- #533: Grotten van Škocjan
- #534: Eufrasiusbasiliek in Poreč
- #535: Erfgoed van kwik in Idrija
- Een dag in de Julische Alpen
- Ljubljana
#533: Grotten van Škocjan
Wat is het?
De Grotten van Škocjan zijn één van de meest unieke systemen van kalksteengrotten ter wereld. Dit karstlandschap is gevormd door de Reka rivier, die zich ondergronds een weg heeft gezocht. Dit natuurlijke fenomeen was al in de Oudheid bekend, de Griek Posidonius schreef er al over in de 2e eeuw voor Christus. Specifieke kenmerken zijn naast druipsteengrotten ook ondergrondse kloven, meren en watervallen. Op verschillende plaatsen is het plafond van de grotten ingezakt, wat heeft geresulteerd in vier diepe kloven aan de oppervlakte. De totale lengte van de ondergrondse passages is 5 kilometer, en ze gaan tot 230 meter diep. Škocjan heeft als werelderfgoed de voorkeur gekregen boven de nabijgelegen grotten van Postojna. Deze zijn bekender en omvangrijker, maar ook veel meer aangetast door het toerisme en vervuiling.
Cijfer: 5,5 (Grotten zijn niet mijn meest favoriete soort werelderfgoed, maar ik was toch wel benieuwd naar deze. Ze krijgen positieve recensies van andere werelderfgoedbezoekers, vooral de natuurlijke staat waarin ze verkeren spreekt aan. En het moet gezegd, ze liggen in een mooi groen boslandschap. De grotten zelf vond ik niet zo boeiend: je loopt 3 kilometer lang onder de grond, en de hele tijd vroeg ik me af “Wanneer gaat het moois nu komen?” Nou, dat kwam er niet echt. Het meest spectaculaire is de snelstromende rivier die onderin het grottenstelsel loopt.).
Toegang: Een kaartje voor de “klassieke” toer ondergronds kost 16 EUR. Je kunt het park ook in zonder te betalen: dan mag je alleen de paden boven de grond lopen.
Hoeveel tijd: In totaal ben ik er zo’n 2,5 uur geweest. Ik sloot me aan bij de tour van 10 uur, en daarmee waren we om 11.45 terug bij de ingang. Daarvoor en daarna keek ik zelf nog wat rond in de omgeving.
Opvallend: Ik was rond kwart over 9 in het park. Daar liep ik eerst een stukje van het natuurpad, omhoog naar een uitkijkpunt. Vanaf daar kun je de kloof inkijken die gevormd is door het instorten van een deel van de rotsen door erosie. Ook zie je hier al een waterval in de donderende rivier Reka, de rivier die onder de grond verdwijnt.
De grotten van Skocjan mogen dan niet zo bekend zijn als Postojna, genoeg toeristen weten ze toch te vinden. Tegen tienen heeft een mannetje of 80 zich verzameld op de binnenplaats. We worden meegeroepen door een gids, en gaan dan in ganzenpas richting de ingang van de grotten. Gelukkig worden we daar gesplitst in 3 groepen: 1 voor de Slovenen, 1 in het Engels voor groepen en 1 in het Engels voor individuele bezoekers. We gaan met tussenpozen naar beneden. Dit grottencomplex is vooral erg lang, en we lopen dus wat af. Ook zijn er de nodige trappen omhoog of omlaag.
Binnen mag je geen foto’s maken. Dat wist ik vantevoren, en ik had van anderen al de tip gekregen om een beetje achteraan de groep te gaan hangen: dan kun je ongezien toch wel wat plaatjes schieten. Ik heb expres mijn kleine camera in mijn broekzak gestopt, maar eerlijk gezegd vond ik maar weinig een foto waard. Er is wel druipsteen, maar geen heel spectaculaire vormen. Verder is het behoorlijk donker langs de hele route. Als de gids iets wil laten zien, gebruikt ze een zaklamp om het aan te wijzen.
Spaarzaam verlicht wandelpad in de grotten
De rivier heeft de gangen hier uitgesleten. We komen langs een punt waar in 1965 het water heel hoog heeft gestaan, tientallen meters boven het huidige niveau en het grootste deel van de grotten bedekkend. Nu hoor je hem vooral razen onderin: je moet een brug over om naar de uitgang van de grotten te komen.
