- Route
- #558: Panama Viejo en Historisch Panama-stad
- Het kanaal en de aapjes
- #559: De forten van Portobelo-San Lorenzo
- #560: De ruïnes van Léon Viejo
- #561: Kathedraal van León
- Wandelen naar de koffieboer
- Ometepe
- Fietsen naar El Ceibo
- Gasmaskers op in Masaya
- Granada is een beetje als Cuba
- Avontuur op de Mombacho
- Terugblik Nicaragua (en een beetje Panama) 2015
Route
Van 17 tot en met 31 januari reis ik door Centraal-Amerika. Eerst een stop-over van 3 dagen in Panama-Stad, en dan maak ik een rondje door Nicaragua.

| Datum | Programma | Verblijf |
| 17 januari | Vlucht Amsterdam – Panama: 11.25-16.40 uur met KL0757. Taxi naar hotel. | Hotel Coral Suites, Panama-Stad |
| 18 januari | Werelderfgoed (#1) Panama-Stad: de ruïnes van Panama Viejo en de oude binnenstad Casco Viejo. | Hotel Coral Suites, Panama-Stad |
| 19 januari | ’s Ochtends wilde dieren kijken in het Parque Metropolitano. Daarna naar de Miraflores Sluizen in het Panama-kanaal. | Hotel Coral Suites, Panama-Stad |
| 20 januari | Met de bus naar het kustplaatsje Portobelo (werelderfgoed #2). | Hotel Coral Suites, Panama-Stad |
| 21 januari | Vlucht Panama – Managua (Nicaragua): 12.08-12.52 uur met Copa Air. Door naar Léon met taxi of bus, 1.5 uur. Werelderfgoed #3: de Léon kathedraal. | Hotel Flor de Sarta, Léon |
| 22 januari | Met openbaar vervoer naar de ruïnes van Leon Viejo (werelderfgoed #4). Later op de dag nog de rest van de koloniale stad van Léon verkennen. | Hotel Flor de Sarta, Léon |
| 23 januari | Bus naar Matagalpa (3 uur). | Montebrisa B&B, Matagalpa |
| 24 januari | Omgeving van Matagalpa, zoals de Jinotega koffieplantages en het Selva Negra Nevelwoud. | Montebrisa B&B, Matagalpa |
| 25 januari | Bus of privétransport naar het zuiden van Nicaragua. Met de ferry naar Omotepe eiland. | Hospedaje Soma, Omotepe |
| 26 januari | Vulkaanwandeling. | Hospedaje Soma, Omotepe |
| 27 januari | Met de bus over het eiland, bezoek aan o.a. museum en een vogelpark. | Hospedaje Soma, Omotepe |
| 28 januari | Per boot en bus naar de koloniale stad Granada. | Los Patios Hotel, Granada |
| 29 januari | Bezoek Granada (mogelijk nieuw werelderfgoed). | Los Patios Hotel, Granada |
| 30 januari | Dagtocht in de omgeving, bijvoorbeeld naar de Masaya-vulkaan. | Los Patios Hotel, Granada |
| 31 januari | Terug naar Managua. Vlucht Managua – Panama – Amsterdam: 14.36-17.08-18.59 uur met KL0758. | Vliegtuig |
| 1 februari | Aankomst op Schiphol om 11.10 uur. | Thuis |
#558: Panama Viejo en Historisch Panama-stad
Wat is het?
Deze twee locaties in Panama-Stad zijn de getuigenis van de vroegste Europese nederzetting aan de kust van de Stille Oceaan. Panama Viejo werd in 1519 gesticht door de Spanjaarden, en groeide uit tot een voorbeeldstadje met de gebruikelijke variatie aan kerken. Na verwoesting door Engelse piraten in 1671 verlieten de Spanjaarden deze plek, en streken ze een paar kilometer verder neer in wat nu Casco Viejo heet (de oude binnenstad).
Cijfer: 7 (Vooral Panama Viejo beviel me. Het ligt op een sfeervolle, stille strook langs de kust. Van de gebouwen is niet veel meer over, maar toch nog genoeg om er een vroeg koloniale stad in te zien. Er zit een interessant klein museum bij, en ik liep er op mijn gemak over het netjes aangelegde terrein. Een groot deel van de tijd was ik alleen, alleen bij de toren van de kathedraal zag ik meer toeristen. Heel wat meer zelfs, daar is een tweede entree en die lijkt populairder dan de eerste bij het museum. Casco Viejo kon me niet zo boeien, ik heb al zo veel van dat soort Spaans-koloniale binnensteden gezien en dit is zeker niet de mooiste.)
Toegang: Panama Viejo kost voor buitenlandse toeristen 8 US dollar (voor Panamezen de helft). Daarmee krijg je toegang tot het museum en de ruïnes. De andere locatie, Casco Viejo, is gewoon een stadswijk die je zonder betalen kunt betreden.
Hoeveel tijd: Ik ben op elk van de locaties ongeveer een uur geweest. Daarmee heb je alles in Panama Viejo wel gezien. Casco Viejo vraagt misschien wat langer, maar ik had het warm en de meeste kerken/musea waren er op zondag gesloten.
Opvallend: De kans bestaat dat dit na juni 2015 geen werelderfgoed meer is: er wordt al jaren gedreigd met het afnemen van deze status, en het ultimatum verloopt in 2015. De reden is de aanleg van een viaduct in zee, een soort rondweg rondom de oude stad maar dan op pilaren over het water. Hiermee is (volgens de critici) het beschermde deel van Panama-stad zijn relatie met de Stille Oceaan verloren.
Deze kritiek geldt vooral Casco Viejo, een wijk die de afgelopen jaren juist erg is opgeknapt. Bij toetreding tot de Werelderfgoedlijst in 1997 was maar 5% van alle gebouwen in goede staat. Nu is dat 75%. Het is zelfs al een beetje de andere kant op doorgeslagen: in veel gerestaureerde huizen zijn restaurants, boetieks en chique koffiehuizen gekomen. De oude volkswijk waar je tot een paar jaar geleden nog erg goed op je spullen moest passen, is nu een toeristenmagneet geworden.
Het kanaal en de aapjes
Deze ochtend sta ik al om 5 voor 8 bij de entree van het Parque Natural Metropolitano. Ik heb me voor de verandering eens met een taxi laten brengen, er stopt geen bus op deze groene heuvel even buiten het centrum van Panama-Stad. Het park omvat een paar vierkante kilometer origineel tropisch woud, dat vol schijnt te zitten met vogels en zoogdieren. Er lopen enkele wandelpaden doorheen, de routes staan aangegeven bij het bezoekerscentrum. Ik betaal mijn 4 dollar entree en ga op pad voor de “lange” wandeling.
Al binnen 10 minuten zie ik enkele mooie vogels en een agoeti. Agoeti’s (ook wel goudhazen genoemd in het Nederlands) heb ik wel vaker gezien, hoewel dit een andere soort is dan die in Mexico of Zuid-Amerika. Maar ook deze Midden-Amerikaanse agoeti ziet er heel herkenbaar uit als een uit de kluiten gewassen roodbruine cavia. Dit deel van het pad loopt parallel aan de weg, en het is er dan ook geen moment stil. Het lijkt wel wandelen in Nederland met altijd het geruis van auto’s op de achtergrond. De dieren lijken zich er hier niet aan te storen.
