- Programma
- #690: Landschap van Trang An
- #691: Ho-Citadel
- Food Tour Hanoi
- Bussen naar het onbekende
- De trein van Hanoi naar Nanning
- #692: Zuojiang Huashan
- #693: Chengjiang
- #694: Rijst terrassen van de Hani
- Kunming
- #695: Kulangsu
- Quanzhou
- #696: de Tulou van Fujian
- Terugblik Vietnam/China 2018/2019
Programma
Na de kerstdagen reis ik af naar het noorden van Vietnam en het zuiden van China voor een reis van 2,5 week. In beide regio’s ben ik al eens eerder geweest, maar ze zijn mooi genoeg om nog eens aan te doen. Bovendien liggen er nog 7 werelderfgoederen te wachten die ik nog niet gezien heb. De temperaturen kunnen variëren van 18 graden aan de kust in Xiamen tot rond het vriespunt bij de hooggelegen rijstterrassen in het binnenland – de korte broek blijft dus thuis.
Ik doe alles met openbaar vervoer, met bus, trein en een enkele binnenlandse vlucht. Het plan is ongeveer als volgt:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 27 december | Vlucht Amsterdam – Hanoi, met overstap in Parijs. Vertrek 9.25 uur, aankomst met Vietnam Airlines (VN018) om 6.30 uur volgende dag. | Vliegtuig |
| 28 december | Aankomst vroeg in de ochtend – het is in Vietnam 6 uur later dan in Nederland. Transfer naar Tam Coc, zo’n anderhalf uur ten zuiden van Hanoi. In de middag fietsen of wandelen tussen de rijstvelden door in deze landelijke omgeving. | Tam Coc Mountain View Homestay, Tam Coc |
| 29 december | Trang An (WE1) is een gemengd werelderfgoed en cultuurlandschap dat ligt in een mooi karstgebergte. In de kalksteengrotten zijn sporen van menselijke bewoning gevonden tot 33.000 jaar geleden. Je kunt de omgeving het best per boot verkennen. | Tam Coc Mountain View Homestay, Tam Coc |
| 30 december | Naar de Ho Citadel (WE2), 1 uur met de bus & taxi. Dit zijn de resten van een 14de eeuws kasteel. | Tam Coc Mountain View Homestay, Tam Coc |
| 31 december | In de ochtend met de bus terug naar Hanoi. Aan het eind van de middag meet met een 4 uur durende tour door de oude stad, stoppend om zo’n 25 Vietnamese delicatessen te proeven bij verschillende stalletjes en restaurants. | Hanoi Glance Hotel, Hanoi |
| 1 januari | Dagtocht naar Yen Tu met het openbaar vervoer. Dit is een mogelijk toekomstig werelderfgoed, gerelateerd aan de oorsprong van het Zen-boeddhisme in Vietnam. | Hanoi Glance Hotel, Hanoi |
| 2 januari | Hele dag nog in Hanoi. Om 21.20 uur vertrekt de nachttrein naar China. | Nachttrein |
| 3 januari | Om 7 uur uitstappen op het station van Ninming, voor een bezoek aan de Zuojiang Huashan rotskunst (WE3). Dit zijn groepen rode rotstekeningen langs een rivier. Aan het eind van de ochtend reis ik in 2 uur door met de bus naar Nanning. Als ik nog tijd heb bezoek ik daar het provinciale museum van Guangxi. | Yonggui Hotel, Nanning |
| 4 januari | Om 11 uur met de snelle trein van Nanning naar Kunming. De 780 kilometer worden overbrugd in 5 uur. | Jinjiang Inn, Kunming |
| 5 januari | Met bus en taxi naar de fossielenvindplaats Chengjiang (WE4). Hier zijn de oudste fossielen van vissen en weekdieren gevonden. | Jinjiang Inn, Kunming |
| 6 januari | Lange dag met de bus de bergen in naar Yuanyang. | Flowers residence, Yuanyang |
| 7 januari | Bezoek aan de Hani rijstterrassen (WE 5). De terrassen staan in de winter onder water en worden dan bevolkt door vissen en eenden. | Flowers residence, Yuanyang |
| 8 januari | Dagtocht door de omgeving van de rijstterrassen met traditionele dorpen van de Hani-bevolkingsgroep. | Flowers residence, Yuanyang |
| 9 januari | Met de bus terug naar Kunming. Dit duurt weer het grootste deel van de dag. In de avond vliegen naar Xiamen (19.50 – 22.35) met Xiamen Airlines. | Ibis Styles XM Zhongshan Hotel, Xiamen |
| 10 januari | Bezoek aan Gulangyu (WE6), een eiland voor de kunst van Xiamen. Hier woonden in de 19de eeuw de buitenlandse missionarissen en zakenlieden die betrekkingen onderhielden met het Chinese vasteland. | Ibis Styles XM Zhongshan Hotel, Xiamen |
| 11 januari | Bezoek aan de stad Quanzhou, een half uur verderop met de sneltrein. Quanzhou was een voorname stad aan de maritieme Zijderoute. Hierover is een modern museum te bezoeken. Verder is er een 1000 jaar oude moskee en één van de oudste bruggen van China. | Ibis Styles XM Zhongshan Hotel, Xiamen |
| 12 januari | In 3,5 uur met de bus naar de Fujian Tulou (WE7). Dit zijn grote, ronde huizen van de Hakka bevolkingsgroep. Ze worden gemeenschappelijk bewoond, soms wel door 80 families tegelijk. Overnachting in één van deze huizen. | Tulou Fuyulou Changdi Inn, Liulian |
| 13 januari | In de ochtend bezoek aan nog wat andere Hakka-dorpen – er zijn in totaal 10 locaties. Dan terug naar Xiamen per bus (3,5 uur). | Hualuxe Xiamen Haicang, Xiamen |
| 14 januari | Terugvlucht van 12.50 tot 18.20 naar Amsterdam rechtstreeks met KLM (KL884), inclusief 7 uur tijdsverschil. |
#690: Landschap van Trang An
Wat is het?
Het Landschap van Trang An is een gemengd werelderfgoed, dat natuur (een kegelkarstlandschap) en cultuur (grotten bewoond door de prehistorische mens) combineert. Het is een relatief klein gebied met kegelvormige heuvels en karsttorens tot 200 meter hoogte, met daartussen grotten en valleien die niet via wegen te bereiken zijn. Het schilderachtige karstlandschap is autonoom ontstaan door erosie van kalksteen met het zuur van regenwater. De grotten en valleien in het gebied zijn al sinds 30.000 jaar in gebruik door mensen.
Cijfer: 7 (Karstlandschappen zijn rijk in aantal op de Werelderfgoedlijst – 34 stuks op z’n minst. Het is dan ook makkelijk om blasé te doen over dit Vietnamese landschap, dat pas een paar jaar geleden aan de lijst is toegevoegd. Maar het kan de ‘concurrentie’ met de veel bekendere vergelijkbare plekken zoals de Baai van Halong (ook in Vietnam) en Guilin (China) prima aan.).
Toegang: Er is geen entree tot het gebied zelf, dus je kunt gratis zeggen dat je er geweest bent. Maar het best is het landschap vanaf het water te zien. Mijn boottocht kostte 200.000 Vietnamese dong, zo’n 7,5 EUR.
Hoeveel tijd: Ik verbleef 3 nachten in Tam Coc, hét plaatsje in dit gebied. Op de dag van aankomst regende het echter zo hard dat ik de deur niet uit ben geweest. En de derde dag had ik al bestemd voor een ander werelderfgoed in de buurt. Dus ik had één volle dag in Trang An en dat was ook voldoende.
Opvallend: Ik begon mijn dag hier op een gehuurde fiets. Daarmee reed ik in ongeveer een half uur naar de aanlegplaats van de Trang An boottochten. Zowel Tam Coc en Trang An hebben gereguleerde boottochten die erg populair zijn en de beste manier vormen om dit gebied te leren kennen. Bij Trang An kun je kiezen uit 3 routes. Twee van hen passeren de populaire filmset van Kong: Skull Island, maar ik ging voor de andere – Tour # 1 met 3 tempels en 9 grotten. Het is allemaal goed georganiseerd hier: je betaalt bij een centraal ticketkantoor en er is ook een kleine tentoonstelling, een video en zelfs een geldautomaat voor de broodnodige aanvulling van Vietnamese dong.
Ik werd in een boot gezet met een Duits stel en een mannelijke roeier. Zwemvesten zijn verplicht: ze komen in geel en oranje, wat onderweg voor wat meer kleur zorgde dan het grauwe aangeleverd door het saaie weer. Hoewel ik om 9.15 uur vrij vroeg was, waren er al tientallen boten onderweg. Nergens was het echter te druk, we zagen de anderen eigenlijk alleen op de lange rechte stukken.
Onze eerste grot die we per boot binnenvoeren was de meest spectaculaire: de Toi-grot is meer dan 300 meter lang, donker en met een heel laag plafond bedekt met scherpe punten. We zaten het grootste deel van de tijd voorovergebogen op onze bankjes in de boot, om ons hoofd niet te stoten.