Wat nu de uitgang is, is de natuurlijke ingang van het grottenstelsel. Vanaf deze kant is het rond 1850 ook “ontdekt”. Dit is ook het mooiste deel van de tour: bos, watervallen en ruige rotsen wisselen elkaar af. Je moet hier ook nog een paar honderd meter over een pad omhoog lopen. Gelukkig wacht aan het eind een “lift” – een kabelspoorlijntje dat het laatste steile stuk naar het bezoekerscentrum overbrugt.
#534: Eufrasiusbasiliek in Poreč
Wat is het?
Het Bisschoppelijk complex van de Eufrasiusbasiliek te Poreč is een groep vroeg-christelijke religieuze monumenten. In de architectuur en decoratie is een combinatie van klassieke en Byzantijnse elementen te zien. Het Christendom werd hier in Istrië al actief beleden sinds de 4e eeuw. De huidige basiliek dateert van het midden van de 6e eeuw, en is gebouwd door zijn naamgever bisschop Eufrasius. Hij liet er onder andere ook een bisschoppelijk paleis bijbouwen. In latere eeuwen zijn daar nog meer rijkgedecoreerde gebouwen bijgekomen, met veel marmer, fresco’s en mozaïeken. Het complex is in zijn geheel integraal en in goede staat bewaard gebleven.
Cijfer: 7 (Zo blijkt maar weer eens dat ik toch veel liever een oude kerk bezichtig dan een stel grotten. Er zijn hier mooie mozaïeken te zien, zowel op de grond als in de koepel van de kerk. Ze zijn nog in goede staat, ondanks dat de oudste exemplaren uit de 6e eeuw komen. Sommige doen Romeins aan, met geometrische patronen en wijnranken. Anderen zijn briljant Byzantijns, stralende heiligen tegen een achtergrond van goud.).
Toegang: De entree tot de basiliek kost 40 kuna (5,30 EUR). Er waren wel wat meer bezoekers, maar niet te veel. Ik kon er dus op mijn gemak rondlopen.
Hoeveel tijd: Een uur ongeveer. De “basiliek” is een heel complex met verschillende bijgebouwen, een toren om te beklimmen, een museum, een binnenplaats met mozaïeken en uiteindelijk de kerk zelf. Je kunt je er dus wel een tijdje vermaken.
Opvallend: Vanuit Slovenië hop ik speciaal voor dit werelderfgoed even de grens over, Kroatië in. Mijn reisdoel Porec ligt op een drielandenpunt van Italië, Slovenië en Kroatië. Er is zowaar heuse grensbewaking: je moet even wapperen met je paspoort, zodat ze kunnen zien dat je uit de EU komt. En ze hebben hier hun eigen geld in plaats van de Euro: de Kroatische Kuna. Bij een stalletje langs de kant van de weg wissel ik wat om voor entree, tol en eten deze middag.
Ik kom aanrijden in Porec, en de eerste indruk is onmiskenbaar typisch Kroatisch: de Middelandse zeekust, de kerktorens van lichtgrijze natuursteen, de oranje dakpannen. Net als in het zuiden van Kroatië: Split, Trogir, Dubrovnik. De donkere wolken waaruit af en toe een stortbui komt in de Sloveense bergen, zijn hier gelukkig ook weer uit het zicht. De zon schijnt volop.
Er is een groot parkeerterrein in het centrum van het stadje. Terwijl ik aansluit om naar binnen te rijden, is er net een storing waardoor de slagbomen niet meer automatisch omhoog willen gaan. Niemand kan in of uit rijden. Beetje wachten, beetje toeteren – en dan komt er toch iemand aangeslenterd die dan maar handmatig alle bomen omhoog doet. We mogen bij het loket ook een handgeschreven parkeerkaartje gaan halen, waar ze het tijdstip van aankomst opzetten. Ook wel typisch Kroatisch zo’n voorval. In het op Oostenrijk lijkende, georganiseerde Slovenië zie ik dit nog niet gebeuren.
Na het bezoek aan de basiliek strijk ik neer op een van de vele terrassen in het centrum. Als ik dan toch in Kroatië ben, laat ik de kans niet voorbij gaan om verse vis te eten. Het wordt weer eens gegrilde inktvis. Toch wel fijn zo’n toeristisch kustplaatsje! Dat de ober me in het Duits aanspreekt, neem ik maar voor lief.
#535: Erfgoed van kwik in Idrija
Wat is het?