Na een kwartiertje sla ik linksaf, het volgende pad op: de Mono Titi Trail. Het loopt hier omhoog, en het eindigt bij een uitkijkpunt over Panama-Stad. De weg is hier breder, er rijdt me zelfs een auto met enthousiast zwaaiende parkbeheerders voorbij. Ook lopen er meerdere mensen: lokale joggers en zwetende toeristen. Ik sta regelmatig stil om de oorsprong van de geluiden die ik om me heen hoor te vinden, maar alle beestjes zitten verstopt in het dichte bladerdek. Binnen het uur sta ik op de top, en ga op een bankje van het uitzicht genieten. Zo van een afstand lijkt Panama-Stad best mooi.
De terugweg gaat over hetzelfde pad. Na een minuut of 10 kom ik een jongen tegen die ongeveer gelijk met mij vertrok vanaf het bezoekerscentrum. Hij heeft een vogelgids en verrekijker mee, en doet het rustig aan. Hij wijst me op een boom waar “iets” een nest in aan het maken is. “Als je even wacht, dan komen ze misschien wel terug”, geeft hij als tip. Ik denk dat het een vogel is waar ik naar moet kijken, maar het nest blijkt van apen te zijn. En wel van de kleine roodnektamarin’s, die ik hoog op mijn verlanglijstje voor vandaag had staan!
Een Panamese jogger kijkt met mij naar de druk heen en weer rennende aapjes, het zijn er twee. Ze hebben wel iets weg van eekhoorns, zo klein en beweeglijk zijn ze. Het tweetal heeft wel een heel zichtbare plek uitgekozen voor hun nest: in een boom met kale takken, pal naast het wandelpad. We staan wel een kwartier naar boven te staren.
Hiermee is mijn ochtend alvast geslaagd. Ik loop op mijn gemak terug naar het bezoekerscentrum. Het is nog maar 10 uur als ik aan de verplaatsing begin naar het tweede reisdoel van de dag: de Miraflores-sluizen in het Panama-kanaal. Met wat inventiviteit vind ik een bushalte niet ver van het park: ik koop een colaatje bij een benzinestation, en vraag de jongen achter de kassa waar de dichtstbijzijnde halte is. Die blijkt om de hoek te zijn tegenover de universiteit. Alle bussen in de stad rijden uiteindelijk naar het Albrook busstation, zo ook deze. Vandaar kun je dan weer gemakkelijk overstappen op een andere bus. Een ritje kost slechts 0,25 dollar.
Voor de volgende bus moet ik even in de rij staan (ja, de Panamezen vormen een nette rij bij de bushaltes), pas bij de tweede bus naar Ciudad del Saber kan ik mee. We rijden nu echt de stad uit, door chique buitenwijken zoals Clayton. Zo luxe heb ik het hier nog niet gezien. De bus stopt keurig voor de deur van het bezoekerscentrum van de Miraflores-sluizen. Het Panamakanaal levert de Panamese staat heel wat op, en ze verdienen nog eens extra aan alle toeristen die 15 dollar entree moeten betalen om de sluizen en boten van dichtbij te kunnen gadeslaan.
Ik word bij binnenkomst meteen naar de 4e verdieping gedirigeerd: daar is het uitkijkpunt, en er komt net een groot schip voorbij. Ze maken er een heel spektakel van voor de zeker 100 tot 150 aanwezige bezoekers. De doorgang door de sluizen wordt door een luidspreker in het Spaans en Engels van commentaar voorzien: waar de schepen vandaan komen, hoe lang het duurt voordat ze de sluizen door zijn en zo meer. Het is toch wel een imposant gezicht.
Beneden bij de uitgang kijk ik nog een film over heden en verleden van het Panama-kanaal. De Miraflores-sluizen zijn één van de 3 sluizen in het kanaal, er wordt momenteel gewerkt aan een extra set sluizen om meer verkeer aan te kunnen. Per schip ontvangt Panama gemiddeld 135.000 dollar voor de doorvaart door het kanaal.
Na anderhalf uur houd ik het voor gezien. Ik wacht geduldig op de bus terug naar de stad, terwijl steeds meer mensen om me heen zwichten voor taxi’s. Op de heenweg was ik ook al de enige toerist in de bus. Ik heb nu een rechtstreekse bus naar Albrook – binnen 10 minuten sta ik op het inmiddels overbekende busstation. Er ligt ook een groot winkelcentrum naast, waar ik mijn lunch koop. En aan de andere kant is het gloednieuwe metrostation, vanwaar ik soepeltjes terugreis naar mijn hotel in de wijk Cangrejo. Het openbaar vervoer hier in Panama-Stad heb ik inmiddels wel onder de knie.
#559: De forten van Portobelo-San Lorenzo
Wat is het?
Portobelo en San Lorenzo waren twee vestingen aan de Atlantische kust van Panama. De Spanjaarden legden hier in de 17e en 18e eeuw een ring van forten, batterijen en andere militaire bouwwerken aan om hun transatlantische handel te beschermen tegen vooral Engelse piraten. Het fort bij San Lorenzo beschermde de toegang tot de monding van de Chagres rivier, die doorgang bood door Panama naar de Stille Oceaan. Vanuit de haven van Portobelo werd vervolgens het zilver uit Peru naar Europa verscheept.
Cijfer: 7 (Ik bezocht alleen Portobelo, San Lorenzo is niet met het openbaar vervoer te bereiken. De Werelderfgoedlijst staat vol met oude fortificaties, en dit is zeker niet het mooiste of het meest complete. Ook in zijn tijd was het eigenlijk een verdediging van niks: een serie kanonnen op een rij, makkelijk kwijt te raken maar ook eenvoudig weer te heroveren. De restanten van de forten zijn in slechte staat, het lijkt wel of er jaren niets meer aan gedaan is. Dat is ook de reden dat het op de Lijst van bedreigd werelderfgoed staat. Toch hangt er een bepaalde sfeer, en ik ben blij dat ik ook dit stukje Caribisch Panama heb gezien.)
Toegang: Toegang tot de forten is gratis. In het voormalige douanegebouw is een klein museum gevestigd, de entree is daar 5 dollar.
Hoeveel tijd: Ik ben er zo’n twee uur geweest: twee forten bekeken, wat door het plaatsje gedwaald en rijst met kip gegeten in een lokaal restaurant.
Opvallend: Portobelo ligt zo’n 90 kilometer van Panama-Stad, precies aan de andere kant van dit smalle land en dus aan de Caribische kust. Ik ging erheen met het openbaar vervoer: eerst 45 minuten in de expres-bus naar Sabanitas, en daar overstappen op de typisch-Panamese Diablo Rojo (Rode Duivel). Dat is een omgebouwde Amerikaanse schoolbus, overgeschilderd in felle kleuren. In Panama-Stad zijn ze wat naar de achtergrond verdwenen door de komst van de keurige Metrobus, maar hier op het platteland hebben ze nog het alleenrecht. Ze heten “duivels” omdat de chauffeurs als gekken rijden en zich luid toeterend een weg banen door het verkeer.
De chauffeur van de bus naar Portobelo doet het vandaag echter rustig aan. Muziekje aan, en stoppen op iedere straathoek. Ik krijg volop de tijd om van de omgeving te genieten. Van alle landen waar ik ben geweest lijkt het denk ik nog het meest op Cuba, alhoewel het soms ook aan Suriname doet denken. Na een uurtje slingeren over het platteland en door gehuchtjes komen we aan bij het eindpunt van de rit: de kerk van Portobelo.