Om de roeiers ook nog wat rust te gunnen tijdens de 2,5 uur durende tocht zijn er 3 stoppunten (3 tempels) in de route opgenomen. Daar kun je van boord en even de benen strekken. Hiervan beviel de Tran-tempel me het beste. Van de waterkant moet je eerst een steile trap omhoog en dan helemaal naar beneden naar de andere kant van de heuvel, waar de tempel ligt. Deze is in zijn geheel uit steen gehouwen en past zo mooi in het grijzige karstlandschap.
Na de boottocht stapte ik weer op mijn fiets, die ik keurig bij de bewaakte fietsenstalling geparkeerd had. Ik fietste eerst terug naar het plaatsje Tam Coc om te lunchen. Het is een leuke route om te fietsen, met weinig verkeer omdat er een moderne parallelweg is waar de vrachtwagens en bussen over rijden. Langs de kant van de weg hadden zich inmiddels verkopers van geitenvlees opgesteld – te herkennen aan de dode geit op hun koelbox.
Tam Coc is maar een klein plaatsje maar er komen zoveel toeristen dat het blijkbaar loont om tientallen restaurants te hebben. De meeste zijn niet meer dan een paar tafels en stoelen buiten, in een half-open setting. Ze verkopen allemaal de Vietnamese standaardgerechten als loempia’s en gebakken noedels. Ik ging voor een Vietnamees stokbroodje.
Na de lunch fietste ik naar de Thai Vi-tempel, aan de andere kant van Tam Coc. Dit is ook een leuke streek om te fietsen, over smalle paden tussen de rijstvelden door. Onderweg kom je nog verschillende heiligdommen tegen, één daarvan (Thieng Huong Dong) is spectaculair gebouwd in weer een andere grot.
#691: Ho-Citadel
Wat is het?
De Citadel van de Ho-dynastie omvat de resten van een laat 14de-eeuwse hoofdstad van Vietnam. Premier Ho verplaatste de hoofdstad vanuit het voor buitenlandse aanvallen kwetsbare Hanoi naar dit meer centraal gelegen platteland. Ook versterkte hij de positie van het neo-Confucianisme binnen de staat ten koste van het Boeddhisme en Taoïsme. De stad werd in harmonie met het landschap aangelegd volgens strikte feng shui principes. De muren werden opgetrokken uit grote blokken steen, een antwoord op de uitvinding van het buskruit in het vijandige China.
Cijfer: 6 (Eerst dacht ik: “Het is alleen maar een stenen poort.” En “Waarom zou een Vietnamese dynastie die maar een paar jaar heeft geregeerd van universele waarde zijn?” Toch vond ik mijn bezoek de moeite waard omdat ik er met wat inspanning toch nog wat meer in heb kunnen ontdekken dan vooraf gedacht.).
Toegang: De entree tot de hoofdlocatie kost 40.000 dong, zo’n 1,5 EUR.
Hoeveel tijd: Ik was er ongeveer 5 kwartier, verdeeld over 2 locaties. De 3de locatie is een restant van de buitenste stadsmuur, die sloeg ik maar over.
Opvallend: Vanuit mijn overnachtingsplaats Tam Coc huurde ik een auto met chauffeur om me naar Vinh Loc te brengen. In en om Vinh Loc liggen de 3 locaties waar dit werelderfgoed uit bestaat. Het is slechts een rit van 58 km, maar het kostte ons 1,5 uur vanwege het zware verkeer en de langzame passages door diverse steden en dorpen. Al zo’n 18 km voor Vinh Loc wordt het werelderfgoed geadverteerd op verkeersborden. In de stad zelf zijn er geen duidelijke borden meer die naar de citadel (de hoofdlocatie) wijzen, maar gelukkig was mijn chauffeur er al eerder geweest en reed hij er zo naartoe. Op het terrein trof ik nog zo’n 20-30 andere bezoekers, meest lokale mensen met kinderen.
Ik begon mijn rondleiding in het bezoekerscentrum dat een kleine tentoonstelling heeft met vondsten uit het hele werelderfgoedgebied. Veel stenen dakpannen, oude spijkers en munten. Het mooiste is de grote terracotta Feniks, die ooit het dak van een paleis van de Ho-dynastie sierde. Ik kocht er ook een boekje in het Vietnamees en Engels met de achtergronden van de tweede locatie, het Nam Giao altaar.
De iconische Zuidpoort is de hoofdingang van de citadel. Je kunt er via een trap bovenop klimmen – en dat is wat de meeste bezoekers hier doen (inclusief foto’s maken van hun geliefden die op de top van de poort staan). Achter de poort opent het grote binnenterrein van de citadel zich. Het is een vierkant van 1 bij 1km. Vrij groot dus en je bent wel even bezig om naar de andere kant te lopen. De uitgangen op de 4 windstreken hebben nog hun originele poorten en de citadel is volledig omringd door een muur.
Van de stad en het koninklijke paleis dat zich binnen deze muren bevond is niks meer over. Het hele gebied is nu in gebruik als landbouwgrond. Dat heeft wel als voordeel dat je wat couleur locale meekrijgt terwijl je het lange stuk naar het andere eind van de citadel loopt.
De citadel was vroeger via een Koninklijke Weg verbonden met de meest heilige plek van de hoofdstad, de berg Don Son en het daarbij gelegen Nam Giao-altaar. Visueel is die verbinding er vanaf de Zuidpoort nog steeds, maar de stenen weg is al lang vervangen door praktisch asfalt.
Zichtlijn vanaf de top van de Zuidpoort tot aan de heilige berg Don Son, met nog een stukje van de Koninklijke Weg
Dat Nam Giao-altaar stond als tweede op mijn programma. Mijn chauffeur kende dit niet, dus mijn zojuist verworven boekje waar de naam van het altaar het Vietnamees op stond was van nut om passanten de weg te vragen. Het kostte ons drie pogingen, maar we hebben het gevonden. Het ligt aan de rechterkant van de ‘heilige berg’ Don Son. Op 700 meter van de bestemming staan er zelfs borden!
Het Nam Giao-altaar is de plek waar Hemel en Aarde samenkomen en de koning jaarlijks bad voor de voorspoed van zijn bevolking, dynastie en de staat. Dit altaar is pas in 2004 opgegraven, na ruim 4 eeuwen ongebruikt te zijn. Bij onze aankomst kreeg ik niet het idee dat de plek officieel open was, maar de bewaker stuurde ons recht door de struiken omhoog naar het altaar. Er is een stenen voetpad en zelfs een tentoonstellingsruimte, maar het hek daar (met fraaie Unesco-logo’s!) was afgesloten.
Het altaar bestaat uit een opeenvolging van 5 rechthoekige plateaus die naar boven toe steeds kleiner worden. Helemaal bovenop is een rond altaar, dat de hemel representeert. Aan de rechterzijde van het pad naar het altaar is een waterput waarin de koning zich reinigde voor de rituelen begonnen.
Food Tour Hanoi
De Vietnamese hoofdstad Hanoi staat bekend om zijn eetstalletjes op straat. Samen met een gids deed ik een rondgang van 3,5 uur langs een aantal populaire plekken om uit de Vietnamese keuken te proeven.
Om half 5 moest ik me melden bij de overdekte markt van Hanoi voor de rondwandeling met gids langs verschillende eettentjes, A Taste of Hanoi. Ik stond braaf op tijd te wachten, maar zag niemand die bij de tour zou kunnen horen: geen medetoeristen, geen gids. Na een minuut of 10 kwam er een Vietnamees meisje vragend op me af. Ze bleek de gids te zijn en ik de enige gast van vandaag. In de wirwar van mensen op straat in Hanoi hadden we elkaar gewoon over het hoofd gezien. Gids Giang is 22 en studeert Engels aan de universiteit.
Het proeven begint al bij een kraampje voor de markt: deze man verkoopt gevulde broodjes. Heel dun en smal, een overblijfsel uit de Franse tijd want ze zijn gevuld met paté. Erg lekker.
We lopen verder langzaam de oude wijk van Hanoi in. Deze winkel verkoopt gedroogd fruit in allerlei smaken. Sommige zoet, andere zout of met pittige kruiden. Je eet ze als snoepjes.
Dan wordt het tijd om voor het eerst ergens te gaan zitten en wat substantiëlers te gaan eten. Bij dit restaurantje verkopen ze dunne, gestoomde rijstpannenkoekjes met vulling. Ze zijn gevuld met varkensgehakt en paddenstoelen, met een laagje gefrituurde uitjes en koriander er bovenop. Alle kosten voor het eten waren al in mijn tour inbegrepen, maar dit kost bijvoorbeeld 35.000 dong per portie (1,30 EUR).
Het serieuze werk van de avondmaaltijd is nu begonnen. Ik ben vergeten een foto te maken van het beste maal van de tocht, noedels met rundvlees, pinda’s en groenten (Bun Bo Nam Bo). Het derde restaurantje waar we een hoofdgerecht namen was deze: gegrild varkensvlees met rijstvermicelli. Naar goed Vietnamees gebruik krijg je alle ingrediënten apart, zodat je er een eigen mix van kunt maken. De schaal rode pepers zorgt ervoor dat je het ook zo scherp kunt maken als je wilt. Eerlijk gezegd is dat wel nodig ook, het Vietnamese eten is door het overdadige gebruik van rijstproducten al snel heel flauw.