Het Erfgoed van kwik in Almadén en Idrija representeert de historische kwikmijnbouw en de intercontinentale kwikhandel. Kwik is relatief schaars, en is door de eeuwen heen maar op een paar plaatsen ter wereld geproduceerd. Het speelde vanaf de 16e eeuw een beslissende rol bij de winning van zilver in Amerika. Almadén (Spanje) en Idrija (Slovenië) waren de twee grootste kwikmijnen ter wereld. Beide mijnen zijn nog tot aan het eind van de 20e eeuw actief geweest. De specifieke industriële en sociale infrastructuur die de winning van het giftige kwik met zich meebracht, is in beide steden nog goed zichtbaar.
Cijfer: 7 (Ik bezocht het Sloveense deel van dit werelderfgoed: Idrija. Dit is een stadje van zo’n 7000 inwoners, helemaal ingeklemd tussen de bergen. Het ligt zo’n 3 kwartier rijden/slingeren vanaf de snelweg. Het is dan ook niet verrassend dat ik hier veel minder toeristen tegenkwam dan bij de grotten of in Porec gisteren. In het plaatsje wisselen charmante gebouwen uit de hoogtijdagen van de mijnbouw en oostblokkerige flatgebouwen elkaar af.).
Toegang: Entree tot het interessante stadsmuseum in het Gewerkenegg kasteel kost 3,5 EUR. Dit is inclusief een boekwerkje in het Engels over de geschiedenis van de stad (de mijnbouw, de Italiaanse bezetting, de productie van kant). Een rondleiding door de Antoniusmijn (ruim anderhalf uur lang) is 9 EUR. Helaas zijn de andere mijngebouwen alleen op afspraak open.
Hoeveel tijd: Ik ben er een halve dag geweest. Na de lunch moest ik anderhalf uur overbruggen om te wachten op de mijntour van 3 uur. Ik heb in een cafeetje wat gedronken, en een tijdje in de zon gezeten. Als je ook de resten van het mijnlandschap buiten de stad wilt zien, kun je je hier wel een volle dag vermaken. Je kunt bijvoorbeeld wandelen naar een oude watermolen.
Opvallend: In zo ongeveer iedere mijnbouwstad die op de werelderfgoedlijst staat, kun je een (voormalige) mijn bezoeken. Idrija is hierop geen uitzondering: in de Antonius-schacht mag je onder begeleiding van een gids onder de grond. Buiten het hoogseizoen zijn er twee tours per dag. We zijn met 10 man, gekomen van over de hele wereld. Er is zelfs een stel uit IJsland bij.
De rondleiding begint met een video van 20 minuten waarin de geschiedenis van de kwikmijnbouw en de stad uit de doeken wordt gedaan. Daarna krijgen we een beschermende jas en een helm, en lopen we de mijnschacht in. Dit zijn originele mijngangen, behorend tot de oudste van de stad. Ze zijn wel goed verstevigd met houten balken. Zelfs toen de mijnbouw nog in volle gang was, waren er weinig ongelukken.
Ik ben benieuwd in hoeverre een kwikmijn anders is dan pakweg een kolen-, koper-, goud- of zilvermijn die ik allemaal al eens heb bezocht. Heel veel is hetzelfde in ieder geval: het hakken in het gesteente met naar mate de tijd vordert steeds modernere middelen, de smalle gangen en diepe schachten, de rails waarover de karretjes met stenen werden vervoerd. De gids legt alles uitgebreid uit, eerst in het Sloveens en dan nog eens het hele verhaal in het Engels.
Het kwik dat hier werd gewonnen bestond voor zo’n 30% uit de vloeibare bolletjes die ik met kwik associeer. Je kunt ze op een paar plekken nog in het gesteente in de wanden zien zitten. De overige 70% werd gehaald uit een rode steensoort, dat eerst bewerkt moest worden voordat het vloeibaar werd. Nadat het kostbare goedje bovengronds uit de stenen was gehaald, werd het restmateriaal weer naar beneden gestort om verzakking van het mijnstelsel en daarmee de stad Idrija te voorkomen.