Ik heb een plattegrondje van de plaats bij me, maar desondanks loop ik eerst de verkeerde kant op. Ik moet de forten toch echt aan het water zoeken, niet verder landinwaarts. Portobelo ligt aan een prachtige baai, zo mooi dat Columbus zelf in 1502 de naam bedacht: “Puerto Bello” (mooie haven). Ook nu dobberen er nog zeker 20 pleziervaartuigen in het water. Met een beetje fantasie lijkt het zelfs op de Baai van Kotor .
Het voormalige douanegebouw in de haven van Portobelo
Als je naar de staat van de gebouwen kijkt weet je wel dat je niet meer in Europa bent. Mijn eerste schok is eigenlijk al dat je zo het Fort van San Jeronimo binnen kunt lopen: er is geen toezicht of bewaking. Het afval (lege flessen drank!) ligt overal. Maar dat blijkt nog niet het ergste: ongeveer een derde van het fort staat onder water. Dit schijnt al sinds 2011 het geval te zijn. Ze hebben heel attent nog twee grote stenen in het water gelegd zodat je nog op een hoger gelegen deel van het terrein kunt komen. Maar de meeste mensen haken hier al af.
Bij dit fort ligt het oude douanegebouw. Van buiten ziet het er nog indrukwekkend uit, maar op de bovenste verdieping hebben vogels bezit genomen van de nissen en hoekjes. En dus ligt er overal vogelpoep. De begane grond is nog wel in gebruik door mensen: hier zit het museum van de stad. Je krijgt eerst een video te zien over de geschiedenis van Portobelo, en daarna is er een kleine tentoonstelling te bezoeken.
De huizen van de inwoners van Portobelo zien er al net zo beroerd uit als het fort – aangetast door water, weer en wind. De meeste mensen die er wonen zijn afstammelingen van de slaven die door de Spanjaarden te werk werden gesteld, ofwel Antillianen die aan het Panamakanaal hebben gewerkt. Als je het positief wilt bekijken, hangt er een relaxte Caribische sfeer in het dorp. Armoedig en lethargisch zou je het ook kunnen noemen – een buitengebied ver verwijderd van het moderne Panama-Stad.
#560: De ruïnes van Léon Viejo
Wat is het?
De Ruïnes van Léon Viejo zijn de overblijfselen van één van de oudste Spaanse nederzettingen in Amerika. In zijn bloeitijd woonden er ruim 200 Spaanse gezinnen, waren er drie kloosters met elk een kerk en ruim opgezette openbare gebouwen. Deze Spanjaarden hielden duizenden lokale Indianen onder de duim. De plaats werd gesticht in 1524, en weer verlaten in 1610 na een grote aardbeving. Sindsdien is het onaangeroerd gebleven. Pas in 1967 is het herontdekt en zijn de eerste opgravingen gestart. Leon Viejo ligt aan het grote meer Lago de Managua én aan de voet van de Momotombo-vulkaan.
Cijfer: 6,5 (Er is wel heel weinig van over. Het meeste zit nog onder de grond, is nooit opgegraven. Of het is er gewoon niet meer. Het verhaal is ook een beetje hetzelfde als bij het 5 jaar oudere Panama Viejo, waar ik een paar dagen geleden was: het gaat hier om één van de vroegste Spaanse steden, die al na relatief korte tijd werd verlaten vanwege zijn ongunstige ligging en andere rampspoed.)
Toegang: De entree kost 5 dollar. Daarbij is een rondleiding met een gids inbegrepen. Ze schijnen ook Engelstalige gidsen te hebben, maar men keek erg opgelucht toen ik zei dat ik wel genoeg Spaans versta om een verhaal in die taal aan te kunnen. Aan het gastenboek te zien, dat je verplicht moet signeren, komen er zo’n 5 tot 10 buitenlandse toeristen per dag. Ik was vandaag om 10 uur de eerste.
Hoeveel tijd: De rondleiding duurde ongeveer een uur. Het is nog best een uitgestrekt terrein, en er zijn drie tentoonstellingsruimtes.
Opvallend: Na de dagtocht van eergisteren per lokale bus naar Portobelo heb ik de smaak van het Middenamerikaanse openbaar vervoer helemaal te pakken. Dat de 45 kilometer van Léon naar Léon Viejo dan ook alleen te overbruggen is met twee afgeschreven schoolbussen, maakt de trip des te leuker. Het kost alleen veel tijd, dus ook vandaag ben ik al weer vóór 8 uur op pad.
Vanaf het busstation in Léon pak ik een express-bus richting Managua, die net op punt van vertrekken staat. De omgebouwde Amerikaanse schoolbussen die in Panama op hun retour zijn, zijn hier in Nicaragua nog steeds het belangrijkste vervoermiddel. Na een kilometer of 30 stap ik uit in de plaats La Paz Centro. Hier moet ik overstappen richting Puerto Momotombo, het plaatsje waarbij de ruïnes liggen. Een man die bij me in de eerste bus zat, helpt me een tuktuk in om me naar de volgende bus te brengen – die vertrekt namelijk vanaf de andere kant van de stad.
Paard en wagen zijn hier nog heel gewoon
Met de rit naar Puerto Momotombo ga ik echt het Nicaraguaanse platteland op. We delen de onverharde weg met fietsers, brommers en paard-en-wagens. De mensen leven hier van de landbouw. Af en toe passeren we een groot informatiebord met leuzen die in Cuba niet zouden misstaan. De slogan van de Sandinisten (voormalig marxisten) die weer aan de macht zijn, is: “Nicaragua: Christelijk, Socialistisch, Solidair”. Dat is blijkbaar ook van toepassing op de aanleg van wegen: het bord vermeldt verder dat de weg naar Puerto Momotombo wordt geasfalteerd.
In de omgeving liggen twee grote vulkanen die het landschap domineren. Het is een mooie en rustige rit, die na drie kwartier eindigt aan het einde van het dorp en bij het bord naar de ruïnes. De buschauffeur wijst me nog even de weg, maar het is niet te missen. Na het betalen van de entree krijg ik gids Laetitia mee. Ze vertelt aan één stuk door, in het museum waar de bewijzen te zien zijn dat de inheemse Nicaraguanen contact hadden met Peru voordat de Spanjaarden kwamen. En op het terrein met de opgravingen. Daar ben ik (tot haar verbazing) misschien wel meer geïnteresseerd in de vogels, een eekhoorn en bomen met mij onbekende vruchten dan in de oude stenen.
Na een uurtje rondgeleid te zijn over het terrein, wordt het tijd voor de bus terug. Ik meld me in de hoofdstraat van Puerto Momotombo. Geen idee wanneer de bus komt, maar het is geen straf om hier te wachten. Ik zit lekker in de schaduw voor een winkeltje, en laat het leven op straat aan me voorbijtrekken. Ik zie meerdere straatverkopers, die van deur-tot-deur gaan om hun producten zoals plastic spul en fruit te verkopen. Verder wordt er hier heel wat gefietst door jong en oud. Er is trouwens veel “jong” op straat, je vraagt je af of die niet op school zouden moeten zitten. Ook zwerven er enkele uitgemergelde honden in het rond.
Langzamerhand krijg ik gezelschap op de trappen voor de winkel. De bus is vast in aantocht. Om het nog even duidelijk te maken dat hij eraan komt, toetert hij al van verre. Een zitplaats vinden is net als vanochtend geen probleem. De overstap gaat dit keer ook vlot, en voor een totaal aan 1 dollar (enkele reis) sta ik na zo’n 2 uur weer in mijn overnachtingsplaats Léon.
#561: Kathedraal van León
Wat is het?
