- La Gomera
- #555: Nationaal Park Garajonay
- Verse vis, goedkope benzine en piramides
- Typisch Canarisch
- #556: Nationaal Park Teide
- #557: San Cristobal de La Laguna
La Gomera
Het kostte flink wat moeite en vooral tijd om er te komen: Los Cristianos, havenstad op Tenerife en vertrekplaats van de veerboot naar het naburige eilandje La Gomera. Iberia Express kon me gisteren niet verder brengen dan Madrid, en ik bracht de nacht door in een keurig verzorgd airporthotel.
Vanochtend moest ik daarom weer vroeg op om met concurrent Air Europa de laatste 2 uur en 25 minuten af te leggen naar Tenerife. Gelukkig ging dat vlekkeloos, en we stonden om 9 uur lokale tijd aan de grond (het is één uur vroeger op Tenerife dan in Spanje en Nederland).
Los Cristianos is een toeristenplaats zoals je die verwacht op Tenerife. Oudere Engelsen en Duitsers bepalen het straatbeeld. Er is een zandstrand met dikke en witte mensen pal in het centrum van de stad. Het is lekker zonnig weer, maar om nu in korte broek of badpak te lopen vind ik wel erg enthousiast.
De haven van Los Cristianos ligt vlakbij het strand. Een paar keer per dag vertrekken er veerboten, van twee verschillende rederijen. Ik ga met de Benchijigua Express van de firma Fred Olsen. Dat is de “kleinere” boot van de twee, maar toch ook nog groot genoeg om auto’s en massa’s mensen te vervoeren.
De overtocht naar La Gomera duurt maar 40 minuten. Je ziet het eiland ook al direct liggen. Er zijn veel toeristen aan boord, zeker honderden. Ik zit vlak naast een Nederlandse groep van SNP wandelreizen. Grappig om die mensen een beetje af te luisteren. Ze zijn helemaal overstuur dat ze bij het aan boord gaan hun paspoort moesten laten zien (de meesten hadden die diep in de koffer gestopt). Het paspoort is hier echter geen grenscontrole: de rederij leest de paspoortgegevens automatisch uit om te zien of je op de passagierslijst staat. Een soort elektronisch ticket dus. Ook krijgen ze het nog lastig met hun reisleidster (“ze heeft deze reis ook nog nooit gedaan”), een druk, springerig en nerveuzig typje.
Deze veerboot vaart ook nog door naar Gran Canaria, vandaar waarschijnlijk dat er zoveel mensen aan boord zijn. Toch stappen er in San Sebastian de La Gomera ook wel een stuk of 100 uit. Zo ongerept is dit eilandje dus ook weer niet. De eerste aanblik is in ieder geval goed: lekker subtropisch, met palmbomen en cactussen op de ruige rotsen.
Eenmaal aan land op La Gomera ga ik te voet het centrum in. Mijn eerste doel is lunchen, en dan het liefst met verse vis. Voor Spaanse begrippen is het nog een beetje vroeg (kwart over 12), maar ik kan toch al ergens terecht. De serveerster raadt me de verse vis van de dag aan (merluza, “heek” in het Nederlands), met gepofte aardappelen. Ik krijg twee grote vissen met veel knoflook op mijn bord. Simpel maar lekker.
Na mijn kamer in pension Villa Gomera betrokken te hebben, trek ik de wandelsokken en –schoenen aan. Ik heb voor de middag een korte wandeling gepland langs de kust. Het vertrekpunt is hemelsbreed maar 2 kilometer van het centrum, maar als ik de slingerwegen op de kaart zie vrees ik dat de weg een stuk langer is. Ik vraag dus maar een taxi om me naar het beginpunt te brengen.
De taxi blijkt al snel geen overbodige luxe te zijn. We doen er zo’n 20 minuten over, bergop en bergaf. Ik weet de chauffeur duidelijk te maken waar de wandeling begint, en daar zet hij me af en keert om. Ik krijg van hem nog een kaartje met z’n telefoonnumer – hij is zeker bang dat ik op eigen gelegenheid niet meer terug kom. Mijn plan was om terug te lopen naar San Sebastian, maar vanuit de auto gezien is het toch een flink zware afstand.
