World Heritage Traveller

Bangladesh 2006/2007

Written by:

  1. Route
  2. Proloog: in de rij voor Bangladesh
  3. Het Noordwesten
  4. Rahsjahi en omgeving
  5. De Sundarbans – in het spoor van de Bengaalse tijger
  6. De Rocket Steamer naar Dhaka
  7. Dhaka

Route

Mijn route voor 10 dagen Bangladesh tijdens de jaarwisseling 2006/2007.

27 december 2006Dhaka
28 december 2006Bogra & Mahasthangarh
29 december 2006Bogra naar Dinajpur, via Paharpur
30 december 2006Kantanagar tempel in Dinajpur
31 december 2006Dinajpur naar Rajshahi
1 januari 2007Rajshahi
2 januari 2007Rajshahi naar Mongla, via Bagerhat
3 januari 2007Sundarbans vanuit Mongla
4 januari 2007Riverstreamer van Mongla naar Dhaka
5 januari 2007Dhaka
6 januari 2007Vertrek uit Dhaka

Proloog: in de rij voor Bangladesh

Het is niet lang vliegen naar Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, komende vanuit Bangkok. Twee uur en een kwartier in een bijna vol vliegtuig. 95% van mijn medepassagiers is Bangladeshi en man. Alleen in de business class zitten nog een paar westerlingen. De Thaise stewardess kijkt me nogal verbijsterd aan als ik zeg er niet te gaan werken, maar te gaan reizen.

Bij aankomst op het vliegveld van Dhaka moeten we een minuut of 10 wachten tot er een slurf vrij komt. Drie grote vliegtuigen uit Saoedi Arabie en één uit de Golf gaan ons voor.
Als we eindelijk naar binnen mogen, loop ik rechtstreeks de hal met de douane in. Het is er een grote mensenmassa, half georganiseerd in rijen. Ik ga in de rij voor de buitenlandse paspoorten staan, maar overal is het vol met Bangladeshi die niets anders willen dan naar huis met de feestdagen na een jaar lang hard werken voor de Arabieren. Er staan wel zo’n 1500 mensen in de hal, en er lijkt geen enkele doorstroom in te zitten.

Na een half uurtje word ik door een politieman uit de rij geplukt en naar de rij voor diplomaten en buitenlandse investeerders gedirigeerd. Deze rij is korter dan de andere, maar beweegt zo mogelijk nog minder. Ik sta zeker een half uur stil naast een bord dat Bangladesh bij investeerders aanprijst om zijn ‘diligent and productive human resources’ (ijverige en productieve werknemers). Vandaag lukt het de douane in ieder geval niet die belofte waar te maken.

Zo nu en dan gaat er een luid gejoel op uit de massa wachtende Bangladeshi naast me. Mensen proberen de douane tot snelheid te manen of voordringers uit te schelden. Het is een waar schouwspel, als je zelf niet ook zo graag door zou willen. Hoe meer er richting de douaniers geschreeuwd wordt, hoe meer die de hakken in het zand zetten en des te langzamer gaan werken lijkt het wel.

Puthia

Als schooljongens in de rij
Na een dikke twee uur wachten heeft de hoogste politiebaas er genoeg van en gaat eigenhandig (en hardhandig) zelf nieuwe rijen vormen. Alle Bangladeshi worden uit de rijen voor buitenlanders gehaald en een voor een als schooljongens in een rijtje geplaatst. Wie er nog een stap buitenzet wordt uitgescholden, wie voordringt moet achteraan aansluiten. Dit heeft eindelijk het gewenste effect: na 2,5 uur in de aankomsthal mag ik ook eindelijk door de douane (een kleine stempel- en type-actie).

Gelukkig hoef ik niet naar de bagageband, want daar is het ook een groot zooitje. Ik loop snel naar de uitgang, me niets aantrekkend van verdere hindernissen als aan te geven goederen. Het is even rondkijken, maar degene met het naambordje die me op zou komen halen staat er zowaar nog. Het is Didar zelf, de baas van Bangladesh Ecotours. Hij neemt me verder op sleeptouw, door de op hun familie wachtende massa. We worden daarbij een stuk op weg geholpen door een agent die de wachtenden met een wapenstok uiteenslaat zodat er voor ons een doorgang ontstaat. Als we eindelijk rustig op het trottoir staan om op het busje naar het hotel te wachten (die een rondje in de buurt heeft moeten maken omdat hij maar 3 uur mocht parkeren bij het vliegveld), verklaart Didar dat de drukte van vandaag zelfs voor Bangladesh niet normaal is. Het is in ieder geval een bijzondere eerste kennismaking met het dichtstbevolkte land ter wereld.