De Kathedraal van León is gebouwd tussen 1747 en 1814, toen León de hoofdstad van Nicaragua was. De architect kwam uit Guatemala, en hij vermengde Grieks-Romeinse elementen met barok en inheemse tradities tot een stijl die de lokale bevolking aansprak. Het gebouw heeft altijd zijn oorspronkelijke functie gehouden, en is geheel intact. De kathedraal is dusdanig van structuur dat hij aardbevingen kan weerstaan: laag, met dikke muren.
Cijfer: 7 (“Weer een kathedraal”, dacht ik, toen deze in 2011 op de Werelderfgoedlijst verscheen. Er staan namelijk al 150 andere kathedralen op de lijst, vaak als onderdeel van een stadscentrum in Europa of Latijns-Amerika. Ik kan me er nauwelijks toe zetten nog Gothische kathedralen in Europa binnen te gaan. Maar gelukkig heeft deze kathedraal van León veel eigenaardigheden: hij is reusachtig, superwit en in een rare mix van bouwstijlen opgetrokken.)
Toegang: Het “gewone” deel van de kathedraal kun je zo inlopen. Er zitten ook telkens wel gelovigen te bidden. Voor de “speciale” ruimtes en het dak moet je betalen: een kaartje kost dan 3 dollar.
Hoeveel tijd: Verdeeld over 3 bezoeken op verschillende momenten van de dag ben ik er zo’n anderhalf uur binnen geweest.
Opvallend: Een kathedraal of een kerk bezoeken is gewoonlijk heel gemakkelijk: de deur staat meestal de hele dag open, je loopt een rondje en dat is het dan. Deze kathedraal van León heeft echter een gebruiksaanwijzing. Ik moest eerst het werelderfgoeddossier bestuderen om te zien wat er nu zo bijzonder aan is. In het publiek toegankelijke deel liggen enkele bekende Nicaraguanen begraven. Het opvallendst is de tombe van de dichter Ruben Dario: deze wordt gesierd door een huilende leeuw (“León” betekent “Leeuw” in het Spaans).
Voor de meer bijzondere delen moet je een kaartje kopen. Het loket hebben ze aan de achterkant van het gebouw verstopt, een smalle houten deur in de hele brede kathedraalmuur. Het is ook maar bepaalde delen van de dag geopend, de precieze tijden zijn alleen te zien als de deur open is! Volgens de Lonely Planet zou-ie om 8 uur opengaan, ik meende zelf ergens half 9 gelezen te hebben maar de houten deur blijft dicht. Ik posteer me in de schaduw aan de overkant, en wacht geduldig tot er wat gebeurt. Tegen kwart voor 9 komt de ticketmevrouw aanzetten (de echte openingstijd is echt half 9). Gelukkig gaat ze wel meteen aan het werk, en verkoopt me een kaartje voor toegang tot het dak en de Patio del Principe.
Het dak zelf bereik je via weer een andere onopvallende deur. Gelukkig had ik al gelezen waar ik die moest vinden. Ze zijn erg trots op het dak geloof ik: ze zijn daarmee namelijk helemaal klaar met schoonmaken en verven. Het is spierwit, net een slagroomtaart. Ze willen het ook graag wit houden, dus moet je bovenaan de trap je schoenen uitdoen. Al dat wit doet zeer aan je ogen, maar het moet gezegd: de torentjes zijn prachtig.
Daarna wil ik de Patio del Principe bezoeken. Maar hoe kom ik daar binnen? Eerst maar weer terug naar de kaartjesverkoopster. Ze legt me uit dat er in de kathedraal een “jeugdig persoon” is die me een rondleiding zal geven op vertoon van mijn kaartje. Ik weer de enorme kathedraal in, er zijn tientallen mensen binnen dus wie moet ik aanspreken? Ik wapper maar wat met mijn entreekaartje, in de hoop dat het opvalt. Ik hoor “psst” achter me: een vrouw zegt dat ik voor de rondleiding achter in de kerk moet zijn, daar zit een meisje te lezen en dat is de gids! En inderdaad, op de achterste bank vind ik een lezend meisje. Ik moet haar nog eerst aanspreken voordat ze het in de gaten heeft dat er werk aan de winkel is. Het lijkt wel een speurtocht.
Ze gaat de sleutel halen, en we lopen dan met z’n tweeën het afgeschermde deel van de kathedraal in. Hier was vroeger het klooster. We zien een soort vergaderruimte met afbeeldingen van alle bisschoppen die de kathedraal door de eeuwen heen bestuurd hebben. Tot slot is er de Patio del Principe, de kloostergang, die in een typisch Nicaraguaanse stijl gebouwd is (wat dat ook moge zijn). Het doet me vooral Spaans-Arabisch aan.
Wandelen naar de koffieboer
Mijn privé-tour naar de koffieboer begint deze ochtend op het lokale busstation van Matagalpa. Het loopt tegen het einde van het koffieseizoen, en grote balen koffiebonen (45 kilo per zak) worden per bus vanuit de heuvels naar de stad gebracht om verder te worden verwerkt. Ten zuiden van deze stad liggen de “droge” koffiefabrieken, waar de bonen nog maanden moeten drogen.
Met gids Daniel van Matagalpa Tours start ik na zo’n 3 kwartier in de bus met de wandeling. We kijken eerst bij een waterval met meertje, dat dienst doet als zwembad voor de inwoners van Matagalpa (er wordt ook entree geheven).
Zo ziet het landschap er hier in de koffieheuvels ten noorden van Matagalpa er uit. Het is vlak na de regentijd, dus alles is mooi groen. De wandeling stijgt af en toe stevig, maar we doen rustig aan. We lopen over paadjes die door de inwoners worden gebruikt om van de ene boerderij naar de andere te komen.
Gids Daniel heeft een groot vogelboek bij zich om de vogels op te zoeken die we zien. Het is trouwens een boek met vogels in buurland Costa Rica: dat soort boeken over Nicaragua zijn er niet. Hij heeft een goed oog voor vogels, en streept de soorten aan die hij nog niet eerder gezien heeft. Vandaag ziet hij toch twee nieuwe. Gelukkig ziet hij andere dieren even scherp: zoals dit tussen de bladeren verscholen, op een tak slapend stekelvarken.
Daniel spreekt erg goed Engels, iets wat hij naar zijn zeggen van TV-series geleerd heeft (hij heeft ook een Amerikaans accent). Terwijl ik sta uit te hijgen in de schaduw na weer een steil klimmetje, zegt hij opeens: “Weet je, soms kijken wij naar de dieren. Zoals net bij het stekelvarken. Maar meestal kijken de dieren eerst naar ons. Kijk maar eens achterom.” En wat hangt daar aan een tak: een luiaard die met grote ogen naar ons hangt te kijken! Blijer dan met een luiaard kun je me niet maken, ik vind het zulke grappige beesten. Maar ze zijn heel moeilijk zelf te spotten: ze hangen meestal heel stil en maken geen geluid. En als ze denken dat er gevaar dreigt, rollen ze zich op tot een bolletje.
Het houdt maar niet op met de wilde beesten tijdens de wandeling. We achtervolgen ook nog een tijdje een toekan die we voorbij hebben zien vliegen, maar die wil maar niet op een fotogeniek plekje gaan zitten. Aan het eind treffen we nog een grote groep brulapen hoog in de bomen, onder leiding van dit mannetje.
De wandeling eindigt in een gehucht met meerdere boerderijen. Eén van de families heeft het wat grootser aangepakt, en runt ook de dorpswinkel en ontvangt toeristen. We eten er eerst lunch – een standaard Nicaraguaans maal van rijst, kip en bonen. Daarna lopen we met één van de dochters naar hun plantage en koffiefabriekje.