Je hebt hier maar weinig nodig om een restaurant te beginnen. Dit echtpaar kookt het gegrilde varkensvlees en de krabrolletjes, die we net gegeten hadden, gewoon op straat.
Tijd voor dessert, bij een stalletje in de straat van mijn hotel: fruitsalade met gecondenseerde melk (links). En een warme mix van kleefrijst en bonenpasta in een gembersaus (boven).
Als allerlaatste stop liepen we naar het Hoan Kiem-meer, waar de festiviteiten voor Oudejaarsnacht al in volle gang waren (lees: harde muziek en video’s, uitgezonden vanaf een groot podium). Het was er erg druk. Het koffietentje waar we naar toe zouden gaan had echter de deuren gesloten. Dus belandden we bij het Lake View Café, met een dakterras. Daar kreeg ik eierkoffie: koffie met daarop een crèmige laag van geklopt eigeel met suiker. Een soort cappuccino maar dan romiger.
Bussen naar het onbekende
Omdat dit al mijn tweede keer in Noord-Vietnam is, heb ik het meeste in en om de hoofdstad Hanoi al wel gezien. In mijn reisprogramma had ik zo een dag over om nog iets extra’s, weg van de gebaande paden, te bezoeken. Zo kwam het mogelijk toekomstig werelderfgoed Yen Tu op mijn netvlies. Het is een uitgestrekt gebied met verschillende locaties, maar één daarvan – in de buurt van de provinciehoofdstad Bac Giang – ligt op een redelijke busafstand van Hanoi. Dus ik toog op een sombere Nieuwjaarsdag eerst met de stadsbus (7.000 dong/0,26 EUR) naar het grote busstation My Dinh en kocht daar een kaartje voor de bus naar Bac Giang die elk half uur gaat (60.000 dong/2,26 EUR).
Er zaten bij vertrek maar een paar mensen in de bus, wat de chauffeur en begeleider noopten tot het langzaam rijden door de straten van Hanoi om nog meer passagiers te ronselen. De 58 kilometer naar Bac Giang gingen zo wel lang duren. Dat gaf mij tijd om na te denken over mijn vervolgplan: mijn doel van vandaag was de Vinh Nghiem pagode in het dorp Tri Yen. Ik wist wel ongeveer hoe er te komen, maar niet wat ervan te verwachten. Ik had geen enkel eerder reisverslag op internet weten te vinden. Is het groot of klein? Is het überhaupt wel open voor toeristen? Zou ik met 5 minuten weer buiten staan? En een belangrijke les van eerdere bezoeken aan afgelegen (toekomstige) werelderfgoederen: hoe kom ik er weer weg?
Na 2 uur kwamen we eindelijk met de bus aan in Bac Giang. Ik liet daar een taxichauffeur de naam van de pagode in het Vietnamees zien en hij wist meteen waar het was. We reden er vlotjes op de meter naar toe. In de werelderfgoednominatie wordt het landschap ook bejubeld, maar ik zag er niet meer in dan de gebruikelijke Vietnamese landbouwvelden en rommelige dorpjes. Die dorpjes gaven me wel enige gemoedsrust voor de terugreis: er was genoeg verkeer om op de een of andere manier vervoer terug te vinden. De pagode bleek te liggen aan de rand van het dorp Tri Yen.
Altaar in het eerste tempelgebouw
Het zag er stil en verlaten uit, maar alle poorten stonden open. Ik nam afscheid van de taxichauffeur en stapte door de houten deuren de eerste grote hal van de pagode binnen. Wow! Ik wist meteen dat het een goede beslissing was geweest om hierheen te komen. Wat een indrukwekkende verzameling beelden van Boeddha en zijn discipelen. Centraal staat een altaar dat diep doorloopt tot achterin de tempel en steeds smaller wordt – daardoor lijkt het wel oneindig. Ook hierachter zitten rijen en rijen vol beelden.
Deze Vinh Nghiem pagode stamt uit begin 11de eeuw en werd vergroot tijdens de Tran-dynastie (vanaf de 12de eeuw), toen het de thuisbasis werd van het Truc Lam Zen Boeddhisme in Vietnam. Truc Lam (“bamboebos”) is de enige inheemse vorm van Boeddhisme in Vietnam. De Vinh Nghiem pagode was ook het eerste opleidingsinstituut in Vietnam dat Boeddhistische monniken en nonnen onderwees.
Eén van de vele beelden van arahant (discipelen van Boeddha)
Ik verwachtte ieder moment door iemand op mijn schouder getikt te worden, maar ik zag tijdens mijn hele bezoek niemand. Wel speelde er zachtjes de hele tijd muziek op de achtergrond en trof ik twee niet al te waakse honden achteraan op het terrein. De pagode zou nog steeds wel in bedrijf zijn als religieus opleidingscentrum.
Haaks op de tempels staat een opslagplaats waarin meer dan 3000 houtblokken zijn opgeslagen. Deze bevatten vroege boeddhistische geschriften in het Chinees en het Nom (Vietnamees geschreven met Chinese karakters). De houtblokken konden worden gebruikt om de teksten keer op keer af te drukken. Ze zijn zo bijzonder dat ze al op een andere lijst van UNESCO staan: het ‘Memory of the World’-register, een soort Werelderfgoedlijst voor documenten en archieven.
Het religieuze complex van de pagode bestaat uit vier originele houten gebouwen op een rij, inclusief een klokkentoren. Daaromheen liggen bijgebouwen die vast nog bewoond worden. Ook is er een tuin. Aan de straatzijde is de originele toegangspoort, maar die is nu afgesloten. Je komt binnen via een weg aan de zijkant.
Toen ik alles wel gezien had werd het weer tijd om de terugreis te beginnen. Ik keek buiten nog even hoopvol of de taxi er nog stond, maar dat was niet het geval. Er was geen mens te bekennen op straat. Op de heenweg had ik al gezien dat het zo’n 6 kilometer lopen is naar de doorgaande weg, waar zeker bussen en taxi’s voorbij komen. Dus ik begon maar vast aan mijn wandeling, hopend dat ik eerder nog een taxi of een lift zou kunnen krijgen. Al net buiten het slaperige dorp Tri Yen zag ik op een kruising een groepje mensen staan met tassen, alsof ze op de bus stonden te wachten. Uit omringende dorpen werden er steeds meer mensen daar per scooter afgezet. Ik vroeg het aan één van de jonge meisjes die er bij stonden, en inderdaad: hier komt zo een bus langs naar Bac Giang!

Winderige kruising bij Tri Yen, met geïmproviseerde bushalte rechts
De bus bleek een grote touringcar te zijn. Al snel werd duidelijk waarom: in elk gehucht, op elke straathoek stonden wel een paar studenten te wachten om na het vrije lange weekend terug te gaan naar school of de universiteit. Ze werden gedwongen om met 3 man op een 2-persoonsbankje plaats te nemen en dan stond nog het hele gangpad vol. De conducteur worstelde zich erdoor heen om kaartjes te verkopen. Ik verbaasde me over de prijs: 60.000 dong, net zoveel als de rit vanochtend van Hanoi naar Bac Giang gekost heeft. Dit zou echter maar een kort ritje moeten zijn. Toen de bus de snelweg Bac Giang – Hanoi opdraaide krijg ik het in de gaten: hij rijdt met alle studenten erin meteen door naar Hanoi! Ook helemaal prima voor mij natuurlijk en ik was blij dat ik als een van de eersten was ingestapt zodat ik de hele rit een zitplaats had.
De trein van Hanoi naar Nanning
De grens tussen Vietnam en China steek ik over met de nachttrein. Van slapen komt niet veel en het is een haast surreële belevenis om midden in de nacht op verlaten stations te staan met je paspoort.
De internationale trein tussen Hanoi (Vietnam) en Nanning (China) vertrekt één keer per dag, om 21.20 uur in de avond. Niet vanaf het centraal station van Hanoi, maar van Gia Lam. Het spoor bij dit station is breder dan in de rest van Vietnam en past onder de Chinese treinstellen waarmee de reis wordt uitgevoerd.

Ik ben er al iets na 19 uur, had niets meer te doen in Hanoi of mijn hotel. Het station heeft een kille wachtruimte met ijzeren bankjes en er zijn wat winkeltjes. Ik had mijn treinkaartje via internet gekocht en per e-mail krijg je dan alleen een voucher toegestuurd. Daarop staat “Iemand komt je op het station opzoeken om het echte ticket te overhandigen”. En inderdaad, een uurtje voor vertrek komt een brommerkoerier de stationshal in en loopt direct op mij af (tussen de ca. 50 Aziaten ben ik een van de 6 westerlingen die met de trein meegaan, dus het was niet zo moeilijk gokken).
Een kwartiertje voor vertrek mogen we het perron op en de trein in. De conducteur – al het personeel is Chinees – ruilt mijn ticket in voor een pasje waar mijn slaapplaats op staat: couchette nummer 2, bed nummer 6. Dat is het bed linksboven. De andere 3 bedden worden gevuld met 3 van de andere westerlingen. Ieder heeft 2 kussens en een dekbed, dus koud gaan we het vast niet krijgen.