Het Noordwesten

Ook buiten Dhaka blijken er overal mensen te zijn. We rijden in 4,5 uur naar Bogra, een stad in het noordwesten. Dit is een erg vruchtbaar landbouwgebied. We passeren het ene na het andere rijstveld. Rijst kan hier het hele jaar groeien, en levert 3 oogsten per jaar op. We maken een stop bij een van de vele rijstfabriekjes waar de rijst wordt gekookt en gedroogd zodat deze geschikt is voor verkoop op de markt.

Mahasthangarh
Na de lunch bezoeken we Mahasthangarh, even buiten Bogra. Het is de oudst bekende stad in Bangladesh, uit de 3e eeuw voor Christus, die nu voornamelijk nog uit ruïnes bestaat.
We kijken eerst even binnen in het museum (achter in een fraai aangelegde tuin). Hier zijn enkele restanten te zien van wat de opgravingen ter plekke hebben opgeleverd. Enkele echt oude kleibeeldjes, en verder veel hindoeïstische sculpturen van latere datum en enkele boeddhabeeldjes. De bewoners van deze streek waren eerst boeddhistisch, toen hindoeïstisch en vanaf de 14e eeuw islamitisch.

Mahasthangarh

We lopen verder naar de citadel. Het is een heerlijke wandeling hier op het platteland: niet te warm, niet te druk. De citadel was eens de ommuring van een grote stad. Deze muren staan er nog (door mijn gids aangeduid als de ‘Great Wall of Bangladesh’, Bangladesh’ eigen Chinese muur). De grond binnenin wordt nu vooral gebruikt als groentetuin. Er wordt van alles verbouwd, van aardappels tot bonen tot pompoenen. Vanaf de muur heb je ook een mooi uitzicht op de felgroene rijstvelden en de gele mosterdplanten beneden. Er lopen wat kinderen enthousiast achter ons aan, maar veel verder dan ‘What’s your name’ komen ze niet.

Uit eten op z’n Bengaals
De avond in Bogra gaan we eten in het Akboria restaurant, in het centrum van de stad. Het is zeven uur, al donker, maar de hoofdstraten van de stad zijn nog vol met winkelend en wandelend publiek. De meeste winkels zijn niet meer dan een soort garagebox van waaruit één product (schoenen) wordt verkocht of één dienst wordt verleend.

Het Akboria restaurant is ook gevestigd in zo’n smalle garagebox. Bij de ingang staan grote dampende pannen. Mensen stromen in en uit. Beneden is er een lange tafel en een stuk of 10 kleinere. Wij gaan boven zitten, op het balkon, met goed zicht op het gewoel daaronder. Het is er flink warm en niet bepaald een plek voor mensen met claustrofobie. Achterin de ruimte staat een man naan (broden) te bakken in een open oven. Je moet er niet aan denken wat er gebeurt als er hier een keer brand uitbreekt.

Alle tafels zijn bezet, meest met mannen maar hier en daar zit ook een (begeleide) vrouw. Vreemden schuiven bij elkaar aan tafel om toch ook maar hier te kunnen eten. Jongetjes van een jaar of 10, 12 lopen af en aan om de glazen en borden weg te halen.
Litu, mijn gids, bestelt het een en ander voor ons. Het staat binnen een mum op tafel: kebab, naan, bhajji (bladerdeeg gevuld met ui), kip met kerrie en nog zo het een en ander.

In totaal kost onze maaltijd deze avond 185 taka (ca. 2 EUR), inclusief 2 flessen water.
Het eten is pittig gekruid en goed, het schouwspel is fascinerend. Het is eigenlijk een soort fastfoodrestaurant: snel opgediend, snel gegeten en snel weer weg. De rijst wordt beneden met de hand uit een grote bak geschept, op een bord gegooid en aan één van de minstens 10 obers meegegeven. De eigenaar van deze tent moet wel erg goede zaken doen.
Eén van de loopjongetjes krijgt voor onze ogen nog een paar rake klappen van de geldteller, er zou wat geld kwijt zijn. Het leven is hier hard, aggressief. Je waant je hier in Pakistan of Afghanistan, deze kant van Bangladesh had ik nog niet gezien.

Vihara van Paharpur
Het is erg mistig de volgende ochtend, en zelfs fris. We gaan op pad naar het boeddhistische klooster (Vihara) van Paharpur, het eerste werelderfgoed van deze reis. De Vihara ligt te midden van een aantal bedrijvige dorpjes. Het klooster dateert uit de 8e eeuw. Je ziet het al van ver liggen, het heeft de vorm van een piramide.
Net als gisteren nemen we ook hier eerst een kijkje in het museum. Hier zijn de originele ornamenten van rode baksteen tentoongesteld die eens de hoofdtempel geheel rondom versierden. Ook zijn er hindoeïstische beelden van zwarte steen te zien, die later aan het complex zijn toegevoegd na de bekering van deze regio tot het hindoeïsme.

