- Route Myanmar 2015
- Namiddag in Yangon
- De VIP bus naar Mandalay
- Van regen naar zon – op de fiets door Mandalay
- Grootheidswaanzin in Mingun
- #587: Oude Pyu-steden
- De trein naar Hsipaw
- Verbazing in Hsipaw
- Pankam: voor de avontuurlijke reiziger
- New Bagan
- Bagan – de eerste ronde
- Relaxt toeren door Bagan
- Pakhangyi en Pakhannge
- Terugblik Myanmar 2015
Route Myanmar 2015
Vanaf eind september reis ik 2 weken op eigen gelegenheid en met het openbaar vervoer door Myanmar.
Myanmar was Plan B, nadat ik te horen kreeg van de reisorganisatie dat de geplande trip naar Azerbaijan/Iran dit najaar geen doorgang kon vinden. Gelukkig heb ik altijd nog genoeg bestemmingen ‘in voorraad’, en is een ticket snel gekocht. Vanaf eind september reis ik 2 weken op eigen gelegenheid en met het openbaar vervoer door Myanmar.
| Datum | Programma | Verblijf |
| 25 september | KLM-vlucht KL0875 naar Bangkok, vertrek om 18.00. | Vliegtuig |
| 26 september | Aankomst in Bangkok om 9.50 uur. Daar overstappen voor de vlucht naar Yangon met Bangkok Airways (13.40 – 14.30). Aan het einde van de middag naar de grote Shwedagon pagode, vlakbij het hotel. | Hotel Mila Noa, Yangon |
| 27 september | Om 9.30 uur met de VIP-bus naar het noorden, naar de stad Mandalay. Het is zo’n 580 kilometer en 8-9 uur rijden. | MaMa Guesthouse, Mandalay |
| 28 september | Dag in Mandalay. Bezoek aan o.a. het oudste teakhouten klooster en de oude houten brug. | MaMa Guesthouse, Mandalay |
| 29 september | Met taxi naar het werelderfgoed van Halin (100km): de archeologische opgravingen van een stad die bewoond werd tussen de 3e en 9e eeuw. | MaMa Guesthouse, Mandalay |
| 30 september | Bezoek aan wat kleinere plaatsen in de omgeving van Mandalay zoals Inwa of Mingun, per boot of achterop een scooter. | MaMa Guesthouse, Mandalay |
| 1 oktober | Met de trein vanaf Mandalay of Pyin U Lwin omhoog de bergen in over een spoorlijn uit de Britse tijd, een rit van 7 uur die geldt als één van de indrukwekkendste treinreizen ter wereld. | Hotel Lily The Home, Hsipaw |
| 2 oktober | Hsipaw heeft één van de beste markten in Myanmar, die etnische minderheden trekt vanuit de omliggende bergdorpen. De markt vindt plaats heel vroeg in de ochtend. | Hotel Lily The Home, Hsipaw |
| 3 oktober | Dagwandeling met gids door de omgeving, langs dorpen van de Shan en Palaung stammen. | Hotel Lily The Home, Hsipaw |
| 4 oktober | Terug naar Mandalay met de bus (4 uur). | Mandalay |
| 5 oktober | Verder naar Bagan met de bus (5 uur). | Bagan Empress Hotel, Bagan |
| 6 oktober | Fiets huren en tempels van Bagan bekijken. | Bagan Empress Hotel, Bagan |
| 7 oktober | Nog een volle dag in Bagan. | Bagan Empress Hotel, Bagan |
| 8 oktober | In de loop van de dag terugvliegen naar Yangon. | Yangon |
| 9 oktober | Nog een dag in Yangon, of mogelijk dagtocht naar Bago. | Yangon |
| 10 oktober | Terugvlucht Yangon via Bangkok naar NL (6.15-18.35). | Thuis |
Namiddag in Yangon
De grote Shwedagon Pagode in Yangon is op zijn mooist in het avondlicht. Dat komt goed van pas in mijn reisplanning, want ik heb alleen een namiddag te besteden in de grootste stad van Myanmar. Door wat vertraging op de vlucht vanuit Bangkok wordt het zelfs een late namiddag: pas om half 5 loop ik naar dit tempelcomplex toe. Ik neem de westelijke ingang, waar een roltrap je de heuvel op brengt waar de gouden pagode ligt.
Buitenlandse bezoekers worden eerst omgeleid, zodat ze de entree van 8.000 kyat (5,60 EUR) betalen. Ook moet je bij de ingang al je schoenen uitdoen: schoeisel is in het hele heilige complex verboden, ook al op de roltrap. Je moet hier geen last hebben van smetvrees, naderhand blijken de zolen van mijn voeten een zwart kleurtje te hebben gekregen.
Eenmaal boven is het tijd voor de rondgang. De Shwedagon Pagode is een 98 meter hoge constructie bedekt met bladgoud. De gelovigen lopen er met de klok mee omheen. Rondom de voet van de pagode liggen nog ontelbare kleine heiligdommen. Zo zijn er 12 punten waarop je kunt bidden gerelateerd aan je geboortedag: ze representeren de 7 dagen van de week, waarbij de woensdag is gesplitst in dag en avond.
De Shwedagon is in essentie een boeddhistisch tempelcomplex, en je ziet dan ook veel in het rood geklede monniken en in het roze geklede nonnen. In het binnenste van de pagode zouden volgens de overlevering 8 haren van de laatste Buddha bewaard zijn gebleven. Ook verder op het terrein zijn er dergelijke boeddhistische relieken zoals drie botfragmenten, een tand en een voetstap.
De meeste bezoekers zijn gewone Birmezen. Ze hebben bloemen of een kaarsje mee, om te gebruiken in het gebed voor dat ene beeld dat ze het meest aanspreekt. Behalve Boeddha’s zijn er ook afbeeldingen uit legendes en van lokale geesten.
Het is een heel bont schouwspel, en dat wordt nog een stuk erger als de avond valt en de lichten aangaan. Veel beelden worden van achteren verlicht door meerkleurige “discolampjes”. Ik blijf er anderhalf uur, en loop in totaal twee rondes om de grote gouden pagode. Ik heb bij de ingang een plattegrond meegekregen, die ik bij de tweede ronde gebruik om ook de wat meer aan de rand gelegen bezienswaardigheden te bekijken.
Behalve veel bouwwerken in de “goud en glitter”-stijl zijn er ook heel anders uitziende tempels op het terrein (de eenheid van stijl is hier niet bepaald aangehouden). Zo is er een opvallende witte stupa beschilderd aan de vier zijden met een ‘verhaal’ in Indiase stijl – dit is een kleine hindoetempel. Ook is er een met zilver en mozaïek bedekte tempel die zo uit Luang Prabang in Laos lijkt te zijn gekomen. En er zijn heilige bomen, heilige bellen en heilige inscripties.
Om kwart over zes wordt het donker, maar het is dan nog steeds druk op het terrein. Veel mensen lopen er aan het einde van hun werkdag even langs. Ikzelf maak het niet te laat, ik moet de weg naar het hotel nog terug zien te vinden. Gelukkig is er straatverlichting.
De VIP bus naar Mandalay
Het busstation van Mandalay is niet zo “VIP”: het is een soort wijk met garageboxen, vanwaar ontelbare maatschappijen hun bussen het land insturen. Ik had via internet al een kaartje geboekt voor de Khaing Mandalay Express van 9.30 uur naar Mandalay. Je zit er een stuk ruimer dan in het vliegtuig en de rit verloopt gladjes. Alleen blijkt de snelweg Yangon – Mandalay wel heel saai te zijn. We stoppen nog een keer bij een wegrestaurant, waar ik mijn eerste echt Burmese maaltijd eet: garnalencurry met een reeks aan bijgerechten. Rond half 6 (8 uur na vertrek) zijn we in Mandalay.
Van regen naar zon – op de fiets door Mandalay
Mandalay is een moderne stad met genummerde, rechte straten. Verdwalen doe je hier niet snel.
