaar te zitten, hoewel er ook veel wordt rondgevlogen.
Het klif is een paar honderd meter breed en de fotografen in onze groep hebben dan ook alle ruimte om foto’s te maken. De papegaaiduikers zitten soms helemaal op de bovenste rand, zodat zelfs close-ups tot de mogelijkheden behoren. Je kunt ze tot 2 à 3 meter naderen, ze schrikken niet zo snel.
Je blijft hier foto’s maken: in totaal schiet ik 120 foto’s van papegaaiduikers. Als ze vliegen zijn ze ook heel grappig, net voor de landing steken ze hun pootjes vooruit. Ze worden wel de “clowns der zeevogels” genoemd, maar ik vind ze er ook heel eigenwijs uitzien.
Na anderhalf uur vertoefd te hebben op de top van de Kaap, waar ook een vuurtoren staat voor de historische scheepvaart en een baken voor de moderne luchtvaart, dalen we weer af door het zwarte zand naar de trekker. De tijd is voorbij gevlogen, er zijn zoveel vogels te zien. Naast de grote jagers en de papegaaiduikers zagen we nog een jan-van-gent voorbijzeilen en wat stormvogels. Eerder in het jaar zitten hier ook zeekoeten en alken.
#736: Nationaal park Vatnajökull
Wat is het?
Het Nationaal park Vatnajökull is een complex samenspel van een grote ijskap met de grootste gletsjer van Europa, uit elkaar bewegende tektonische platen en tien vulkanen. Het levert een zeer divers landschap op. Het park ligt in het zuidoostelijke binnenland en neemt 14% van het gehele grondgebied van IJsland in beslag.
Cijfer: 8 (Je kunt alleen maar aan de randen van het park komen, maar je blijft kijken naar die grote ijsmassa. Vanaf de Ringweg zie je tientallen kilometers lang de enorme ijskap en meerdere gletsjers. Het gletsjermeer Jökulsarlon dat in de oceaan uitmondt vond ik het hoogtepunt).
Toegang: Gratis. Bij het bezoekerscentrum van Skaftafell moet je wel betalen voor het parkeren, maar de automaat deed het niet toen ik er was.
Hoeveel tijd: Ik was zo’n anderhalve dag in het gebied, waarvan ik ook een halve dag besteedde aan de vogeltour naar Ingolfshofdi wat net buiten dit werelderfgoed ligt.
Opvallend: Ik begon mijn bezoek in Skaftafell, het meest westelijke bezoekerscentrum van dit park. Ik kwam er aan tegen 3 uur en was verbaasd over de drukte. Er is een heel groot parkeerterrein bij en dat eigenlijk alleen voor het vertrekpunt van een paar wandelingen. De kortste en populairste wandeling is die naar Svartifoss – de “zwarte waterval” die omgeven wordt door kolommen van zwart basalt. Het is maar een half uurtje lopen. Ik vond er niet zoveel aan en het is nog voortdurend klimmen ook!
De volgende dag reed ik ongeveer 60 kilometer oostwaarts naar Jökulsarlon, het gletsjermeer. Onderweg kom je verschillende typisch IJslandse picknickplaatsen tegen vanwaar je mooie foto’s van het meer kunt maken. Ik begon bij de laatste parkeerplaats voor de brug waar het water en ijs van het gletsjermeer in de oceaan stromen. Het weer was over het algemeen zonnig, maar het ijskoude water liet een mistwolk boven het meer hangen. Ik zat een tijdje op de morene en zag de wolken geleidelijk verdwijnen. Het zou een kwestie van geduld zijn voordat ik het hele gletsjermeer kon zien.
Ik besloot dat moment af te wachten aan de andere kant van de brug, waar je het beste overzicht hebt over het hele meer en de ijsbergen die erin drijven. Ik zag een paar zeehonden die zich ook prima vermaakten in het meer. Net als Skaftafell is het in Jökulsarlon erg druk met toeristen; maar de meesten van hen lopen niet ver voorbij de parkeerplaats.
Na een uur waren alle wolken verdwenen en kreeg ik een volledig zicht op het meer en de enorme gletsjerwand die in de verte opdoemde. Deze wand lag vroeger vlak bij de oceaan, maar door het smelten van de gletsjers wordt het meer steeds groter. De gletsjer ligt nu 1,5 kilometer van de kust.
Helaas kun je alleen tot aan de randen van het Vatnajökull Nationaal Park komen, maar je blijft naar die grote ijsmassa kijken. Vanaf de Ringweg kun je de enorme ijskap en verschillende gletsjers tientallen kilometers ver zien.
Ringweg #2: Skaftafell – Myvatn
De tweede etappe van mijn rit over de IJslandse Ringweg is de langste: met bijna 500 kilometer is het zo’n 40% van het totaal. Ik rijd van de zuidkust helemaal de oostkust langs om in het noordoosten te eindigen. Het oosten is niet het deel van het land met de meeste bezienswaardigheden, vandaar dat ik er vooral doorheen rijd.