Vihara van Paharpur

De restanten van het klooster liggen er nu vredig bij. Twee kinderen zijn gras aan het snijden met een sikkel. Een vrouw legt haar sari’s te drogen op het gras. Vrijwel het hele kloosterterrein is overwoekerd met dit gras. De monumenten zijn, nadat de laatste boeddhistische monniken in de 13e eeuw waren weggetrokken, lang onder datzelfde gras en zand verborgen gebleven. Dorpelingen dachten dat ze te maken hadden met een heuvel in het verder zo vlakke landschap, en noemden het nabijgelegen plaatsje daarom Paharpur (Pahar=heuvel). Pas in de 20e eeuw zijn hier serieus opgravingen gedaan. Het kloostercomplex bestond onder andere uit 177 cellen voor de monniken, een waterput, keuken, diverse stupa’s en de centraal gelegen hoofdtempel.
Deze tempel bestaat uit 3 terrassen van baksteen, en is rondom versierd met onafgebroken rijen van sculpturen en bewerkte tegels. Hierop zijn afbeeldingen van dieren, planten en een enkele Hindoe-god of Buddha afgebeeld. Veel van de tenen versieringen zijn nu replica’s, de originelen doorstaan het vochtige klimaat van Bangladesh niet zo goed.
Het gehele complex is veel groter en indrukwekkender dan ik van tevoren had gedacht. Het schijnt het een na grootste boeddhistische klooster te zijn ten zuiden van de Himalaya. Gezien zijn ligging (in een uithoek van Bangladesh) krijgt het niet veel bezoekers en dus ook niet veel bekendheid. Hoewel het terrein netjes onderhouden is, zijn de monumenten zelf ietwat in verval. Er moeten regelmatig rijen bakstenen vervangen worden. Gelukkig worden die hier in de buurt genoeg gefabriceerd.

Hoe ze tegenwoordig bakstenen bakken zien we een paar kilometer verderop. Tientallen van deze fabriekjes heb ik de afgelopen dagen al gezien langs de kant van de weg. Als je over het terrein van zo’n fabriek loopt zie je echter pas echt was voor ingenieus en effectief (fabrieksmatig) proces eraan ten grondslag ligt. De arbeiders werken in teams en hebben ieder zo hun specialistische taak: van het vermalen van zand, klei en water tot het basismateriaal, het met een kruiwagen verrijden van dat materiaal naar de mannen die in een hoog tempel de bakstenen in de juiste vorm kleien, de stapelaars en de stokers. Er worden tienduizenden bakstenen op een dag gefabriceerd, vrijwel volledig met de hand. De ovens worden gestookt met kool uit India, waarvoor er ook weer twee specialisten zitten die de kool in stukjes hakken.

Baksteenfabriek

Net als gisteren in het restaurant zie je hier ook kinderen aan het werk. Onderwijs is wel gratis in Bangladesh, maar veel arme gezinnen kunnen de extra inkomsten niet missen die de werkende kinderen binnen brengen en laten hun kinderen maar naar school gaan tot ze een jaar of 10 zijn.

Rajbari
De volgende ochtend is het erg mistig. Dat maakt het bezoek aan de Rajbari van Dinajpur (het huis van de zamindar, belastingophaler) ietwat mysterieus. Het huis is verlaten in de jaren 50, nadat de Pakistaanse regering na de onafhankelijkheid van de Britten besloot van het zamindar-systeem af te stappen. Het nu totaal in verval geraakte huis had twee grote vijvers, waarvan één binnen de muren voor de vrouwen om zich te wassen. Er lopen nog steeds allerlei mensen rond alsof ze er wonen. Een paar jongens zijn op de binnenplaats badminton aan het spelen. Aan de oppervlakte van dit huis en de bijbehorende grond is wel te zien dat een deel van de belastingen bij de zamindar zelf bleef hangen.

Twee hindoetempels grenzen aan de Rajbari: één voor Kali en één voor Durga. Deze zijn nog in gebruik, en zitten nog aardig in de verf. Eens per jaar worden hier grote festivals gehouden waar de hindoebevolking uit de buurt op af komt (zo’n 10% van de totale bevolking van Bangladesh is hindoe).