Om kwart over 4 in de nacht schrik ik wakker van een knal: het lijkt wel een ontploffing! Het blijkt echter de bliksem te zijn, die huishoudt boven mijn pension. Het regent ook heel hard. Als ik 3 uur later aan het ontbijt zit is het regenen nog steeds niet opgehouden. Toch wil ik er op uit vanochtend. Ik huur een fiets en krijg van de eigenaresse een paraplu en fietspomp mee. Het regent nog wel maar niet meer zo hard. Van fietsen word je in ieder geval niet zo nat als van lopen heb ik me bedacht.
Mandalay is een moderne stad met genummerde, rechte straten. Verdwalen doe je hier niet snel. De eerste tempel die ik bezoek ligt op de kruising van de 66e en 10e straat: de Kyauktawgyi Paya. Het is er al heel druk met lokale bezoekers. Veelal zijn het groepjes bekenden die met een gehuurd minibusje een aantal tempels afgaan. De sfeer zit er goed in, een stel vrouwen wil dat ik ze een groepsfoto van ze maak. De tempel is verder vol glimmer en glitter, daar houden ze hier wel van.
Als ik weer op de fiets stap regent het nog steeds. Gelukkig is het maar een klein stukje naar de volgende attractie: de Kuthodaw Paya. Dit is een gouden stupa met daaromheen honderden kleine witte stupa’s. Daarin bevinden zich stenen zuilen met geschriften. Samen vormen ze “‘s werelds grootste boek”.
Het is er erg rustig. Net als bij alle andere tempels in Myanmar moet je hier bij de ingang je schoenen/slippers uitdoen. Het heeft hier aardig naar binnen geregend en de tegelvloer is dan ook glibberig op blote voeten. Een andere hindernis van de tempels hier is dat er vaak meerdere in- en uitgangen zijn (meestal 4, voor de 4 windstreken). Dus je moet goed onthouden waar je je fiets en je slippers hebt achtergelaten.
De combi van verwarrende uitgang & glibberige vloer leidt hier dan ook subiet tot problemen: ik glijd onderuit als ware het over een bananenschil. Gelukkig kom ik op het zachtste deel van mijn lichaam terecht, dus ik kan ongeschonden door.
Er is ook goed nieuws: de zon is inmiddels doorgebroken en ik kan mijn fietstocht droog vervolgen. Volgende stop is de kloostertempel Shwenandaw Kyaung. Deze staat op de Voorlopige Lijst van toekomstig werelderfgoed, dus hij heeft mijn speciale belangstelling. Niet alleen die van mij zo blijkt: hier zie ik voor het eerst vandaag meer buitenlandse toeristen. Je moet er ook entree betalen, het kost 10.000 kyat/7 EUR. Daarvoor krijg je een kaartje waarmee je 5 dagen lang verder gratis alle bezienswaardigheden van Mandalay in mag.
Deze tempel is geheel opgetrokken uit teakhout. Hij hoorde oorspronkelijk bij het koninklijk paleis en was bedoeld als slaapvertrek voor de koning. Nadat die zijn laatste adem had uitgeblazen, werd het gebouw in 1883 aan een boeddhistisch klooster geschonken. Het stond bekend als het Gouden Klooster, omdat het hout volledig was verguld. Nu zie je aan de buitenkant vooral het donkere hout, maar binnen heeft het nog wel deels zijn gouden glans behouden.
In het hout van de deuren en het interieur zijn fijne figuren uitgesneden, echt prachtig. De hele tempel is trouwens een plaatje en hét hoogtepunt van de dag.
Deze 3 tempels lagen vlak bij elkaar, de volgende bestemming is verder fietsen. Ik neem maar eens een willekeurige zijstraat, het zijn eigenlijk allemaal kaarsrechte lanen. Hier lijkt de weg te worden versperd door een aantal van de talrijk in Mandalay aanwezige straathonden. Maar het blijken geiten te zijn! Ze liggen lekker op het warme asfalt.
Centraal in de stad Mandalay light het Koninklijk Paleis Complex. Myanmar heeft al sinds 1885 geen koning meer, en dit paleis is slechts een replica van het 19de eeuwse origineel dat tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Het is een enorm terrein, omringd door een brede gracht. Het is waarschijnlijk die vesting die het huidige militaire regime van Myanmar ook wel aanspreekt: een groot deel is militaire zone. Een vriendelijke en voldoende Engels sprekende soldaat is aan de poort gezet om de buitenlandse toeristen van de fiets te laten afstappen.
Het is dan nog een aardig eindje naar het paleis zelf. Aan de omringende straten wonen (militaire?) gezinnen. Dit is wel het meest militaire wat ik tot nu toe in dit land gezien heb, op straat zie je ze nauwelijks. Het paleis zelf blijkt zo spannend als een reconstructie maar kan zijn (niet veel aan dus), maar ik heb nog wel even een toren beklommen om een overzichtsfoto te maken. Onderweg moest ik weer een paar keer met lokale bezoekers op de foto, buitenlanders zijn hier nog steeds een attractie.
Het is inmiddels tijd voor de lunch. Daarvoor fiets ik “even” 180 graden om het paleiscomplex heen. Daar moet een goed Thais restaurant zitten, en inderdaad heb ik het zo gevonden. Het smaakt prima en het uitrusten komt ook niet ongelegen. Het is al goed heet geworden.
Na de lunch doe ik nog één tempel. Dit is meer een “gewone” buurttempel. Hij heet Shwekyimyint Paya, en heeft de oudste historie van de stad (uit 1167). Ook deze bestaat uit meerdere gebouwen. In één paviljoen is een dienst bezig. In andere liggen mensen te slapen, of spelen kinderen. Ook katten en honden zijn hier heel gewone bewoners van de tempels.
Grootheidswaanzin in Mingun
Deze ochtend sta ik om 8 uur langs de kant van de weg in de buurt van mijn hotel, in de hoop op een taxi. Ik word al snel opgepikt door een brommertaxi – helmpje op, achterop gaan zitten en goed vasthouden is het devies. De bestemming is de Mayan Chan Jetty, bij de brommerchauffeur beter bekend als “Mingun Jetty”. En inderdaad is het vanaf daar dat de veerboten naar Mingun vertrekken. Elke ochtend vaart er een toeristenboot naar het aan de overkant van de Ayeyarwady rivier gelegen dorp.
Behalve vertrekplaats voor de toeristenboot blijkt deze haven ook een soort overslagplaats van binnenvaartschepen op z’n Birmees. Er liggen tientallen houten boten, en mannen en vrouwen lopen af en aan met zware vrachten op hun hoofd. Aan de wal wonen ook mensen in hutjes, die zich staan te wassen in het rivierwater.
Ik koop mijn kaartje voor de boot (5000 kyat/3,5 EUR voor een retour), en verken dan de rest van de haven. Het is nogal blubberig en smerig, en ik stuit op een dode rat. Dat is al de tweede van deze reis, gisteravond toen ik naar een restaurant liep zag ik er ook al een. Gelukkig heb ik nog geen levende zien rennen. Twee keer draait er een tourbus het haventerrein op, om pal voor de loopplank van een boot te stoppen. Ik ben even bang dat ik mijn boottochtje moet delen met een stuk of 30 landgenoten van FOX reizen, maar deze en een andere groep hebben hun eigen boten.
Mijn medepassagiers, een stuk of 10 in getal, staan in de schaduw te wachten bij het kantoortje. Tegen negenen mogen wij ook aan boord. Dat is al spannend genoeg, want we moeten eerst over een smalle loopplank omhoog balanceren. Gelukkig hebben ze een levende railing gemaakt, bestaande uit een bamboestok die door 2 mannen wordt vastgehouden. Daarna sta je nog maar op de eerste boot, onze boot is echter de achterste (nummer 6 of zo). Maar heel attent staat er bij iedere stap van boot naar boot personeel om de reikende hand te bieden.
Ik ga naar het bovendek en weet een plekje op de grond te bemachtigen in de schaduw van de kajuit. Stoelen staan er alleen op het benedendek, maar boven heb je beter uitzicht. Het wordt inderdaad een relaxt tochtje van een klein uur. Het is maar 11 kilometer varen, en je steekt schuin de rivier over. Al van ver is hét icoon van Mingun te zien: de 18e eeuwse onafgemaakte pagode. Het had met 150 meter hoogte de hoogste pagode ter wereld moeten worden, maar de koning stopte zijn werk toen een astroloog hem vertelde dat hij zou sterven als het af was. Tegenwoordig staat het bekend als “de grootste stapel bakstenen ter wereld”.