Nog geen 15 kilometer na het vertrek heb ik mijn eerste stop: het turfkerkje Hofskirkja. Het is de dorpskerk van het gehucht Hof. De kerk met het dak van turf is gebouwd aan het eind van de 19de eeuw. Het ligt te midden van een hedendaagse begraafplaats, die misschien nog wel interessanter is dan de kerk zelf. Elk graf ligt onder een met gras overgroeide kleine heuvel.
Bij het rijden over de Ringweg vallen vandaag vooral de schapen op: ze lopen graag over de weg. Misschien komt het omdat ik wat vroeger ben vertrokken vandaag, of omdat op dit stuk sowieso minder auto’s komen. Maar als je 90 kilometer per uur rijd door de mist is het oppassen voor de witte wollige beesten. Ik heb wel een keer of vijf moeten stilstaan om ze de weg over te laten.
Zoals op alle dagen tijdens deze reis tot nu toe trekt in de loop van de ochtend de laaghangende bewolking op en komt de zon tevoorschijn. Het landschap hier in het zuidoosten en oosten van IJsland is wat ruiger dan in het zuidwesten en zuiden. Je rijdt voortdurend met hoge bergruggen aan je linkerhand en de oceaan aan de rechter. Het heeft wel wat weg van de Schotse hooglanden.
Na een benzine- en supermarktstop in Höfn is Djupivogur de eerste plaats waar ik wat langer stop. Het is een havenplaatsje aan de oostkust. Populair ook bij andere toeristen. Ik eet er lunch in een lokaal café, kijk even bij een oud magazijn en wandel langs de kade. Aan het eind daarvan heeft een kunstenaar 34 granieten eieren geplaatst, één voor elke vogelsoort die in dit gebied nestelt.
Zo’n anderhalf uur verder naar het noorden ligt Egilstaddir. Dit is het andere plaatsje aan de oostkust waar nog iets te zien moet zien. Ik heb het Oost-IJslandse erfgoedmuseum op mijn lijstje staan. Hier ben je in een minuut of 20 wel klaar: ze hebben een tentoonstelling over hoe de mensen in deze streek vroeger leefden en een tentoonstelling over rendieren. Dit gebied was altijd heel arm, dus veel meer dan wat gebruiksvoorwerpen zijn er niet te zien. De rendieren zijn hier in de 18de eeuw geïntroduceerd door de Noren, maar het houden van vee was niet zo aan de IJslanders besteed. Nu leven er alleen nog kleine groepen verwilderde rendieren.
Mývatn
Mývatn, het “muggenmeer”, is een groot meer in het noorden van IJsland. Het ligt in een actief vulkanisch gebied. Vanaf de weg rond het meer zijn verschillende korte wandelingen te doen, waarmee je er gemakkelijk een leuke, actieve dag van kunt maken. Gelukkig was het zoals steeds de afgelopen dagen droog en zonnig – in de regen moet de charme ervan je snel ontgaan.
Ik startte vroeg in de ochtend bij Dimmuborgir. Hier zijn grillige lavaformaties te zien. Er lopen verschillende paden door het gebied, ik koos een combinatie van de rode en de blauwe wandeling waarmee je dwars over het terrein wandelt. Een beetje klauteren hier en daar over de scherpe rotsen, maar goed te doen.
Net aan de andere kant van de bergen ligt Hverir. Dit had ik gisteren al van een afstandje gezien toen ik in Myvatn aan kwam rijden, het ziet er spectactulair uit met zijn rookpluimen. Hverir is een veld met zwavelhoudende modderpoelen (solfataren).
Er is een route uitgezet zodat je tussen de bronnen door kunt lopen zonder dat je in één van de 200 graden warme bronnen terecht komt. Net als elders in IJsland valt me hier ook op dat het terrein op zich netjes aangelegd en onderhouden is, maar dat er geen enkele vorm van toezicht is (in de vorm van parkwachters of zo). Blijkbaar is het voor de IJslanders te veel om elk natuurgebied in de gaten te houden. Entree betalen hoef je ook nergens.
Pal aan het meer ligt het parkeerplaatsje van Hofdi. Hier was ik vanochtend in alle vroegte al even, maar het bleek tussen 22 en 10 uur gesloten te zijn om de vogels rust te gunnen. Dus ging ik er later in de ochtend nogmaals langs. Het wandelpad voert hier door het bos (een zeldzaamheid in IJsland) en heeft diverse uitkijkpunten over het meer.
Het meer heeft een oppervlakte van 37 vierkante kilometer en is gevuld met door lava gecreëerde rotsen en eilandjes. Het valt op dat het hier zoveel groener is dan in de omgeving.
Net voor de lunch parkeerde ik bij Skutustadir. Bij dit deel van het meer zijn pseudokraters te zien: kleine heuvels die eruit zien als uitgedoofde vulkanen, maar in werkelijkheid zijn ontstaan toen hete lava het meer bereikte. Water dat er onder kwam te liggen baande zich uiteindelijk als stoom uit de “krater”.