De dochter legt ons het koffieproces van begin tot eind uit. Het is nogal bewerkelijk en al het plukken gaat met de hand. Ze beginnen met jonge koffieplanten te kweken in plastic zakken, die dan later in het jaar in de grond worden gepoot. Daarna duurt het nog 3 jaar voordat ze de eerste koffievruchten gaan dragen.
Rijpe koffievruchten zien er zo uit. Op deze koffieplantage staan de planten tussen allerlei andere gewassen zoals cacao en bananen. De veel hogere bananenplanten geven wat schaduw aan de koffieplanten, en de cacao planten ze ter diversificatie. Alleen koffie verbouwen is te kwetsbaar, soms ontstaat er schimmel op de planten en dan moeten ze weer helemaal opnieuw beginnen met jonge plantjes. Van de familie die we bezoeken runt de vader deze boerderij, en werkt de moeder op een koffieplantage zo’n 50 kilometer verderop. De dochters beheren de winkel en leiden toeristen rond.
In het koffieseizoen krijgt de familie hulp van zo’n 20 plukkers om alle vruchten van de planten af te halen. In zakken brengen zij die naar het fabriekje.
Door een machine worden de blanke bonen gescheiden van de rode vruchten. Ook worden ze schoongespoeld. Uiteindelijk komen er koffiebonen in 3 verschillende kwaliteiten uit. De beste is bestemd voor de export.
Deze boer is druk bezig allerlei certificaten te halen om als organische boer erkend te worden, zodat hij de 10% duurdere Fair Trade koffie kan leveren. Wat me vooral opviel aan deze koffieplantage is hoe ontzettend veel werk het is, en welke tijdsinvestering en risico’s het vraagt om überhaupt tot een zak met koffiebonen te komen. En dan ben je hier nog maar halverwege het proces: in de “droge” fabrieken moeten de bonen nog gedroogd en gebrand worden. We sluiten de tour uiteraard af met een kop eigen koffie van de boer.
Ometepe
Ometepe is een groot eiland in het reusachtige Meer van Nicaragua. Met 8264 km² is dit het op één na grootste meer van Latijns-Amerika. Je kunt er sinds vorig jaar ook met het vliegtuig komen, maar ik kies voor de traditionele manier: per boot. Vanuit de haven van San Jorge vertrekken een keer of 10 per dag veerboten en kleinere motorboten. Bij mijn aankomst rond het middaguur varen er alleen lanchas – motorboten die mensen en goederen vervoeren. Ze zijn wat instabieler dan de iets grotere veerboten die ook auto’s meenemen, en op dit meer dat de karakteristieken heeft van een inlandse zee kunnen de golven flink zijn. Maar ik heb geen zin om te wachten, en stap aan boord voor de overtocht van een uur. Het kost 35 Cordoba, ca. 1 EUR. De overtocht verloopt vlekkeloos.
De (grote) veerboot, met op de achtergrond de vulkaan Concepcion op Ometepe
Ik verblijf drie nachten in Moyogalpa, een van de grotere plaatsen op het eiland en ook daar waar de boten aankomen. De volgende dag wil ik vroeg op pad om het eiland met het openbaar vervoer te verkennen. Daarvoor moet je geen haast hebben. Volgens de eigenaar van mijn hotel vertrekt er ieder uur een bus om 20 minuten over het uur. Ik sta al bij de halte om 8 uur, net als 2 andere toeristen. En we wachten en wachten, maar geen bus. De eerste vertrekt pas om half 10.
Mijn eerste bestemming van de dag is Charco Verde. Dat is een hotel / restaurant / vlindertuin, vanaf waar je het gelijknamige natuurgebied in kunt lopen. Er zijn wel wat meer mensen, maar er zijn meerdere paden en dus loop ik al snel alleen. Uiteindelijk loop je een langer of korter rondje langs een meertje. Het is al weer zeer heet vandaag, en aan de kale takken en dorre bladeren op de grond kun je wel zien dat het hier al tijden niet meer geregend heeft.
Het park staat bekend om zijn vogels. Vooral een soort blauwe ekstergaaien fladderen er in groten getale rond. Dit zijn blauw met witte vogels, met een kuifje en een lange staart. Vanochtend vroeg heb ik er ook al eentje gezien in de tuin van mijn hotel, vanaf de hangmat voor mijn huisje. Maar hier in het park wil ik betere foto’s proberen te maken. Gelukkig maken ze ook veel lawaai, dus je weet snel of ze in de buurt zijn. Ik zie hier veel paartjes, en zelfs een keer een trio bij elkaar.
Tegen twaalven pak ik de bus verder naar het noordwesten van het eiland. De route eindigt in de plaats Altagracia. Dit is een wat minder toeristisch oord dan veel andere op het eiland. Ik heb geen plattegrond en ben vergeten wat er te zien zou moeten zijn, maar lunch hebben ze vast wel. Net als elke andere door het plaatsje dwalende toerist kom ik terecht in Comedor El Buen Gusto (Eethuis de Goede Smaak). Sommigen bestuderen nog ijverige de menukaart, maar wat ze natuurlijk hebben is rijst met kip. Dat is wel het nationale gerecht van Nicaragua. Ik krijg dit keer een kipfilet, ook lekker.
In het centrum van Altagracia staat natuurlijk een kerk. Deze ziet er nogal gehavend uit: alleen het karkas lijkt er nog te staan. Ze zijn hem aan het opknappen. De houten toren ernaast is denk ik de voormalige klokkentoren.
Naast de kerk hangt een groot bord met daarop “Toeristen welkom”. Ik herinner me uit de reisgids dat er iets van een museum met precolumbiaanse beelden moet zijn. Hier in de open lucht staan zes verweerde basalten standbeelden op een rij. Onder het bord “Toeristen welkom” blijkt de boodschap te staan: “je mag foto’s van de beelden maken, maar geef dan wel een donatie van 1 dollar per persoon aan de kerk”. Het is moeilijk iets te zien in de beelden, ze stellen menselijke figuren voor. Zonder uitleg of wat dan ook.
Er moet hier ook een museum zijn, maar dat kan ik niet vinden. Misschien is het in de nieuwe kerk? Na alle straten in het centrum van dit 7000 zielen tellende stadje nog eens doorgelopen te hebben, pak ik de bus van half 3 terug naar mijn huisje met hangmat in Moyogalpa.
Fietsen naar El Ceibo
Voor mijn tweede en laatste volle dag op Ometepe heb ik het plan opgevat om een fiets te huren, en naar de musea van El Ceibo te fietsen. Net als Charco Verde waar ik gisteren was is El Ceibo een boerderij, waar ze wat nevenactiviteiten hebben bedacht om aan het toerisme te verdienen. In dit geval gaat het om een archeologisch museum en een numismatisch museum (met Nicaraguaanse munten en papiergeld). Het is 8 kilometer fietsen, dat moet te doen zijn ondanks de hitte, heuvels en wind hier op het eiland. Een dag fietshuur kost 5 dollar, en om kwart over 8 ga ik op pad.
Die kant op, als de vulkaan uitbarst
Het voordeel van fietsen is altijd dat de omgeving niet zo snel aan je voorbijtrekt, en dat je kunt stoppen waar je wilt. Al vlak buiten de stad Moyogalpa is er iets opmerkelijks: je rijdt daar over de start- en landingsbaan van het pas aangelegde vliegveld. Al het verkeer kruist deze baan, ik neem aan dat ze het afzetten als er een keer een vliegtuig landt.