De plaatselijke bevolking staat ons al in ruime getale op te wachten. Mannen bieden ritjes aan op een ossenkar, vrouwen verkopen spulletjes. Langs het pad omhoog vanaf de oever naar de onafgemaakte pagode staan tientallen souvenirkraampjes. Dat zo’n onafgemaakt bouwwerk 3 eeuwen later nog zijn inkomsten opbrengt!
Maar er is nog meer te beleven in Mingun. Dezelfde koning liet ook de grootste bel ter wereld maken. Die is wel af, en tegenwoordig te bewonderen in een eigen paviljoen in de hoofdstraat. Je kunt er zelf met stokken tegenaan slaan om hem te luiden, tot groot vermaak van de Birmese kinderen.
Ik loop nog wat verder het dorp door. Er zijn meerdere kloosters en tempels, en er is zelfs een boeddhistisch bejaardentehuis. Alleen bij de gigantische witte Hsinbyume Pagode doe ik mijn slippers nog een keer uit en loop over de hete tempelgrond. Dit staaltje bouwkunst gemodelleerd naar de mythische berg Meru is afkomstig van de kleinzoon van de koning die niks afmaakte. De grootheidswaanzin bleef dus wel in de familie.
Het is ook leuk gewoon wat tussen de huizen rond te dwalen, om te zien hoe de mensen hier leven. Ik stimuleer de plaatselijke economie nog een beetje extra door er te lunchen. Gebakken mie met kip en groenten, plus soep als extra bijgerecht, kost me 1,40 EUR.
Om half 1 vaart de boot terug naar Mandalay. Nu nestelt iedereen zich op het benedendek, het is veel te heet geworden in de zon. Binnen waait een lekker briesje, en een rieten hangstoel zorgt voor volkomen ontspanning. Aan de kade van Mandalay wacht de drukte weer. Ik word opgepikt door een fietsriksjarijder, die me terug naar het centrum brengt.
#587: Oude Pyu-steden
Wat is het?
De Oude Pyu-steden zijn de overblijfselen van de drie belangrijkste steden van het Pyu-rijk, dat van ca. 200 voor tot 900 na het begin van onze jaartelling een groot deel van Myanmar bestreek. Halin, Beikthano en Sri Ksetra liggen op een paar honderd kilometer van elkaar, in het stroomgebied van de Ayeyarwady rivier. Door middel van irrigatie bebouwde men het land en wisten er zich steden te ontwikkelen tot ware stadstaten. Deze waren ommuurd en hadden een paleis in het centrum. De Pyu kwamen uit het noorden en brachten uit India het boeddhisme mee. De steden hadden dan ook grote kloosters.
Cijfer: 6,5 (Dit is Myanmar’s enige werelderfgoed tot op heden, en ze hebben er wel iets obscuurs voor uitgekozen. Ik bezocht van de drie uitverkozen steden alleen Halin – op een “gewone” rondreis door het land kom je hier niet. En misschien ook wel terecht, want veel meer dan verdwaalde stapels bakstenen is er eigenlijk niet te zien. Van de Pyu-steden die samen het werelderfgoed vormen schijnt dit overigens de minste te zijn, maar de andere twee lagen nog verder van mijn route! Een tocht als deze brengt je wel tot diep op het platteland van Myanmar, met z’n ossenkarren en oneindige rijstvelden. En dat is alleen al de moeite waard.).
Toegang: De entree tot Halin, te betalen in het archeologisch museum, kost 5.000 kyat (3,5 EUR). Daarvoor krijg je zelfs een Engelstalige folder.
Hoeveel tijd: We zijn een uur en drie kwartier op het terrein geweest. Een deel was afgesloten omdat de weg er naar toe te modderig was.
Opvallend: Met het openbaar vervoer kom je hier niet, dus ik charterde een auto met chauffeur vanuit Mandalay. En nam er ook maar een gids bij, in de hoop op wat extra toelichting of vertaling. We reden om 8 uur de stad uit, de brug over naar de andere kant van de rivier. Hier kom je eerst door Sagaing, dat tegen een berghelling aanligt die helemaal bezaaid is met goudkleurige pagodes. De meeste nieuwe pagodes worden betaald door particulieren aldus de gids. Er komen er nog elk jaar vele bij.
Vanaf Sagaing gaat het dan noordwaarts over een niet al te drukke weg richting Shwebo. Het schijnt maar 95 kilometer rijden te zijn naar Halin, maar vlot gaat het niet. Chauffeur en gids komen hier ook niet dagelijks (maar zo’n 2 tot 3 keer per jaar), dus het ook wel even zoeken en vragen naar de juiste afslag. Maar als het zover is blijkt er zelfs een groot bord te staan met “Werelderfgoed Halin” erop.
Dan ben je er nog niet: 17 kilometer is het dan nog hobbelen over een deels onverharde weg. Ook lopen er kuddes vee midden op de weg, koeien en geiten die niet zo makkelijk aan de kant gaan. Deze streek is net als in de Pyu-tijd nog steeds hét landbouwgebied van Myanmar. Overal zijn rijstvelden, maar ook sesam wordt er verbouwd. Mooi groen is het hier, en net zo vlak als in Nederland.
Na 2,5 uur rijden komen we eindelijk in Hanlin aan. We stoppen eerst bij het archeologisch museum. Daar moet je het entreekaartje kopen. Mijn naam gaat in het grote gastenboek. Er komen toch echt wel bezoekers zo blijkt, maar vooral mensen uit de regio. In het museum zijn ook al meerdere mensen. Het bestaat uit een tiental vitrinekasten waar vooral opgegraven aardewerken potten worden getoond. Ook is er een serie fijnbewerkte pijpen. En een steen met inscripties in het Pyu-schrift, dat tot nog toe niet ontcijferd is.
De opgravingen beslaan een paar vierkante kilometer, dus we gaan het parcours doen met de auto. Uit eerdere berichten begreep ik dat het tot voor kort nogal ongeorganiseerd was. Maar nu staan er overal richtingbordjes, en bij de opgravingen zelf staat uitleg in het Birmees en Engels. Je rijdt eigenlijk nog steeds tussen de akkers door, alleen is er hier en daar een stukje afgeschermd door een bijzondere omheining van cactussen. Daar is dan een muur of toegangspoort opgegraven.
Er zit niet veel variatie in, en na verloop van tijd bekijken we het maar vanuit de koelte van de auto. De rondrit eindigt bij gebouw HL-26, “de begraafplaats”: hier kun je op verschillende niveaus zien wat er gevonden is. Veel potscherven natuurlijk, maar ook menselijke skeletten. Dan moeten we weer terug naar het museum om een mevrouw op te halen die voor ons nog twee andere gebouwen in het dorp gaat openen. Het eerste is een verzameling stenen zuilen, met oude inscripties in het Birmees en ook nog een paar in de Pyu-taal. En tot slot is er nog een collectie skeletten.
Het wordt me nog aangeboden om achterop de motor de rest van het terrein te bekijken, maar ik heb wel genoeg bakstenen gezien. Tijd voor lunch, en daarna de rit terug naar Mandalay.
De trein naar Hsipaw
Elke dag vertrekt er uit Mandalay om 4 uur in de nacht een trein naar het noorden, de bergen van de Shan deelstaat in. Hij rijdt o.a. naar Hsipaw, mijn volgende bestemming. Ik slaap in een hotel vlakbij het station, dat goed op vroege treinreizigers is ingesteld. Ik krijg een wake-up call om 3.15 uur en een ontbijtpakket mee voor in de trein. Op straat blijkt maar weer eens dat het leven zeer vroeg begint hier in Myanmar: diverse straatstalletjes zijn al geopend, en er komt ook al een brommertaxi op me af. Ik hoef echter maar een paar minuten te lopen voor ik op het grote station sta.
