- Route Iraaks Koerdistan 2014
- Tijdzone Bagdad
- Joods en Assyrisch erfgoed in Noord-Irak
- De geheimen van de Jezidi’s
- Te gast bij De Partij
- Peshmerga en een begrafenis
- In de stad Suleymania
- Now Ruz 2714
- Halabja en Ahmed Awa
- Wereldkampioenen picknicken
- De Citadel van Erbil
- Terugblik Iraaks Koerdistan 2014
Route Iraaks Koerdistan 2014
Eerlijk gezegd stond Irak of Koerdistan niet bovenaan mijn reisverlanglijstje, maar het ligt prettig genoeg dichtbij voor een tussendoorvakantie. En fascinerend is het natuurlijk allemaal wel: van die obscure religieuze minderheden die zo typisch zijn voor het Midden-Oosten, het ruige karakter en natuurlijk de recente geschiedenis tijdens en na het bewind van Saddam Hussein.
Mijn reis door Iraaks Koerdistan duurt 10 dagen, en is georganiseerd door Battuta Reizen. We reizen van de hoofdstad Erbil naar Duhok in het noorden, dan een stuk door de bergen langs de grens met Iran en vandaar naar de zuidelijke stad Suleymania. Daar vinden de festiviteiten plaats voor het Koerdisch Nieuwjaar op 21 maart. En dan weer terug naar Erbil voor bezoek aan de Citadel, die deze zomer hopelijk (voor mij en voor hen) op de Werelderfgoedlijst komt.
Het programma ziet er als volgt uit:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 14 maart | Vlucht naar Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan. Vliegen met Austrian Airlines via Wenen: 7.00-8.55 en 10.10-15.50 uur. Het is in Irak twee uur later dan in Nederland. | Hotel Safeer, Erbil |
| 15 maart | Per minibus richting het noorden, door een groen golvend landschap. Onderweg bezoek aan het Syrisch-orthodoxe Mar Matti klooster uit de 4e eeuw. Daarna door naar het voormalig joodse dorpje Qosh en de oude synagoge. Overnachting in Duhok met zijn oude binnenstad en bazaar. | Kani Hotel, Duhok |
| 16 maart | Dagtocht in de omgeving van Duhok. Naar het heiligdom gebouwd rond het graf van Sheikh Adi ibn Musafir, voorganger van de Yazidi. De Yazidi zijn een van de religieuze minderheden in Irak. Verder naar de vallei van Koning Sanharab, met zijn grotten en beelden en het historische Jerwana Aquaduct. | Kani Hotel, Duhok |
| 17 maart | Reisdag door de bergen met verschillende stops, o.a. bij een van de paleizen van Saddam Hoessein. Het eindigt in Rawanduz, een plaats waar veel Koerden zelf heen gaan om vakantie te vieren. | Pank Resort, Rawanduz |
| 18 maart | De reis gaat verder over de spectaculaire Hamilton Road, langs het plaatsje Shaqlawa en het Dukanmeer. Aan het eind van de middag aankomst in Suleymania, het culturele hart van Iraaks Koerdistan. | Assos Hotel, Suleymania |
| 19 maart | Suleymania is de standplaats voor de komende dagen. Daar bezoeken we de Rode Gevangenis, een getuigenis van het tijdperk van Saddam Hussein, en het Slemani museum, gewijd aan de geschiedenis van de regio. ’s Middags een uitstapje naar Qizqapan, 2500 jaar oude rotsfiguren bij wat vermoedelijk een koninklijke graftombe is. | Assos Hotel, Suleymania |
| 20 maart | De hele dag in de stad om Now Ruz, het Koerdisch nieuwjaar, mee te maken met allerhande festiviteiten. | Assos Hotel, Suleymania |
| 21 maart | Excursie naar Halabja, met bezoek aan het monument ter nagedachtenis van de aanvallen met chemische wapens in 1988. Op de terugweg een uitgebreide stop bij Ahmadawa, praktisch op de grens met Iran. Hier kun je de berg op en een waterval bezoeken. | Assos Hotel, Suleymania |
| 22 maart | Terugrit naar Erbil, waar de reis ook begon. Bezoek aan de (restanten van de) citadel van Erbil en het daar gevestigde tapijtmuseum en aan datgeen wat er nog rest van de Joodse wijk. De citadel wordt dit jaar waarschijnlijk werelderfgoed, dus toch nog een vinkje voor mij deze reis. | Hotel Safeer, Erbil |
| 23 maart | Nog een dag in Erbil, een moderne stad die zich snel ontwikkelt. Om 17.00 terugvlucht naar Nederland via Wenen. Aankomst op Schiphol: 22.05 uur. | Thuis |
Tijdzone Bagdad
In de kantoortuin van zone twee blauw ontstaat wat geroezemoes over mijn aanstaande reisbestemming. “Je gaat toch niet naar De Krim, he?”, klinkt het. “Dan moet je namelijk eerst wel heel goed je werk overdragen”. Zo zie je maar, er is altijd wel een overtreffende trap van de meest spannende reisbestemming. Iraaks Koerdistan klinkt opeens helemaal niet zo gevaarlijk meer. Het geroezemoes komt overigens van dezelfde collega’s die Mexico al eng vonden. Mij doet het verder niets – als ik het niet overleef ben ik tenminste tijdens mijn hobby om het leven gekomen.
