#604: Rjukan/Notodden
Wat is het?
De Industriële erfgoedsite Rjukan-Notodden omvat een strook water en aangrenzend land van zo’n 80 kilometer lengte, die aan het begin van de 20ste eeuw werd gebruikt voor het opwekken van waterkrachtenergie uit de rivier en watervallen. Langs de rivier werden fabrieken gebouwd, inclusief een spoorwegsysteem en twee steden om de arbeiders te huisvesten: Rjukan en Notodden.
Cijfer: 6,5 (Hoewel ik mijn vertrouwde studie vooraf had gedaan, was het moeilijk een voorstelling te maken waar het hier om gaat. En in de praktijk bleek dat niet veel anders te zijn: vooral de omgeving van Rjukan is prachtig, met nog enkele steile watervallen, maar hoe het hele systeem werkte is niet meer zo goed te zien.)
Toegang: Het meeste is gratis te bekijken. Alleen voor het Vework Arbeiders Museum betaal je 90 kronen (9,70 EUR).
Hoeveel tijd: Het is 3 uur rijden vanaf het vliegveld van Oslo naar het verste punt van dit erfgoed, Rjukan. Ik ben er dus ook een volle dag aan kwijt geweest, met veel korte stops.
Opvallend:
Parallel aan de rivier en de spoorlijn behorend tot het werelderfgoed loopt de provinciale weg E37. Het is een rustige route waarover ik op zaterdagochtend reed op weg naar Rjukan. Ik was op de uitkijk naar ‘iets industrieels’ onderweg, maar je ziet vooral het bekende fraaie Noorse landschap met donkerblauwe meren en beboste bergen.
Tinnsjö meer
Onder een afdakje bij een parkeerplaats vind ik een ‘Lokomobil’ uit 1903. Een soort treinstel op wielen. En er staat een informatiebord aan het Tinnsjö meer, omdat dit de plek was van een verzetsdaad in de Tweede Wereldoorlog: in 1944 werd de spoorveerboot beladen met ‘zwaar water’ (nodig voor waterstofbommen) door het Noorse verzet tot zinken gebracht.
Hoe dichterbij Rjukan komt, hoe dramatischer het landschap. Je rijdt als het ware naar de Gaustatoppen toe, met 1883 meter de hoogste berg van deze regio en nog vol in de sneeuw. Het plaatsje Rjukan is door waterkrachtproducent Hydro gebouwd voor zijn arbeiders. Het ligt letterlijk in de schaduw van deze hoge berg: van september tot maart valt er geen zonlicht op de huizen. Pas in 2013 hebben de inwoners besloten daar wat aan te doen: op de berg zijn spiegels geplaatst zodat het zonlicht teruggekaatst wordt in het dorp.
Deze plek werd uitgekozen vanwege de Rjukanfossen: een hoge waterval waar het water in een steile val naar beneden stortte. Boven het dorp is een uitzichtpunt waar je dit kunt zien. Alleen stroomt er nu geen water meer! De loop van de rivier is nu omgeleid om het moderne waterkrachtstation ter wille te zijn. Vanaf een parkeerplaats vlak voor een tunnel is er een kort wandelpad vanwaar je de diepte in kunt kijken.
Dan maar door naar de originele waterkrachtcentrale. Hierin is nu het Vemork Arbeidersmuseum gevestigd. Het ligt hoog tegen de bergwand, zo’n 20 minuten klimmen vanaf het parkeerterrein. Je loopt eerst over een smalle brug hoog over de rivierbedding heen (ook hier: geen water). Vanaf het midden van de brug zijn mensen aan het bungeejumpen, dat geeft wel aan hoe hoog het is. Er komen me op de klim omhoog allemaal mensen in nette kleding en met een corsage op tegemoet. Zou er een bruiloft zijn? In het museum (de voormalige fabriekshal met vooral veel grote zwarte turbines) blijkt het om een concert van verschillende koren te gaan.
Even buiten Rjukan had ik op de heenweg nog iets interessants gezien, maar ik reed er te snel voorbij om te kunnen stoppen. Eén van de bijzonderheden van het transportsysteem in deze streek is dat ze twee veerboten hadden waarmee ook treinstellen over konden varen. Deze twee oude schepen zijn nog bewaard gebleven / in oude staat hersteld. Het is grappig om te zien hoe de spoorlijn precies tot aan de waterrand loopt, en dan aansluit op die in de veerboot.
Het loopt inmiddels al tegen het einde van de middag, en ik moet nog helemaal terugrijden naar Oslo. Én ik ‘moet’ het plaatsje Notodden even aandoen, de tweede stad van deze streek die helemaal gericht was op de waterkrachtcentrale en de gerelateerde fabrieken (ze maakten kunstmest). Ik denk er meteen te kunnen gaan eten, maar het valt niet mee om er iets te vinden dat er maar enigszins aantrekkelijk uitziet. Notodden blijkt een rommelig stadje waar zo op het eerste oog nog minder te zien is van de industriële historie dan elders op de route. Er is alleen een groot bedrijventerrein dat uit die tijd stamt, maar om daar nou rond te gaan lopen….
Het mooiste van Notodden hoort helemaal niet bij het werelderfgoed, maar ik ben toch blij dat ik er langs ben gereden. Het is de kerk van Heddal, de grootste stafkerk van de hele wereld. Het is een prachtig ding. Helaas is er een trouwerij of doop of zo aan de gang, dus ik kan er niet naar binnen.