Gisteren had ik al een kaartje gekocht en bij daglicht het station een beetje verkend zodat ik weet waar ik moet zijn. Het is er vrij smerig en er slapen ook wat mensen die van het gebouw hun thuis hebben gemaakt. Verder is het niet druk en ik word richting het juiste spoor gewezen. Ik zit in de eerste klas (heel mooi Upper Class geheten hier), een kaartje kost daarvoor 4.000 kyat/2,80 EUR. Aan de ene kant van het gangpad zijn 2 stoelen, aan de andere 1. Ik heb stoel A3, alleen aan het raam. De stoelen voor mij worden ook bezet door toeristen, Nederlanders naar later blijkt. Voor de rest blijft de coupé leeg op de conducteur en een politieman na.
Keurig om 4 uur zet de trein zich in beweging. Er zit geen glas in de ramen: de keuze is om of het ijzeren rolluik naar beneden te laten, of om het helemaal open te doen. Dat laatste waait dus goed door, en is ook handig om foto’s te kunnen maken. De eerste 2 uur van de rit is het nog donker, maar je ziet de mensen al wel bezig in het licht bij hun huizen.
De trein stopt op ieder tussenliggend station – er is immers maar één trein per dag. Vaak is het niet meer dan een halte. Zo vroeg stappen ook al schoolkinderen in. Die dragen hier in heel Myanmar een uniform van witte blouse met groene rok/broek. Ze gaan (uiteraard!) in de tweede klas zitten, die al goed gevuld begint te raken maar tijdens de hele route nooit overvol wordt.
Als we eenmaal Mandalay en zijn voorsteden uit zijn, wordt het al snel groener en bergachtiger. De trein manoevreert zich een weg omhoog. Dat doet hij via het zigzag-mechanisme: op de steile stukken rijdt hij eerst een stuk vooruit, dan wordt er een wissel omgelegd en rijdt hij achteruit het volgende stukje. Tegen 8 uur komen we aan bij de eerste grotere plaats: Pyin Oo Lwin. Vanwege zijn hogere ligging werd het in de koloniale tijd door de Britten als “hillstation” gebruikt – een verblijf in de koelte, weg van de hitte van de Birmese vlakte.
In Pyin Oo Lwin blijft de trein ruim een half uur staan. Er worden nog wat extra treinstellen gekoppeld, want er komen veel mensen bij. Ook meer toeristen. De Nederlanders in mijn coupé en ik vermaken ons ondertussen met 4 kinderen die op de naastliggende rails aan het spelen zijn. Ze zien er zo smoezelig uit dat ik bang ben dat ze ook op het station slapen. Eentje heeft een speelgoedpistool en mikt daarbij lachend op ons. Maar hij gooit het ons net zo makkelijk toe, om ons ook de kans te geven hem te beschieten.
In een andere plaats verbazen we ons over een schouwspel dat zich naast onze coupé ontwikkeld. Er staat een los treinstel op het andere spoor, waarvoor zich een groepje Birmezen heeft verzameld. Op een gegeven moment gaat er een schuifdeur open, en blijkt er een kantoortje te zijn ingericht in het treinstel. De mensen worden één voor één naar binnen geroepen, moeten hun handtekening zetten en krijgen dan een formulier mee. Het zijn allemaal ouderen, zou het iets met pensioen te maken hebben? Wel een aparte plek, en ze maken het de oudjes ook niet gemakkelijk omdat ze via een raar opstapje het treinstel in moeten klimmen en maar weer moeten zien hoe ze veilig beneden komen.
De trein rijdt vervolgens door een landbouwgebied. Nog in de buurt van Pyin Oo Lwin valt op dat ze veel bloemen telen. Verderop gaat het richting maïs, kool en wortelen. Er zijn veel mensen (vrouwen) op het land aan het werk.
Langzamerhand naderen we het bouwkundige hoogtepunt van dit treintraject: het Gokteik Viaduct. De brug stamt uit 1901 en had in die tijd de hoogste overspanning binnen het Britse koloniale rijk. Hij is trouwens door een Amerikaans bedrijf gebouwd, dat het in delen vanuit de VS hiernaar toe heeft verscheept. Je kunt hem al van ver zien liggen, hij overspant een kloof met rivier en watervallen. De rit over de brug zelf gaat tergend langzaam, hopelijk om de passagiers wat extra te laten genieten en niet omdat hij zo kwetsbaar is.
In de buurt van Hsipaw zien we vooral terrassen met rijstvelden, altijd een mooi gezicht. De rit van 206 kilometer zit er dan bijna op: keurig op schematijd om 15.30 uur arriveren we. Op het station staat al een groot welkomstcomité te wachten vanuit de verschillende guesthouses en hotels ter plaatse. Tot mijn verrassing houdt er ook iemand een bordje met mijn naam omhoog. Ik had vooraf al ergens een kamer gereserveerd, en het blijkt een goede gok van het hotel dat ik wel in deze trein zou zitten. Met een pick-up word ik vlot naar mijn bestemming getransporteerd.
Dit was zeker één van de mooiste treinreizen die ik ooit heb gemaakt. Het landschap is heel afwisselend, van bergen tot rijstvelden. Langs de hele route wonen ook mensen, dus er is ook veel bedrijvigheid. In de Upper Class zit je echt comfortabel, met meer beenruimte dan in de Businessclass in een vliegtuig. En de trein stopt vaak langer op de grotere stations, zodat je er ook even uit kunt om wat rond te lopen, te kijken en wat snacks te kopen.
Verbazing in Hsipaw
Ik ben inmiddels al weer een week aan het reizen, dus tijd voor een rustdag. Beetje uitslapen, was doen, geld wisselen, toertje boeken voor morgen. Toch heb ik nog 3,5 uur in het marktplaatsje Hsipaw rondgewandeld. Er blijft genoeg om je over te verbazen hier:
- Als je voor 3000 kyat (2,10 EUR) een nieuwe zonnebril koopt op de markt, moet je niet denken dat die langer dan een dag meegaat.
- Ik sta bij het toegangshek tot het Shan “paleis”, maar durf niet verder vanwege blaffende en grommende honden.
- Kom ik bij de spoorwegovergang, is dat precies op het moment dat één van de twee treinen op een dag passeert. De slagboom wordt met de hand bediend (lees: opgetild).
- In het teakhouten klooster zie ik een Boeddhabeeld van bamboe. Omdat hij net als al het andere in Myanmar een gouden laagje over zich heen heeft, zie je het niet dat hij gevlochten is.
- Bij Mrs. Popcorn neem ik een pauze op mijn wandeling: deze vrouw heeft haar tuin omgetoverd tot een relaxt cafeetje. Andere restaurants gericht op buitenlandse toeristen in Hsipaw heten Mister Food en Mister Shake.
- Het heiligdom Sao Pu Sao Nai, gewijd aan de beschermengel van de stad Hsipaw, lijkt wel een dierentuin: van tijger tot olifant tot paard, voor van alles kun je hier bidden.
- De enige geldautomaat in Hsipaw geeft van 1 tot 13 oktober geen geld uit aan Visa Card-houders. En mijn ING bankpas (op een ander netwerk) werkt ook niet.
- Geld wisselen oude stijl bij de bank is ook een belevenis. Achter de balie liggen stapels Myanmar kyat op de grond, alsof het balen oud papier zijn. Van bankovervallen hebben ze hier zeker nog niet gehoord.
- Voor 700 kyat (0,49 EUR) eet ik Shan noedels als lunch bij een restaurantje zonder Engelse naam aan de hoofdstraat.
- Het internet in het hotel werkt niet meer omdat de manager het wachtwoord heeft veranderd.
Pankam: voor de avontuurlijke reiziger
Tegen 8 uur moest ik er weer aan geloven: mijn gids stond klaar om me mee te nemen voor de 5-6 uur durende wandeling naar het bergdorp Pankam.