Hier kun je kiezen uit 2 wandelingen: een korte naar de top van de grootste pseudokrater of een lange langs de waterkant en meerdere kraters. Ik koos als een van de weinigen voor de laatste. Ook deze duurde weer een uurtje.
In het hotel tegenover Skutustadir at ik lunch: heel toepasselijk voor de rijke vogelwereld van Myvatn nam ik pulled goose (draadjesvlees van gans).
Daarna reed ik weer naar de andere kant van het meer, waar niet ver van Hverir waar ik vanochtend was het vulkanisch systeem van Krafla ligt. In de 18de eeuw heeft een uitbarsting een grote krater opgeleverd, de Viti. Je kunt hier aan de voet parkeren en dan over de rand naar de andere kant lopen. Het water in de krater is prachtig turquoise van kleur.
Een kilometer verderop ligt het kerngebied van de Krafla. Negen aardbevingen in de periode tussen 1975 en 1984 hebben ervoor gezorgd dat er hier een scheur in de aarde is ontstaan en er nog steeds rokende velden te zien zijn.
Na het avondeten ging ik er nog een keer op uit: naar de monding van het meer in de Laxá-rivier dit keer. Deze snelstromende rivier zit vol met vis (Laxa betekent zalm) en is populair bij met name de eenden van het meer. Er leven en broeden hier maar liefst 13 soorten, waaronder de voor Europa zeldzame harlekijneend. Helaas hadden de bonte exemplaren zich al naar zee verplaatst, zodat ik het moest doen met vrij saaie bruine en zwarte eenden (ik denk smienten en kuifeenden).
Ik stond naar de eenden te kijken vanaf de brug over de Laxa en hier merkte ik voor het eerst de grote zwermen muggen op waar het meer zijn naam aan te danken heeft. Het zijn zogenaamde dansmuggen, ze steken geen mensen en zijn een lekkernij voor de vogels.
Ringweg #3: Myvatn – Hvammstangi
De Ringweg in het noorden: via de walvissen bij Husavik, de turfkerk van Vidimyrarkirkja en de turfboerderij van Glaumbaer.
Het derde deel van mijn tocht over de Ringweg rond IJsland gaat langs de noordkust:

De dag begint een kilometer of 40 van de Ringweg af, in het havenplaatsje Husavik. Het heeft vannacht gevroren (er lag een dun laagje ijs op de voorruit) en de lucht is strakblauw. De sneeuw op de bergen aan de overkant van de haven van Husavik ligt er naar verluidt altijd.
Behalve van het vissen moet Husavik het hebben van zijn walvistours. Er zijn twee bedrijven die ze uitvoeren, ik heb gekozen voor Gentle Giants. Zij vertrekken 3x per dag de baai in om walvissen te spotten. Ik was er voor het vertrek om 9.45 en het was zo druk dat ze zelfs 2 boten inzetten. Desondanks was het te druk naar mijn smaak op de boot met een man of 30.
Echt zoeken naar de walvissen hoeven ze hier niet: er is een plek waar een rivier uitmondt in de baai, daar is het meeste voedsel te vinden. Op het moment verblijven er daar 3 bultruggen, maar het zijn er ook wel eens 15.
Onze boot, de collega-boot en de boten van de concurrentie snellen dus naar de betreffende plek en gaan daar liggen wachten tot er een walvis adem moet halen. De eerste walvis die we zien kan 6 minuten onder water blijven en daarna verschijnt hij even aan de oppervlakte. Het is telkens hetzelfde patroon: een pluimpje water stijgt op, een zwart gevaarte wordt zichtbaar, hij ademt nog een paar keer en duikt dan weer onder water na een ferme klap van zijn staartvin.
De walvissen zijn hier niet zo actief, ze zijn er vooral om vet op te slaan voor hun lange winterreis naar het Caribisch gebied waar ze overwinteren en paren.
Dit is de derde keer in mijn leven dat ik een walvistour heb gedaan en eigenlijk vallen ze altijd tegen. De beesten doen gewoon niet zoveel en omdat ze vooral alleen leven is er ook geen interactie.
Al met al was ik 2 uur en 3 kwartier zoet op de boot, tijd dus voor een snelle lunch in de auto en het vervolg van mijn rit. Pas na 2 uur rijden is er een volgende stop: het turfkerkje Víðimýrarkirkja. Dit is wel de mooiste uit de serie “gebouwen van turf” die ik tot nu toe hier in IJsland gezien heb. En je kunt er ook naar binnen – tegen een entreeprijs van 1000 kronen (6 EUR). Het is klein en krap binnen: er staan een paar banken en een altaar; de enige versiering is het houtsnijwerk.
Zo’n 8 kilometer verderop ligt de turfboerderij Glaumbaer. Ook deze is open voor bezoekers, tegen betaling van 1700 kronen (10 EUR). Dit is een grote boerderij, bestaande uit 13 aaneengeschakelde ‘huizen’ (kamers). Ze zijn gemaakt van turf, stenen in een visgraatpatroon en hout. Een deel van de huizen dateert uit de 18de eeuw, de rest uit de 19de.