De wandeling die ik heb uitgekozen uit de wandelgids is ruim 5 kilometer lang en gaat naar het Klooster / de Kluizenarij van Guadelupe. Er staan nog twee auto’s op het parkeerterrein, maar verder is het een beetje het einde van de wereld. Het voetpad gaat eerst bovenlangs, over een rand langs de kust. Het eerste stuk is prachtig, het is net of je door een botanische tuin wandelt.
Het pad is simpel te volgen en heeft na de eerste klim mooie vergezichten over de zee, op de Teide vulkaan op Tenerife en op het kloostertje natuurlijk. Wel moet je op sommige stukken goed opletten waar je je voeten zet, de ondergrond bestaat uit grote stenen. Ik loop terug via het vlakke pad onderlangs, maar daar is niet veel aan.
En ja, dan moet ik dus weer terug naar San Sebastian. Ik besluit maar te beginnen met lopen, en als ik geen zin meer heb een passerende auto om een lift te vragen. Als noodscenario kan ik altijd nog een taxi bellen. De kustweg om de eerste baai is het zwaarst: eerst vrij steil naar beneden, en dan natuurlijk even zo zwaar omhoog. Maar als je eenmaal die hoek om bent, is de weg vlakker en de omgeving meer bewoond. Ik kom zelfs 4 lokale vrouwen tegen, ook allemaal alleen, die deze route bewandelen als lichaamsbeweging.
Gelukkig is het nergens meer zwaar lopen, en ik ben toch weer sneller in de stad dan ik had verwacht. Ik heb er zo’n 1,5 uur over gedaan, een lekker stuk om me een beetje in te lopen voor de langere wandeling van morgen. En verder is het natuurlijk een genot om eind december in temperaturen van een graad of 20 buiten te kunnen lopen.
#555: Nationaal Park Garajonay
Wat is het?
Het Nationaal Park Garajonay is het best bewaard gebleven oer-laurierbos, een subtropische boomsoort die elders in Zuid-Europa vrijwel uitgestorven is door klimaatveranderingen. Het natuurgebied ligt in het hart van het Canarische eilandje La Gomera, rondom de 1492 meter hoge berg Garajonay. Ook de 34 inheemse soorten flora die er te vinden zijn hebben tot de werelderfgoedstatus geleid.
Cijfer: 6,5 (Ik heb er lekker gewandeld en er zijn prachtige vergezichten op andere Canarische eilanden als Tenerife en La Palma. Van het bos zelf is helaas niet veel meer over, zeker niet op de route die ik wandelde: in 2012 is er een grote bosbrand geweest die 20% van de oppervlakte van het park heeft aangetast. Overal om je heen zie je zwartgeblakerde resten van bomen, met plukjes groene struiken en planten ertussen waar de natuur zich weer aan het herstellen is.)
Toegang: Het Nationaal Park heeft geen afgesloten ingang, er wordt dus ook geen entreegeld geheven. De busrit heen vanuit San Sebastian de la Gomera kostte 2 EUR, de taxirit terug (zie onder) 25 EUR. Er zijn geen voorzieningen boven, dus ik nam mijn eigen lunchpakket mee.
Hoeveel tijd: Als je echt wat wilt zien, en de lastige logistiek om er te komen in ogenschouw neemt, moet je er wel een volle dag voor uittrekken. Vanaf Pajarito (dat is een rotonde op een kruising van 3 wegen, al in de kernzone van het werelderfgoedgebied) staan diverse wandelingen met pijlen aangegeven.
Opvallend: Ze doen het rustig aan op La Gomera. De eerste bus vanuit de hoofdstad San Sebastian naar het binnenland waar Garajonay ligt vertrekt pas om 10.30 uur. Daarna volgen er nog 4 bussen verspreid over de dag, en dat was het dan. Ik had al gelezen dat het druk kan zijn in de bus, dus ik ben al een half uur vantevoren aanwezig. Er is nog geen bus, maar tegen vertrektijd hebben zich al zo’n 30 toeristen verzameld op het busstation van San Sebastian.
