Het Romeinse Nîmes
Het leek zo’n simpel plan: vliegen naar Marseille en dan in een uurtje doorrijden naar Nîmes. In Nîmes had ik dan de hele middag om de Romeinse monumenten te bekijken. Maar het bereiken van de stad werd deze zaterdag heftig verstoord door mensen in ‘gele hesjes’, die protesteren tegen de hoge brandstofprijzen en ander ongerief in het algemeen. Op één na alle toegangswegen tot Nîmes waren gestremd, zodat ik met een enorme U-bocht (die me ruim een uur extra kostte) vanaf het noorden de stad in moest zien te komen.
Ook hier ging het niet zonder slag of stoot, maar was het meer een langzaamaan actie dan een blokkade. Het was niet de laatste keer dat ik de ‘hesjes’ dit weekend in Zuid-Frankrijk tegenkwam, maar alle protesten hier verliepen vreedzaam en ik hield er uiteindelijk nog 2x een vrije doorgang op de tolweg én een banaan aan over.

In Nîmes zelf kon ik gelukkig in een parkeergarage middenin het centrum terecht, zodat ik niet nog meer tijd verloor. Het Romeinse erfgoed van Nîmes probeert al een paar jaar op de Werelderfgoedlijst te komen, maar heeft nog niet kunnen overtuigen. Om de kandidatuur meer kracht bij te zetten is er sinds deze zomer zelfs een groots Romeins museum in de binnenstad geopend. Dit Musée de la Romanité was dan ook mijn eerste bestemming. Voor 17 EUR kocht ik er een combi-kaartje dat naast het museum ook toegang geeft tot de 3 belangrijkste Romeinse monumenten van de stad: het amfitheater, de Magne-toren en de voormalige tempel Maison Carrée.
Het is een modern en licht museum. Prettig om doorheen te lopen, maar de collectie zelf vond ik niet zo bijzonder. Nîmes spiegelt zich graag aan de buursteden Orange en Arles, die al wel op de Werelderfgoedlijst staan vanwege hun Romeinse geschiedenis. Het was echter maar één van de vele kolonies die door de Romeinen in het ‘buitenland’ werden gesticht, in gebied oorspronkelijk bewoond door Galliërs. De vraag waarin het zich onderscheidde van de anderen blijft onbeantwoord.
Pal tegenover het museum ligt het oude amfitheater, de Arena. Het museum heeft een panoramaterras vanaf waar je over de stad uit kunt kijken. Alleen ligt het amfitheater eigenlijk te dicht bij en het is te hoog om er goed zicht op te hebben.
Het ovalen amfitheater wordt tegenwoordig vooral gebruikt voor stierengevechten. In de Romeinse tijd werden er gladiatorengevechten gehouden, iets waaraan met kartonnen informatieborden en een enkel tentoonstellingszaaltje nog wordt herinnerd. Verder deed het me vooral aan een verouderd voetbalstadion denken, met veel ingangen en kille stenen passages. Er liepen nog een paar andere toeristen rond, bezig met een speurtocht.
Met 140.000 inwoners is Nîmes een middelgrote stad. Het centrum is onmiskenbaar Frans, met grootse pleinen en classicistische gebouwen. Vrij aangenaam maar ook weer niks bijzonders. Het mooiste gebouw van de binnenstad is het Maison Carrée, een perfect Romeins tempeltje. Je kunt er ook naar binnen – het binnenste blijkt omgetoverd te zijn tot een bioscoopzaal. Daar speelt elk half uur een film over de Romeinse geschiedenis van de stad. De hoofdpersonen van dit verhaal zijn Licinia Flavilla and Sextus Adgennius Macrinus: de twee wier hoofden het mooiste grafmonument in het museum sieren (zie foto 2 hierboven). Het was mede aan hen te danken dat er hier een bloeiende Romeinse stad ontstond.
Tegenover het Maison Carrée ligt een nieuw museum over moderne kunst, maar voor een goed bezoek aan bijvoorbeeld de Picasso-tentoonstelling had ik de energie en de tijd niet meer.
Ter afsluiting van de middag liep ik nog wat verder door, naar de Tuinen van de Fontein. Dit schijnt één van de eerste Franse stadsparken te zijn. Het is aangelegd rondom een antieke waterbron. Het ziet er zo in de herfst niet al te gezellig uit, maar ondanks dat zijn er veel mensen op de been om hun hond uit te laten of de kinderen te laten spelen. In een hoekje van het park ligt nog een Romeins overblijfsel: de Tempel van Diana. Dit was waarschijnlijk helemaal geen tempel (een bibliotheek wellicht?) en zeker niet gewijd aan de godin Diana. Wat rest is een ruïne in broze staat, deels volgelopen met water.
Daarmee kwam mijn bliksembezoek aan Nîmes ten einde. Ik genoot er van het duidelijk zachtere klimaat dan in Nederland, maar verder is het niks bijzonders. Het amfitheater en Maison Carrée mogen uitstekend bewaarde monumenten uit de Romeinse tijd zijn, maar ze deden me niks. Ze zijn te veel gekoppeld aan middelmatige en oppervlakkige attracties die de toeristenmassa’s in de vast heel drukke zomermaanden moeten vermaken.
#689: Beschilderde grot van de Pont d’Arc
Wat is het?
De Beschilderde grot van de Pont d’Arc is een ruim 30.000 jaar oude grot met zo’n duizend door de vroege mens gemaakte rotstekeningen. De afbeeldingen zijn vooral van (roof)dieren, zoals de holenbeer, holenleeuw en neushoorn. Er zijn verschillende technieken en kleuren gebruikt. De grot is pas in 1994 ontdekt en nooit voor het gewone publiek opengesteld. De tekeningen zijn zeer goed bewaard omdat de natuurlijke ingang van de grot al 23.000 jaar geleden is ingestort.