In Hsipaw is er zo tussen 3 en 6 uur een nachtmarkt, waar boeren uit de omgeving naar toe trekken om hun waar te verkopen. Niet voor het eerst deze reis stond ik maar weer eens heel vroeg op, en liep om half 5 over de markt te struinen. Hij is verlicht met lampjes en kaarsen, een heel aparte sfeer. Ze verkopen er vooral groente aan de tussenhandelaren: mannen en vrouwen die op de fiets als reizende groenteboer de buitenwijken en dorpen langsgaan. Hun waar hebben ze dan heel sierlijk in kleine plastic zakjes aan alle kanten van hun fiets gebonden.
Na de markt ben ik nog even weer mijn bed ingedoken, maar tegen 8 uur moest ik er weer aan geloven. Mijn gids stond klaar om me mee te nemen voor de 5-6 uur durende wandeling naar het bergdorp Pankam. We starten lekker ontspannen in de buitengebieden van Hsipaw, waar we wat kleinschalige nijverheid bezoeken. Zo is er de noedelfabriek (zie foto, de noedels hangen te drogen) en een sojabonenkoekjesfabriek. Bij beide zijn de mensen al aan het werk, maar we mogen rustig binnenkijken.
Ook de volgende passage is plezierig, we lopen over een smal pad tussen de rijstvelden door. We zijn hier in de Shan deelstaat van Myanmar, een gebied dat pas laat bij de rest van dit land is gevoegd en soms ook naar onafhankelijkheid streeft. Tot die tijd maken de Shan-partijen deel uit van het parlement van Myanmar. Op 8 november zijn er daarvoor verkiezingen, dit bord roept op om op de Shan-partij “Witte Tijger” te stemmen.
De ochtend is bewolkt begonnen, maar tegen 9 uur schijnt de zon al weer fel. Laten we nu net gaan beginnen aan het zwaarste deel van de wandeling! Vanaf hier is het nog 3 uur bergopwaarts lopen. Je loopt ook weinig beschut, veel bos is gekapt. Al met al geen vooruitzichten waar ik blij van word. Gelukkig heb ik een gids voor mezelf, en ik weet hem makkelijk over te halen niet verder te lopen en te switchen naar de motor (de terugweg zou sowieso al op de motor zijn). Gids Kham Lu laat mij achter bij een maïsboer, waar ik getrakteerd word op thee en gepofte maïs. Zelf zijn ze hard aan het werk op het land, alleen de 4 kinderen zijn binnen in het bamboehuisje. Kham Lu gaat ondertussen terug naar Hsipaw om zijn motor op te halen.
Slechts 45 minuten later is hij er weer. Ik stap achterop, en samen hobbelen we over het zandpad vol gaten en stenen omhoog. Ik ben blij dat ik dit niet meer hoef te lopen, hoewel achterop een motor zitten ook veel energie vraagt. We passeren nog andere toeristen, die er vermoeid uitzien. Om half 1 arriveren we op onze bestemming: Pankam. Kham Lu toont de verschillende talen op het welkomstbord van het dorp.
In Pankam gaan we eerst lunchen bij een familie die de dorpswinkel lijkt uit te baten. Ze laten ook toeristen ’s nachts bij hen slapen, dat zijn de bikkels die de twee- of driedaagse trek doen. Pankam is geen dorp van de Shan (zoals de andere in de omgeving), maar van de Palaung minderheid. Zij leven hier in het grensgebied van Myanmar, Thailand en China. Volgens bronnen op het internet hielden ze zich vooral bezig met het verbouwen van papaver voor de opiumhandel en zijn er onder hen zelf ook veel verslaafden. Dit dorp Pankam focust zich echter op een ander genotsmiddel: thee.
Na de lunch maak ik samen met de gids een rondje door het dorp. We kijken binnen bij de lagere school. Alle klassen krijgen hier in hetzelfde lokaal les, maar ze zitten wel in aparte groepjes met eigen leraressen. De kleinsten leren net tellen in het Engels, overigens geheel onverstaanbaar. Met name onder de vrouwen van het dorp zijn er nog enkele die de traditionele klederdracht van de Palaung dragen, zoals deze oude vrouw.
Gids Kham Lu stelt voor via een andere route terug te rijden naar Hsipaw. Ik vraag nog hoopvol of die weg ook in betere staat is, maar dat blijkt niet het geval. Hij is wel een stuk langer: het duurt nog zeker 2 uur voordat we weer terug komen bij het hotel, maar we hebben de tijd. Het voordeel van deze route is dat hij onder andere de theevelden van Pankam passeert. De thee wordt hier zo anders geplant dan in India en Sri Lanka bijvoorbeeld, waar de planten in dichte rijen staan zodat de theeblaadjes makkelijk te plukken zijn. Hier staan de struiken ver uit elkaar op een helling.
Tegen half 4 begint de lucht te betrekken, en we zijn nog lang niet de berg af. We weten nog net een huis binnen te vluchten wanneer een stortbui losbarst. We krijgen meteen weer heel gastvrij een stoel en thee aangeboden. Hoe lang zou de bui duren? Soms wel een uur, of twee uur. De regen zelf is nog niet het ergste, het probleem is dat de weg te glibberig wordt voor de motor. Als het lang aanhoudt voorzien we al dat we bij deze mensen de nacht moeten doorbrengen. Gelukkig blijkt het een typisch tropische stortbui te zijn: na 3 kwartier straalt de zon alweer. Maar de wegen in en om het dorp zijn een en al modder. We lopen daarom maar het eerste stuk naar beneden. Een half uurtje verderop blijkt het niet of nauwelijks geregend te hebben, en kunnen we weer op de motor. Als je het voortdurende gehobbel door gaten in de weg even vergeet, is deze terugweg inderdaad een prachtroute waar we ook geen andere toeristen meer zien. Net voor zonsondergang, om 10 over 6, zijn we moe maar voldaan terug in Hsipaw.
New Bagan
New Bagan is pas in 1990 ontstaan, toen de bewoners van “Oud” Bagan gedwongen werden te verhuizen en Oud Bagan een beschermde archeologische zone werd.
New Bagan – Lawka nanda pagode, 16.17 uur: De busrit met OK Express van Mandalay naar Bagan was inderdaad OK: keurig op tijd, ruimte genoeg voor je benen, gratis flesje water & verfrissingsdoekje, lekkere lunch halverwege en netjes bij mijn nieuwe hotel in New Bagan afgezet. New Bagan is pas in 1990 ontstaan, toen de bewoners van “Oud” Bagan gedwongen werden te verhuizen en Oud Bagan een beschermde archeologische zone werd. Het is nu vooral een toeristenplaatsje, waarbij verhuur van (elektronische) fietsen booming business lijkt te zijn. Ik bekijk er ook de eerste pagode in een reeks van vele pagodes en tempels die hier in Bagan nog volgen gaan: de goudglanzende Lawka nanda pagode aan de Ayeyarwady rivier, populair onder de lokale bevolking.
Bagan – de eerste ronde
Om een ronde langs de tempels en pagodes van Bagan te maken heb je de keuze uit vele vervoersmiddelen. Je kunt een auto met chauffeur huren, of een koetsje met paard, of een scooter of e-bike, of gewoon een fiets. Ik kies voor het laatste, maar zoek wel een stevig uitziende mountainbike uit met versnellingen en dikke banden. Dat lijkt me toch prettiger fietsen over de heuveltjes en over zandpaden dan een Chinese damesfiets. De huur voor een dag kost 3000 kyat (2,10 EUR). Zo ongeveer iedereen verhuurt fietsen in New Bagan, dus dat is ook om half 8 in de ochtend zo geregeld.
Mijn eerste tempeltje fiets ik al straal voorbij. Er staat ook geen bewegwijzering in het Engels, en het ontcijferen van het Birmees gaat nog steeds maar letter voor letter. Maar ik zie al snel dat ik te ver ben, en draai weer om. De Gubyaukgyi in Myinkaba (gehuchtje vóór Bagan) heeft de Bagan-karakteristieken met originele muurschilderingen, ‘geperforeerde’ vensters en teksten in het Mon-schrift. Het is er donker binnen en de schilderingen zijn in niet zo’n beste staat.