Speciaal bij deze is het leuk om naar binnen te gaan omdat je zo ziet hoe de huizen met elkaar verbonden zijn. Er is feitelijk één lange gang waarop alle kamers zijn aangesloten. Het is er erg donker en het blijft ook in de winters warm.
Elke kamer had zo zijn functie (opslagruimte, keuken), en in de slaapruimte was plaats voor 22 man. Er zijn 11 bedden die door 2 man gedeeld werden.
Langs de route van vandaag lopen er weer veel schapen rond te dwalen. Om ze eenmaal per jaar bijeen te drijven en te sorteren naar eigenaar wordt een rettír, een grote cirkel in de vorm van een wagenwiel, gebruikt. Ik heb er op het eiland al meerdere gezien, onderstaande ziet er het nieuwst uit.
Tegen zessen kom ik aan in mijn overnachtingsplaats Hvammstangi. Het staat bekend om zijn zeehondenmuseum (dat al gesloten was) en kustlijn waar zeehonden graag komen. De dichtstbijzijnde plek om ze te zien is echter nog 21 kilometer verderop – daar had ik geen energie meer voor na deze lange reisdag.
#737: Thingvellir
Wat is het?
Thingvellir omvat de resten van de plek waar tussen de jaren 930 en 1798 het Althing bijeenkwam, het IJslandse “parlement”. Eens per jaar kwamen hier in de open lucht gedurende 2 weken inwoners van heel IJsland bijeen om gerechtelijke en bestuurlijke besluiten te nemen. Het ligt in een actief vulkanisch gebied, op de Midden-Atlantische Rug die de scheidingslijn tussen het Noord-Amerikaanse en het Euraziatische continent vormt.
Cijfer: 7,5 (Het is een prachtig gebied en de geboorteplaats van de IJslandse natie. Je loopt er wel een beetje rond op zoek naar “iets” tastbaars uit de periode van het oude parlement, maar dat is er nauwelijks meer).
Toegang: Het Nationaal park is gratis te bezoeken. Voor het parkeren betaalde ik 750 kronen (4,50 EUR) en voor een tentoonstelling in het bezoekerscentrum 1000 kronen (6 EUR).
Hoeveel tijd: Twee uur.
Opvallend: Nadat ik om 10 voor 11 mijn auto op 1 van de maar liefst 5 parkeerterreinen rond Nationaal park Thingvellir had gezet, volgde ik de bordjes in het IJslands naar … ja naar wat eigenlijk? Er stonden dingen op als “Lögberg 350m” en “Hakid 300m”. Ik kwam langs het intrigerende “Drekkingarhylur”, wat een plek bleek waar vrouwen als straf verdronken werden. Ze werden in een zak gebonden en in deze waterpoel gegooid.
De “Lögberg” is waar het eigenlijk allemaal om draait: dit is een rotspunt waar de voorzitter van het parlement zijn zetel had en vanaf waar speeches werden gehouden. De precieze plek is trouwens onbekend en kan door veranderingen in het landschap ook verplaatst zijn. Waar ze denken dat het geweest is wappert nu een grote IJslandse vlag.
“Snorri’s schuilplaats” omvat de resten van een kampement waar de bezoekers aan het parlement tijdens de twee weken van de bijeenkomst overnachtten. Met wat moeite zijn sporen in het gras te zien.
Nadat het Althing werd opgeheven en IJsland een tijdlang werd gekoloniseerd door de Denen, hervond deze symbolische plaats zijn nationaal belang doordat er in 1944 de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. De minister-president van IJsland heeft hier zijn zomerresidentie: het is het gebouw met de 5 gevels hieronder naast de kerk. Op de begraafplaats bij de kerk zijn bekende IJslanders begraven.
Het huidige kerkje dateert uit de 19de eeuw, maar staat op de plek waar sinds begin 11de eeuw een grotere kerk stond. De vroege IJslanders waren heidenen die natuurgoden aanbaden, maar ze bekeerden zich al snel tot het Christendom. In het jaar 1000 werd in het Althing besloten dat het Christendom de staatsgodsdienst zou worden.
Ringweg #4: Hvammstangi – Landeyjahöf
Het laatste deel van de rit over de RIngweg, langs o.a. Thingvellir, de geisers en de waterval Gulfoss.
Voor mijn vierde en laatste etappe over de Ringweg rond IJsland wijk ik iets af van het plan – ik rijd zelfs een stuk van zo’n 50 kilometer voor de tweede keer. Ik heb besloten toch ook een dag naar de Westman-eilanden te gaan, in een ultieme poging om het derde werelderfgoed van IJsland te bereiken: Surtsey.

Vanaf Hvammstangi rijd ik niet naar Reykjavik, maar ga direct langs de “Gouden Cirkel” van bezienswaardigheden: Thingvellir, Geyser en Gulfoss.