Cijfer: 6,5 (Het is zo moeilijk hier een cijfer aan te geven: als je de originele grot zou mogen bezoeken, dan zou dat vast minstens een 8 opleveren. Maar je kunt alleen van een afstandje naar de rotsen kijken en moet het verder doen met een replica-grot. De replica is goed gedaan, maar toch blijft het onbevredigend.).
Toegang: De originele grot is uitsluitend toegankelijk voor wetenschappers. Als gewone sterveling krijg je alleen toegang tot een kopie, zo’n 10 kilometer verwijderd van het origineel. Toegang tot de replica kost 15 EUR. Zeker in het hoogseizoen moet je hiervoor ruim vooraf boeken via hun website. Je krijgt dan een kaartje met een bepaald tijdsslot toegewezen, daarvan mag je niet afwijken en je moet je een half uur van tevoren melden.
Hoeveel tijd: In totaal besteedde ik hier 3,5 uur.
Opvallend: Ik was veel te vroeg bij de replica – ik dacht dat ik een kaartje had voor 10.30 uur en er dus om 10 uur moest zijn. Vanwege mogelijke ‘gele hesjes’ blokkades onderweg was ik ook nog eens drie kwartier eerder van het hotel vertrokken. Zo stond ik dus al om 9.15 uur op de geheel verlaten parkeerplaats: mijn tour bleek pas om 11 uur te gaan en je kunt pas om 10.30 uur naar binnen. Deze extra tijd benutte ik dan maar om een kijkje te nemen bij de originele grot. Deze ligt 10 minuten rijden verderop in een rotswand tegenover de Pont d’Arc, een natuurlijke brug over de rivier de Ardèche. Er wordt gespeculeerd dat dit natuurwonder de reden was dat de vroege homo sapiens zich aangetrokken voelde tot dit gebied en om wat voor reden dan ook de grot begon te bedekken met rotstekeningen.
Er is een pad langs de wijngaard dat omhoog loopt langs de rotswand. Een collega-werelderfgoedbezoeker liep het 2 maanden geleden af en bereikte de stalen deur met 24uurs camerabewaking, die de originele grot afsluit. Op de parkeerplaats stonden nu auto’s van jagers op wilde zwijnen, ik had niet zo’n zin om daar tussen te gaan lopen. En wat voegt het überhaupt aan de ervaring toe als je een stalen deur hebt gezien?
Om kwart over 10 was ik daarom al weer terug bij de ingang van de replica. Er arriveerden nog een paar auto’s, maar druk zou het niet worden. Uiteindelijk kwam ik op een tour van 16 man terecht, allemaal Fransen behalve ik. Normaal krijg je een koptelefoon op (met vertaling in verschillende talen) maar de gids van vandaag dacht dat ze het met deze kleine groep wel zonder kon. Alles in het Frans dus, maar het was nog wel goed te volgen voor mij.
Het was een frisse ochtend, mede door de dichte mist. Gelukkig is de replica-grot een beetje verwarmd: tot 16 graden. Dat maakte de tour nog net draaglijk. Er zijn ook andere concessies gedaan ten opzichte van de originele grot: je loopt hier een rondje, waar de originele grot één lange gang is. Ook hoef je niet door smalle doorgangen te kruipen: er is een vlak en breed pad aangelegd vanaf waar je de rotstekeningen kunt bekijken.
In het begin zag ik alleen de ‘nep’-aspecten – de muren zijn van beton & de rotsen van kunststof – maar geleidelijk aan begon toch de waardering voor de rotstekeningen te overheersen. Die tekeningen zijn namelijk wel exact nagemaakt, ook met dezelfde materialen. Dat is schijnbaar ook de reden dat je zelfs in deze replica-grot geen foto’s mag maken.
We stopten bij een stuk of 10 tekeningen, waarbij de gids uitgebreid vertelde. Ze liet ons raden naar welk dier we dachten te herkennen. Bij een grote scène liet ze ons zelfs 20 minuten op de grond plaats nemen om in detail te vertellen over onder andere de manier waarop de tekenaars beweging hebben uitgebeeld. De ontwerpers van de replica-grot hebben ook veel met lichteffecten gedaan, onder andere door het lichtschijnsel van fakkels na te bootsen (de enige verlichting die de prehistorische mensen hadden). De totale rondleiding duurde 75 minuten, een kwartier langer dan in het hoogseizoen wanneer de groepen elkaar snel opvolgen.
Eenmaal weer buiten was het flink aan het regenen. Op het terrein liggen behalve de replica-grot ook nog een cafetaria-restaurant en een museum. Ik ging eerst even schuilen met een cappuccino bij de cafetaria. En liep toen naar de andere kant van het terrein naar het museum, de Galerie de L’Aurignacien.
Het is eigenlijk aan te raden dit museum te bekijken voor je de grot zelf bezoekt. Het begint met een korte video in een bioscoopzaaltje waarin je tijdelijk ‘opgesloten’ wordt. Na de video gaan de deuren in de wand open en mag je de tentoonstelling bekijken. Alles om de grote mensenmassa aan bezoekers te reguleren, maar daar was deze zondagochtend gelukkig geen sprake van.
Het museum laat levensechte dieren zien, die op de tekeningen zijn afgebeeld. De holenbeer en de holenleeuw bijvoorbeeld, maar ook mammoeten en reuzenherten. Ook besteedt het aandacht aan de vele verschillende technieken waarmee de tekeningen zijn gemaakt. Er komen blijkbaar zoveel Nederlanders in deze streek dat alle informatie in het museum naast het Frans, Engels en Duits ook in het Nederlands staat vermeld!
Reconstructie van een holenleeuw in het museum









Leave a comment