#701: Victoria watervallen
Wat is het?
De Victoriawatervallen vormen het grootste ‘gordijn’ aan vallend water in de wereld. De Zambezi rivier stort zich hier met veel lawaai 99 meter naar beneden in een kloof. De watervallen strekken zich uit over een breedte van 1,7 kilometer. De opspattende spray van het water heeft gezorgd voor het ontstaan van een klein regenwoud om de watervallen heen. De Victoria watervallen liggen op de grens tussen Zimbabwe en Zambia.
Cijfer: 8 (Vooral de oerkracht – het geluid en de hoog oprijzende mist – die de watervallen produceren is indrukwekkend. Je ziet de mist van kilometers veraf overal boven uit stijgen, en zelfs vanuit het vliegtuig herken je het meteen alsof er een aantal geisers permanent aan het uitbarsten zijn.)
Toegang: De entree aan de Zimbabwaanse kant kost 30 US dollar. Aan de Zambiaanse kant betaal je 20 US dollar.
Hoeveel tijd: Ik was aan beide kanten zo’n 2 tot 2,5 uur.
Opvallend: Voordat ik de watervallen zelf bezocht maakte ik al kennis met het geluid en de rookpluimen die het produceert. Bij de Ilala Lodge in Victoria Falls (Zimbabwe) hoor je een continu lawaai alsof het naast een vliegveld ligt – het zijn de watervallen een paar honderd meter verderop. En de mistpluimen zie je overal bovenuit alsof er een bosbrand is.
Mijn ‘officiële’ bezoek begon aan de Zimbabwaanse kant. Ik liep er in minder dan 10 minuten naar toe, zo dicht liggen ze bij het plaatsje Victoria Falls. Ik was er om 8 uur in de ochtend en er waren vrijwel geen andere toeristen. Aan deze Zimbabwaanse kant loop je een pad af met 19 uitkijkpunten. Het grootste deel van de watervallen ligt ook in Zimbabwe. Je loopt een stukje, dan sla je af naar een uitkijkpunt, en dan loop je weer verder over hetzelfde pad.
Door de grote hoeveelheid water is vooral van het middelste gedeelte weinig te zien door de dichte opspattende mist. De beste foto’s maak je van de zijkant, bij punt 2. Bij punt 12 wordt het echt nat: ik heb een regencape bij me (je kunt ze ook bij de ingang huren), die is wel nodig omdat je in feite door een fikse regenbui loopt.
De dag erna deed ik een ‘ontbijtcruise’ over de Zambezi. Niet voor het eerst deze reis was ik de enige passagier. Er is dit jaar ook hier weinig regen gevallen en de Zambezi is – hoewel nog steeds erg breed – niet bepaald een kolkende rivier. We glijden rustig wat rond. We komen tot ca. 2 kilometer van de watervallen. De gids stelt dat ook al zou de motor van de boot het begeven, we niet van de watervallen af zouden vallen: de laatste paar honderd meter liggen zo vol rotsen dat het niet meer bevaarbaar is.
We zien veel nijlpaarden in het water en dat roept natuurlijk de vraag op of die wel eens over de rand vallen. Het antwoord is Ja… het zijn geen zwemmers maar wandelaars over de rivierbodem, en als het water dan eens te hoog staat dan gaat het mis. Vorig jaar, toen het water wel erg hoog stond, zijn er zelfs 5 olifanten naar beneden gekomen. Meestal kunnen die van eiland naar eiland door het water lopen, maar die keer zijn ze gegrepen door de stroming.
Een derde blik op de watervallen kreeg ik toen ik van Zimbabwe naar Zambia verkaste. Ik besloot over de grens te lopen – eerst een minuut of 10 naar de Zimbabwaanse grenspost. En dan nog een kilometer of 2 naar de grenspost aan de andere kant. Ondertussen loop je over de Victoria Falls-brug, gemaakt in 1905 als spoorbrug. Vanaf het midden van de brug kun je bungeejumpen. Je hebt hier eigenlijk ook het beste zicht op de hele breedte van de watervallen.
Tot slot bezocht ik weer een dag later ook nog de Zambiaanse kant van de watervallen. Het maakt een wat minder georganiseerde indruk dan de Zimbabwaanse. Er zijn verschillende wandelpaden die je af kunt lopen. Ik ben er weer tegen 8 uur en nu vallen vooral de scherpe regenbogen op.
Een nat pak kun je ook hier halen: de 40 meter lange Knife Edge Bridge ligt vandaag volledig in het opspattende water.
Ik loop ook nog een ander wandelpad af, het zogenaamde Fotografie-pad. Dit loopt langs de rand van het beschermde gebied, met vergezichten op vooral de Victoria Falls-brug en de diepe kloven in het landschap. Ergens tref ik daar een familie van klipdassen die zich in de ochtendzon zit op te warmen. Het pad loopt helemaal door langs de grensovergang (er zit wel een hek tussen, dus je kunt zo het land niet uit).
Livingstone
Na een reis met zoveel natuur maak ik op de laatste dag een culturele fietstour door de buitenwijken en omliggende dorpen van Livingstone.