Het volgende doel is een grote tempel, om vanaf de top uitzichtsfoto’s over Bagan te kunnen maken. Er zijn zoveel tempels en pagodes hier (zo’n 4000) dat je soms door de bomen het bos niet meer ziet. Het uitkijkpunt dat ik in gedachten had kan ik niet vinden, maar er in de buurt ligt de grote witte Shwesandaw pagode. Dit is een populair punt om de zonsopgang te bekijken. Nou is het erg bewolkt vandaag, dus geen zon te zien.
Deze piramidevormige pagode heeft 5 niveaus, die je allemaal via steile trappen kunt beklimmen. Gelukkig zijn er stevige handrailingen aangebracht dus je kunt jezelf een beetje omhoog hijsen. De bewolking trekt wat op als ik boven ben zodat er toch enige geslaagde foto’s gemaakt kunnen worden.
De volgende stop zou eigenlijk het archeologisch museum zijn, maar dat blijkt pas om half 10 open te gaan in plaats van 9 uur. Ik drink een flesje Sprite bij het tentje voor de ingang, en fiets daarna maar door langs de laatste resterende stadspoort van Bagan: de Tharabha Gate.
Daar vlakbij ligt de Ananda tempel, één van de grootsten en de meest levendige van Bagan. Hier is het meteen een stuk drukker: met toeristen, met souvenirverkopers en met “gewone” Birmezen.
Op elk van de vier windstreken heeft deze tempel een groot gouden Boeddhabeeld. Daaromheen zijn twee corridors waar je door kunt lopen. Je ziet er half-vergane muurschilderingen, en vele kleine Boeddhabeelden in nissen. Het is een beetje als met de Shwedagon-pagode in Yangon: er is zoveel goud en zoveel kitsch, ik kan het niet zo goed mooi vinden. Wel interessant hier zijn 552 groene, geglazuurde terracottategels die helemaal als een band rondom de buitenkant van de tempel zijn aangebracht.
Schuin tegenover de Ananda ligt de Ananda Ok Kyaung, een veel kleinere kapel maar met erg goed bewaard gebleven muurschilderingen. Hier is ook een beheerder aanwezig: een vrouw met een welkome zaklantaarn. De vier muren aan de binnenzijde van de kapel zijn bedekt met een soort stripverhalen: miniatuurscenes die het dagelijkse en het religieuze leven uitbeelden. De vrouw heeft er ook een paar woorden Engels bijgeleerd, en ze wijst met o.a. op de Portugeze handelaren (mannen met baarden) die hier in de scenes zijn afgebeeld.
Ik pak mijn fiets weer, die onderaan de trap staat. De huurfietsen komen hier zonder slot, blijkbaar wordt er nooit iets gestolen. Ik hoefde vanochtend ook geen borg te betalen, iets wat meestal in andere landen wel gevraagd wordt voordat je er met een toch vrij kostbare mountainbike vandoor gaat. Ik rijd terug naar het Archeologisch Museum, dat nu wel open is. Buitenlanders moeten er 5000 kyat (3,50 EUR) entree betalen. En dat komt bovenop de toegangsprijs van Bagan zelf die ik gisteren al betaald heb: bij de toegang tot de stad werden alle buitenlandse toeristen uit de bus gehaald om voor 20.000 kyat (14 EUR) een pas te kopen die 4 dagen geldig is.
Net als in de meeste tempels waar echt iets te zien is, mag je ook in het museum niet fotograferen. Rugzak en fototoestel moeten zelfs worden opgeborgen in een kluisje. Bij de ingang staan in het Engels al borden met verontschuldigingen dat ze werken aan een beter museum, en dat ook de elektriciteit het niet overal doet. Het is nogal groots opgezet met veel lege ruimte. Toch is er genoeg interessants. Zo hebben ze modellen die de 55 vrouwelijke haardrachten laten zien die zijn afgebeeld op de muurschilderingen in de verschillende tempels van Bagan. Het zijn allemaal paardestaarten met lang zwart haar, maar dan net met een knoop steeds anders. Mannen hadden trouwens maar 5 verschillende haardrachten. Ook verhelderend is de maquette die toont hoe Bagan er in zijn hoogtijdagen (12e eeuw) moet hebben uitgezien. We zien nu alleen nog maar de bakstenen tempels en pagodes die zijn overgebleven, maar in die tijd was het een stad van tussen de 50 en 200 duizend inwoners. Die bevolking leefde in houten huizen, die allemaal verloren zijn gegaan.
Oud Bagan is wel het toeristisch hart van Bagan (en van heel Myanmar), dus het vinden van een geschikte lunchlocatie is geen probleem. Net als vele anderen trek ik naar het zo fraai genaamde “Be Kind to Animals The Moon”, lief zijn voor dieren dus. Het is een vegetarisch restaurant. Het eten is OK, het zelfgemaakte bananenijs dat ik als toetje neem overheerlijk. Tegen enen stap ik weer op de fiets voor mijn laatste tempelbezoek van vandaag.
Ik moet weer een eindje terugfietsen over de doorgaande weg. Daar kom ik eerst langs een intrigerende tempel die ik vanochtend ook al ben gepasseerd. Hij staat niet in mijn reisgids beschreven, maar is toch een plaatje. In elk van de pagodes op het terrein zit een grote Boeddha in rood monniksgewaad.
Naar mijn laatste tempel voor vandaag, de Sulamani, is het een eind fietsen over een zandpad. De zon is inmiddels weer flink gaan schijnen: dat is mooi voor de foto’s, maar niet zo fijn voor het fietsen. Ook met je blote voeten over het tempelterrein lopen is zo midden op de dag heel heet aan je voetzolen. Volgens sommigen is de Sulamani de mooiste tempel van Bagan, en van wat ik vandaag gezien heb ben ik het daar mee eens. Hij is wat verfijnder, meer ‘af’ dan veel van de anderen.
Binnen zijn er weer veel muurschilderingen. Hier valt genoeg daglicht binnen om veel afbeeldingen zo te kunnen bekijken. Ik volg ook een tijdje een groepje toeristen met Engelstalige gids: zij laat met de zaklantaarn nog wat details zien. Zo zijn er ook hier scenes uit het dagelijks leven van de middeleeuwse Birmezen afgebeeld. We zien o.a. een vrouw thanaka maken, de gelige stof die veel inwoners van Myanmar nog steeds op hun gezicht smeren tegen de zon.
Net als de Ananda tempel heeft de Sulamani tempel een ring van geglazuurde terracotta figuren om de buitenmuur. In dit geval bestaat die uit gele en groene bloemmotieven.
Ik heb mijn lijstje voor vandaag afgewerkt en ben erg toe aan een verfrissende douche. Als je hier in Myanmar buiten loopt ben je binnen de kortste tijd smerig: altijd maar met blote voeten over die toch niet zo schone tempelgronden lopen, met je slippers door plassen en modder want als het een keer regent dan staan meteen de straten blank, en niet te vergeten het zweet dat van mijn lichaam stroomt. Terugfietsen kost me nog wel een half uurtje, en ik stop zelfs nog een keer voor een koel drankje bij een ‘benzinestation’ – een plek waar ze literflessen benzine verkopen voor de motoren en brommers. De baas zet speciaal een rieten ligstoel voor me neer om even bij te komen.
Relaxt toeren door Bagan
Op dag 2 in Bagan geef ik me ook over aan de e-bike – een soort scooter die rijdt op een accu. Voor 8000 kyat (5,60 EUR) mag ik er de hele dag mee rondrijden. Ik moet wel eerst even oefenen in de straat van het hotel, onder toeziend oog van de hoteleigenaar. Maar als je eenmaal weet hoeveel gas je moet geven, gaat het verder vanzelf.
Ik kies vandaag voor de lange route om de zuidelijke groep tempels heen. Weinig verkeer, lekker cruisen. Ik ontdek nog wat nieuwe favorieten: de rode Dhamma-ya-za-ka Zedi, de Tayok-pyi pagode met de mooist bewerkte facade (zie foto) en de kleine beschilderde Upali Thein pagode.