De trein is de hele nacht onderweg, maar van slapen komt niet veel. Alleen het eerste stuk heb ik doorgeslapen, totdat iets na 12 uur de conducteur de lichten weer aandoet en luid iets roept. De boodschap is wel duidelijk: we zijn bij de eerste grensovergang, de uitreis uit Vietnam. Iedereen moet met zijn bagage de trein verlaten en netjes in een rijtje gaan staan in de stationshal van de grensplaats om de Vietnamezen hun controle te laten doen. Zo’n 3,5 uur later herhaalt dit hele ritueel zich, maar dan voor de inreis in China. Het enige andere is hier dat ze vingerafdrukken afnemen met een nieuw apparaat, dat zelfs in je eigen taal tegen je praat (Nederlands dus in dit geval). Alleen komen bij de meeste passagiers niet alle vingers goed door – een van de grenswachters helpt dan maar een beetje door op je vingertoppen te drukken.

De trein rijdt door naar Nanning en mijn ticket reikt ook tot Nanning, maar eigenlijk wil ik er al eerder uit. In het plaatsje Ningming vlak na de grens hebben ze namelijk een werelderfgoed. Dus een kwartier voor aankomst op dat station (7.10 uur) meld ik me bij de conducteur en zeg dat ik er bij de volgende stop uit wil. Het is blijkbaar wel een ongebruikelijke vraag, maar ze doen er verder niet moeilijk over. Ik moet achter de conducteur aan de hele trein doorlopen, naar die ene deur die speciaal voor mij open zal gaan. Verder stapt er hier niemand uit. Het is nog duister en het regent, maar mijn missie is geslaagd!

#692: Zuojiang Huashan
Wat is het?
Het Cultuurlandschap met rotstekeningen van Zuojiang Huashan omvat 38 groepen tekeningen die zijn aangebracht hoog tegen de rotswanden langs een rivier. De tekeningen zijn gemaakt met een rood pigment. Het zijn rituele afbeeldingen van mensachtige wezens, uitingen van het animisme en de voorouderverering van de lokale Luoyue bevolking die geen schrift kende. De rotstekeningen zijn 1800 – 2500 jaar oud.
Cijfer: 5 (Het is altijd wel interessant om te bedenken wat mensen er toe heeft bewogen rotstekeningen te maken, en dan ook nog op grote hoogte zoals hier. Deze relatie met de mens en zijn gemeenschap is hier bij Huashan erg zichtbaar door de dorpjes die tegenover de wanden met tekeningen liggen. Zo zijn de twee onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar als je alleen naar de ‘kwaliteit’ van de tekeningen kijkt, behoort dit tot het minste van de vele rotskunst werelderfgoederen die ik al heb bezocht.)
Toegang: Vanaf de rivier zijn de tekeningen het beste te zien. Een boottour kost 82 Yuan (ca. 11 EUR).
Hoeveel tijd: Door mijn escapades met het openbaar vervoer (zie onder) bracht ik hier zo ongeveer de hele dag door. De boottour langs de rotstekeningen duurt 2,5 uur.
Opvallend: Om 10 over 7 stond ik al op het station van Ningming, als enige hier gedropt door de nachttrein vanuit Hanoi. Het was nog donker en het regende. Ik ging eerst maar een tijdje staan schuilen tot het licht zou worden – in de hoop dan op te vallen bij een taxichauffeur die me in de buurt van de rotstekeningen zou kunnen brengen. Uit reportages uit deze uithoek van China van andere werelderfgoedbezoekers had ik begrepen dat er 2 manieren zijn om de tekeningen te zien: met een toeristische boottour die langs de tekeningen vaart of met een taxi die je naar een uitkijkpunt brengt aan de andere kant van de rivier. Mijn voorkeur had de laatste optie.
Na een half uurtje wachten was er nog geen taxi verschenen. Wel zag ik overdekte driewiel-taxi’s rijden. Daar hield ik er eentje van aan om me naar Ningming centrum te brengen. Ik had van een eerdere reis weliswaar nog voor 33 EUR aan Chinese Yuan op zak, maar wat meer armslag zou ook wel fijn zijn. In het stadje vond ik al snel een geldautomaat. Ik liep wat door de straten, nog steeds op zoek naar een taxi of een andere aanwijzing hoe bij het werelderfgoed te komen. Uiteindelijk was het weer een driewiel-taxi die uitkomst bood, dezelfde als eerder op de ochtend. Hij kon me naar het vertrekpunt van de boottours brengen.
De driewiel-taxi die me wegbracht
Er waren wat mensen aan het werk maar het zag er niet naar uit dat er vandaag grote groepen toeristen verwacht werden. Met de vertaalfunctie van haar telefoon liet een van de meisjes van de receptie me weten dat de eerste boot om 11.30 zou vertrekken. Dat betekende voor mij nog 2,5 uur wachten. Maar er zat niks anders op. Ik mocht eerst nog schuilen in het in ombouw zijnde bezoekerscentrum, maar al snel gingen daar werklui met cement aan de gang. Buiten kon ik onder een afdakje zitten.
Ik was al bang dat ik de enige bezoeker zou zijn, maar tegen elven verschenen toch nog wat meer mensen. In totaal een stuk of 20. Het regende nog steeds, maar gelukkig was de boot ruim en overdekt. Er ging ook een gids mee die in het Chinees van alles vertelde. Blijkbaar was er pas een of andere theatervoorstelling geweest, want langs de waterkant zag je steeds onnatuurlijke decorstukken en schijnwerpers staan.
Het duurde bijna een uur voordat we bij de eerste rotstekeningen kwamen. Ze zijn allemaal aangebracht op de lichte zandsteenwanden die her en der in het landschap voorkomen. Er zijn ook resten van houten stellages gevonden, die nodig waren om tot tientallen meters hoogte te reiken om de schilderingen aan te brengen. Sommige groepen tekeningen hebben nu ook houten platformen onder zich, ik neem aan voor onderhoud. Aan land mag je er in ieder geval niet, vanaf het dek van de boot die vlak voor de wand blijft drijven kun je ze nu het beste zien.
Een paar individuele tekeningen, sommige zijn meerdere meters groot
Opvallend is hoe weinig variatie er in de afbeeldingen zit, ze lijken wel gestempeld. Als verklaring wordt gegeven dat ze aan een strikte set regels waren onderworpen – ze evolueerden wel maar de principes bleven hetzelfde. Verreweg de meesten beelden mensen uit (dansende poppetjes), er zijn cirkels met een ster (die bronzen trommels voorstellen) en honden. Al dit wordt gelinkt aan de rituele activiteiten van de omliggende dorpen. Er zijn geen tekeningen van dagelijkse activiteiten, zoals elders bij rotskunst wel gebruikelijk is.
Ningming Huashan is het grootste paneel langs dit deel van de rivier met 1951 van de in totaal 4050 afbeeldingen. Dit is eigenlijk ook het enige echt interessante deel van de route. Hier staan zoveel tekeningen op de wand dat de rots er rood van kleurt.
Op de weg terug, die over hetzelfde stuk van de rivier voert als de heenweg, legden we nog aan bij het dorpje Laijiang. Alle medetoeristen renden meteen naar de souvenirwinkel waar ze lokale delicatessen zoals groene noedels verkopen. Het regende nog steeds, dus veel verder dan de eerste straat kwam ik op mijn rondwandeling ook niet. Het zag er zo op het eerste gezicht niet veel anders uit dan een gemiddeld Chinees dorp. Wel valt de oriëntatie naar de rivier op: overal liggen boten klaar om spullen en mensen te vervoeren. Niet gek dus dat de voorouders de wanden boven de rivier vol schilderden.
Aanleggen bij het dorp Laijiang
Terug bij het vertrekpunt liet ik het meisje dat me eerder al geholpen had een taxi bellen. Dat is de enige manier zonder eigen vervoer om hier weer weg te komen, “er rijdt hier maar 3 keer per dag een bus langs” schreef ze me op haar telefoon.
#693: Chengjiang
Wat is het?
De fossielenvindplaats van Chengjiang laat een compleet en gevarieerd ecosysteem zien van 530 miljoen jaar geleden. Het ligt in verschillende lagen onder de grond op een oppervlakte van ruim 9 vierkante kilometer. Hier bevond zich destijds een ondiepe zee met een modderige bodem. Er zijn in totaal fossielen van zo’n 200 soorten gevonden, van algen en sponzen tot vissen. De fossielen zijn pas in 1984 ontdekt.
Cijfer: 4 (Er is weinig discussie over het wetenschappelijk belang van deze vindplaats. Maar er is helemaal niets te zien wat je ook maar een idee geeft hoe en waar de fossielen gevonden zijn, of ze er nu nog onder de grond liggen en wat de belangrijkste vondsten waren.)
Toegang: Gratis. Althans: je komt wel langs een ticket hokje, maar daar zat niemand dus ben ik maar gewoon doorgelopen. Er waren zelfs nog 2 andere bezoekers.
Hoeveel tijd: Half uur.
Opvallend: Vanaf het busstation van Chengjiang vroeg ik een taxi me naar deze plek te brengen, waarvan ik op voorhand al geen hoge verwachtingen had. De chauffeur wist gelukkig waar het was en dat hij ook maar beter kon aanbieden op mij te wachten voor de terugrit.