Thingvellir is een werelderfgoed om zijn culturele historie, maar het is ook een geologisch park. Zo is er een kloof te zien, Silfra, die is gevormd door het uiteen lopen van de tektonische platen van het Noord-Amerikaanse en Euraziatische continent. Elk jaar drijven de platen 2 centimer verder uit elkaar. De plek aan het meer van Thingvellir is nu een populaire duikplek.
Een uurtje rijden verderop ligt een aantal geiservelden. Zo ingetogen als het was bij Thingvellir, zo toeristisch is het hier. Er zijn winkels, restaurants, een hotel. En dat allemaal omdat iedereen wel spuitende geisers wil zien.
Helaas voor het IJslandse toerisme doet Geysir, de naamgevende geiser, het niet meer. In het verleden, tot in de jaren 80, spoot hij tot wel 70 meter de hoogte in. Nu bubbelt hij alleen nog maar wat. Het spuiten gebeurt nu alleen nog door Strokkur, de geiser die ernaast ligt en elke paar minuten tot een meter of 15 komt.
Het is net als met de walvissen van gisteren: je kunt op de minuut na aftellen wanneer je weer iets gaat zien. Er staat al een kringetje toeristen met camera in de aanslag te wachten. Je hebt een paar kansen om een foto te maken tot het hete water zijn hoogste punt bereikt.
Tien minuten verderop ligt Gulfoss, een waterval. Ik had al bedacht deze over te slaan als ik tijd te kort zou komen om mijn veerboot van 19.15 naar de Westman-eilanden te halen. Maar gelukkig hoefde dat niet: dit is verreweg de mooiste waterval die ik in IJsland gezien heb. Het water stort over een breed plateau in twee stappen naar beneden. Er is zelfs een regenboog in het water te zien.
Ook hier is het trouwens druk en toeristisch, maar dat heeft de IJslanders er nog niet toe gebracht entree te gaan heffen. Noch voor Thingvellir, noch voor de geisers, noch voor Gulfoss. In andere landen zou je hier al snel 10 EUR per bezienswaardigheid moeten betalen.
Daarna rest slechts de rit naar de zuidkust, naar Landeyjahöfn vanaf waar de veerboot naar Heimaey op de Westman-eilanden vertrekt. Het is weer een zonnige en vooral ook heldere dag vandaag. Dus ondanks dat ik dit stuk al eens eerder heb gereden, zie ik nu opeens een stuk meer. De vulkaan Hekla bijvoorbeeld, de hoogste van IJsland.
De veerboot vertrekt vanuit Landeyahöfn. Ik weet niet goed wat ik me er voor moet stellen. Ik moet nog tanken en doe dat in een plaatsje langs de Ringweg. Dat blijkt een goede keuze: het vertrekpunt van de veerboot ligt na 10 kilometer door niemandsland. Er is alleen een wachtruimte voor de boot, verder helemaal niks. Nou ja, een groot parkeerterrein. De auto kan mee op de veerboot, maar net als vele anderen laat ik hem hier achter. Het eiland waar we naar toe gaan is maar klein, daar heb je geen auto nodig.
De overtocht naar Haemay, het hoofdeiland van de Westman-eilanden, duurt maar 40 minuten. Je kunt de eilanden voor de kust zien liggen. De boot gaat zo’n 6 keer per dag heen en weer. Ik heb vooraf gereserveerd, dat is in het weekend als de IJslanders zelf ook op pad gaan wel aan te raden.
#738: Surtsey
Wat is het?
Surtsey is een vulkanisch eiland dat pas sinds 1963 bestaat. Na een eruptie van een vulkaan op de zeebodem is het topje boven water gekomen. Sindsdien is het een beschermd natuurgebied en een ongerept natuurlijk laboratorium. Langzaamaan hebben planten, dieren en zeeorganismen het weten te vinden. Het ligt 32 kilometer van de zuidkust van IJsland en maakt deel uit van de Westman-eilanden.
Cijfer: 8 (De spanning vooraf en de tocht er naar toe maken het speciaal, ook omdat je weet dat dit een zeldzaam ‘vinkje’ is. De aantallen zeevogels die je onderweg ziet zijn ongelooflijk. Het eiland Surtsey zelf is niet mooi maar wel fascinerend.).
Toegang: Alleen wetenschappers mogen aan land op dit eiland. Georganiseerde tours zijn er niet. Het enige dat je op dit moment kunt doen is een bootje charteren dat je naar en om het eiland vaart. Grote cruiseschepen op weg tussen Schotland en Groenland willen er ook nog wel eens langs varen.
Hoeveel tijd: De boottocht duurde 2,5 uur, waarvan we zo’n half uur om het eiland voeren.