Pakhangyi en Pakhannge
Ik heb nog een dag ‘over’ in Bagan, en besluit een deel daarvan te wijden aan twee houten kloosters die op de lijst van mogelijk nieuw werelderfgoed staan. Ze heten Pakhangyi en Pakhannge, en liggen zo’n anderhalf uur ten noorden van Bagan. Om kwart over 8 in de ochtend staat de auto met chauffeur al klaar die me er heen gaat brengen.
Het zijn twee vrij obscure kloosters, maar gisteren bij het reisburootje waren ze zelfverzekerd over de route. Hopelijk is de chauffeur dat ook, hij spreekt nauwelijks Engels dus ik kan het hem niet vragen. We rijden rustig noordwaarts. De regio rond Bagan is niet zoveel aan. Bij de stad Pakkoku slaan we af, en rijden dan direct door naar het Pakhangyi klooster.
Deze hebben we maar alvast gevonden. Het is een groot teakhouten klooster uit 1886. Hij staat op 254 houten pilaren, in dezelfde stijl als de Shwenandaw Kyaung die ik vorige week bezocht in Mandalay. Het is niet langer in gebruik, en ik moet er ook 5000 kyat (3,50 EUR) entree betalen. Als ik binnen ben komen er zowaar nog meer (Birmese) bezoekers. Vooral de bewerkte deuren, met in het hout uitgesneden koppen, zijn erg mooi.
Na een half uurtje stap ik weer in de auto. De chauffeur rijdt het weggetje in naar Pakhannge, zoals dat ook in één zin in mijn reisgids staat beschreven. Gisteren bij het reisburo vertelden ze me dat ik met een bootje de rivier over moet steken om er te komen. De taxi zou dan aan de kant op met blijven wachten. Over die oversteek staat niks in de reisgids, en op internet heb ik ook geen verdere aanwijzingen kunnen vinden.
We rijden een kilometer of 5 over een smalle geasfalteerde weg over het platteland. Voor ons rijdt een verkiezingsstoet van de NLD, de partij van Aung San Suu Kyi. Er is in het dorp een bijeenkomst die druk wordt bezocht.
De weg eindigt inderdaad aan het water. Dit is de Chindwin rivier, nogal breed. De dorpelingen zijn vast blij dat ik kom, want de veerman komt meteen in actie. Overal vandaag komen opeens ook andere passagiers die naar de overkant willen. Een jongen met een motor brengt me tot aan de steiger, en biedt dan aan me verder te gidsen aan de overkant. Dat lijkt me wel handig, dus hijzelf en de motor gaan mee op de veerboot.
We varen in een minuut of 5 naar de andere oever. Helaas begint het te regenen, zelfs te gieten als we aanleggen. Ik schuil eerst bij een winkeltje, maar dan krijgt mijn ‘gids’ er blijkbaar genoeg van en regelt een paraplu voor mij. Hij loopt voor me uit door de straten van Pakhannge op weg naar.. waar naar toe eigenlijk? Niemand spreekt hier Engels, ik heb hem “Pakhannge Kyaung” als bestemming genoemd (het klooster van Pakhannge).
Door de regen is de weg één grote blubbermassa geworden. De jongen loopt steeds doelbewust een meter of 50 voor me uit, hij is vast niet bang om uit te glijden. Uiteindelijk komen we uit waar ik al bang voor was: bij het ‘moderne’ klooster van Pakhannge. Myanmar staat vol met kloosters, dus om precies die ene aan te wijzen waar ik naar op zoek ben (die oude houten) is nogal lastig.
Van het teakhouten klooster van Pakhannge weet ik niet veel meer dan dat het op 332 palen heeft gestaan. Die palen staan in ieder geval nog overeind, het gebouw zelf schijnt ingestort te zijn. Ik laat de nieuwsgierige aanwezigen in het nieuwe klooster van Pakhannge wat van mijn foto’s van eerder op de dag zien met daarop het houten klooster van Pakhangyi, in de hoop dat er een belletje bij ze gaat rinkelen. De foto’s worden enthousiast herkend als zijnde van Pakhangyi, en ze wijzen naar de weg waar ik net vandaan ben gekomen met de taxi. Ja waar Pakhangyi is weet ik wel, daar was ik een uur geleden al. Maar waar het klooster van Pakhannge is gebleven?
Terugblik Myanmar 2015
Het was alweer een tijdje geleden dat ik in Azië was, en ja, Myanmar is heel erg Azië. Soms lijkt het op India, dan weer meer op Zuidoost-Azië (Vietnam bijvoorbeeld). Door de jarenlange isolatie is het ook een wereld op zich, waar mannen in rokken rondlopen en mensen zich tegen de zon beschermen door hun huid in te smeren met een papje van de wortel van een lokale plant. Ook het boeddhisme heeft zich hier tot een eigen verschijningsvorm ontwikkeld.
Mijn favoriete deel van de reis was dat in en om Hsipaw, in de noordoostelijke Shan deelstaat: de geweldige treinreis er naar toe, het lekker relaxte plaatsje met zijn bijzondere dag- en nachtmarkten, de kleine nijverheid zoals het noedelfabriekje en niet te vergeten de avontuurlijke tocht te voet en achterop de motor naar het Palaung-dorp Pankam.
Myanmar is zeker een land om nog een keer naar terug te gaan, het land is te groot en te lastig te bereizen om in twee weken alles te kunnen zien. Dan ga ik misschien wel een paar weken later in het jaar, want het was nu overal net te stil om gezellig te zijn.
Voorbereiding
Eigenlijk zou ik in deze periode (eind september/begin oktober) een tweeweekse reis naar Azerbaijan en Noord-Iran maken. Maar een week of 4 vantevoren hoorde ik dat die werd geannuleerd vanwege onvoldoende deelnemers. Gelukkig had ik daar al een beetje rekening meegehouden, en Myanmar als eerste alternatief achter de hand.
Het hoogseizoen in Myanmar begint pas in november, dus het was geen probleem om nog accommodaties te vinden. De hotels in Yangon, Mandalay en Bagan heb ik vooraf via internet geboekt. 2x rechtstreeks bij het hotel geboekt via e-mail (snelle reactie, en betalen via Paypal) en 1x via Booking.com. Achteraf bleken de hotels ook lang niet vol te zitten, ik zag zelfs sterk dalende prijzen op Booking.com hoe dichterbij de datum kwam.
Voor Myanmar is een visum nodig. Dat kan tegenwoordig online worden gekocht – 50 US dollar, te betalen met een creditcard. Binnen een dag had ik het visum per mail retour.
Ik ben ook nog langs de GGD geweest voor een recept voor malariatabletten. Zoals zo vaak was dat weer weggegooid geld, ik heb tijdens de hele reis slechts 1 mug gezien (en meteen dood geslagen).
Vervoer
Vliegtuig
De internationale vlucht vanuit Nederland was een combinatie van KLM & Bangkok Airways. Goed aansluitende vluchten met een paar uurtjes om bij te eten en wat rond te lopen op het glanzende vliegveld van Bangkok.
In Myanmar zelf heb ik één binnenlandse vlucht genomen: van Bagan (Nyaung U eigenlijk) naar Yangon. Bagan heeft maar een klein en rommelig vliegveld. Vertrektijden zijn met de hand op borden geschreven (zie foto hieronder). Ze roepen wat en dan moet je een bus in, zelf een beetje opletten. Er vertrokken in de ochtend rond 8 uur meerdere vluchten van verschillende maatschappijen, dus heel overzichtelijk is niet. Ik had een paar dagen vantevoren geboekt via internet bij Asian Wings Airways, en kon online met creditcard betalen. De vlucht vertrok 20 minuten te vroeg, en maakte onderweg naar Yangon nog 2 stops (in Mandalay en Heho). De stops waren maar kort en ik kon gewoon blijven zitten. Er zijn geen gereserveerde zitplaatsen op deze vluchten, en er was nog plaats genoeg.
Bus en trein
De meeste verplaatsingen deed ik per lijnbus. Ondanks dat de afstanden niet zo groot zijn en de bussen expressbussen zijn (en dus onderweg niet stoppen voor meer passagiers), kost busreizen toch veel tijd. Voor de rit Yangon – Mandalay had ik vooraf via internet een kaartje gekocht via myanmarbusticket.com – dat werkte prima. De andere twee bussen heb ik geregeld via de receptie van de hotels waar ik verbleef. Beide waren minibusjes, die vertrekken niet van het busstation maar brengen je van deur tot deur.