Ze hebben nog wel geprobeerd er iets van te maken, met een indrukwekkende toegangspoort en een parkeerterrein met wc’s en souvenirwinkel. Het ligt ook in een mooi groene, bergachtige omgeving. Maar ik kwam voor de fossielen. Er is tegen de heuvel waar de eerste vondst van fossielen in dit gebied is gedaan een wandelpad aangelegd. Langs het pad staan informatieborden waardoor je kennis kunt maken met de vreemde zeedieren die hier leefden. Helaas zijn veel van de borden vervaagd.
Reproductie van één van de uitgestorven zeedieren waarvan hier fossielen zijn gevonden.
Het eerste gebouw langs het pad is opgetrokken rondom de opgraving waar de eerste fossielen gevonden zijn. De ‘opgraving’ is een afgebrokkelde rotswand, waar je niet dichtbij mag komen. Je loopt over een glazen vloer, waaronder je fragmenten van stenen kunt zien. Veel ervan hebben afdrukken van fossielen, maar gezien hun opvallend witte kleur denk ik dat die nep zijn. De enige originele fossielen die je hier kunt zien zijn tentoongesteld in een stuk of 5 vitrines. Erg groot of spectaculair zien ze er niet uit, het zijn zeediertjes.
Het pad loopt daarna nog verder omhoog, richting het wetenschappelijk-biologisch centrum of zoiets. Het lijkt niet meer in gebruik. Dat is wel jammer, want ze hebben in het ontwerp van het gebouw geprobeerd de vorm van een zeedier na te bootsen. Vanaf hier heb je nog wel mooi uitzicht over de bergen. Gelukkig is het zonnig weer vandaag dus ik ben blij in ieder geval nog een korte wandeling te hebben kunnen maken.
Voordat we weer terugrijden naar Chengjiang zegt de chauffeur dat ik ook nog even in de souvenirwinkel moet gaan kijken. Die is verrassend goed gevuld, met diverse dikke boeken over de fossielen die hier gevonden zijn. En de vrouw achter de balie biedt me zelfs wat fossielen te koop aan!
#694: Rijst terrassen van de Hani
Wat is het?
Het Cultuurlandschap van rijstterrassen van de Hani in Honghe is een omvangrijk bergachtig gebied waar rode rijst wordt verbouwd. De Hani, een volk dat leeft in de Chinese provincie Yunnan en in Vietnam, hebben hier gedurende de afgelopen 1300 jaar een complex systeem van geïrrigeerde rijstterrassen aangelegd. Na de rijstoogst worden de terrassen onder water gezet. Er worden dan vissen in gekweekt en eenden zorgen ervoor dat de grond vruchtbaar blijft. Binnen het gebied liggen 82 traditionele dorpen, waarvan de bewoners de terrassen bebouwen en andere vormen van landbouw beoefenen.
Cijfer: 8 (De rijstvelden zijn hier letterlijk schilderachtig mooi. Er zijn al heel wat fotografieboeken over verschenen. Het is een vrij groot gebied ook, een ‘rondje’ is 35 kilometer en dan kom je heel wat uitkijkpunten tegen. Alle dorpen hebben hun eigen terrassen, ze verschillen wel wat in stijl dus het is de moeite waard om meerdere te bezoeken.)
Toegang: Bij het bezoekerscentrum aan het begin van het gebied wordt een entree van 70 Yuan (8,90 EUR) gevraagd. Dit kaartje heb ik daarna nergens meer hoeven te laten zien. Ook schijnen sommige dorpen apart toegang te vragen, maar bij het ene dat ik bezocht was het loket gesloten.
Hoeveel tijd: Ik was er 1 volle dag. Het plan was eigenlijk 2 dagen, omdat de reis er naar toe ook al een dag in de bus zitten kost. Maar voor mijn 2de dag was de hele dag regen voorspeld en dan is er niks te doen in dit gebied, dus ik ben eerder vertrokken. Met mooi weer kun je je er prima 2 dagen vermaken, het is ook leuk om tussen de rijstvelden door te wandelen.
Opvallend: Weer zo’n afgelegen plek! Driemaal daags is er een rechtstreekse bus vanuit Kunming naar Yuanyang Xinjie, het beginpunt van dit gebied. De rit duurt 7 uur, maar dan ben je er nog niet. De toeristen in de bus worden langs de kant van de weg gedropt waar een minibusje staat te wachten dat ons naar onze hotels/pensions zal vervoeren. Een lange rit slingerend door de bergen volgt. Het is stralend weer deze dag, dus we kijken al onze ogen uit. Tegen zonsondergang gelast de chauffeuse alvast een fotostop in bij één van de vele dramatische rijstterrassen.
Ik overnacht in de Flower Residence Inn, een pension in het dorpje Duoyishu. De omgeving is veel meer bebouwd dan ik vooraf gedacht had. Misschien komt het door het opkomende toerisme, hoewel lang niet alle nieuwbouw voor hotels is. Ze zijn in ieder geval overal aan het werk. In Duoyishu liggen alle straatjes – die toch al heel smal en steil zijn – in het midden open omdat ze een afvoer aan het aanleggen zijn. Dat maakt de tocht van pension tot restaurant elders in het dorp ‘s avonds tot ware een hindernisbaan.
De volgende ochtend ga ik mee met een tour langs de belangrijkste plekken in het gebied. Samen met een Frans stel en een matig Engels sprekende chauffeur rijden we eerst naar het uiterste puntje van de kaart van dit gebied. Hier gaan we een eind de berg af en komen dan bij een uitkijkpunt waar ook de serieuze fotografen al geposteerd staan met hun statieven. De Hani rijstterrassen staan vooral bekend om hun schilderachtige effecten en op deze plek zie je dat eigenlijk het beste. Het is een wirwar van waterpoelen en ‘sliertjes’ gevormd door de dunne randen van de terrassen. De afscheidingen tussen de terrassen zijn net als de terrassen zelf helemaal van klei gemaakt. De laaghangende wolken maken het nog wat extra dramatisch.
Daarna rijden we langs het Blauwe Terras. De mensen die hiernaast wonen vragen geld om foto’s vanaf hun terrein te mogen maken. Wij blijven maar aan de straatkant staan, dat is net zo mooi. Het is niet zo’n groot terras maar van dichtbij kun je hier goed zien dat ze aan de bovenste rand een strook hebben vrijgelaten om groenten te verbouwen.
We stappen vervolgens uit bij Azheke, het “paddenstoelendorp”. De 396 inwoners verbouwen geen paddenstoelen maar de traditionele huizen zouden eruit zien als paddenstoelen (met een rieten dak als kopje). Het is bijna een openluchtmuseum, want bij zo ongeveer elk huis of ander bezienswaardig element staat een informatiebord met uitleg in het Chinees en Engels. Je komt het dorp binnen onder een rieten poort, waarmee de Hani de grens willen aangeven tussen waar de mensen en waar de geesten wonen. Boven het dorp ligt ook een heilig bos waar de dorpsbewoners eenmaal per jaar de god Angma komen aanbidden voor geluk en een goede oogst.
In het dorpje zelf gaan de dagelijkse bezigheden gewoon door. Ook hier sjouwen vrouwen in traditionele kledij met cement en stenen op hun rug om (ver)nieuwbouw mogelijk te maken. Varkens, kippen, kalkoenen en een enkele buffel lopen vrij door de straten.
Het was al een bewolkte ochtend en tegen elven begint het helaas te regenen. Maar we gaan nog dapper door met onze tour. Hoewel bij sommige uitkijkpunten niks meer te zien valt. Eén van de mooiste en grootste terrassen die we nog zien is die bij het dorp Bada. Deze heeft meer groen en rood dan de andere, die het vooral moeten hebben van het spiegelende water. Het is er ook wat minder steil en meer glooiend.
Kunming
Omdat ik door de regen een dag eerder van de Hani rijstterrassen ben vertrokken, heb ik een dag ‘over’ in de stad Kunming. Deze doet zijn naam als Stad van de Eeuwige Lente eer aan, want het is er aangenaam weer. De stad zelf heeft niet zoveel bezienswaardigheden, maar ik knoop er een aantal aan elkaar die ik te voet kan bezoeken. De wegen zijn lang en recht, met brede trottoirs dus het is gemakkelijk lopen. Overal zie je fietsen staan de je kunt huren (als je tenminste een Chinese telefoon hebt met een bepaalde app…).
Mijn eerste stop is de Yuantong tempel. Dit is een 1200 jaar oude Boeddhistische tempel, die nu helemaal ligt ingesloten in de moderne stad. Echt een oase, zo stil. Centraal op het tempelcomplex ligt een vijver met bruggetjes en een paviljoen. Het is nog een actieve tempel: je hoort de monniken zingen tijdens hun ochtendgebed.
Een paar honderd meter verderop aan dezelfde straat ligt het stadspark Cuihu: het ‘Groene Meer’. Hier komen vooral ouderen en mensen met kinderen zich ontspannen. De ouderen doen ochtendgymnastiek, kaarten en spelen mahjong. Sommigen zijn heel druk bezig in hun eentje, zoals een man die met een zweep een tol draaiende houdt.
Voor de bezoekers lijkt het voeren van de meeuwen hier wel de grootste attractie te zijn. Overal kun je stukje brood kopen die je aan de gulzige beesten kwijt kunt. Het stikt er werkelijk van de vogels.