Kantanagar
Even buiten Dinajpur staat in Kantanagar een nog veel oudere hindoetempel. We gaan er te voet naar toe. Eerst over een lange, verende bamboebrug (alleen te gebruiken buiten het regenseizoen). Daarna door een dorpje met lemen hutten en opvallend veel vee om het huis: koeien, geiten, ossen, kippen. In één van de huizen kijken we even binnen. Het bestaat uit een paar kamers rondom een centrale binnenplaats. Oma zit de uien te snijden die net van het land zijn gehaald. Opvallend ook in de buurt van dit dorp is de rijkdom aan gewassen: aardappels, pepers, bananen. Ook zie je hier jute, eens het grootste exportproduct van Bangladesh maar nu wereldwijd verdrongen door het plastic.

Nog een stukje verder komen we bij de tempel. Je moet eerst een poort door, en dan staat daar opeens een prachtige, baksteenrode hindoetempel. Hij lijkt haast wel te groot voor deze binnenplaats, en zeker te delicaat. Al die kleine afbeeldingen uitgesneden in steen lijken me wel erg kwetsbaar. De tempel is van onder tot boven bedekt met zowel fragmenten uit het dagelijks leven als religieuze afbeeldingen. Hij stamt uit 1791 en is nog compleet bewaard en in gebruik.

Kantanagar


Ik zet mijn naam en bewonderende complimenten in het gastenboek. Er komt ongeveer één bezoeker per dag, met name bij Japanners is deze regio relatief populair. Terugbladerend kom ik ook de naam tegen van mijn Engelse mede-werelderfgoedjager die mij op het spoor heeft gezet van Bangladesh. Leuk, de cirkel is zo weer rond.

Rahsjahi en omgeving

Het is 1 januari. Voor ons het begin van een nieuw jaar. Voor de Bangladeshi dit jaar een andere feestdag: Eid ul-Adha, het offerfeest. Het is doodstil onderweg vandaag. Delen van de straten van Rahsjahi zijn afgesloten om te dienen als openluchtmoskee. Rijen mannen zitten op straat. Na het ochtendgebed volgt (voor een ieder die het kan betalen) de slachting van een geit of koe. Even verderop zien we dan ook rijkelijk het bloed vloeien langs de weg. De beesten worden gevild en in stukken gesneden. Vrijwel wel ieder huis heeft wel wat, soms offert een heel dorp samen tegelijk op het marktplein.

Puthia
Op deze islamitische feestdag gaan wij naar het hindoeïstische plaatsje Puthia. Het herbergt het grootste aantal hindoeïstische bouwwerken van Bangladesh. En het is ongelooflijk sfeervol. Al bij het binnenrijden valt mijn mond open van verbazing en bewondering van pure schoonheid. De stad (het was vroeger eigenlijk een landgoed) is een constructie van vijvers, paleizen en tempels.

De auto zet ons af op de maidan, het open grasveld tussen twee van de belangrijkste monumenten van de stad. De één is het sterk vervallen Maharani’s paleis, nu in gebruik bij de universiteit. De ander is een grote spierwitte Shiva tempel naar Noordindiaas ontwerp uit 1823.

Te voet gaan we verder door dit rustige dorp. Naar de grote Govinda tempel, gewijd aan de hindoe god Krishna. Deze is ook 19e eeuws maar heeft weer een heel ander design, met torentjes. Moslimjongens hangen hier rond en spelen met hun mobiele telefoons.

Puthia

We lopen een rondje door de stad, langs de oevers van een grote vijver. Aan de overkant zien we al de 16e eeuwse Jagaddhatri tempel. Deze heeft een stenen dak in de vorm van de traditionele bamboedaken van de Bengaalse lemen hutten. Beide hebben terracotta versieringen. Eerder dit jaar is er een groot stuk gestolen van de voorkant. Deze kunstschatten staan hier (net als in Kantanagar) zomaar in het Bengaalse platteland. Het wordt wel lichtjes bewaakt, maar tegen echte dieven is dit niet genoeg.

Bagha
Een minuut of twintig rijden buiten Puthia ligt het onbeduidende dorpje Bagha. Daar is de Bagha moskee verscholen, origineel stammend uit 1523. Het is sindsien vele malen herbouwd / gerenoveerd, onder andere na een zware aardbeving in 1897. De moskee is in de zo kenmerkende rode baksteen met ornamenten-stijl uitgevoerd, zoals de Kantanagar tempel. De buitenmuren hebben duidelijke rondingen zodat het net lijkt of-ie uit zijn voegen barst.

We worden hartelijk ontvangen door een man die een mobiele telefoonwinkel ter plaatse heeft. Hij werpt zich daarnaast op als beschermer van het erfgoed van deze moskee. Hij laat de man met de sleutels optrommelen en leidt ons binnen rond. Er kunnen toch wel een paar honderd mensen in. Voor de dagelijkse gebeden zijn het er maar een paar, vertelt de man, en op vrijdag wat meer. Alleen op de belangrijke feestdagen is het druk in de moskee.