Als ik de bus verderop in de straat zie aankomen, nestel ik me vooraan in de rij. Dat is maar goed ook, want de bus (een grote touringcar) blijkt al half-vol te zitten met mensen die eerder zijn opgestapt. De chauffeur kijkt zorgelijk, gaat mensen tellen en verordonneert dat eerst de mensen die naar de eindbestemming Valle Gran Rey moeten mogen instappen. Dat zijn er maar een paar. De rest van de beschikbare plaatsen wordt opgevuld met de eersten uit de rij. Voor zeker 10 man is geen plaats meer, en die blijven achter op het busstation.
De rit naar Pajarito, dat vlakbij de klim naar de top van de Garajonay ligt, duurt een half uur. Het is alleen maar stijgen en slingeren vanaf de kust omhoog. Het uitzicht onderweg op de bossen en vreemd gevormde rotspieken is prachtig. Bij het vertrekpunt van de wandeling is het al druk met toeristen die met de auto zijn gekomen. De klim omhoog is dan ook weinig rustig. Wel valt me al meteen de enorme schade op die de bosbrand van 2012 heeft aangericht.
Na even op de top te hebben rondgekeken, begin ik aan mijn geplande rondwandeling van ongeveer 10 kilometer naar Laguna Grande (een picknickplaats). Ik heb de GPS-route op mijn telefoon geladen, maar de wandeling staat ook met bordjes aangegeven. Het loopt makkelijk naar beneden, ik heb het hoogste punt natuurlijk al achter de rug. Af en toe kom ik wat andere wandelaars tegen, maar hier is het rustig genoeg om van de natuur te genieten en vogels te zien.
Volgens het boekje zou de tocht 2 uur en 3 kwartier kosten. Met nog een half uur extra voor de tocht naar de top aan het begin en een half uur lunchen, zou ik dan precies op tijd terug moeten zijn bij de bushalte voor de bus terug. Die bus vertrekt om 14.30 uur vanaf zijn eindbestemming, en moet volgens mijn berekeningen rond 15.00-15.15 uur langs Pajarito komen. Ik loop op het laatst nog een stukje verkeerd maar wordt gered door mijn routekaartje op de telefoon. Precies om 3 uur sta ik weer bij de bushalte.
Hoewel ik denk op tijd te zijn, verbaast het me wel dat er geen andere mensen op de bus staan te wachten. Ik blijf een half uur wachten, maar er komt geen bus voorbij. Ik kan niet anders concluderen dan dat ik hem net gemist moet hebben. De volgende bus komt pas 3,5 uur later, maar dan wil je hier niet meer op de berg staan. Nu al trekken sluierwolken rond de bossen en koelt het snel af.
De beste optie lijkt te gaan liften: er is maar één weg naar beneden, en veel toeristenverkeer. Helaas hebben zich naast mij twee politieagenten met hun auto genesteld om een verkeerscontrole te houden. Op die plek gaat dus niemand stoppen. Ik besluit 2 kilometer naar beneden te lopen, naar een uitzichtpunt waar ik op de heenweg ook veel auto’s heb zien staan. Als ik daar bijna ben, zoeft opeens “mijn” bus voorbij! Hij was dus veel te laat, ik had nog 20 minuten extra boven moeten wachten. Vanuit tegengestelde richting komt al snel mijn redder: een opportunistische taxi-chauffeur die de berg oprijdt om eens te kijken of er toeristen de bus hebben gemist. Ik neem zijn aanbod maar al te graag aan, ik heb genoeg gelopen voor vandaag.
Verse vis, goedkope benzine en piramides
Het is alweer mijn laatste ochtend op La Gomera. De dag is bewolkt begonnen. Je verwacht dan dat het fris is buiten, maar ook om half 9 al is de temperatuur zacht. Ik loop nog een rondje door de straten van de hoofdstad San Sebastian. Meest bezienswaardig is de 15e eeuwse toren, een van de drie overgebleven bouwwerken van de vroegste Spaanse kolonisatie van dit eiland.