Gisteren vanuit de bus had ik ook al de gele waarschuwingsborden gezien voor het geval de actieve vulkaan Concepcion op het eiland uitbarst. Je moet zo snel mogelijk richting strand. Het fietsen gaat gemakkelijk, er zijn wel wat heuveltjes maar over het algemeen is het vlak en lijk ik de wind mee te hebben. Binnen drie kwartier ben ik dan ook al bij de afslag naar El Ceibo. Daar wacht nog zo’n anderhalve kilometer zandpad voordat ik mijn fiets kan stallen op het verder lege parkeerterrein.
Hoewel ik niet zo geïnteresseerd ben in oude munten, besluit ik een kaartje te kopen voor beide musea. Het is vrij prijzig voor Nicaraguaanse begrippen: 8 dollar in totaal. De prijzen staan vaak aangegeven in dollars, maar je kunt net zo goed in Nicaraguaanse Cordoba’s betalen. Ook bij de geldautomaten kun je kiezen of je dollars of Cordoba’s wilt pinnen. Als je iets duurs moet betalen zoals een hotel dan zijn dollars handiger, de Cordoba is niet zoveel waard.
Ik krijg een gids mee, en samen gaan we het gebouw van het archeologisch museum binnen. Ik had me er eerlijk gezegd niet veel van voorgesteld – een museumpje bij een boerderij, dat is vast iets kleins. Het blijkt echter een gebouw van twee verdiepingen te zijn, met meerdere tentoonstellingsruimtes. Het is bijna allemaal keramiek, uit vier verschillende periodes variërend van 3000 voor Christus tot de komst van de Spanjaarden in de 16e eeuw. Alle objecten zijn hier op het eiland gevonden, en liggen sinds 2007 bij elkaar in dit museum.
Behalve grote urnen zijn er ook veel kleinere voorwerpen. Het keramiek van latere datum is beschilderd, en komt in de vorm van apen, honden en menselijke figuren. Het kleinste en oudste object in dit archeologisch museum is een speerpunt in de vorm van een visje.
Er tegenover ligt het museum met de munten en de bankbiljetten. Ook dit is professioneel van opzet, en laat feitelijk de geschiedenis van Nicaragua aan de hand van geld zien. We beginnen met het geld van nu, de felkleurige briefjes van polymeer zijn geïntroduceerd tijdens de huidige ambtstermijn van Ortega als president. Ze laten belangrijke gebouwen en voorwerpen zien uit de Nicaraguaanse cultuur. Als je de hele collectie bekijkt, vanaf de tijd van de dictatuur van de Somoza-familie sinds de jaren dertig tot nu toe is er één die constant wordt afgebeeld op een bankbiljet: de Nicaraguaanse dichter Ruben Dario.
Het Sandinistische hoekje in het monetair museum
De andere afgebeelde nationale helden verschillen nogal: dictator Somoza liet zijn zus afbeelden op het toen meest gebruikte biljet (1 cordoba), de Sandinisten gebruikten en gebruiken telkens het geboortehuis van revolutionair leider Augusto César Sandino. Ook zijn er biljetten te zien uit de tijd van de hyperinflatie eind jaren 80, met een briefje van 10 miljoen cordoba als hoogtepunt.
Na een uur heb ik alles gezien wat er te zien valt, en stap ik weer op de fiets terug. Het is inmiddels nog heter geworden natuurlijk. Maar ik heb het idee dat de terugweg iets meer heuvelaf gaat dan de heenweg. Ik stop nog een keer om iets te drinken te kopen bij een winkeltje. Op een bankje kijk ik nog maar eens wat er hier zoal aan verkeer voorbijkomt. Vooral de cowboys met een paar ossen, koeien en paarden die gewoon door de hoofdstraat banjeren zijn het bekijken waard.
Gasmaskers op in Masaya
Vanuit Ometepe arriveerde ik al tegen het eind van de ochtend in mijn laatste pleisterplaats van deze reis, Granada. Vroeg genoeg om nog iets “actiefs” te gaan doen. Ik heb gelezen over de avondtours naar de vulkaan Masaya, en daar blijkt voldoende vraag naar te zijn om de tour vandaag door te laten gaan. We vertrekken om 15 uur, en komen terug in Granada om 19.30 uur.
Er blijkt zelfs zoveel belangstelling te zijn, dat de groep verdeeld wordt over twee busjes. We zijn met 17 man, voornamelijk Amerikanen. We rijden eerst in een half uurtje naar de stad Masaya. Daar krijgen we een uur om de markt met handwerk/souvenirs te bezoeken. Dat was voor mij niet nodig. Met een foto van de historische buitenkant (begin 20e eeuw) ben ik klaar.
Om half 5 gaan we dan echt naar de vulkaan, die even buiten de plaats Masaya ligt. Het bijzondere eraan is dat je met de auto helemaal totaan de krater kunt komen. Er is een groot parkeerterrein bij, en er staan meerdere auto’s en busjes. Het is een van de weinige plekken op aarde waar je zo dicht bij een actieve vulkaan kunt komen. Er staat wel een bord bij dat je er niet langer dan 5 minuten mag blijven in verband met giftige gassen, maar verder is er geen enkele afbakening. Er komt zoveel stoom uit dat je niet in de krater zelf kunt kijken.
Vanaf de parkeerplaats gaan we nog een stukje verder omhoog met de busjes, en maken dan een korte wandeling naar de resten van een andere krater. Vanaf hier heb je een mooi uitzicht over de vulkaanrijke omgeving. Nicaragua is echt het land van de vulkanen.
De zon is inmiddels ondergegaan. We verplaatsen ons met de busjes naar een ander deel van het Masaya Nationaal Park. Hier gaan we een wandeling door een lavagrot doen. We krijgen als uitrusting allemaal een helm, zaklantaarn en een gasmasker mee. Vooral het gasmasker zorgt voor veel hilariteit, want hoe zet je zo’n ding op? Uiteindelijk lukt het wel, maar hebben we hem nauwelijks nodig gehad.
Achter de gids aan lopen we een 700 jaar geleden door lava uitgesleten ondergrondse gang in. Je ziet er voornamelijk resten van verschillende soorten lava. Aan het einde van het toegankelijke deel van de grot hangt een grote groep baby-vleermuizen tegen het plafond.
Even verderop gaan we in het donker staan wachten bij de uitgang van een andere grot. Hier moeten vleermuizen naar buiten komen. In het donker zijn ze alleen niet te zien, dus ik maak op goed geluk maar wat foto’s met de flits aan en hoop er eentje op beeld te vangen. Dat blijkt een goede tactiek.
Ik kan niet zeggen dat de vleermuizen en masse naar buiten komen, echt spectaculair is het niet. Maar toch is deze tour een leuke besteding van een namiddag en avond. En als souvenir blijven mijn kleren (en haren!) tot de volgende dag stinken naar zwavel.
Granada is een beetje als Cuba
Na een Nicaraguaans ontbijt met gallo pinto (rijst met bonen) start ik de gestructureerde verkenning van Granada. Dit is de op twee na grootste stad van Nicaragua, maar het heeft maar zo’n 80.000 inwoners. Het is ook de meest toeristische plaats van het land: vooral veel Amerikaanse ouderen strijken hier in de winters tijdelijk neer. Granada vaart er wel bij.