Bagha moskee

De moskee ligt bij een groot waterreservoir waar vele vogels uit Siberië zich hebben gemeld om te overwinteren.

Feestmaal ter ere van Eid
’s Avonds is mijn gids voor het eten uitgenodigd bij een familie bij wie hij een jaar op kamers heeft gewoond. Ook ik ben welkom. We zijn een beetje te vroeg en rijden daarom wat rondjes met een fietsriksja door Rahsjahi. Op diverse plaatsen in de stad zie je dat er vlees van de geofferde dieren van vanochtend wordt uitgedeeld aan de armen. Op speciale verzamelpunten, maar mensen gaan ook huis aan huis. Ook worden stapels huiden te koop aangeboden op straat.

Het gezin woont in een huis in de binnenstad van Rahsjahi. Vader, moeder, een dochter en een kleindochter zijn thuis. Er zijn nog drie andere dochters, maar die zijn allemaal getrouwd. Twee van hen wonen in het buitenland (in Oostenrijk en Canada). Vader was docent aardrijkskunde.
Het huis is drie verdiepingen hoog en smal. De kamers zijn daardoor klein. We eten in een halletje aan de keukentafel. Ik zeg ‘we’, maar alleen de gids en ik eten. De rest kijkt toe. Alleen de kleindochter van een jaar of 12 eet zo af en toe een hapje mee, vooral van de inderdaad overheerlijke gehaktballetjes. De vrouw des huizes heeft een tiental gerechten gemaakt, van vlees, groenten en rijst. Het is een stuk gevarieerder dan in een gemiddeld restaurant.
Na het eten drinken we nog een kopje thee in de woonkamer. De dochter (18) vertelt dat ze toelatingsexamens aan het doen is om op een goede universiteit te komen. Net als in India bijvoorbeeld is onderwijs hier alles voor de middenklasse: de toegang tot een baan, en vooral het buitenland.

Bagerhat
Op de route van Rahjsahi naar het zuiden, naar Mongla, passeren we Bagerhat. Dit is een stad daterend uit de 15e eeuw, die grotendeels verloren is gegaan. Wat nog resteert zijn de moskeeën en het graf van de mysterieuze stichter Khan Jahan.

We nemen eerst een kijkje bij de moskee met de 60 torens (het zijn er eigenlijk 77). De dienst begint bijna, dus we maken een snel rondje binnen. Er zijn 60 pilaren die het dak ondersteunen van deze grootste traditionele moskee (1459) in Bangladesh. De meeste pilaren zijn nu in beschermend beton/cement gegoten. Het is vrijdag en er zijn veel dagjesmensen op de been. Het museum is vandaag gesloten. Aan de overkant van de weg is nog wel een kleine moskee uit dezelfde periode. Deze heeft maar één koepel, en is uit de traditionele baksteenstijl opgetrokken.

Bagerhat

Een kilometer of twee verderop komen we bij de graftombe van Khan Jahan. Dit is nog een actieve gebedsplek. Het is er dan ook lekker druk, zowel met gelovigen als bedelaars. De meeste mensen staan echter te kijken bij de vijver aan de achterkant, waar een krokodil zich aan de oppervlakte heeft gemeld.

De Sundarbans – in het spoor van de Bengaalse tijger

Al op mijn eerste avond in Bangladesh word ik geconfronteerd met de mythe rondom de Bengaalse tijger. Mijn gastheer Didar neemt me mee uit eten in een familierestaurant in Dhaka. Een vriend van hem is er ook bij. Didar stelt hem voor: dit is Mostafa – hij heeft de tijger gezien. ‘Het was afgelopen november’, vertelt Mostafa glunderend, ‘en ik maakte met een Oostenrijkse toeriste een dagtocht door de Sundarbans. Niet ver van de bewoonde wereld van het stadje Mongla zien we hem: eerst de staart, even later ook zijn kop. Hij staat in het hoge gras aan de waterkant. We zijn te verbaasd en gefascineerd om foto’s te maken, en durven niet te bewegen. Pas na twee minuten, als de boot een voorzichtige beweging maakt om dichterbij te komen, gaat hij er vandoor.’