Ik reis met Austrian Airlines via Wenen naar Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan. De vluchten zijn voor zo’n 70% bezet, en verlopen punctueel. Wenen is een heerlijk vliegveld om over te stappen, daar had ik al eerder goede ervaringen mee. Het is heel compact en relatief rustig. De vlucht naar Erbil vertrekt vanaf Gate G3 – dat blijkt een beetje de zone te zijn waarvandaan alle bijzondere bestemmingen in de regio worden aangedaan. Ik kijk verlekkerd naar het grote bord: Pristina, daar wil ook nog eens heen. En Baku natuurlijk.

Nu wordt het Koerdistan dus. Of eigenlijk Irak. Sinds het einde van de oorlog in Irak is Koerdistan één van de federale deelstaten van Irak geworden. Ze houden er wel hun eigen regels op na. Dat begint al met het feit dat er geen Iraaks visum nodig is om deze regio te bezoeken. Op het moderne vliegveld van de hoofdstad Erbil gaat het vlot langs de grenscontrole: twee stempeltjes en ik mag 15 dagen blijven.
Mijn reisgenoten en ik speuren naastig naar “iets bijzonders”. Bij het inzetten van de landing viel mij vooral op dat het bijna op Nederland lijkt: vlak, groen en verdeeld in keurige vierkante lapjes grond. De lucht kent ook Hollandse bewolking, en het is druilerig. Alleen die sloppenwijk met halfvergane betonnen huizen, die vlak voor het vliegveld verschijnt, valt uit de toon.
Een airportbusje brengt ons naar het Safeer Hotel in het centrum van Erbil. We zien zowaar viooltjes in de perken langs de straten! Verder wordt er heel veel gebouwd, tientallen torenflats waarvan alleen het geraamte staat. Het ziet er moderner uit dan ik had verwacht. Ook als we binnen in het hotel en thee zitten te drinken, heb ik nog niet het idee dat ik in Koerdistan ben. Gelukkig waren er op het vliegveld nog wat mannen in traditionele Koerdische kledij te zien – wijdvallende broeken en hemden, die ieder in net een andere kleur bruin of legergroen draagt. En mag ik bij het opstarten van mijn laptop een nieuwe tijdzone instellen: Tijdzone Bagdad.
Joods en Assyrisch erfgoed in Noord-Irak
Deze dag rijden we vanaf Erbil naar het noorden: met een bocht om Mosul heen naar het eindpunt Duhok, de op twee na grootste stad van Koerdistan. Het is gelukkig stralend weer, met een strakblauwe lucht en een felle zon. We rijden door een raar gebied vandaag: het valt buiten de Koerdische deelstaat, maar wordt wel door Koerdische militairen gecontroleerd. Hier in de Nineveh Vallei wappert de rood-wit-zwarte Iraakse vlag in plaats van de Koerdische met het kenmerkende zonnetje in het midden. Het is dan ook niet vreemd dat we het ene na het andere checkpoint moeten passeren. Als de chauffeur de magische woorden “Hollandia” heeft gezegd kunnen we meestal zo doorrijden.
Er zijn hier veel nieuwe wegen aangelegd. Vooral Turkije investeert sterk in de bloeiende economie van Koerdistan. Voeg daarbij genoeg olievondsten om het hele land op eigen kracht te laten draaien, en de onafhankelijkheid van Koerdistan is een kwestie van tijd. Het wordt dan wel een oliestaatje, want ze produceren hier niets zelf. Voedsel voor de bevolking importeren ze voornamelijk uit Iran. We krijgen ook meer zicht op die rare, half-afgebouwde betonnen huizen die we gisteren ook al vanuit het vliegveld zagen. Dat is nieuwbouw, een soort Vinex-wijken. Het is al vervallen voordat het klaar is.