Ik heb een printje bij me van een wandelroute uit de Lonely Planet: die laat je alle hoeken van de stad zien in 5 kilometer en 4 uur. Het begint centraal, in het gedeelte rondom de grote gele kathedraal. Hier ben ik gisteravond ook al even geweest. Er is een groot plein en een voetgangerszone met allemaal bars en restaurants, gericht op de buitenlandse gasten. Vanaf hier loop ik naar de eerste kerk van de dag: eentje die is voortgekomen uit een fort.
Zolang je maar in de schaduw loopt is het wandelen goed te doen. Het is hier elke dag boven de 30 graden, maar het waait ook wel. De stad Granada ligt net als het eiland Ometepe waar ik 2 dagen geleden was aan het grote Meer van Nicaragua. De wandeling voert me even langs de waterkant. In deze buurt is verder niet veel te zien, behalve de “gewone” huizen van Granada. Ze zijn in vrolijke kleuren geschilderd en hebben stenen dakpannen.
Wat me hier opvalt (zeker ook ’s avonds goed te zien) is dat de mensen net als in Cuba half binnen / half buiten zitten. Sommigen hebben een veranda, anderen hebben gewoon de voordeur openstaan zodat je naar binnen kunt kijken wat men aan het doen is. Overdag wordt vaak oma of opa in een schommelstoel in de deuropening geposteerd, dan kunnen ze mooi de hele dag naar buiten kijken.
Via een lus loopt de wandelroute weer terug naar het centrale plein. Iets ten zuiden daarvan ligt de grote markt. Hij ligt vlakbij het busstation waar ik eergisteren aankwam. Zo’n gewone warenmarkt zie ik toch liever dan zo’n souvenirmarkt als gisteren in Masaya. Op de markt hier in Granada kun je voor van alles terecht: er zitten mensen met naaimachines om je kleding weer in orde te maken, er is een meubelstraat, er zijn rijen en rijen met schoenen, veel waspoeder ook.
Blijkbaar wordt er ook levende have verkocht (hoewel ik de bron niet heb kunnen vinden): twee keer kom ik iemand tegen met een levend varken in zijn armen.
Ik neem in het centrum nog wat te drinken, en loop dan verder naar het westen. Hier staat ook een grote kerk, La Merced. Het is best een mooie kerk, maar het beste eraan is toch de hoge toren. Voor 25 cordoba (80 cent) mag je hem beklimmen. Er is een smalle wenteltrap omhoog. En dan heb je uitzicht over de karakteristieke daken en kerken van Granada. Ook hier doet het aan Cuba denken, aan Trinidad om precies te zijn.
Via nog een stel bonte kerken en een volkswijk kom ik uiteindelijk aan de uiterste rand van Granada. Hier ligt het 18e eeuwse Spaanse Fort La Polvora. Granada staat ook op de Voorlopige Lijst van het Werelderfgoed, en dit en andere vestingwerken rondom de stad wordt met name genoemd in de nominatie. Helaas is het hek vandaag gesloten. Ik maak daarom maar rechtsomkeert, terug naar het hart van de stad voor lunch. Inclusief stops heb ik inderdaad zo’n 4 uur gedaan over deze uitgebreide verkenning van Granada. Ondanks de toeristische inslag is dit toch zeker de mooiste stad van Nicaragua.
Avontuur op de Mombacho
Voor mijn laatste volle dag in Nicaragua heb ik nog een actief programma bedacht. Vroeg in de ochtend pak ik een taxi naar de ingang van het Natuurgebied Mombacho. Dit is weer een vulkaan, een niet-actieve dit keer. Op de top is een nevelwoud ontstaan, en daar kun je wandelingen maken. Om er te komen moet je eerst nog een half uur met een truck van het park de steile helling op. De truck van half 9 (de eerste van de dag) zit voornamelijk vol met personeel van het park, en nog zo’n 6 toeristen.
Eén van de met bos begroeide kraters van de Mombacho vulkaan
Eenmaal boven in het bos vind je het bezoekerscentrum. Er is niet zoveel te zien, maar je moet er entreegeld betalen en een gids huren. Alleen de kortste wandeling van een uur rond de oude krater mag je alleen doen. Ik heb een middelzware wandeling uitgezocht, El Tigrillo, van 2 uur. Ik krijg zelfs twee gidsen mee, één ervan is nog in training.
De Tigrillo-route combineert de gemakkelijke kraterwandeling met een deel van de zwaarste tocht, de Puma-trail. Het eerste stuk is inderdaad erg gemakkelijk en vlak. Het waait enorm hier boven op de top, dat nodigt niet echt uit tot stilstaan en vogels of andere dieren spotten. De omgeving moet het hebben van zijn kleurrijke bloemen.
Het enige zwaardere deel van de wandeling blijkt een klim van 20 minuten te zijn via een trap naar een rots. Ze hebben er een touw naast gespannen om je aan vast te houden, dat helpt. De twee gidsen tonen zich al de hele tocht overbezorgd, pas op voor dit en pas op voor dat. Ik vind het zelf maar een tamme wandeling, en wij zijn ook na anderhalf uur al weer terug bij het beginpunt. Zonder iets bijzonders gezien te hebben.
Om half 12 vertrekt er weer een truck naar beneden. In de buurt van de ingang meld ik me voor activiteit nummer 2: een zipline-tour door de boomtoppen. Dat lijkt me een stuk spannender. Ik word in een harnas gehezen, krijg een helm op en ga met twee begeleiders op pad. Ik heb ook in andere landen wel zo’n Canopy Tour gedaan, maar daar wandel je alleen over touwbruggen zoals die op de foto hieronder. Dat is hier nog maar het begin.
Het is de bedoeling dat je je hier tussen de boomtoppen beweegt via een zipline (tokkelbaan). Het lijkt aan het begin heel eng, maar je zit steeds goed vast met haken en het gaat eigenlijk vanzelf. Je kunt met je rechterhand remmen (daar zijn die dikke tuinhandschoenen voor), maar dat is meestal niet nodig. Eén van de begeleiders gaat telkens voor: hij heeft ook mijn camera, en maakt daarmee foto’s en filmpjes. Je kunt wel zien dat hij dat de hele dag doet, want ik vind ze erg goed geslaagd. De andere begeleider helpt me telkens met de kabels en katrollen, en zorgt dat ik weet wat de bedoeling is.
Nadat ik eerst een paar baantjes gewoon alleen ben gegaan, stelt de begeleider iets nieuws voor: “Superwoman”. Deze vlucht heb ik ook op video. Grappig is om terug te zien dat ik eerst twijfel over wat de bedoeling is, dan me opeens bedenk “met losse handen en voorover?!” – help! Maar als we eenmaal gaan is het gewoon leuk. Na 12 van dit soort capriolen te hebben uitgehaald, zit het erop. Best vermoeiend!
Terugblik Nicaragua (en een beetje Panama) 2015
Dit was mijn eerste reis naar Midden-Amerika, maar het voelde in veel opzichten vertrouwd: beetje Mexico, beetje Verenigde Staten en beetje Cuba. Met name Nicaragua heeft aardig wat gemeen met Cuba, zoals het lome levensritme, de koffieplantages, de half-vervallen antieke huizen en een socialistische strijdkreet hier en daar langs de weg.
Januari bleek opnieuw een prima reismaand: sneeuw en kou in Nederland, elke dag 32 graden in Nicaragua. Het mooiste gebied van mijn reis vond ik de streek rond Matagalpa: de koffieplantages en de hele industrie die daaromheen bestaat, maar zeker ook de groene bossen met brulapen en luiaards. Verder zijn er zowel in Nicaragua als Panama geen uitzonderlijke bezienswaardigheden: ik miste de prachtige pre-Columbiaanse resten die Mexico zoveel kleur geven, en ook de Nicaraguaanse en Panamese steden (en daarmee de openbare gebouwen) zijn nooit zo rijk geweest.