Opvallend: Als je naar mijn kaart kijkt van ‘ontbrekende’ werelderfgoederen in Europa, dan staan daar vooral afgelegen eilanden aan de randen van het continent op. Vorig jaar miste ik al jammerlijk het Schotse St. Kilda en het Ierse Skellig Michael, omdat de boottochten daar naar toe op het laatste moment vanwege weersomstandigheden werden geannuleerd. Het IJslandse Surtsey (uitgesproken als: Soertsie) is zo mogelijk nog lastiger te bereiken – het ligt weliswaar niet zo ver van de kust als St. Kilda, maar daar staat tegenover dat gewone toeristen er nooit naar toe gaan en er dus geen tours zijn waarop je kunt inschrijven.
Gelukkig hebben ‘we’ binnen de werelderfgoedgemeenschap sinds vorig jaar een ‘adresje’: SACA tours op Heimaey, het hoofdeiland van de Westman-eilanden, heeft als enige een dusdanig kleine boot dat het charteren voor privé-gebruik nog enigszins betaalbaar is. Toen ik ook zag dat de weersvooruitzichten voor het weekend zonnig en kalm zouden blijven, contacteerde ik hen per mail. De eigenaar was afwezig, maar zijn collega Simmi zou me wel willen brengen. Vrijdagavond zouden we opnieuw contact hebben als de gedetailleerde weerkaarten voor de volgende dag beschikbaar zouden zijn.
Het wordt goed nieuws, de wind is ook wat gaan liggen en zo kunnen we dus zaterdagochtend om 9 uur vertrekken. Naast Simmi gaat ook zijn volwassen zoon mee. En ik dus. Ze hebben een zogenaamde RIB boot, iets wat er uitziet als een oplaasbare rubberboot – maar dan met een stevige romp en de kwalificatie ‘onzinkbaar’. Helemaal open en met plaats voor 6 passagiers. Voor we vertrekken krijg ik eerst nog een warme overall aangemeten tegen weer en wind op zee.
Ik mag op het bankje voorop gaan zitten en dan varen we de baai uit. We navigeren eerst tussen de andere Westman-eilanden door. Deze liggen in een cluster bij elkaar. Ook deze zijn van vulkanische oorsprong, vaak niet veel meer dan rotspunten. Op één van die eilanden leeft de grootste kolonie papegaaiduikers ter wereld. In het seizoen broeden er een miljoen paartjes. Nu is het al laat in het jaar, maar er zijn er toch nog genoeg. Het gras op de helling is bedekt met witte stipjes, allemaal papegaaiduikers. Later zien we ook jongen dobberen op het water.
De rotswand van een ander eiland is populair bij nestelende Jan-van-genten. Om deze grote vogels in zo grote groepen bij elkaar te zien is echt bijzonder. Ze hebben wel de hele wand ondergepoept.
Nadat we de andere eilanden achter ons hebben gelaten volgt een stuk over de open oceaan. De golven zijn hier een stuk hoger en het bootje klapt continu op het water. Als je voorin zit zoals ik vang je steeds alle klappen op, deze expeditie is niet aan te raden voor mensen met rugproblemen. Maar je hebt natuurlijk wel het beste uitzicht. Op een gegeven moment varen we door een grote groep vogels die samen zijn gekomen op zee. Ze vliegen om ons heen.
Surtsey komt al snel in zicht. Het eiland is goed te herkennen omdat het kaal is, bruinig en een beetje de vorm van een tafelberg heeft. Door erosie van wind en water wordt het eiland elk jaar kleiner, sinds zijn geboorte is er al bijna 50% van de oppervlakte afgegaan. Het heeft twee vulkaankegels en een lavaveld. Op de top van de ene vulkaankegel staan de resten van een vuurtoren – deze zou in 2007 verwijderd worden maar staat er dus nog steeds. Ook is er een hutje op het eiland voor onderzoekers.
We varen er helemaal omheen; het is nog geen 2 vierkante kilometer groot dus dat duurt niet zo lang. De kust bestaat vooral uit een klif en er is één grot. We zien het kopje van een grijze zeehond bovenkomen. Dit zijn de eerste zoogdieren die hier zijn begonnen met broeden, sinds 1983. De eerste vogels waren er al in 1963, 2 weken nadat de vulkaanuitbarsting was begonnen en het eiland ontstond. Nu zijn er 89 vogelsoorten geteld die nu en dan op Surtsey verblijven. Je ziet ook op de helling van de vulkaan kleine stukjes groen ontstaan.
Op de terugweg gaat het wat harder waaien en halverwege verruil ik mijn plekje voorop tegen de veel comfortabelere zitplaatsen achter de ruggen van de schippers. Ze denken nog een walvis te zien, maar ik zie niets bewegen. We varen nog wat grotten in op zoek naar zeldzame vogels en eindigen dan weer in de mooie baai van Heimaey waar we ook begonnen zijn.
Terugblik IJsland 2020
Ik heb ervan genoten. Ik weet niet of het helemaal toe te schrijven is aan de schoonheid van IJsland, of dat ik gewoon erg toe was aan inspirerende vakantie, of dat de hele dag buiten zijn en niet achter de laptop me goed heeft gedaan. Maar ik heb me in IJsland geen minuut verveeld: overal waar je om je heen kijkt is het mooi. De natuur is hier nog zo dominant (een beetje zoals in Namibië of Mongolië), de mens heeft alleen aan de randen wat voet aan de grond gekregen.