Een dag in Oslo
Oslo staat niet bekend als één van de interessantste hoofdsteden van Europa. Ik begin mijn dag ter plaatse dan ook rustig – beetje uitslapen, ontbijten en om 11 uur uitchecken uit het hotel. Te voet trek ik daarna het centrum in. Op een plattegrondje heb ik drie dingen aangekruist die ik in ieder geval wil zien: het Stadhuis, het moderne Operahuis en het Munch Museum. Samen een rondwandeling van een kilometer of vier.
Het is een glorieus zonnige dag. Omdat het centrum van de stad autoluw is, lopen en fietsen de Osloënaren lekker rond in de straten. Vanuit de wat naargeestige kantoorwijk waar mijn hotel ligt loop ik eerst naar het Stadhuis. Dit is het meest opvallende en bekendste gebouw van de stad: hier wordt jaarlijks de Nobelprijs voor de Vrede uitgereikt. Het stamt uit 1950 en is een opvallend bakstenen gevaarte.
Ik tref groepen Aziatische toeristen voor de deur: van binnen is het namelijk ook te bezichtigen. De entree is gratis en zeer de moeite waard. Op de begane grond bestaat het eigenlijk maar uit één, enorme zaal. De muren zijn bedekt met grote schilderingen van Noorse kunstenaars.
Het Stadhuis ligt vrijwel aan het water. Oslo heeft een grote haven, met veel pleziervaartuigen maar ook enorme cruiseschepen en veerboten. Ik kan er de verleiding van een ijsje niet weerstaan – 3,5 EUR voor een softijsje, wel een hele grote in ieder geval.
Tot het eind van de 19de eeuw was Oslo een onbeduidende stad, en was Bergen de meest prominente plaats van Noorwegen. De huidige hoofdstad stamt al wel uit de middeleeuwen, maar daar is tegenwoordig nauwelijks meer iets van terug te vinden. Vlakbij de haven ligt alleen nog een oud fort.
Even verderop aan het water ligt het nieuwe Operahuis (2008). Het witte marmeren gebouw is geïnspireerd op een ijsberg. Ik vind het echt lelijk. De Noren zijn hier even uit de band gesprongen (het ding heeft 4,4 miljard kronen gekost – 470 miljoen EUR). De rest van het centrum bestaat ook grotendeels uit 20e en 21e eeuwse architectuur, maar het is toch geen vergelijk met de imposante oliestad Baku die ik een paar weken geleden bezocht. De Noren doen waarschijnlijk andere dingen met hun geld.
Een kwartiertje verder lopen naar het noorden, van de haven af, ligt het Munch Museum. Edvard Munch is waarschijnlijk de bekendste Noorse schilder, vooral beroemd om De Schreeuw. Zijn oeuvre is samengebracht in Oslo, in een museum alleen gewijd aan hem. Het museum is overigens vooral bekend van een kunstroof in 2004 waarin 2 van Munch’s bekendste werken op klaarlichte dag zijn gestolen. Nu wacht me bij de entree de verrassing dat de toegang gratis is, maar dat er ook alleen maar één zaal open is. De rest zijn ze aan het ombouwen voor een nieuwe tentoonstelling. Er is nog wel stevige bewaking als op een vliegveld aanwezig. Ik ga toch maar even binnenkijken. Er zijn maar een stuk of 8 werken te zien, een wandvullende strandscène is nog wel de moeite.
Het is inmiddels lunchtijd. Vooraf heb ik een Vietnamees restaurantje uitgezocht. De etnische restaurants zijn ongeveer de enige die nog een beetje betaalbaar zijn. Mijn pho met rundvlees en een cola kost me toch weer 20 EUR.
Voor de rest van de middag heb ik mijn huurauto weer nodig. Ik haal hem op uit de parkeergarage, en rijdt naar een buitenwijk van Oslo voor het Vikingschipmuseum. Het ligt op een schiereiland, dat helemaal ingericht is als toeristische bestemming met meerdere musea en een strand. Het is er erg druk met fietsers en wandelaars. Bij het museum is het gelukkig niet zo druk, het weer is zo mooi dat de mensen liever buiten blijven.
In het Vikingschipmuseum staan 3 gerestaureerde schepen opgesteld, die gevonden zijn in grafheuvels in Noorwegen. In de 9e-eeuwse schepen zijn skeletten gevonden en grafgeschenken, zodat het vermoeden is dat ze als scheepsgraven zijn gebruikt en wellicht niet gevaren hebben. Het museum is simpel van opzet: een kruisvorm, waarbij in 3 van de 4 armen één schip is neergezet. Je kunt er omheen lopen of het vanaf een speciaal balkonnetje van boven bekijken. Vooral het Osebergschip, geheel van eikenhout, is heel sierlijk. Hierin zijn ook veel spullen gevonden, zoals een nog geheel complete houten wagen op wielen.
Om een uur of vier rijd ik terug naar het vliegveld. Dat ligt ver van de stad (45 minuten rijden), en is niet bepaald op grote groepen reizigers ingesteld. Het kost me een hele tijd voordat ik een zitplaats bemachtig. En een geldwisselkantoor is er ook al niet, niet achter de douane althans. Dus ik ‘eet’ mijn resterende 300 Noorse kronen maar op aan de bar van een lopende band-sushi restaurant.











Leave a comment