Voorbereiding
Ik had deze reis al maanden vantevoren op de dag nauwkeurig gepland. Dat was maar goed ook, want toen wist ik nog niet dat ik per 1 januari aan een nieuwe baan zou beginnen en het opeens heel druk had! Het inpakken op het laatste moment ging niet helemaal goed: ik was mijn wereldstekker vergeten. Gelukkig kon ik in Panama-Stad makkelijk een vervanger vinden.
Voor Panama of Nicaragua is geen visum nodig. Wel vragen de Nicaraguanen 10 dollar “entree” bij binnenkomst in het land. Daarvoor krijg je dit mooie briefje in je paspoort, waar vervolgens niemand meer naar vraagt of kijkt.

Vervoer
Vliegtuig
Ik nam de rechtstreekse KLM-vlucht naar Panama-stad. Dat is een hele zit van bijna 11 uur. Gelukkig had ik op de heenweg in de Economy Comfort een uitstekende plek zonder stoelen voor me. Ik had op die vlucht ook het beste eten ooit in Economy. Terug was het wat minder (zowel met de zitplaats als het eten), maar door de nachtvlucht gaat het allemaal toch wat sneller voorbij.
Van Panama-Stad vloog ik door naar Managua in Nicaragua met de Panamese maatschappij Copa Airlines. Dat is maar 1 uur en 10 minuten vliegen. Zowel op de heen- als terugreis zat deze vlucht lang niet vol. De Panamezen vertrouwen de Nicaraguanen blijkbaar niet zo: ze doen de paspoort- en handbagagecontrole nog eens dunnetjes over in een speciale zone rondom de gate. Veel gedoe.

Copa Airlines vliegtuig aan de gate in Managua
Vervoer ter plaatse
Ik heb bijna alles met het openbaar vervoer, dat wil zeggen: de bus, gedaan. Het is supermakkelijk en de bussen rijden de hele dag overal naar toe. Je betaalt in de bus zelf, en de “conducteur” en chauffeur houden wel goed in de gaten waar je eruit moet. De meeste ritten kosten maar rond de 1 EUR, de expresbus is een fractie duurder maar ook sneller omdat die niet op iedere straathoek stopt. Het is me eigenlijk altijd ook gelukt om een zitplaats te hebben in de bus. Alleen op de terugweg van de wandeling naar de koffieboer heb ik een minuut of 10 moeten staan, daarna werd het rustiger in de bus.

Overnachtingen
Over het algemeen viel me in Nicaragua op dat de prijs/kwaliteitverhouding hier minder is dan in het vergelijkbare Mexico. Er zijn best keurige en moderne hotels, maar telkens ontbreekt er net iets aan. Vooral qua ontbijt kan het niet tippen aan de Mexicaanse bed&breakfasts die ik een jaar geleden bezocht.
Panama-Stad
Het is niet sfeervol en een beetje oud, maar verder klopt het allemaal bij het Coral Hotel. De kamer is ruim en schoon, het grote bed ligt heerlijk, er is snel internet, uitgebreid ontbijt, een zwembad en het ligt handig voor restaurants en openbaar vervoer. Vriendelijk personeel en een stille kamer completeren het geheel. Ik verbleef hier vier nachten.
Website: Coral Suites Hotel
Prijs: 84 EUR per nacht inclusief ontbijt
Léon
Hotel Flor de Sata is een kleinschalig hotel in het centrum van de grote stad León. Het is eigendom van een Fransman. Ze spreken goed Engels aan de receptie, en de Franse eigenaar is zelf ook veel aanwezig en praat met de gasten. Het ziet er verzorgd uit, en het heeft zelfs een klein zwembad met wat ligstoelen. Het ontbijt vond ik redelijk beperkt, maar natuurlijk waren er wel elke dag Franse crèpes.
Website: Hotel Flor de Sata
Prijs: 46 EUR per nacht inclusief ontbijt
Matagalpa
Montebrisa is een chique landhuis aan de rand van het centrum van Matagalpa, met een grote tuin. De aankleding is alsof het zo uit een woontijdschrift is gekomen. Het was mij net een beetje te pretentieus. Er staat een groot hek omheen en er is een oprijlaan, en Nicaraguaans personeel dat in de rondte rent. Net als in León was ook hier het ontbijt niet in lijn met de allure en de kosten van het hotel. Slechts één van de andere kamers was bezet tijdens mijn verblijf.
Website: Montebrisa Bed & Breakfast
Prijs: 87 EUR per nacht inclusief ontbijt
Omotepe
Hospedaje Soma ligt net buiten het dorp Moyogalpa. Hier ook een grote subtropische tuin, met een kleinschalig hotel, een slaapzaal en enkele huisjes. Ik had zo’n huisje: het heeft een fijne veranda met een zitje en een hangmat. In de kamer kun je wel met z’n drieën slapen. Aan de uitrusting van de kamer kun je wel zien dat het wat goedkoper is. Relaxte sfeer (je kunt zelf drankjes uit de koelkast pakken) en fijnste overnachtingsplek van de reis.
Website: Hospedaje Soma
Prijs: 43 EUR per nacht inclusief ontbijt
Granada
Los Patios is een kleinschalig boetiekhotel, zo’n 10 minuten lopen van het centrale plein van Granada. Zoals de naam al zegt bestaat het uit meerdere patio’s, waar je lekker kunt zitten of hangen. Er is ook een zwembad. Voor het ontbijt kun je kiezen tussen Nicaraguaans en Continentaal. Ik heb beide geprobeerd, het continentale komt met 3 soorten kaas (een hele luxe in Nicaragua) en op het Nicaraguaanse kun je tot diep in de middag teren.
Website: Los Patios
Prijs: 97 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten
Voor het eten hoef je hier niet naar toe. Rijst met kip en bonen, dat is het standaardmenu. Op de meeste plaatsen hebben ze daarnaast wel “internationale” restaurants. Mexicaans zie je veel, en de Nicaraguanen eten zelf graag pizza (die hier trouwens nog niet eens het niveau van die van de Albert Heijn haalt).

Ontbijt met rijst en bonen

Lunch met rijst & kip
Kosten
In Panama is de Amerikaanse dollar het officiële betaalmiddel, dus dat is gemakkelijk. In Nicaragua kun je zowel met dollars als met de lokale cordobas betalen. Voor de grotere uitgaven zoals hotels en tours zijn dollars het meest gangbaar, voor busritjes en eten/drinken cordobas. Maar eigenlijk maakt het niet veel uit, mensen rekenen het net zo makkelijk om en nemen over het algemeen beide valuta aan. Ook bij de geldautomaten kun je kiezen of je er dollars of cordobas uit wilt krijgen.

Een briefje van 20 cordobas
Het is toch nog een wat duurdere reis geworden, maar dat was geheel mijn eigen schuld. Ik had vooraf iets te luxe hotels geboekt, dat was helemaal niet nodig geweest. Ook heb ik twee keer heel lui privé-transport vanaf het vliegveld naar respectievelijk León en San Jorge genomen (beiden 70 – 80 dollar).
Gemiddelde kosten per dag Panama: 127 EUR
Gemiddelde kosten per dag Nicaragua: 119 EUR




















































Leave a comment