De grote kerk is ook al open. Zowel van buiten als van binnen doet-ie een beetje Zuidamerikaans aan. De Spanjaarden “oefenden” hier als het ware voor de oversteek naar Latijns-Amerika: land veroveren, inheemse bewoners onderdrukken, katholieke kerk stichten.
San Sebastian is niet een echte badplaats. Er is een klein strand met zwart (vulkanisch) zand, niet zo aantrekkelijk. Wel is er een boulevard omzoomd door palmbomen waar je ’s ochtends lekker de benen kunt strekken.
Om half 12 stap ik op de boot terug naar Los Cristianos op Tenerife. Ik vaar terug met een andere maatschappij op de heenweg. Naveiras Armas heeft de grootste veerboot, er is plaats voor 1750 passagiers en honderden auto’s. Maar als er 50 passagiers zijn is het veel. Ik heb een hele “salon” voor mezelf. Mocht er iets gebeuren dan zijn er vandaag vast genoeg reddingsboten.
Van de boot stap ik over op het zoveelste vervoermiddel van deze reis. Een witte Opel Corsa is mijn huurauto voor de komende dagen op Tenerife. Mijn eerste doel van de middag is: verse vis eten! Het kustplaatsje Los Abrigos staat bekend om zijn visrestaurants. Maar de afslag vanaf de snelweg staat vol, dus ik rijd een plaatsje verder. Want ook in El Médano hebben ze lekkere vis. Ik neem gegrilde tonijnsteaks vandaag.
Ze hebben de huurauto bijna leeg meegegeven, dus ik ga ook al snel tanken. In Nederland mogen de benzineprijzen de afgelopen tijd dan sterk gedaald zijn, hier is het helemaal goedkoop. Ik betaal 0,89 EUR voor een liter loodvrij. Het is hier ook goedkoper dan op het Spaanse vasteland, omdat de Canarische eilanden allerlei belastingvoordelen kennen.
Zo’n 40 kilometer noordwaarts over de snelweg liggen de “Piramides van Guimar”. Het is één van de weinige historische bezienswaardigheden van Tenerife. Ze vergelijken zichzelf graag met alle andere piramides ter wereld. Daarvan bezocht ik er dit jaar al een aantal, op deze plaat staan o.a. Meroë (Soedan) en Chichen Itza (Mexico).
Bij de piramides hoort een etnografisch museum. Dat is deels gewijd aan de Canarische geschiedenis, maar ook de Noorse ontdekkingsreiziger / auteur Thor Heyerdahl speelt een prominente rol. Heyerdahl was degene die in de jaren 90 de “piramides” van Tenerife herontdekte, en veronderstelde dat ze gebouwd waren door de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Thor Heyerdahl is verder bekend van zijn tochten over de Atlantische en Stille Oceaan met rieten vaartuigen, die moesten aantonen dat er vóór Columbus ook al contacten tussen de continenten waren.
De eigenaren van “de Piramides van Guimar” hebben er het beste van proberen te maken. De attractie is trouwens bezit van de firma Olsen, tegenwoordig bekend van de veerboten tussen de Canarische eilanden (en vroeger van de bananenboten). Op het buitenterrein van het museum is een botanische tuin aangelegd met Canarische planten en bomen.
En dit is er dan eentje, een Canarische piramide. Zo gefotografeerd lijkt het net op Machu Picchu. Maar waarschijnlijk is het gewoon een 19e eeuws landbouwterras.
Typisch Canarisch
Vandaag is een “tussendag”: ik heb eigenlijk niet zoveel bijzonders op het programma staan, maar wil de tocht naar de werelderfgoedvulkaan El Teide voor morgen bewaren. Ik hoop dat het er op 1 januari niet zo druk is met toeristen, en ook is er voor donderdag helderder weer voorspeld.
Op de laatste dag van 2014 combineer ik daarom twee uitstapjes uit mijn Tenerife reisgids. Beiden liggen in het noorden van het eiland, en hebben wat typisch Canarische bezienswaardigheden.
De Anaga-vallei is qua natuurschoon het mooiste van Tenerife. Zo groen zie je het elders niet. De bossen (meest laurier, net als op La Gomera) bedekken de berghellingen. Dit is een ruig landschap, met rotspunten die overal bovenuit steken.
