#649: Pécs
Wat is het?
De Vroegchristelijke begraafplaats van Pécs omvat een aantal Romeinse grafkamers uit de eerste helft van de vierde eeuw. Ze bestonden uit twee verdiepingen: een kapel boven en een graftombe onder de grond. De muren van enkele van de tombes zijn beschilderd met christelijke voorstellingen. Het erfgoed bestaat uit 16 monumenten, daterend uit de tijd dat Pécs een Romeinse handelsstad was en Sopianae heette.
Cijfer: 6,5 (Het bijzondere er aan is dat het erg oud is – uit de vroegste periode dat het Christendom in het Romeinse Rijk toegelaten werd na eeuwen van vervolging. Erg veel is er echter niet meer van over, en sommige delen zijn nog onder de grond verstopt en niet te bezoeken.).
Toegang: De entree kost 1100 Hongaarse forint (3,5 EUR). Je kunt maar op 2 plaatsen naar binnen: bij het Mausoleum en de Cella Septichora, waar ook een bezoekerscentrum is. Het entreekaartje is voor beide geldig.
Hoeveel tijd: Een uurtje.
Opvallend: Pécs is de vijfde stad van Hongarije, en heeft 145.000 inwoners. Het ligt helemaal in het zuiden van het land: met de snelste trein doe je er 2 uur en 50 minuten over vanaf Boedapest. Het is nog stil op straat als ik om 10 uur door het centrum loop. De stalletjes op de kerstmarkt gaan net open. Blikvanger op het centrale plein is de moskee van pascha Kassim Gasi. Hij stamt uit de Ottomaanse tijd (16de eeuw), en huisvest nu een katholieke kerk.
Ik richt me eerst op het deel van de stad dat tot het werelderfgoed behoort. De graftombes liggen onder het plein voor de kathedraal. De ingang tot het bezoekerscentrum kan ik eerst niet vinden, dus ik loop maar meteen door naar het mausoleum. Hier is gelukkig een deel bovengronds en in de open lucht te zien.
Via een trap aan de zijkant bereik je de ondergrondse grafkamer. Voor deze ruimte zit ook een mannetje in een hokje dat de entreekaartjes verkoopt. De grafkamer is klein, maar een paar vierkante meter en niet hoog. De muurschilderingen zijn hier goed te zien, met Adam en Eva en christelijke symbolen. Ook staat er een sarcofaag, die wel van klei lijkt. Dit was duidelijk een begraafplaats van een rijke inwoner van Sopianae.
De resten van de kapel van het vroegchristelijke mausoleum
Op het entreekaartje staat ook aangegeven van welke kant je het bezoekerscentrum in kunt, dat andere grafkamers met elkaar verbindt. Je loopt hier via smalle gangen en trappen feitelijk onder het plein voor de kathedraal door. Op videoschermen wordt uitleg getoond hoe het er in de Romeinse tijd uit gezien moet hebben. De grootste ruïne hier is de Cella Septichora – een gebouw met zeven halfronde nissen dat nooit voltooid is. Tegenwoordig kun je het huren voor een trouwerij, en vandaag zetten ze er al de stoelen klaar voor de werelderfgoedlezingen die in de avond plaats vinden (helaas alleen in het Hongaars).
Dieper in het gangenstelsel staat nog een stevige Romeinse sarcofaag, die geheel intact is opgegraven. Binnen lagen de resten van een oude man, en een glazen vaas. Aan het eind van de rondgang kom je bij de Petrus & Paulus grafkamer. Deze is rondom bedekt met muurschilderingen. Petrus en Paulus zelf zijn goed te herkennen, maar de rest van de afgebeelde Bijbelfiguren is nagenoeg weggevaagd. Net als bij het mausoleum is er een glazen wand voor geplaatst zodat het door de spiegeling lastig fotograferen is.
Bij het werelderfgoed horen ook nog twee grafkamers op privéterrein. Ze liggen vlakbij, maar geen van de voorgangers onder mijn werelderfgoedvrienden heeft ze ooit kunnen bezoeken. Ik krijg hoop als ik bij de voordeur van huisnummer 8 een bel zie met daarop in het Engels de tekst “Vroegchristelijke grafkapel – hier bellen”. Ik bel aan, maar er komt niemand. Door de poort kun je een binnenplaats zien, waaronder de graftombe wel zal liggen. De tweede grafkamer moet achter huisnummer 14 liggen, maar dat blijkt een vervallen gebouw te zijn waarvan de voordeur stevig gesloten is.