In deze streek woont een mix van moslims, christenen en jezidi’s (aanhangers van een complexe religie waar we morgen nader mee kennis gaan maken). Onze eerste stop is dan ook een christelijk klooster: het Assyrische Mar Matti-klooster. Zoals het een goed klooster betaamd ligt het bovenop een berg, het valt bijna weg tegen de grijze rotsen.
Hoewel het aantal christenen in Irak sterk dalende is, gaat het dit klooster voor de wind. Het is onlangs gerestaureerd, en het ziet er blinkend uit. Ik ben wel benieuwd wie die geldschieter is geweest.
We gaan ons eerst melden in het kantoortje van de communicatiemonnik. Die zit achter een spiksplinternieuwe PC, en spreekt ons in goed Engels aan. Hij was in een vorig leven apotheker, en genezen van mensen doet hij er nu nog een beetje bij. Er staat een grote medicijnkast – heel handig volgens hem omdat een ziekenhuis zo ver weg is. Verder heeft hij dozen vol folders over het klooster, en stapels bidprentjes. Weer valt op dat het klooster wel erg goed in de slappe was zit.
Er wonen nog 7 monniken in dit klooster. Ook is er een seminarie, waar ze vooral Syriërs opleiden. Het klooster hoort tot de Syrisch-orthodoxe kerk, en het stamt uit de vierde eeuw. Het is een fijn plekje om rond te lopen. Op de binnenplaats ligt zelfs nog een restje sneeuw: gisteren is er een zware sneeuwbui gevallen.
We gaan te voet via het steile slingerpad helemaal naar de weg terug, waar de minibus ons oppikt. Ik ben wel blij dat ik dit niet omhoog heb hoeven lopen, hoewel lokale pelgrims dat wel doen. De omgeving is prachtig groen, iets wat in Koerdistan maar een paar maanden per jaar te aanschouwen is. In de zomer wordt het er bloedheet en droog.
We stoppen voor een late lunch bij een truck stop. Aan vrachtwagens geen gebrek hier op de wegen. De truckers weten wel waar ze moeten zijn voor het eten, en ook voor ons wordt de tafel snel gevuld met allerlei bijgerechten. Als hoofdgerecht neem ik kebab, het gegrilde vlees dat in het hele Midden-Oosten populair is.
De volgende bestemming is het plaatsje Alqosh. De mensen die er wonen zijn Assyriërs en christenen. Alqosh heeft erg te lijden gehad onder het regime van Saddam Hoessein. Positief bijeffect van die periode is dat er niet veel geld is geweest om veel nieuws te bouwen. Dit is dan ook de eerste redelijk traditioneel uitziende plaats die we tegenkomen: geen huizen van beton, maar stenen en leem. De straatjes zijn lekker kronkelig, en midden op de straat stroomt het afvalwater van de huizen bergafwaarts door een gootje.
Alqosh is een vriendelijk plaatsje om doorheen te slenteren. We worden op de thee uitgenodigd, maar we moeten nog meer dingen bekijken vandaag. Iedereen die we tegenkomen groet ons enthousiast in het Engels.
Tot voor enkele tientallen jaren woonden er ook nog joden in Alqosh. Ze hebben een grote synagoge nagelaten in het hart van het dorp. Ik had verwacht dat het niet meer dan een stapel stenen zou zijn (wat je nogal vaak ziet bij oude synagoges), maar deze staat nog heel behoorlijk overeind. Binnen zie je hebreeuwse inscripties op de muren, en er is een (lege) graftombe.
Als er een aardbeving komt in de regio is het wel allemaal weg. Het ziet er helaas niet naar uit dat er ook hier een schip met geld langs zal komen, zoals bij het klooster van vanochtend.
Even buiten het centrum ligt nog een Syrisch-orthodox klooster. We gaan er met de bus naar toe want het bevindt zich natuurlijk weer aan het einde van een slingerweg. Beneden stuiten we op een groep lokale jongeren die in een kring aan het dansen zijn. “Een uitje van de kerk,” luidt de uitleg. Ze hebben luidsprekers mee en draaien keiharde westerse dance-muziek. Zelfs de twee militaire bewakers van de toegangspoort hebben hun post verlaten en staan lachend toe te kijken.