De trein is natuurlijk een verhaal apart: ik maakt de mooie lange treinreis van Mandalay naar Hsipaw, 11.5 uur maar ik heb me geen moment verveeld. De rit in de Upper Class kostte slechts 4000 kyat/2,80 EUR.
Lokaal vervoer
De steden zijn te groot om alles te voet te doen. Een fiets huren is dan een mooi alternatief, en die hebben ze voor toeristen ook klaar staan. De Birmezen zelf rijden liever op een brommer/scooter/motor.
Overnachtingen
Het lijkt wel of alle hotels hier in de klasse 25-50 EUR hetzelfde handboek gebruiken. De kamers zagen er telkens nagenoeg hetzelfde uit. Ontbijt elke keer op een dakterras. Goed werkende airco op de kamer, dat is hier wel nodig. Gratis flesjes water op de kamer en fris & bier (tegen betaling) in de minibar. Allemaal keurig schoon, maar ook een beetje sfeerloos. Ik had veel ontmoedigende verhalen gelezen over de internetverbindingen in Myanmar, maar dat bleek in deze hotels alleszins mee te vallen. Met een beetje extra geduld lukte het me elke dag alle foto’s in origineel formaat te uploaden naar mijn fotosite op Flickr. Mailen of een beetje surfen was al helemaal geen probleem.
Yangon
Hotel Mila Noa is een fris en modern hotel in de wijk vlakbij de Shwedagon Pagode. Handig dus om tegen zonsondergang even naar toe te lopen. Het ligt in een beetje in het grensgebied tussen een oude buurt en moderne winkels. Erg vriendelijk en goed Engels. Ontbijt (van de kaart: ik had wentelteefjes en fruitsalade en heel behoorlijke capuccino) op dakterras met mooi uitzicht op de pagode.
Website: Hotel Mila Noa
Prijs: 50 EUR per nacht inclusief ontbijt
Best Western Chinatown is een smal en hoog hotel in de binnenstad van Yangon. Ik had hier een nogal kleine kamer op de 12e verdieping, met hoogpolig tapijt. Wel netjes, maar het extra geld niet echt waard. Internet ook niet zo snel. De buurt is heel druk en de trottoirs (voor zover die er zijn, met veel gaten erin) staan vol met kraampjes.
Website: Best Western Chinatown
Prijs: 90 EUR per nacht inclusief ontbijt
Mandalay
Ma Ma’s Guesthouse ligt wat afgelegen, eigenlijk te ver van het centrum om keuze te hebben aan restaurants ’s avonds. Ook is er vlakbij een lawaaiige tempel (de monniken zijn al vóór 4 uur aan het zingen!). Je kunt er een fiets huren, de douche is heet en er is meestal OK internet. Het ontbijt was elke dag exact hetzelfde, beginnend met 2 stukken meloen. De ligging en dat ontbijt deden me voor de twee resterende nachten in Mandalay switchen van hotel.
Website: Ma Ma’s Guesthouse
Prijs: 35 EUR per nacht inclusief ontbijt
Voor 2 nachten ben ik verkast naar Yadanarbon, om dichter in de buurt van het treinstation te zijn. Hier zijn uiteraard ook veel meer restaurants en winkels. Bijzonder servicegericht. Kreeg een ontbijtpakket mee voor in de trein, er is een geldautomaat in de lobby, ze regelen buskaartjes. En ook nog eens een heus ontbijtbuffet. Terecht populair hotel, het drukst bezette van mijn reis.
Website: Yadanarbon Hotel
Prijs: 28 EUR per nacht inclusief ontbijt
Hsipaw
Heel hartelijk welkom geheten bij Lily The Home, ze stonden zelfs onverwachts met transport klaar bij het station. Het is een wat Chinees aandoend hotel in het centrum van Hsipaw. Makkelijk om dingen te regelen. Had ook een eigen balkonnetje hier. Uitgebreid ontbijt van de kaart mogelijk, met o.a. pannenkoeken.
Website: Lily The Home
Prijs: 32 EUR per nacht inclusief ontbijt
Bagan
Het Bagan Empress Hotel is wat minder groots dan de naam doet vermoeden. Het ligt in New Bagan, in een rustige zijstraat van de hoofdweg. Ontbijt elke dag hetzelfde. Je kunt er ook een e-bike of e-scooter huren. Weinig tot geen andere gasten. Typisch hotel voor Myanmar, personeel wel behulpzaam maar verder totaal sfeerloos. Hier wel het snelste internet van deze reis!
Website: Bagan Empress Hotel
Prijs: 54 EUR (inclusief ontbijt)
Eten
Vaak wordt het eten als één van de mindere punten van Myanmar beschouwd, maar ik heb er toch elke dag goed gegeten. Voor de gezelligheid hoef je hier echter niet uit eten te gaan, als je niet uitkijkt sta je na 10 minuten al weer op straat. Restaurants hebben ook maar zelden een mooie locatie (uitzondering: het terras van The Club Terrace in Hsipaw) of gemakkelijke stoelen.
Ontbijt
Het ontbijt was het minst aantrekkelijk qua variatie. Ze serveren eigenlijk vooral toast en een gebakken ei. Met een beetje fruit erbij, niet zulke goede koffie en sinaasappelsap uit een pak.
Lunch
Er is niet zoveel verschil tussen lunch en diner: meestal probeerde ik tussen de middag in een lokaal restaurantje fried noodles (bami) of zoiets te nemen. Wat vooral opvalt is hoe goedkoop dat is: in Hsipaw betaalde ik een keer slechts 0,49 EUR voor een bak vol heerlijke Shan Noodles.
Diner
In alle plaatsen waar ik heb overnacht waren er ten minste 3 soorten restaurants: Birmees, Thais en Chinees. Die wisselde ik een beetje af. Het Birmees eten bestaat uit een curry als hoofdgerecht (garnalencurry, viscurry, kipcurry etc), dat in bakken de hele dag klaar staat. Dat klinkt niet zo hygiënisch maar ik heb nooit last van het eten gehad. Bij dat hoofdgerecht brengen ze dan nog een stuk of 5 schaaltjes met bijgerechten en soep.
Kosten
In Myanmar betaal je met de Kyat. 1000 kyat was in oktober 2015 0,70 EUR waard. En daar kun je al best wat mee: 2 blikjes frisdrank kopen in de supermarkt bijvoorbeeld, of een lunch in een eenvoudig restaurantje.
Per dag heb ik gemiddeld 79 EUR uitgegeven, dat is inclusief 1 binnenlandse vlucht (112 US dollar) en 2x een dag taxihuur (60-90 EUR). Met dat dagbedrag behoort het tot de goedkopere landen: het zit het in dezelfde range als India, het is iets duurder dan in Vietnam (waar de hotels veel voordeliger waren). Vooral het eten is in Myanmar erg goedkoop. Het goedkoopst heb ik geluncht voor 0,49 EUR (Shan noedels in Hsipaw), meestal was ik bij een restaurant inclusief wat te drinken zo’n 4 tot 5 EUR kwijt.
Tot niet al te lang geleden moesten toeristen alles in US dollars betalen (en dat dan ook in nieuwe en onberispelijke briefjes). Tegenwoordig kun je overal met kyat terecht, en die kun je ook gemakkelijk pinnen met een VISA creditcard. Mijn ING bankpas werkte de paar keer dat ik het geprobeerd heb niet. Ik had reservegeld bij me in dollars en euro’s, en daar heb ik een deel ook van gebruikt toen de geldautomaten een paar dagen niets meer uit wilden spugen. Een bezoekje aan een ouderwetse bank in Myanmar is sowieso leuk om een keer mee te maken: ze hebben het geld in pakken onbewaakt op de grond achter de balie liggen.















































Leave a comment