Tussen de middag loop ik een rondje door het stadscentrum, op zoek naar lunch of tenminste iets warms te drinken. Het oude centrum heeft gebouwen in veel verschillende stijlen, meest uit de 19de en 20ste eeuw. Er staat een enkel mooi Jugendstil-bouwwerk tussen. Het valt trouwens op hoe rustig het in de stad is op zaterdag, het lijkt wel of alle mensen zijn geëvacueerd.

Mooi voorbeeld van Jugendstil in Pécs: Hotel Nador
Pécs heeft ook een stuk of 17 musea. De meesten lijken me niet al te interessant, maar ik vind toch wel een kunstmuseum dat me aanspreekt. Het Vasarely Museum ligt aan de ook al zo stille museumstraat van Pécs. Alle luiken zitten dicht, het lijkt wel gesloten. Maar als ik de deurklink probeer blijkt het museum toch gewoon geopend te zijn. Er zijn een kaartjesverkoopster en twee bewakers / opzichters / suppoosten aanwezig. Ik ben de enige bezoeker.
Ik las in een recensie op internet dat mensen een beetje zenuwachtig waren geworden van de suppoosten die je op de voet volgen. Maar ik vond het wel meevallen: ze doen het licht aan in de ruimtes en houden een beetje toezicht dat je de kostbare werken niet kapot maakt. Victor Vasarely was een Hongaarse kunstenaar uit de 20ste eeuw die zich specialiseerde in het afbeelden van geometrische figuren en optische illusies. Een beetje vergelijkbaar met de Nederlander Escher. Hij maakte schilderijen, beelden en ook wandkleden zoals de bekende Zebra’s.
Tot slot van mijn wandeling door de stad ga ik naar de kathedraal. Zijn huidige uiterlijk dateert van eind 19de eeuw, en is erg verrassend. Het is een katholieke kerk, maar lijkt wel een Byzantijnse of orthodoxe kerk door het vele goud. Dit is overigens ook de enige bezienswaardigheid die ik vandaag bezocht waar heel wat andere bezoekers zijn.
Lechner’s Boedapest
Na mijn bezoek aan Pécs heb ik nog een paar uur te besteden in Boedapest voordat mijn vliegtuig terug naar Nederland vertrekt. Ik zoek dus maar weer eens op de lijst van mogelijk toekomstig werelderfgoed, en kom daar “Ödön Lechners onafhankelijke, pre-moderne architectuur” tegen. Dit voorstel omvat vijf gebouwen ontworpen door de Hongaarse architect Lechner aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Vier daarvan zijn te vinden in Boedapest, en twee zelfs in het centrum. Een gemakkelijk doelwit dus voor een paar verloren uurtjes in de Hongaarse hoofdstad.
Het eerste gebouw van zijn hand dat ik bezoek is de Postspaarbank. Dit ligt in een statige klassieke wijk, vlak achter het iconische Parlementsgebouw. Het springt er uit in de straat, maar helaas staan de gebouwen te dicht op elkaar om goede foto’s te maken. Ook is het zachtjes begonnen met sneeuwen.
Ödön Lechner was dé Hongaarse representant van wat elders in Europa Jugendstil of Art Nouveau wordt genoemd. Hij had daarmee kennis gemaakt toen hij jaren in Parijs en Londen woonde. Maar hij gaf er een heel eigen Hongaarse draai aan: hij gebruikte motieven uit Hongaarse volkskunst en uit Azië (Perzië, India).
De spaarbank is op zondag uiteraard gesloten, dus na een paar foto’s genomen te hebben reis ik verder met de efficiënte metro naar het Museum van Toegepaste Kunst. Als je bovengronds komt is het museum niet te missen: het karakteristieke groene dak zie je al van ver, en qua uitstraling had het zo in India kunnen staan.
Van binnen moet het ook heel interessant zijn. Maar helaas: het museum is voor renovatie gesloten. Ik vermaak me echter prima bij de hoofdingang. Dit is hét visitekaartje van het museum, met prachtige geglazuurde tegels in goede staat.
Omdat ze waarschijnlijk wel weten dat de hoofdingang al een trekpleister op zich is, hebben ze het hek hier open gelaten. Ik kan dus op mijn gemak alles van dichtbij bekijken. Ik ben de enige bezoeker – passanten lopen snel door in de natte sneeuw die nog steeds gestaag doordwarrelt.
Er is ook een link tussen Lechner en Pécs: voor het geglazuurde tegelwerk werkte Lechner samen met de firma Zsolnay uit Pécs, een fabriek die nog steeds bestaat en onder andere keramiek levert aan IKEA. Er is ook een Zsolnay museum in Pécs.
Lechner kwam uit een familie van keramisten, en die invloed is te zien aan de vele geglazuurde tegeltjes op zijn gebouwen










Leave a comment