Hoogtepunten waren voor mij: het kleurrijke en ruige landschap van Landmannalaugar, eindelijk papegaaiduikers van dichtbij zien in Ingolfshofdi, het gletsjermeer van Jökulsarlon, de afwisseling om het meer van Myvatn en natuurlijk de Westman-eilanden met het eiland Surtsey.
Voorbereiding
Mobiel internet & telefoon
IJsland valt onder de roamingafspraken van de meeste Nederlandse telefoonproviders, dus met mijn (zakelijke) KPN abonnement kon ik overal in IJsland gratis bellen, internetten, whatsappen en navigeren.
Tours
Misschien omdat veel mensen er maar een paar dagen zijn, of alleen met een stopover tussen Europa en Noord-Amerika, maar het stikt in IJsland van de aanbieders van georganiseerde dagtours. Met een bus, superjeep, helicopter, vliegtuig, boot, te voet – je kunt het zo gek niet bedenken. Tussen de 1 en 3 weken voor vertrek boekte ik er ook 3: een jeeptour naar Fjallabak met Arctic Adventures, een bezoek aan de papegaaiduikers van Ingólfshöfði bij FromCoastToMountains een walvistour in Husavik met Gentle Giants.
Coronamaatregelen
Als maatregel om de verspreiding van het Corona-virus tegen te gaan vroeg IJsland ten tijde van mijn aankomst aan reizigers om te kiezen tussen het doen van een test op het vliegveld of 14 dagen in quarantaine.
Dat werd dus een test op het vliegveld, die bijzonder efficiënt in een seconde of 20 en zonder wachtrijen werd uitgevoerd. Je kreeg de uitslag gegarandeerd binnen 12 uur en mocht die gewoon op je bestemming afwachten (je mocht met het openbaar vervoer, in een restaurant eten en in een hotel slapen). Was de uitslag positief dan werd je gebeld binnen die 12 uur; had je niks gehoord dan was de testuitslag negatief. In dat laatste geval – zoals bij mij – volgde er dan nog een sms-je ter bevestiging.
Inpakken
Het is wat lastig in te schatten welke kleding je in de zomer in IJsland nodig hebt. Ik maakte het niet te gek, liet winterjack, sjaal en handschoenen thuis en hield het naast zomerkleren bij een regenpak, een hoodie en een fleece vest. De regenkleding heb ik gelukkig niet nodig gehad, het meest droeg ik een katoenen broek met een t-shirt of polo en daar overheen op de momenten met meer wind of bewolking het fleece vest. Voor de twee boot tours die ik deed kregen we door de organisatie speciale overalls aangemeten tegen kou, wind en water.
Vervoer
Internationale vluchten
Ik vloog met Icelandair rechtstreeks van Amsterdam naar Reykjavik. Vooraf kon je bieden op een upgrade naar Business Class. Ik bood het laagst mogelijke bedrag (160 EUR) en dat bod werd geaccepteerd. Ik zat dus lekker rustig voorin, met een hapje en een drankje (weliswaar geserveerd in een papieren zak vanwege de coronamaatregelen). De vliegtijd is maar 2 uur en 50 minuten.
Huurauto
Bij Budget had ik een auto gehuurd. Ik kreeg een Hyundai i20 mee die prima voldeed. Bij het tanken kun / moet je vaak betalen aan de automaat met een creditcard. Het rijden zelf ging gemakkelijk: het is rustig op de weg en je moet meer uitkijken voor schapen dan voor andere auto’s. Ideaal zijn ook de vele picknickplaatsen langs de weg waar je je auto even neer kunt zetten als je foto’s van het landschap wilt maken.
In het noorden heb ik nog extra moeten betalen voor een 8 kilometer lange toltunnel die er sinds 2018 ligt – deze kun je vooraf via internet betalen als je je kenteken doorgeeft.
Hotels
Je kunt het aan de foto’s hieronder wel zien: de hotels leken wel allemaal kopieën van elkaar. Altijd die sobere Scandinavische opzet, dat witte dekbed, maar ook een keurige badkamer. Het is er ook vaak erg warm: zoals een gids op één van mijn tours zei “Verwarming kost hier niks. Dus als we het warm hebben laten we de verwarming aan en doen we een raam open”.
Reykjavik: Center Hotel Plaza
Het Center Hotel Plaza is een goed en populair toeristenhotel in het centrum van Reykjavik, tussen de restaurants en cafés aan een plein.
Website: Center Hotel Plaza Reykjavik
Kosten: 117 EUR per nacht inclusief ontbijt
Skaftafell: Hotel Skaftafell
Hotel Skaftafell valt vooral op door zijn stille nachten en leuke wandeling die je vanuit de achtertuin naar een gletsjer kunt maken. In het restaurant kun je redelijk goed eten, in de buurt is er verder niks anders dan een pizzapunt bij het tegenoverliggende benzinestation.