Ik rijd eerst een keer van zuid naar noord door de vallei, langs Taganana naar de kust. Het valt me op dat er zo vroeg – tegen negenen – al bussen op pad zijn. De groepen oudere Engelsen worden aan zee uitgeladen. Ik keer snel weer om, en neem een zijweggetje naar het afgelegen dorp Chamorga. Onderweg kom ik geen andere auto’s tegen, en de weg is te smal voor bussen.
In Chamorga vind ik waar ik naar op zoek ben: de drakenbloedboom. Dit is hét symbool van Tenerife, een raar gevormde boom met een kale stam. Af en toe zag ik al een exemplaar onderweg, maar bij dit dorp zijn er een heel aantal. Er zijn “oude bomen” bij, maar ook vrij recent door de bewoners aangeplante exemplaren.
Chamorga zelf is ook leuk om even doorheen te lopen. Het is geloof ik het enige plaatsje op het eiland waar geen restaurants of souvenirwinkels zijn (er is wel een smoezelige bar). Vanaf hier starten ook enkele wandelpaden. Mensen zie ik niet op straat, wel word ik ontvangen door een koor van blaffende honden.
Ik heb het dan wel gezien met de vallei. Alleen moet je natuurlijk het zelfde stuk terugrijden. Op het eerste deel, waar 2 Opel Corsa’s elkaar net kunnen passeren, kan ik nog aardig doorrijden. Maar verderop zijn er weer toeristenbussen. Ik moet twee keer een eindje achteruit rijden om een bus voorbij te kunnen laten gaan.
La Orotava moet een historisch centrum hebben, dus dat lijkt me een geschikte plek voor de lunch. Er is een vrij grote moderne stad om dat oude centrum heen gebouwd, dus het is nog even zoeken naar een parkeerplek en dan de juiste oude straatjes. Gelukkig vind ik snel een restaurant waar ze typisch Canarische gerechten serveren.
Ik schreef al eerder dat het hier soms op Latijns-Amerika lijkt. Dat geldt zeker voor La Orotava. De kleurige huizen met de karakteristieke houten balkons zou je ook in Mexico kunnen tegenkomen.
#556: Nationaal Park Teide
Wat is het?
Het Nationaal Park Teide is een vulkaanlandschap op het eiland Tenerife. De hoogste piek is de Teide vulkaan: met zijn 3700 meter hoogte is het de hoogste berg van Spanje en de op twee na hoogste vulkaan ter wereld (de nummers 1 en 2 liggen op Hawaii). Vulkanische uitbarstingen hebben Tenerife miljoenen jaren geleden uit de zee doen oprijzen – het is niet verbonden met één van de andere Canarische eilanden of het Afrikaanse vasteland. De laatste eruptie van de Teide was in 1909 en hij is nog steeds actief.
Cijfer: 8 (Het lijkt een beetje op een landschap in het zuidwesten van de Verenigde Staten, met veel rode rotsen en weinig begroeiing. Het is het meest toegankelijke vulkanisch gebied waar ik ooit geweest ben. Het park is netjes onderhouden, met veel uitkijkpunten, parkeerplaatsen, wandelroutes en 2 bezoekerscentra.)
Toegang: Er wordt geen entree geheven, er loopt een doorgaande weg door het park. Jaarlijks komen hier zo’n 2,7 miljoen bezoekers – dat zijn er 7.500 per dag.
Hoeveel tijd: Ik ben er een halve dag geweest, dan heb je het meeste wel gezien. Ik ben alleen niet met de kabelbaan naar de top geweest.
Opvallend: Ik had de tip gekregen vroeg te vertrekken, vanwege de vele bussen die al om 8 of 9 uur vanuit de badplaatsen richting Teide gaan. Dus om half 8 op nieuwjaarsochtend zit ik al in de auto omhoog. Ik reis vanaf mijn hotel in Granadilla, wat al een eind in de goede richting ligt. Rond deze tijd begint het net licht te worden. Alleen hoe hoger je komt, hoe kouder: de basis van Teide ligt op 2250 meter. Ik klok uiteindelijk 2,5 graad (boven nul) om 8.16 uur als koudste temperatuur.