Aan de noordkant loop ik het park uit en stuit dan op dit opvallend gele gebouw. Het is de voormalige militaire academie. Nu is het een museum. Er is een groot paradeterrein binnen de muren. Het museum heeft een interessante tentoonstelling over de gezamenlijke strijd van de Chinezen en Amerikanen tegen de Japanners in de Tweede Wereldoorlog. Helaas zonder Engelse ondertiteling.
Vervolgens neem ik de metro om 2 haltes verderop uit te stappen bij het Dongfeng plein. Vanaf hier is het nog 2 blokken lopen naar het moderne centrum van de stad. Er zijn hier vooral winkels gericht op de jeugd, zoals zaken met sportkleding van alle bekende merken.
Een beetje verscholen in datzelfde gebied ligt de ‘Oude Straat’. Dit is het hart van het oude Kunming, dat ze nu weer een beetje in ere aan het herstellen zijn. Of misschien zelfs wel opnieuw aan het opbouwen. Hier zie je winkels meer gericht op toeristen of op oudere Chinezen. Je kunt er sieraden kopen, gezondheidsproducten en planten.
In de oude straten kom ik deze wel heel bijzondere winkel tegen. Ze verkopen hier hoorns van verschillende diersoorten. Volgens mij ook ter bevordering van de gezondheid.
Aan het eind van de middag verplaats ik me per metro naar het vliegveld van Kunming. Het is groot en een beetje chaotisch. Het meisje bij de check-in kan mijn reservering niet vinden – het helpt ook niet dat ik in plaats van een printje van dit ticket, een print van een ticket voor een volgende reis bij me heb (van Livingstone in Zambia naar Amsterdam). Maar uiteindelijk komt alles goed, sla ik me door de veiligheidscontroles en kan ik gaan zitten voor een laatste pittige maaltijd uit deze provincie.
#695: Kulangsu
Wat is het?
Kulangsu: een historische internationale nederzetting is een eiland voor de kust van Xiamen (Amoy) dat in de 19de en begin 20ste eeuw bewoond werd door buitenlandse handelaren, missionarissen en diplomaten. Ze kwamen uit Amerika, Europa en Japan. Later in de 20ste eeuw kwamen daar Chinezen bij die terugkeerden uit het buitenland. Samen gaven ze een moderne impuls aan China door de inbreng van westerse cultuur en technologie. De zo’n 1000 bewaard gebleven historische gebouwen laten een mix zien van Europese, Chinese en Zuidaziatische bouwstijlen.
Cijfer: 6,5 (Het eiland is een lekker ontspannen plek om rond te lopen met mooi weer en je te goed te doen aan gerechten van de vele eetkraampjes. De gebouwen zelf zijn voor een Europeaan niet zo interessant en je kunt nergens naar binnen.)
Toegang: De veerboot vanaf Xiamen kost 35 Yuan (ca. 4,20 EUR) en duurt 20 minuten. Dit is de enige manier om op Gulangyu te komen. In het weekend en rond Chinese feestdagen moet je de boot vooraf boeken, anders loop je de kans dat de kaartjes voor de betreffende dag (met een maximum van 50.000!) op zijn.
Hoeveel tijd: Ik was er drie uur.
Opvallend: Het eiland ligt echt pal voor de kust, je kunt er bijna naar toe zwemmen. De veerboot voor de lokale bewoners doet er ook maar 5 minuten over. De vele toeristen moeten verderop vertrekken, met een boot die er dan ook langer over doet. Er zaten zeker 200 mensen op ‘mijn’ boot, allemaal Chinezen. Kulangsu (Gulangyu in modern Chinees) is echt een heel populaire bestemming voor Chinese toergroepen: er komen hier maar liefst 13 miljoen(!!) bezoekers per jaar. En dat terwijl er zelfs een daglimiet is aan het bezoekersaantal.
Ik vertrok met de boot van 9.10 uur. De eerste boot van de dag gaat om 7.10 uur, dus er waren nog niet zo heel veel anderen op het eiland. Het is ook behoorlijk groot en er mogen geen auto’s komen, dus je kunt er lekker rondwandelen. Ik trof een zonnige dag met temperaturen boven de 20 graden.
Je hoeft geen moeite te doen de historische gebouwen te vinden: het zijn er heel veel. Wat opvalt is dat ze achter hoge hekken en muren schuil gaan. Veel toegangsdeuren zijn ook gesloten – in de meeste gebouwen wonen nog mensen. Als je al wel ergens het terrein op kunt, zit je al snel in een cafeetje dat koffie en thee verkoopt.
De unieke bouwstijl die zich hier op het eiland ontwikkeld heeft heet ‘Amoy Deco’: Amoy naar de lokale naam voor Xiamen, en Deco naar de kunststroming Art Deco. Het levert huizen op in baksteen met Chinees aandoende ornamenten.
Het eiland heeft ook 3 christelijke kerken. Deze dienden vandaag vooral als achtergrond voor de trouwfoto’s van pasgetrouwde (of nog te trouwen) Chinese stelletjes.
Quanzhou
Quanzhou is een stad die met de sneltrein een half uur ten noorden van Xiamen ligt. Het wordt waarschijnlijk door China in 2020 genomineerd om werelderfgoed te worden, dus ik ga er maar vast langs. De stad was van de 10de tot de 14de eeuw een belangrijke havenstad op de Maritieme Zijderoute. De Chinezen dreven vanaf hier handel met landen in de Indische Oceaan en de westelijke Stille Zuidzee.
Bij de entree van de Guan Yu Taoïstische tempel
Meteen valt op dat het er veel minder modern is dan in Xiamen, waar ik de afgelopen dagen heb overnacht. Erg veel aanwijzingen voor toeristen zijn er ook niet vanaf het treinstation, dus ik neem eerst maar stadsbus 3 het centrum in. Ik stap uit bij iets wat een tempel lijkt te zijn, maar in werkelijkheid een saai parkje blijkt. Je moet hier met bus 601 langs de verschillende bezienswaardigheden kunnen, maar ondanks dat de halte aangeeft dat die bus hier langs komt zie ik hem na 20 minuten wachten nog steeds niet. Ik houd dan maar een taxi aan.
Mijn eerste bestemming is de hoofdstraat Tumen. Hier liggen twee monumenten naast elkaar: de Qingjing moskee en de Guan Yu Taoïstische tempel. De werelderfgoednominatie gaat waarschijnlijk helemaal los op het multireligieuze karakter van de stad: behalve Islam en Taoïsme is in dezelfde straat ook nog het Confucianisme vertegenwoordigd. Bij de Guan Yu tempel is het erg druk met mensen die wierookstokjes branden en stapels ‘geld’ offeren. In de omgeving zijn allemaal winkeltjes die dat nepgeld en goudpapier verkopen om te verbranden.
Verbranden van papier geld, met pakken tegelijk. Je moet het wel eerst netjes vouwen
Daarna ga ik naar de moskee, wel een unicum om die hier in China te zien. Hij stamt al uit de 11de eeuw. Het is vrijdag dus gebedsdag en van alle kanten komen Chinese (en buitenlands uitziende) moslims aan. De oude moskee is vervallen tot een ruïne, maar ernaast is een nieuwe gebouwd die dus nog volop in gebruik is.
‘Gewone’ bezoekers moeten bij het bezoekerscentrum aan de achterkant voor 0,35 EUR een entreekaartje kopen. Het oude gedeelte bestaat uit 2 voormalige gebedsruimtes. Eén was in Arabische stijl opgetrokken, van steen en met een zuilengalerij. Toen die door een aardbeving instortte, werd daarnaast een nieuwe gebedsplaats opgebouwd. Deze is in Chinese stijl, lijkt een tempeltje maar waar je een beeld van Boeddha of een of andere god verwacht is hier de mihrab (gebedsnis)
Op het terrein zijn verder nog wat oude geschriften te zien, zoals het Keizerlijk Besluit uit de 15de eeuw om de Islam en haar volgelingen te beschermen.
Lunchen doe ik aan de overkant van de straat. Er zijn weinig moderne restaurantjes hier, maar ik stuit op een door vrouwen gerund buffetrestaurant. Voor 33 Yuan (3,75 EUR) kun je onbeperkt eten en drinken pakken.
Het werelderfgoed zal bestaan uit 16 verschillende locaties. Op borden bij de moskee en de tempel, die daar in ieder geval bij horen, zag ik een overzicht van welke andere er nog zijn. Ik besluit er in ieder geval nog 2 deze middag te bezoeken. Met weer een taxi ga ik naar de Kaiyuan tempel. Dit is de grootste boeddhistische tempel van de stad. Dat is dus al de derde religie van deze dag. Hier vallen vooral de 2 prachtige pagodes op.
Ook hier is het druk op het terrein. In de grote hal is een dienst bezig onder leiding van monniken, met gedrum en gezang.
Tot slot brengt een taxi me naar weer een ander deel van de stad. De verschillende locaties zijn niet echt op loopafstand. Daar staat een tempel gewijd aan Matsu, de godin van de zee. Ze heeft een soort eigen godsdienst (het Mazuïsme), is populair onder vissers en zeelieden in deze provincie en aan de overkant van het water in Taiwan. Je ziet hier ook de gekleurde keramieken decoraties waar de tempels in Taiwan mee volgeplakt zijn. Hier in Quanzhou is het wat minder uitbundig.