Het hoofdgebouw en de kerk van dit Sant Hormizdklooster ziet er ook weer zo stralend nieuw uit. Het opvallendste hier ligt echter achter de moderne facade: het is een rotskerk, waar het allerheiligste is uitgehouwen uit de bergwand. Ook in de omringende bergen zijn grotten waar religieuze kluizenaars leefden. Er schijnen er nog twee te zitten, maar die laten zich natuurlijk niet zien.
Tegen zes uur komen we aan in Duhok. Het is een Turks aandoende plaats met vrolijk gekleurde huizen. Het is er om die tijd nog licht en druk in de straten. Ik heb wel genoeg gezien voor vandaag, scoor snel een broodje döner op straat en trek me dan terug op de hotelkamer om op de sportzender Dubai Sports kamelenracen te gaan kijken.
De geheimen van de Jezidi’s
We rijden vandaag de bergen in boven Duhok. In de stad is het al vroeg warm, maar boven de omringende bergranden hangt een dikke nevel. Dat belooft niet veel goeds voor de komende dagen als we juist dat gebied gaan verkennen. Je moet trouwens nog een flink eind rijden om Duhok uit te komen: er wonen bijna een miljoen mensen en het is dus een erg uitgestrekte stad.
Rechts van de weg zien we een karakteristiek “fort” uit de tijd van Saddam Hussein. Op de een of andere manier haal je bouwwerken uit die periode er zo uit, ze zijn protserig militaristisch. Dit exemplaar werd gebouwd om Iraanse krijgsgevangenen te huisvesten gedurende de Iran-Irak oorlog. Daarna ging het verder als gevangenis voor Koerdische opstandelingen en later vluchtelingenkamp. Nu staat het leeg, hoewel er plannen schijnen te zijn om er een museum van te maken.
Zo’n uur rijden van de bewoonde wereld ligt het plaatsje Lalesh, de heilige plaats van de Jezidi’s. Diep in de mist helaas. Je ziet het eigenlijk pas als je middenin de hoofdstraat staat. Daar begint ook meteen het ritueel van dit bezoek: je moet je schoenen in de bus laten, dit is zo’n heilige plek dat je er zelfs in de straten alleen met blote voeten mag lopen. Gelukkig mag het ook met sokken aan, de grond is nogal koud vandaag.
We worden opgewacht door een lokale gids, die een bekende is van onze reisleidster. Het is nog een jonge jongen, maar hij spreekt behoorlijk goed Engels en hij is heel enthousiast. Hij is een lid van één van de twee families die permanent in Lalesh wonen. Deze families leveren ook de heilige mannen van de religie van de Jezidi’s – zijn oom is er één van. Achter hem aan lopen we het terrein op, en gaan één van de tempels binnen.
Het is vandaag een feestdag, en er zijn Jezidi’s van heinde en verre gekomen om de tempel te bezoeken. Je kunt er je kind laten dopen. Of bidden voor geluk door een knoop te leggen in één van de veelkleurige doeken. De tempel zelf is niet zo oud, maar volgens de gids is er op deze plek al 72 keer een tempel vernietigd en daarna weer opgebouwd. De Jezidi’s hebben een bijzonder geloof, en zijn niet populair bij hun islamitische buren.
Olijfolie speelt een belangrijke rol in de beleving van het geloof. Ze maken die zelf: in de omliggende dorpjes staan olijfbomen. Door een behandeling van de 7 heilige mannen wordt de olie zelf geneeskrachtig. In het binnenste van de tempel staan vaten vol met dat spul (en de vloer plakt lekker door de olieresten). Gelovigen deppen wat olie op plaatsen waar zij genezing nodig hebben, we zien er eentje het in zijn oor doen. We zijn dan inmiddels in het meest mystieke deel van het complex aangekomen, een grot met zwartgeblakerde wanden.
Een groep mannen, meest in de traditionele Koerdische dracht, komt in processie blootvoets aan ons voorbij. Ze groeten vriendelijk, en zijn net zo nieuwsgierig naar ons als andersom. Naast het smeren van de olie en het leggen van de knopen is er nog een activiteit die vrijwel niemand overslaat: het is de bedoeling dat je een rode doek bovenop een randje in de grot gooit. Je mag drie keer proberen, het is net kermis. Als je goed gooit, mag je een wens doen.
Zodra we ons weer buiten wagen, worden we belaagd door een groep jongeren die dolgraag met ons op de foto wil. Vooral blonde vrouwen en lange mannen zijn in trek als fotopartner. Sommige jongens en meisjes spreken erg goed Engels – dat is wel een teken dat veel van de Jezidi’s tegenwoordig elders in Europa onderdak hebben gevonden. Ook onze gids heeft een vriendin die in Duitsland woont. De Jezidi’s trouwen overigens alleen maar binnen het eigen geloof, en je kunt ook niet bekeerd worden.