De vraag naar kwik steeg telkens als er ergens oorlog was: voor de Eerste Wereldoorlog, de Tweede en ook de Vietnamoorlog. Kwik werd gebruikt in kogels. Na het einde van de oorlog in Vietnam daalde de vraag wereldwijd zo sterk, dat de mijn in Idrija niet meer rendabel was. Tegenwoordig mag kwik in de Europese Unie ook niet meer verhandeld worden, vanwege het sterk giftige karakter. In India, China en Rusland gebeurt het nog wel. In Idrija hebben ze aan deze bijzondere geschiedenis in ieder geval een werelderfgoed over gehouden.
Twee kleine, schitterende kwikbolletjes middenin het gesteente
Een dag in de Julische Alpen
Gistermiddag had ik al een voorproefje van het middelgebergte: vanuit Idrija reed ik naar mijn pension in Spodna Idrija. Toen ik het boekte dacht ik dat dat een voorstadje was van de kwikmijnstad Idrija, maar het blijkt een bergdorp in de buurt te zijn. Gelukkig ben ik er al voor het donker, en brengt mijn TomTom me er feilloos heen.
Het is fris in Pension Na Kluk – het ligt op 800 meter hoogte als ik de vrouw des huizes goed begrijp. Ze kan maar een paar woorden Engels en Duits. Dat geeft niks, ze is allerhartelijkst en voor maar 30 EUR heb ik hier een overnachting. Warme douche en draadloos internet doen het ook, en er is ’s ochtends een bij de kamerprijs inbegrepen ontbijtbuffet. Zo goedkoop heb ik het lang niet gehad in Europa.
Het pension ligt ook al handig aan de binnenweg die me verder de bergen in moet brengen vandaag. Op het programma staan twee mogelijk toekomstig werelderfgoederen: het Franja Partizanenhospitaal en de alpenweides van Fuzina. Het voormalig hospitaal ligt het dichtst bij. Helaas kent mijn navigatiesysteem het niet, dus ik stel hem maar in op een dorpje in de buurt in de hoop dat het vandaar aangegeven staat.
Een uur geslinger over smalle bergwegen volgt. Ik kom inderdaad in het gehucht Dolenji Novaki aan, maar er is niks te zien van een of andere bezienswaardigheid. Ik rijd daarom maar verder richting de grotere plaats Cerkno, daar moet het ook in de buurt liggen. En jawel: al na een minuut of 5 staat er een groot bruin bord langs de kant van de weg. “Bolnica Franja” – dat zal het wel zijn.
Het Franja Partizanenhospitaal was actief tussen 1943 en 1945, toen het gewonde mensen uit het verzet en en van de geallieerde troepen verzorgde. Clandestiene ziekenhuisjes zoals deze waren een handelsmerk van het Sloveense verzet, de (communistische) Partizanen. Ze lagen in afgelegen berggebieden. De exacte locaties mochten niet bekend worden, en de gewonden werden er geblinddoekt naar toe vervoerd.
Dit hospitaal staat sinds 2000 op de Voorlopige Lijst van Werelderfgoed. In 2007 is er echter een ramp gebeurd: alle originele barakken met daarin de originele meubels en apparatuur zijn door een overstroming verloren gegaan. De Slovenen hebben een nationale TV-actie gehouden om geld in te zamelen voor het herstel, en sinds 2010 is het geheel weer toegankelijk.
Je loopt er naar toe via een 400 meter lang stijgend bos- en bergpad. Langs de route staan informatieborden in het Sloveens en Engels met uitspraken van mensen die hier verpleegd zijn, en verhalen over wat er allemaal in deze streek gebeurd is. Ook kun je nog een restant van een wachtpost zien, half-verscholen tussen de rotsen. De kloof die toegang geeft tot het hospitaal werd tijdens de oorlog zwaar bewaakt.
Je vraagt je af hoeveel bezoekers hier per dag komen, het ligt zo afgelegen, maar er is een heus loket om een entreekaartje te kopen. De toegang kost 4 EUR. Daarvoor mag je de 14 barakken in. In elk van de houten gebouwtjes staat uitleg waar het voor diende: als ziekenzaal, operatiekamer of keuken. Ook al het personeel woonde op het terrein, vaak waren het gewonden die hersteld waren en nergens heen konden. Het ziekenhuisje was goed verzorgd, ze hadden zelfs een röntgenapparaat.