Website: Hotel Skaftafell
Kosten: 188 EUR per nacht inclusief ontbijt
Myvatn: Hotel Laxá
Het beste en sjiekste hotel van deze reis was Hotel Laxá in Myvatn. Het is een hypermodern gebouw met zicht op het meer en de kenmerkende berg Vindbelgjarfjall. Bij het ontbijt kun je zelf wafels bakken, een prettige toevoeging aan het standaardmenu waaraan ik tot dan toe gewend was geraakt.
Website: Hotel Laxa
Kosten: 128 EUR per nacht inclusief ontbijt
Restauranttips: Het eten in het hotel zelf is uitstekend. Hier at ik bijvoorbeeld een geweldig dessert van mousse gemaakt van skyr (de IJslandse yoghurt) en witte chocolade, met sorbet van komkommer. Zie grote foto bovenaan omdat het er ook zo mooi uitzag.
Hvammstangi: Hotel Hvammstangi Guesthouse
Hvammstangi Guesthouse is een sober pension in de hoofdstraat van het niet bepaald populaire noordwestelijke plaatsje Hvammstangi. Blijkbaar maken veel mensen hier toch een stop, vast net zoals ik omdat de rit vanuit het noorden terug naar Reykjavik in 1x te lang is. Het pension was dus volbezet (ze hebben maar een paar kamers) en vroeg de hoofdprijs. ’s Ochtends is er ook een ontbijtbuffetje.
Website: Hotel Hvammstangi Guesthouse
Kosten: 135 EUR per nacht inclusief ontbijt
Heimaey: Guesthouse Hamar
Bij Guesthouse Hamar in Heimaey op de Westman-eilanden hebben ze het geloof ik bijna opgegeven. De receptie was gesloten, voor de nieuwe aankomers lagen briefjes klaar met de sleutel en de wifi-code. Ontbijt konden ze vanwege de coronaregels niet serveren. Kortom, heel simpel voor de prijs.
Website: Guesthouse Hamar
Kosten: 112 EUR per nacht inclusief ontbijt
Keflavik: BB Hotel by Keflavik Airport
Dit BB Hotel Keflavik Airport is een standaard luchthavenhotel, een paar kilometer van het internationale vliegveld gelegen op een bedrijventerrein. Ik kreeg er een ruime kamer. Het ontbijtbuffet is al open vanaf 4 uur in de ochtend, een mooie service voor vroeg vertrekkende vluchten (zoals de mijne).
Website: BB Hotel
Kosten: 121 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten
Ontbijt
Het ontbijt was niet het hoogtepunt van het eten in IJsland. Het was in alle hotels nagenoeg hetzelfde: wat vers brood, plakjes kaas en ham uit fabrieksverpakking, sinaasappelsap uit een pak en redelijke koffie. Alle hotels hadden een ontbijtbuffet, hoewel je bij sommige wel handschoenen moest dragen om de vorken, tangen en machines voor algemeen gebruik niet te besmetten.
Tussendoor en lunch
In IJsland is er lang niet overal een restaurant of café binnen rijafstand. Voor onderweg nam ik vanuit een supermarkt of een benzinestation daarom maar wat snacks mee. De IJslanders zijn gek op drop, bijzonder is o.a. de chocolade reep gevuld met zoute drop van binnen (middelste verpakking op de foto hieronder). En echt overal verkopen ze onderstaande sandwiches in allerlei smaken.
Diner
De rest van de dag mag het een beetje behelpen zijn, maar als je een ‘echt’ restaurant hebt weten te bereiken blijkt dat je uitstekend kunt eten in IJsland. De menukaarten zijn meestal niet uitgebreid: een vleesgerecht (vaak lamsvlees), een visgerecht en dan nog iets internationaals of vegetarisch. Ik heb er bijna iedere dag vis gegeten: o.a. trekzalm, zeewolf, kabeljauw. En de desserts zijn ook niet te versmaden, vooral die gemaakt van de IJslandse kwark/yoghurt skyr.
Kosten
Met gemiddeld 247 EUR per dag is dit definitief de duurste bestemming waar ik ooit geweest ben. Eerlijk gezegd heb ik ook alles gedaan wat ik graag wilde en ben ik elke avond goed gaan eten in plaats van bij het plaatselijke tankstation. Vis is niet al te duur – voor de vis van de dag, gecombineerd met ofwel een biertje dan wel een dessert betaalde ik vaak niet meer dan 25 EUR.
De echte kosten zitten in de combinatie van autohuur en georganiseerde dagtours. Ook waren de hotels aan de prijs, zeker voor wat je ervoor krijgt.
Cash geld hoef je hier trouwens helemaal niet te hebben: tot op de kleinste locatie kun je met je pinpas betalen, zelfs in een turfkerkje.




























































Leave a comment