Je kunt het in de mist niet zo goed zien, maar op de tempel staan twee typische Jezidi-symbolen. Het zijn omgekeerde zonnestralen die samen een kegel vormen. In het geloof van de Jezidi staat de aanbidding van de zon centraal, vandaar. We hebben deze ‘hoedjes’ de afgelopen dagen al vaker langs de weg gezien. Hier in Lalesh bieden ze een mooie achtergrond voor de feestende jongeren. Muziek klinkt zachtjes uit hun telefoon of iPad, en een groepje jongens danst er in een kring omheen.
Het was een indrukwekkend bezoek, het was het onderdeel van het reisprogramma waar ik het meest naar heb uitgekeken en het heeft zeker niet teleurgesteld. Ik heb het ook wel koud gekregen gedurende de twee uur dat we daar op kousenvoeten rondgelopen hebben, dus ik ben blij de bus weer in te kunnen.
We rijden door naar het dichtstbijzijnde stadje voor een verwarmende thee. We gaan zitten bij een traditioneel theehuis dat een beetje het domein is van de oudere Koerdische mannen. Maar we zijn zeker wel welkom. Vanachter het raam slaan we het schouwspel gaande dat zich aan de overkant van de straat afspeelt: onze buschauffeur wordt op de bon geslingerd omdat hij daar niet mag parkeren. De politie is er als de kippen bij om een bekeuring uit te schrijven. Discussiëren helpt niet meer.
Na dit intermezzo rijden we naar iets wat het paradepaardje van het Koerdisch toerisme moet worden: de vallei van Khanes. Daar liet de Assyrische koning Sanherib in de 7e eeuw voor Christus een aquaduct aanleggen en afbeeldingen uit de rotsen houwen. Dit is de eerste plaats in Koerdistan waar we entree moeten betalen: 500 Iraakse dinar (ofwel 0,30 EUR).
Om een voor toeristen interessante archeologische vindplaats te worden, moet er nog heel wat gebeuren. Het ziet er rommelig uit – het helpt voor de eerste indruk al niet echt dat een minister erboven een villa heeft laten bouwen, en er naast een betonnen bouwval van een hotel staat. Er is geen informatiebord of zo – er ligt alleen een groep rotsen met gaten erin langs een rivier. Het is dat ik goed oplet, anders had ik deze mooie sculptuur van een Assyrische koning gemist:
Als je wat verder klautert over de rotsen kom je bij een ander symbool van de Assyriërs: een stier met twee vleugels. Hier krijg je een vleugje mee van een van de grootste machten in deze regio ten tijde van de oudheid. Het hoogtepunt van de Assyrische beschaving ligt in Assur. Dat is één van de drie Iraakse werelderfgoederen, en hier hemelsbreed maar zo’n 200 kilometer vandaan. Maar helaas, het is net als de andere twee totaal onbereikbaar geworden omdat ze in gebied liggen waar nog gevochten wordt of het anderszins gevaarlijk is.
Met veel geld en liefde voor het verleden moet er iets van te maken zijn, maar ik krijg het idee dat de Irakezen & Koerden hun geld liever anders besteden. Erg zuinig op hun huidige bouwwerken zijn ze al niet eens. Toch ben ik blij dat ik een piepklein stukje van de Assyrische beschaving heb kunnen zien vandaag.
We rijden daarna terug naar Duhok voor een late lunch. Daarna kijken we nog even bij het fort van Saddam (zie mijn eerste foto), maar daar kun je niet gemakkelijk dichtbij komen. Ook rijden we naar het grote stuwmeer van Duhok. Het is erg druk hier in de stad, er is zoveel verkeer dat het wel lijkt of je in het centrum van een grote stad in Nederland bent terecht gekomen. Maar er is genoeg te zien langs de kant van de weg om je niet te hoeven vervelen. Opeens staan we bijvoorbeeld naast een terreintje waar rijlessen gegeven worden. De kandidaten slingeren voorzichtig tussen pilonnen door en nemen een heuveltje. Je hebt hier wel wat stuurmanskunst nodig om de weg op te kunnen.
Te gast bij De Partij
We hebben vandaag een lange rit voor de boeg door de bergen. Zoals gisteren voorspeld regent het helaas. Niet heel erg, maar door de wolken en de mist moeten we de mooie vergezichten missen. Deze streek is in de zomer populair bij Iraakse toeristen, die aan de hitte van het laagland willen ontsnappen. Vandaag lijkt echter alles gesloten.