De tempel ligt in een voetgangersgebied. Ervoor zijn de opgravingen te zien van de oude stadsmuur.
Achteraf bezien had ik best een nacht in Quanzhou kunnen blijven. Er is veel te zien, maar het ligt allemaal nogal verspreid. Je kunt o.a. nog één van de oudste stenen bruggen in China en het grootste standbeeld van de wijsgeer Laotse bekijken. Beide liggen iets buiten de stad. Ook is er een maritiem museum dat ik helaas niet heb kunnen vinden.
Matsu-tempel Tian Hou Gong
#696: de Tulou van Fujian
Wat is het?
De Tulou van Fujian zijn grote gemeenschappelijke woningen, meerdere verdiepingen hoog en met aarden muren. Ze zijn om een centrale hal gebouwd, met maar één ingang en weinig ramen. Deze bouwstijl werd gekozen omdat de huizen zo goed te verdedigen zijn. Eén gemeenschappelijke woning bood ruimte aan één familieclan. In de grootsten woonden tot 800 mensen. Ze zijn gebouwd tussen de 14de en 20ste eeuw.
Cijfer: 8 (Dit soort huizen vind je echt nergens anders op de wereld. Je ziet ze in deze plattelandsstreek – op 3 uur reisafstand van grote stad Xiamen – echt veel. Sommige zijn vervallen, anderen toeristisch maar velen nog bewoond. Vooral de ronde zijn fotogeniek.)
Toegang: Je betaalt entree per dorp / vallei: Hukeng en Tianluokeng vragen beide 90 Yuan (11,60 EUR). Daarnaast moet je voor de grote ‘Koning van de Tulou’ apart 50 Yuan (6,45) betalen.
Hoeveel tijd: Ik was er 2 halve dagen en 1 nacht.
Opvallend: Je kunt in sommige van de Tulou overnachten. Ik deed dat in de Changdi Inn in de Fuyu Tulou, in het dorp Hongkeng. De Fuyu Tulou is niet rond zoals de meeste, maar heeft een getrapte en symmetrische constructie. Ik sliep op de derde verdieping. Ze hebben hier een aantal kamers die ze aan gasten verhuren; naast mij waren er nog 7 andere buitenlandse toeristen. Verder wonen hier het gezin van de goed Engels sprekende Sam, zijn ouders, oma en een broer. Samen bewonen ze een verticale dwarsdoorsnede van de Fuyu Tulou, ernaast maar achter dezelfde voordeur wonen andere gezinnen.
De Fuyu Tulou, waar ik overnachtte in het rechterblok.
Zo krijg je een goede indruk wat het leven in zo’n huis betekent. De deuren staan altijd open. Iedereen loopt de hele dag bij elkaar binnen. Er komen allerlei mensen langs: de buren, een groenteverkoopster en chauffeurs die gasten op komen halen. De nacht is stil, je wordt alleen tegen 6 uur gewekt door een kraaiende haan.
Hongkeng is een leuk dorp waar nog veel Tulou overeind staan en bewoond worden. Het ligt langgerekt aan een rivier – het is 3 kilometer lopen van het ene naar het andere einde. Tussendoor zie je op straat groenten te drogen liggen. Ook worden er ganzen en kalkoenen gehouden. Ik bezoek het op een zaterdagmiddag en had verwacht dat het erg druk zou zijn, maar het was heerlijk stil.
De volgende dag ging ik achterop de motorfiets voor het bezoeken van een paar Tulou die verderop liggen. We moeten eerst 25 kilometer rijden naar een heel bekend uitkijkpunt: dat op het cluster van Tianluokeng. Hier kan het overdag erg druk zijn, maar we komen er tegen half 10 aan en dan zijn de meeste dagjesmensen er nog niet.
Dit cluster bestaat uit 1 vierkante Tulou, 1 ovale en 3 ronde. Het is ook de enige plek waar ze zo dicht bij elkaar liggen. Vooral van bovenaf is dat een apart gezicht. Vanaf het uitkijkpunt loopt er een voetpad het dorp in. ‘Mijn’ motorrijder gaat via de gewone weg naar beneden en ik loop het pad af.
Deze 5 Tulou dicht op elkaar hebben iets van een klein dorp. Er is een marktje aan de gang in een van de straten. Daarnaast wordt het rechthoekige gebouw voorbereid op een bruiloft die er vandaag plaats gaat vinden. De binnenplaats is helemaal gevuld met tafels en stoelen. In de andere Tulou gaat het dagelijks leven gewoon door. Mensen zitten buiten samen te eten, doen de was.
Met de motor bezoeken we vervolgens een aantal andere Tulou in deze vallei. Overal is het nog rustig. Eén van de mooiste vind ik die met een stenen tempel centraal op het middenterrein. Het is de Yuchang Lou, ook één van de oudste en hoogste.
We gaan ook nog naar een tempel buiten een Tulou: de Deyuan vooroudertempel in Taxia. Voor deze op zich simpele tempel staat een half-ronde rij met 10 meter hoge stenen vlaggenposten. Zo’n versierde vlaggenpost werd gemaakt voor voorname leden van de clan.
Tempel op het binnenterrein van de Yuchang Lou
De laatste op de route is de ‘Koning van de Tulou’. Hier is het het drukst – deze staat vast op nummer één van te bezoeken huizen van alle Chinese tourbussen. Het is een groot, rond exemplaar zoals je er wel meer ziet. Maar hij bestaat uit 4 concentrische ringen. Dat betekent dus dat als je naar binnen stapt, je op nog een ring stuit, en nog een en tot slot nog een kleintje met de tempel in het midden.
De binnenste ringen hebben ook allemaal kleine kamertjes in zich. Deze zijn bijvoorbeeld in gebruik als keuken. Net als bij de andere Tulou mag je op de begane grond overal rondkijken, maar niet de trappen op naar de hogere verdiepingen waar de mensen wonen.
De ‘Koning van de Tulou’ (Chengqilou)
Terugblik Vietnam/China 2018/2019
Het was nogal een expeditie: in totaal legde ik in 2,5 week ruim 4000 kilometer af tussen Hanoi en Xiamen. En dat per bus, nachttrein, vliegtuig, supersneltrein en gedeelde taxi. In het begin was het af en toe wel zwaar: bewolkt, soms regen, fris, lange reistijden en niet al te geweldige werelderfgoederen. Maar vanaf de Hani rijstterrassen was het prachtig. Het hoogtepunt van de reis was mijn verblijf in de bruisende stad Xiamen en bij de Tulou-woningen.
Voorbereiding
Visa
Voor een Chinees visum is zoveel papierwerk nodig dat de moed me haast in de schoenen zonk. Nauwelijks 2 weken in dienst bij mijn nieuwe werkgever moest ik al een werkgeversverklaring zien te regelen (die werd mooi ondertekend door een ‘financial engineer’). Verder is het vooral een kwestie van alles braaf invullen. Ik heb het ingediend via een visumbureau en kreeg het binnen een week retour.

Voor Vietnam was het een stuk eenvoudiger, maar ook daar zit er een addertje onder het gras. ‘Gewone’ toeristen kunnen sinds een paar jaar op een elektronisch visum reizen – dit vraag je aan via internet en binnen een paar dagen krijg je per mail je visum. Alleen dit visum geldt maar voor een beperkt aantal in- en uitgangen tot het land. ‘Mijn’ exit – per spoor – stond daar niet bij. Dus maar naar de Vietnamese ambassade getogen, waar ze voor 65 EUR in 20 minuten mijn stickervisum gereed maakten.

Internet en VPN
Alle hotels hadden behoorlijk goed draadloos internet. De Chinese overheid blokkeert een aanzienlijk deel van het internet, maar met mijn eigen websites en ook met de meeste normale Nederlandse websites had ik geen problemen. Google Maps (om routekaartjes te bekijken) miste ik eigenlijk als enige. Vooraf had ik de Tunnelbear VPN gedownload die deze censuur kan omzeilen. Deze deed het overal, behalve aan de oostkust (in Xiamen en bij de Tulou).
Treinkaartjes
Voor de lange treinreizen is het wel handig die van tevoren te reserveren. Voor de nachttrein Hanoi-Nanning deed ik dat zelf online via Baolau. Voor de treinreis in China van Nanning naar Kunming, die je niet online kunt betalen, gebruikte ik China DIY Travel. Zij reserveren via hun reserveringssysteem kaartjes op jouw naam, en die betaal je dan via PayPal.
Vervoer
Internationale vluchten
Op de heenreis vloog ik eerst in 50 minuten naar Parijs met Air France. Onderweg in de business class kreeg ik een heerlijk ontbijt met verse broodjes, kaas, fruit, yoghurt en koffie. Op het vliegveld was het daarna veel lopen en met lift en bus van terminal 2F naar terminal 2E M. Daar heb ik de resterende tijd zitten te wachten in een ruime, lichte lounge.
De vervolgvlucht ging met Vietnam Airlines naar Hanoi. In de ‘visgraatopstelling’ in hun Business Class zat ik in het midden, in de set van 2. Ik had vooraf geen stoel kunnen selecteren. Maar gelukkig bleek ik door een heel blok verwijderd van mijn buurman. De scheve opstelling voelt wel onnatuurlijk. Verder heb ik nauwelijks geslapen vanwege het tijdsverschil: net als je moe begint te worden komen ze met het ontbijt langs. Het eten was niet echt goed.