Hier begint het Nationaal Park en het Werelderfgoed
Het is heerlijk het park zo voor mezelf te hebben. Ik stop een paar keer bij een uitkijkpunt, en mijn auto staat er dan als enige. Redelijk aan het begin ligt misschien wel het meest fotogenieke deel van het landschap: de Roques de Garcia. Hier staat een rij vreemd gevormde rotsen op een rij. Er is een wandeling omheen van 3.5 km, en die ga ik eerst maar eens doen.
Al lopende voel ik pas echt hoe koud het is: ik moet mijn handen in mijn broekzakken steken. De wandeling start gemakkelijk, maar heeft de classificatie “medium” vanwege een steil stuk op het eind. Gelukkig breekt al snel de zon door en warmt het wat op.
De wandeling voert niet alleen langs rotsen, je loopt ook over recenter gesmolten lava. Overal is het stil. Het is zo vreemd dat hier nauwelijks wilde zoogdieren leven, dat is op alle Canarische eilanden zo. Ik moet het doen met af en toe een schichtig vogeltje. Planten zijn er wel – vooral de pluimpjes van de tajinaste rojo vallen op, ze waaien heen en weer in de wind. Ze dragen in het seizoen rode bloemen, hier en daar kun je daar nog de resten van zien.
Ik slaag er zelfs in nog een stukje verkeerd te lopen. Als ik handen en voeten nodig heb om een berghelling op te komen, bedenk ik dat dat toch vast niet de bedoeling is. Gelukkig komen er net 2 wandelaars van de andere kant aanlopen, zodat ik kan zien waar het pad wel loopt. De steile klim op het eind (zoals beloofd) komt toch nog. Je loopt vanaf het dal helemaal weer omhoog naar het uitkijkpunt, via een zigzaggend paadje. Hier heb je ook de mooiste uitzichten.
Na de wandeling die me bijna twee uur heeft gekost, rijd ik het park door tot aan de uitgang aan de andere kant. Het is vrij uitgestrekt, maar zo mooi als bij de rode rotsen aan het begin is het toch nergens meer. Rond 12 uur rijd ik het park weer uit. Alle parkeerplaatsen staan inmiddels overvol. En er komt me nog een gestage stroom huurautootjes tegemoet. Ik ben blij dat ik zo vroeg in de ochtend ben gegaan en in stilte heb kunnen genieten.
#557: San Cristobal de La Laguna
Wat is het?
San Cristobal de La Laguna is de oudste stad op Tenerife. Ze werd eind 15e eeuw door de Spanjaarden gesticht. Als koloniale stad stond La Laguna model voor de latere Spaanse nederzettingen in Latijns-Amerika. Kloosterordes als de Dominicanen en Franciscanen bekeerden de oorspronkelijke bevolking tot het katholieke geloof. De kolonisten die hen volgden, legden een “ideale stad” aan in schaakbordpatroon. Tot 1723 bleef het de hoofdstad van Tenerife.
Cijfer: 6 (Het is best een gezellig plaatsje, en zoveel authentieker dan de rest van Tenerife. Maar iets werelderfgoed-waardigs heb ik niet kunnen ontdekken.)
Toegang: Ik betaalde 5 EUR entree tot het Historisch en Antropologisch Museum van Tenerife, dat in één van de mooiste Canarische landhuizen is gevestigd.
Hoeveel tijd: Na 2,5 uur had ik het wel gezien. Het centrum is compact en autovrij. Er is niet zoveel om naar binnen te gaan, je loopt alleen maar wat door de straatjes.
Opvallend: Aan het begin van de avond wordt het pas echt gezellig in La Laguna. De binnenstad zit vol met cafés en restaurants. Velen verkopen alleen tapas en pintxos, kleine hapjes staand te nuttigen met een glas wijn in de hand. Binnen puilt het vaak uit, het is net iets te koud om buiten te zitten. Op zaterdagavond is er ook op verschillende plekken live muziek.
























Leave a comment