Het Zambiaanse grensplaatsje Livingstone (14.000 inwoners) is vernoemd naar de Schotse zendeling & ontdekkingsreiziger David Livingstone. Hij was het die als eerste Europeaan in 1855 de Victoriawatervallen ontdekte. In het lokale museum kun je nog wat spullen van hem terug zien: een bijbel, brieven, een bagagekist.
De watervallen heb ik inmiddels wel van alle kanten bekeken, dus ik besluit op de allerlaatste ochtend van mijn reis een fietstour te doen door het andere Livingstone. Een gids van Local Cowboys Cycle Tours komt me om 8 uur ophalen.
Vanaf mijn overnachtingsplek, de ZigZag Town Lodge, steken we de grote weg over en start het fietsen over het zand – behalve de hoofdweg is er niets verhard. We moeten al snel weer van de fiets af omdat we een hele lange houten brug over het spoor moeten oversteken. De ontwikkeling van Livingstone heeft veel te maken gehad met de spoorwegen: via de brug langs de watervallen naar Zimbabwe werden hout en grondstoffen door de Britse koloniën vervoerd.
Er rijden nog steeds treinen – het meest goederentreinen en 2x per week een heel langzame passagierstrein naar de Zambiaanse hoofdstad Lusaka. Treinen naar Zimbabwe rijden er niet meer.
De eerste buitenwijk van Livingstone waar we doorheen rijden is door de Britten opgezet als woonwijk voor spoorwegarbeiders. Het zijn stenen vrijstaande huizen met een eigen tuin. Ze hebben stromend water en elektriciteit.
Het wordt al snel landelijk buiten het centrum van Livingstone. De gids wil dat we afstappen bij dit stenen bruggetje: hij heeft hier eens een stel halfdronken Nederlanders rondgeleid, waarvan er eentje hier van de fiets in het riviertje gevallen is.
We fietsen door tussen de akkertjes naar een minder bedeeld dorp. Er is hier ook weinig regen gevallen de afgelopen maanden en het meeste staat er triest bij. Alleen degenen met toegang tot stromend water kunnen hun land besproeien. Het dorp heeft ook een kleine eigen markt, waar de dorpsbewoners hun eigen gewassen verkopen
Hier in het dorp wonen is een stuk goedkoper dan in een buitenwijk van de stad: je hebt geen water- en elektriciteitsrekening als je dat niet wilt, en je kunt je huisje na goedkeuring van het dorpshoofd bouwen waar je wilt zonder land te hoeven kopen. Veel huizen zijn van hout en leem, maar we zien ook stenen huizen die nog in opbouw zijn.
Naar school gaat in dit dorp bijna niemand. Er zijn twee beroepen: boer of arbeider in de steengroeve. We zien ook veel mensen brandhout uit het nationaal park halen, of tot houtskool verwerken dat ze dan weer te koop aanbieden.
Aan de rand van het dorp ligt die steengroeve. Het doet vermoeden dat het een soort fabriekje is, maar niets is minder waar. Een stuk of 10 mensen zijn bezig stenen uit de grond te hakken, en die dan weer verder in kleinere stukjes op te splitsen. De steentjes die zo ontstaan worden gebruikt voor de verkoop aan degenen die een stenen huis willen bouwen.
Daarna volgt een flink stuk fietsen. Soms door het mulle zand. Gelukkig is het nog niet al te warm. We komen langs een prachtige lagune die helemaal vol zit met waterlelies. In de buitenwijk van Livingstone die daarbij hoort heeft de fietsorganisatie een lagere school gebouwd. Een deel van de 25 US dollar die je betaalt voor de tour wordt hieraan besteed.
Er zitten ruim 200 kinderen op de school, van 4 tot 14 jaar. De gebouwen zien er prima uit (ze zijn nog maar een paar jaar oud). De kinderen krijgen ook dagelijks een lunch op school en zitten er de hele dag. We kijken even binnen bij de kleintjes.
Onze laatste stop is bij de grote dagelijkse markt van Dambwa. Je kunt er tweedehandskleding kopen, huishoudelijke artikelen en natuurlijk ook groente en vlees/vis. Tomaten doen het blijkbaar goed hier: voor verschillende groottes betaal je verschillende prijzen. Een pond tomaten kost zo’n 5 kwacha (0,35 EUR). Verder zijn er veel soorten bladeren die als spinazie worden gekookt.
We gaan trouwens niet het vlees/vis deel van de markt op – de gids is vegetariër en ik geloof dat hij het daarom mijdt. Het meest exotische voedsel dat ik zo zie zijn gedroogde rupsen.
Een specialiteit op de markt is ook het aanbod van pindakaas. Bij een paar stalletjes doorlopen ze vanaf de rauwe pinda’s het hele proces tot er (pure) pindakaas in potjes belandt. Je ruikt het meteen als je er in de buurt bent.
Na 3,5 uur komen we weer zonder kleerscheuren en zonder lekke banden aan bij ons vertrekpunt.








Leave a comment