De Sundarbans zijn een onbedorven stuk natuur in het grensgebied van India en Bangladesh. Het is het laatste restant tropisch regenwoud in deze regio, en een van de grootste mangrovebossen ter wereld. Er leeft een grote verscheidenheid aan vogels. En Bengaalse tijgers, nog zo’n 400.
Vlakbij het hotel in Mongla charteren we een van de toeristenbootjes om ons dit gebied in te varen. Als er al iets van toeristische infrastructuur is in Bangladesh, dan is het hier bij de Sundarbans. Eerst zijn we verplicht een permit te halen. Normaal krijg je bij deze verplichte toegangsprijs ook een gewapende gids mee, vanwege de dreiging van piraten diep in het natuurgebied. Maar vanwege de feestdagen rondom Eid zijn alle bewakers nog vrij en mogen we op eigen houtje verder.

Met de kostbare permit op zak varen we in een rustig gangetje vlak langs de rand van het dichte oerwoud. Hier en daar wordt dit woud onderbroken door stukjes hoog gras. Vooral dit gras schijnt bij de tijgers populair. We turen daarom scherp naar de oever. Veel meer dan de vrolijk gekleurde ijsvogels zien we echter niet. In het water beweegt er wel het een en ander. Een dolfijntje duikt op en neer schuin voor de boot. Ook een krokodil bekijkt ons van een afstandje.

Sundarbans

Na een uur of vier tuffen met een vaartje van zo’n vijf kilometer per uur bereiken we Harbaria. Dit is het vrij recente bezoekerscentrum van de Sundarbans. Je mag hier aan wal, nadat een strenge opzichter eerst de permit heeft gecontroleerd. Er zijn in Harbaria o.a. een wandelroute en een uitkijktoren aangelegd, zodat je het woud (en wellicht ook de dieren) van dichtbij kunt bekijken. Wij gaan de wandelroute doen. Nu krijgen we wel een man met geweer mee. Niet tegen de piraten, maar voor het geval een van de 400 tijgers hier ons pad kruist.
Het wandelpad is smal en modderig. Aan weerszijden zijn bomen, bomen en nog eens bomen. Je kunt maar een paar meter ver kijken. De man met geweer loopt voorop, daarachter volgt het hulpje van onze boot (een jongen van een jaar of 13), ikzelf in het midden en achter mij de rest van ons gevolg. Volgens mij heb ik wel de veiligste plek: waarom er alleen een man met geweer voorop loopt en niet ook nog eentje achterop is niet helemaal te verklaren. Onze kleine optocht doet me denken aan die tekenfilmscenes waarin jagers scherp voor zich uit spiedend op zoek gaan naar het af te schieten grote wild, terwijl een bruine beer of wild zwijn vrolijk als laatste in de rij aansluit en ongezien meeloopt.

Sundarbans

Op een gegeven moment horen we geritsel. Nu wordt het echt spannend. De bewaker houdt stil en het jongetje voor me wil liefst achter mijn rug wegkruipen. De verhalen over de tijger spoken door ieders hoofd. 400 zijn er nog best veel, en er wordt er met regelmatig eentje gesignaleerd. Meer dan een hertje in de verte zien wij echter voorlopig niet. We lopen langzaam verder tot de bewaker plots wijst op sporen in de modder: brede, stevige afdrukken van de kussentjes en puntige van de klauwen. Niet al te lang geleden heeft een tijger in tegenovergestelde richting ook dit pad afgelopen. Wat een idee.

Sundarbans - tijgerspoor

Nog een stukje verderop bereiken we de uitzichttoren. Hier eindigt de dichte jungle en begint de geciviliseerde wereld van het bezoekerscentrum weer. Ik klim omhoog. Helemaal bovenin, met een uitzicht over heel veel bomen, ontmoet ik een Zwitsers gezin. Ze hebben een zoontje bij zich van een jaar of 4, en gaan ook de tijgerwandeling doen. Ik ontkom er niet aan te denken dat het jongetje wel eens een heel geschikte prooi zou kunnen zijn.

De Rocket Steamer naar Dhaka

De Rocket Steamer naar Dhaka arriveert om 6 uur ’s ochtends in Mongla. Als we aan de kade bij ons hotel staan horen we hem al aankomen: de scherpe stoomfluit kondigt aankomst en vertrek van het schip aan. Hij is vroeg vandaag, zelfs voor schematijd. Bij mist kan hij wel uren te laat zijn. Hij komt vanuit Khulna, circa 3 uur naar het noorden.

Met een klein bootje racen we de rivier over, en leggen zo aan dat ik rechtstreeks het schip op kan stappen. We lopen naar boven, waar de eerste klas hutten zijn. Deze bevinden zich aan de voorkant, op het bovenste dek. Een van de beheerders van de cabines treffen we aan diep in gebed, de ander ligt op de grond te slapen. Mijn gids maakt de laatste wakker en ik krijg de sleutel van mijn hut. Het is een kamertje van zo’n 2 bij 2,5 meter. Er staan twee bedden, zelfs voorzien van leeslampjes!, en er is een wastafel. Er zijn drie toiletten op de gang die met de acht eersteklas cabines moeten worden gedeeld.