Slecht één van de 14 houten barakken heeft de overstroming doorstaan. Ze zien er allemaal hetzelfde uit, dus dat is het probleem niet. Helaas zijn ook alle interieurs verloren gegaan. Nu staan er reproducties of soortgelijke apparaten/objecten van elders. Dit gebrek aan authenticiteit zal de kansen op een toekomstig werelderfgoedstatus sterk doen verminderen, vermoed ik zo. Maar ik vond het toch een interessant bezoek, het meest indrukwekkende wat ik tot nu toe in Slovenië heb gezien.
Na 45 minuten stap ik weer de auto in, en rijd verder over weer een bergpas. Je ziet hier veel motorrijders, die vinden dat leuk al die bochten rijden. Met de auto is dat een stuk minder gezellig, je moet steeds uitkijken dat er geen tegemoetkomend verkeer aan komt. Twee auto’s kunnen elkaar net passeren. Ik kom het stuk ongeschonden door, net als mijn gehuurde Renault Megane. Vanaf het hoogste punt word ik beloond met een prachtig zicht over de Julische Alpen. Ook de hoogste berg van Slovenië is hier te zien, de Triglav.
Dan nog een half uur de berg af, en ik kom aan in het Triglav Nationaal Park en bij het Meer van Bohinj. Hier in de buurt ligt het tweede mogelijk nieuw werelderfgoed van vandaag: de Fuzina heuvels. Het is een wat onduidelijke nominatie, maar het omvat in ieder geval de Alpendorpjes Studor en Stara Fuzina en de weides waarop men daar het vee laat grazen. Kenmerkend voor dit gebied zijn de grote staande hooirekken, die je bij alle weilanden ziet.
Ik parkeer in Stara Fuzina en ga het dorp te voet verkennen. Je kunt hier in de buurt ook goed wandelen, maar het weer is me daarvoor te wisselvallig vandaag. Als de zon achter de wolken verdwijnt is het erg fris en kan er zomaar een bui vallen. In Stara Fuzina staan nog veel oude boerenhuizen. Het ziet er erg Oostenrijks uit allemaal, dat geldt eigenlijk voor het hele gebied waar ik vandaag doorheen ben gereden. Ik heb al heel wat groene alpenweides gezien, hier en daar opgevrolijkt door een dorpje met een iets te grote kerk.
Behalve staande hooirekken zijn ook beschilderde bijenkasten typerend voor de boerenfolklore van de Sloveense Julische Alpen. Althans, dat vermeldt mijn reisgids. In Stara Fuzina moet ik er toch nog goed naar zoeken. Maar aan de rand van het dorp staat inderdaad zo’n bonte kast. Naar het schijnt hebben ze die vele kleuren zodat de bijen weten waar ze naarbinnen moeten vliegen…
Ik sluit de activiteiten voor vandaag af in een restaurant bij het meer van Bohinj. Hier is het erg toeristisch, je moet zelfs betalen voor het parkeren. Het eten smaakt desondanks goed, en met een gevulde maag rijd ik in een uurtje naar het vliegveld van Ljubljana. Daar laat ik mijn huurauto achter en trek met het openbaar vervoer de Sloveense hoofdstad in. Morgen daarover meer!
Ljubljana
Een dag in de Sloveense hoofdstad. Ljubljana heeft Romeinse wortels: het werd in het jaar 14 gesticht als Emona.
Op weg naar het Sloveens Nationaal Museum kom ik langs dit opvallende gebouw. Het blijkt het Sloveens Parlement te zijn. Het museum even verderop blijkt niet echt de moeite waard.
Ik ga dan de Art Nouveau-wandelroute lopen, die in mijn reisgids staat beschreven. Gelukkig staan de mooiste gebouwen vlakbij elkaar in dezelfde wijk.
Tijd voor het tweede museum: het Etnografisch Museum. Dit is een stuk moderner van opzet dan het Nationale Museum. Ik zie hier een tentoonstelling over deuren, en oude gebruiksvoorwerpen van het Sloveense platteland.
Ik loop dan terug naar het oude centrum van de stad via deze opvallende Drakenbrug. Vooral ook populair bij Aziatische toeristen.
Tijd voor lunch op een terras, de zon is inmiddels achter de wolken vandaan gekomen. Ik eet scampi, en ze zijn wel erg groot.
Met mooi weer heeft de waterkant in het centrum van Ljubljana wel iets weg van Parijs.
Tot slot van de dag loop ik naar het Tivoli Park, het grote stadspark net buiten het centrum. Het is er rustig en zeer groen.



















Leave a comment