Vliegtuig van Vietnam Airlines aan de gate in Parijs
Mijn terugvlucht ging rechtstreeks van Xiamen naar Amsterdam met KLM. Hier had ik stoel 1A, in mijn eentje bij het raam. Ook hier heb ik wel eens beter entertainment en beter eten gehad. En per ongeluk koos ik ook nog een huisje dat ik al had!
Binnenlands vervoer
Ik heb heel wat in de bus en trein gezeten. Zowel in Vietnam en China hebben ze naast de gewone bussen ook luxere varianten. Zo nam ik de ‘Limousine’ bus van Ninh Binh naar Hanoi. Dit is een minibus met ruime zetels en plaats voor slechts 9 man. Deze reed in 1,5 uur direct naar het centrum van Hanoi. In China zie je gedeelde taxi’s ook met luxe zetels. De kofferbak hebben ze dan verwijderd uit de auto, zodat er 2 rijen met zetels zijn (1x 2 en 1x 3). Ruimte voor bagage is er dan niet meer, dus het is alsnog vrij krap.
In China ben ik ook een paar keer met de trein geweest. Twee lange treinreizen had ik vooraf via internet geboekt. Dat moet wel want anders zijn ze snel volgeboekt. Voor de kortere ritten, ook met de supersnelle treinen die 200km per uur rijden, is altijd nog wel plaats.

Reguliere bus in China
Hotels
Tam Coc Mountain View Homestay
In de Tam Coc Mountain View Homestay had ik een ruime kamer met een hard bed. Het is een eenvoudig familiepensionnetje. De dochter spreekt goed Engels. De kamer heeft geen vorm van verwarming (koud!) en werd niet schoongemaakt tijdens mijn verblijf. Ook viel de stroom een avond lang uit in het dorp. Ontbijt kun je van de kaart kiezen en je kunt er fietsen huren.
Website: Tam Coc Mountain View Homestay
Kosten: 25 EUR per nacht inclusief ontbijt
Hanoi
Het Hanoi Charm Hotel is een van de standaard hotels in het centrum. Ik had geboekt bij het Hanoi Glance Hotel, maar ze stuurden me na het inchecken door naar hun zusterhotel. Dat maakte verder niet zoveel uit. Het Charm Hotel ligt nog net iets centraler, vlakbij Hoan Kiem Lake. Er is ’s ochtends een klein ontbijtbuffet. Het was vrij lawaaiig in de straat en in het hotel zelf. Voor deze prijs in het centrum van een hoofdstad is dit echt een goede koop.
Website: Hanoi Charm Hotel
Kosten: 30 EUR per nacht inclusief ontbijt
Nanning
Het Yonggui Hotel is een wat ouder hotel in communistische stijl. Ik heb er een heel ruime, nette kamer. Beste van dit hotel is dat het vlakbij een metrohalte ligt én naast een heerlijk restaurant waar ze een handig menu hebben met plaatjes van de gerechten. Een puur Chinees ontbijtbuffet is inbegrepen in de prijs.
Website: Yonggui Hotel
Kosten: 32 EUR per nacht inclusief ontbijt
Kunming
Het Jinjiang Inn Kunming Beijing Road Chuanxin Gulou Subway Station is een modern, compact hotel voor zakenreizigers, zoals je dat in Japan ook wel ziet. Op toeristen zijn ze niet echt voorbereid (geen Engels, geen creditcard), maar de receptie was heel behulpzaam bij mijn pogingen om het draadloos internet werkzaam te krijgen. Ook dit hotel ligt naast een metrostation. Er zijn geen restaurants in de directe omgeving. Het extra te betalen Chinees ontbijtbuffet is voor 2,5 EUR vrij uitgebreid met ook toast, fruit, yoghurt en cornflakes.
Website: Jinjiang Inn
Kosten: 34 EUR per nacht zonder ontbijt
Duoyishu (Yuanyang)
De Flowers Residence Inn ligt diep in het dorpje, tussen de rijstvelden. Door de opengebroken straten lopen was wel een uitdaging, vooral ’s avonds en in de regen. Vanaf mijn kamer had ik een mooi uitzicht over de omgeving door het brede raam. Ook de elektrische deken was een uitkomst bij de koude nachten. Het water uit de douche werd dan weer een beetje té heet. De eigenaar spreekt goed Engels en helpt met alles. Ontbijt, lunch en diner is in het restaurant dat ook van hem is, een paar straten verderop.
Website: Flowers Residence Inn
Kosten: 25 EUR per nacht zonder ontbijt
Xiamen (1)
Het Hotel Indigo Xiamen Harbour was het beste hotel van deze reis. Moderne snufjes zoals gordijnen die vanzelf open gaan als je de kamer binnenkomt en een wc die zelf doortrekt. Ik maakte ook handig gebruik van de meegeleverde strijkbout + plank om mijn gekreukte zomerkleren weer presentabel te maken. ’s Avonds komen ze fruit brengen en er is een gratis minibar met drankjes en snacks. De ligging is perfect: om de hoek van de Zhongshan winkelstraat en naast de Starbucks. Deze laatste koffieshop is handig voor het ontbijt, in het hotel kost dat namelijk 22 EUR extra. Ik heb dat laatste 1x geprobeerd: de ontbijtzaal heeft wel een mooi uitzicht op het werelderfgoed Gulangyu aan de overkant van het water, maar het ontbijt zelf is – ondanks een redelijk aanbod aan Europese gerechten – de hoge prijs niet waard.
Website: Hotel Indigo Xiamen Harbour
Kosten: 95 EUR per nacht zonder ontbijt
Hongkeng
De Tulou Fuyulou Changdi Inn heeft een originele locatie in één van de goed bewaarde Tulou (gezamenlijke woningen). Het is populair bij buitenlandse toeristen – naast mij waren er o.a. 4 bemanningsleden van de KLM, 2 Fransen en een Japanner. De eigenaar spreekt goed Engels en kan alles voor je regelen, zoals tours per motor of auto. Je kunt er ook prima eten. De kamer was eenvoudig maar schoon. Er is een gedeelde badkamer met hurktoilet. Heerlijk rustig ’s avonds en ’s nachts, je wordt gewekt door het gekraai van de hanen.
Website: Tulou Fuyulou Changdi Inn
Kosten: 21 EUR per nacht inclusief ontbijt
Xiamen (2)
Hualuxe Xiamen Haicang is ook supermodern, net als het eerste hotel dat ik in Xiamen had. De enorme badkamer heeft een ligbad. Hier is de overnachting wel inclusief een uitgebreid ontbijtbuffet. Verder ligt het een beetje afgelegen, in een prachtig gebouw aan de haven.
Website: Hualuxe Xiamen Haicang
Kosten: 100 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten
Ontbijt
Ontbijt is zowel in Vietnam als China een beetje behelpen. In Vietnam serveren ze knapperige stokbroodjes, een overblijfsel uit de Franse tijd. In China zijn het veelal warme gerechten die je voorgeschoteld krijgt.

Ontbijtje in de Fuyu Tulou Changdi Inn
Lunch & Diner Vietnam
Vietnam heeft minstens zo’n levendige eetcultuur als China. In Hanoi nam ik deel aan een Food Tour, die me van allerlei lekkere hapjes liet proeven. Toch vind ik de Vietnamese keuken nog steeds niet zo geweldig. Ze hebben veel gerechten die koud geserveerd worden. Ook is het vaak erg flauw.

Gestoomde rijstpannenkoekjes met vulling
Lunch & Diner China
Het is moeilijk om slecht te eten in China. Bij de rijstterrassen was alleen al het aanwijzen van een aubergine genoeg om een heerlijk gerecht op tafel te krijgen. Het beste eten had ik echter in de stad Xiamen: vis en schaaldieren volop in allerlei kraampjes en restaurants.

Kosten
Vietnam is nog steeds spotgoedkoop. Toen ik er in 2011 voor het eerst was, besteedde ik gemiddeld 70 EUR per dag. Eind 2018 kwam ik nog steeds maar uit op 64 EUR. Het enige vervelende is dat je bij de meeste banken in Vietnam maar 70 EUR per dag mag opnemen. Dus als je je hotel ook cash moet betalen, dan moet je iedere dag pinnen.
In China gaf ik veel meer uit: 121 EUR per dag. Dat kwam vooral door de binnenlandse vlucht van ruim 300 EUR van Kunming naar Xiamen en door de duurdere hotels in Xiamen. Maar China is over het algemeen ook al een stuk prijziger dan Vietnam. Pinnen is hier heel gemakkelijk (op iedere hoek van de straat lijkt wel een bank te zijn) en je kunt ook grotere bedragen opnemen. Ik had nog geld mee dat was overgebleven van mijn reis in 2007, maar briefjes van 0,10 of 0,20 of 0,50 yuan kun je nu echt niet meer gebruiken. Het laagste is nu 1 yuan (0,12 EUR).


























































Leave a comment