Aan boord van de riversteamer van Mongla naar Dhaka

Origineel uit 1935
Omdat het nog stil en fris is, ga ik eerst nog een paar uurtjes liggen. Mijn gids verdwijnt naar de tweede klas, aan de achterkant van het schip. Tegen 9 uur wordt er thee met toast als ontbijt geserveerd aan de lange tafel op het eerste klas dek. Vanaf het voordek kun je (buiten) in alle rust en op alle gemak het waterleven van Bangladesh aan je voorbij zien trekken. Het is helaas wat te mistig en te fris om er lang te zitten.
Ik neem een kijkje in de derde klasse, die het middelste gedeelte van het schip bestrijkt. De passagiers hier zitten en slapen op de grond (of op zelf meegebrachte kleden). Het is nog niet zo heel druk, en het gaat er dan ook gemoedelijk aan toe. Iedereen eet en slaapt een beetje. Op de benedenverdieping kun je de stoomboot (stammend uit 1935) aan het werk zien. De stoommachine zet de twee grote raderwielen aan de zijkant in werking die het schip voortstuwen. Het is bloedheet in deze ruimte.

Riversteamer van Mongla naar Dhaka

Het grootste deel van de dag aan boord breng ik door met lezen en naar buiten kijken vanuit mijn hut. Om 1 uur is er lunch, aan een keurig voor twee gedekte tafel. De oude mannetjes die de scepter zwaaien over de eerste klas hebben hun nette zwart-rode uniform aangetrokken (dat net als het schip lijkt te dateren uit de jaren 30). Er is rijst met linzen (‘brown rice’) en een mager kippetje.

Het schip stopt onderweg een keer of tien. Er zijn inmiddels al meer mensen aan boord gekomen dan aan het vrij rustige begin. In de hut naast me is een Bangladesh’ gezinnetje komen wonen dat net terug is van vier jaar Saoedi Arabie. Het dochtertje van 7 zit nu op een Engelstalige school in Dhaka, en spreekt dientengevolge goed Engels. Ze vindt Saoedie Arabie veel leuker dan Bangladesh: alles is er schoon en netjes. Later wil ze graag ruimtevaarttechniek gaan studeren, in Amerika natuurlijk.

Mensen laden in Barisal
Tegen de avond arriveren we in Barisal, de grootste havenstad van Bangladesh en halverwege de vaart naar Dhaka. Een massa mensen staat al aan wal te dringen voordat de loopplanken (vier gammele) zijn neergelegd. Een enkeling springt vast aan boord om zo een beter plekje op het dek te kunnen bemachtigen. Een man verliest daarbij zijn tas, die in het water valt. Met wat vissen heeft-ie hem terug. Als de loopplanken er eindelijk liggen duwen de mensen elkaar naar binnen. Het is wachten tot er eentje in het water valt, maar het blijft slechts bij een slipper. Oude mensen, vrouwen op hoge hakken of mannen met zware koffers op het hoofd: alles wordt naar binnengeslokt. Er komen honderden mensen bij, blijkbaar is daar nog plaats voor.
In de haven van Barisal zien we ook twee grote, moderne veerboten. Deze veerdiensten zijn particulier eigendom, en zijn van binnen veel groter en luxer dan de Rocket Steamer. Ze gaan maar naar een beperkt aantal bestemmingen.

Riversteamer naar Dhaka

’s Avonds eten we om half 8: rijst met vis. We doen dit onder toezicht van een hele familie die zich inmiddels heeft genesteld op de comfortabele brede bank in de eerste klasse. De familie, bestaande uit een aantal vrouwen en kinderen met aan het hoofd een met religieuze baard getooide vader, lijkt niet van plan deze nacht nog van die plek te wijken. Er wordt nog wel naar hun kaartjes gevraagd, maar de volgende ochtend liggen ze er nog dus er zal wel wat ‘geregeld’ zijn. ‘Regelen’ is wel iets wat de Bangladeshi kunnen, het is het op een na meest corrupte land ter wereld (zowel in de politiek als handel).
Mijn gids heeft overigens ook een goede regeling voor mij getroffen: een van de drie toiletten is tot mijn prive-WC geworden. Als de sleutelbewaarder mij alleen al die richting op ziet lopen, gaat die ene deur open die voor anderen gesloten blijft. Hij doet het licht aan, controleert nog een keer of het doortrekken wel werkt en er genoeg toiletpapier is, en de WC is voor mij.
Om een uur of 9 ga ik naar bed. Als alles meezit dan arriveren we morgenochtend om 6 uur, exact na 24 uur varen, eindbestemming Dhaka.

De ankers gaan uit
Om 2 uur ’s nachts word ik wakker van het luide geklingel van een bel. Ik denk dat we aan zijn gekomen in de laatste halteplaats voor Dhaka, Chandpur. Ik draai me om en slaap verder.
Als ik de volgende ochtend wakker word zie ik dat het enorm mistig is buiten. Je kunt net het water zien. De boot lijkt maar heel langzaam vooruit te gaan. Omdat we niet ver meer van Dhaka kunnen zijn (het is 7 uur), kleed ik me aan en ga op het voordek kijken. Daar kom ik tot de ontdekking dat we helemaal niet varen, maar samen met een aantal andere veerboten voor anker liggen te wachten. En dat blijken we al vanaf 2 uur vannacht te doen. We zijn nog niet eens bij Chandpur, en varen zit er voorlopig niet in.
Mijn gids heeft zich inmiddels weer over het dak naar de eerste klas geworsteld (het derde klas dek is zo vol dat daar geen doorkomen meer aan is). Hij stelt voor maar weer een ontbijtje te bestellen. Thee en toast arriveren, en ik denk nog eens na over wat een volle dag in Dhaka had moeten worden. We zijn nu nog uren van de stad verwijderd, en we varen niet eens. De gids zegt dat we ook de lunch hier aan boord vast moeten bestellen. Het is niet iets wat ik graag wil horen, maar hij heeft gelijk.

Om 9 uur begint het eindelijk wat op te klaren. Van een van de andere veerboten klinkt luid gejuich van de passagiers: de ankers worden opgehaald. Ook onze boot vervolgt nu de tocht naar Dhaka, zij het nog niet al te snel. Het blijkt nog anderhalf uur varen te zijn naar Chandpur, waar weer een hele massa mensen in en uit wordt geladen.
De resterende uren naar Dhaka zijn slopend vervelend. Het is nog steeds wat heiig, zodat je niet veel van het leven aan wal kunt zien. Het is veel te koud om buiten op het voordek te zitten. Mijn laatste boek heb ik gisteren uitgelezen. Een rondje lopen over het schip kan niet meer: overal zitten en liggen mensen. Ik doe dus maar wat iedereen doet, een beetje hangen, slapen en de uren aftellen.
Pas na 4 uur ’s middags varen we de haven van Dhaka binnen. Mijn gids heeft via de mobiele telefoon onze komst aan de chauffeur en een andere gids aangekondigd: zij hebben de hele dag op ons staan wachten. De gids (Mostafa, van die tijger) staat te zwaaien op de wal. Hij leidt ons snel door de wachtende menigte aan de kade, richting de gereedstaande auto. Ondanks de schemering is er nog een programma in Dhaka voor me bedacht, zodat ik in ieder geval nog iets van de hoofdstad van Bangladesh heb kunnen zien.
De tocht met de Rocket Steamer was een onvergetelijke, die een uur of 10 te lang heeft geduurd.

Dhaka

Door wat logistieke vertragingen aan het begin en eind van mijn reis heb ik helaas niet zo veel van Dhaka kunnen zien. Het verkeer zit er vast in een bijna permanente file. De fietsriksja’s rijden in rijen van drie breed over de straten. En dan nog alle bussen en auto’s.

Sikh tempel
Er zijn een paar honderd Sikhs in Bangladesh, en in de universiteitswijk hebben ze hun tempel. Ze zijn vooral actief in de textielindustrie. Iedere vrijdag komen ze in deze witte tempel bijeen. Dan wordt er ook gratis voedsel uitgedeeld aan de armen van de stad. Daarvoor is er een grote zaal bij de tempel, waar het eten op de vloer wordt uitgeserveerd.

Oud Dhaka
Het Pink Palace (of Ahsan Manzil) is het stralend middelpunt van het drukke Oud Dhaka. Het is een inderdaad roze paleis, uit de 19e eeuw. Nu is het een museum dat de geschiedenis van Dhaka en vooral die van de heersende families toont.

Hindu Street is een lange straat in het oude centrum van Dhaka waar veel hindoeïstische winkels en bedrijfjes zijn. Er wordt druk geboetseerd aan Sarasvati-beelden en je kunt er schelpen armbanden kopen die voor het huwelijk gebruikelijk zijn. De sterke geur van wierook en de vele kleuren en geluiden doen je voor even in India wanen. India dat veel gemeen heeft met Bangladesh, maar net een stuk kleurrijker en indringender is.

Dhaka

Leave a comment