In de buurt van Enishke stoppen we bij een voormalig paleis van Saddam Hussein. Saddam had overal in het land op de mooiste plekjes een buitenverblijf. Dit hier is een groot landgoed, volledig omringd door een muur zodat je er vanaf de weg niets van ziet. Niet dat er nu nog veel te zien is: na de val van zijn regime is het paleis geplunderd, en wordt het landgoed niet meer onderhouden. Mensen uit de buurt komen er nog wel om te picknicken, er ligt een leuk meertje bijvoorbeeld. Het paleis zelf is volledig gestript, tot de leidingen en de trapleuningen aan toe. We zien alleen nog wat originele tegels op de vloer liggen. Verder is het een bouwval en ligt er veel afval.
Bij een ‘Paleis van Saddam’ stel je je toch meer luxe voor, de bekende gouden kranen en zo, maar dit ziet er niet zo groots uit.
Een uurtje verderop maken we in het plaatsje Amedi een theestop. We vinden weer een gezellig mannentheehuis, waar we ook dit keer gewoon welkom zijn. Dit theehuis heeft maar liefst twee flatscreen TV’s hangen, waarop uitzendingen van National Geographic te zien zijn. De mannen zitten op banken langs de rand van de ruimte, en er is een soort tribune waarop wij plaats nemen. Van buiten lijken die theehuizen niks bijzonders, maar binnen is het steeds gemoedelijk.
Amedi zelf is ook een leuk plaatsje. Er mag van mij wel wat meer ruimte in het programma van deze reis komen om gewoon wat rond te struinen in stadjes als deze. Ze zien er op het eerste gezicht niet spectaculair anders uit dan een willekeurige plaats in Jordanië of West-Turkije, maar als je even de tijd neemt vallen je de bijzonderheden op. Hier is dat bijvoorbeeld een echte kleermaker in de hoofdstraat. Hij maakt onder andere van die traditionele Koerdische mannenpakken, maar dan in kindermaten. Ik schat dat zo’n 10 tot 20 procent van de mannen nog in deze dracht rondloopt, behoorlijk veel dus.
Amedi heeft ook twee oude poorten en een minaret die het bekijken waard zijn. Zoals zo vaak in Koerdistan is het onduidelijk hoe oud de poorten zijn of door wie ze gebouwd zijn. Ze zijn in ieder geval van voor de komst van de Islam in de regio – dat is te zien aan de afgebeelde motieven zoals krijgers. De monumenten van Amedi lijken wel beschermd te worden, en er staan zelfs bordjes bij met summiere uitleg in het Koerdisch, Arabisch en Engels.
Verder heb je vanaf hier een prachtig uitzicht over de besneeuwde bergtoppen die de plaats omringen. Op posters is te zien hoe Alpenachtig hier het in de zomer is, het is wel duidelijk waarom dit een populaire toeristenplaats is.
Dit deel van het land is de thuisregio van de heersende Koerdische Democratische Partij. Hier komt de Barzani-clan vandaan, die al generaties lang de Koerden aanvoert. In tegenstelling tot de afgelopen dagen komen we hier geen militaire checkpoints meer tegen – dit is veilig gebied zonder gevaarlijke buren. Opmerkelijk genoeg is het bepaald niet de rijkste streek die we tot nu toe hebben gezien: we passeren zelfs een heel armoedig dorpje waar de huizen met losse stenen en blauw landbouwplastic bijeen worden gehouden.
De Barzani’s komen uit het stadje Barzan. Hier wordt wel wat meer moderns gebouwd . We zien er ook het zoveelste omheinde voetbalveldje met kunstgras – daar zijn er hier in de buurt heel wat van uitgedeeld. In Barzan gaan we naar het “mausoleum”-in-aanbouw van Mustafa Barzani, de vader des vaderlands. Op het parkeerterrein staat een heel welkomstcomité in dezelfde lokale kledij ons op te wachten. Het is een afvaardiging van de Koerdische Democratische Partij. We zijn hun gast, en worden de comfortabele en lekker warme ontvangstruimte in geleid.
Er is een hoge partijfunctionaris (“de zoon van de neef van de president”) en een goed Engels sprekende tolk aanwezig. Ze draaien vol vuur hun propagandaverhaaltje af. De Koerden willen vooruit, en worden belemmerd door ‘de Arabieren’ (de rest van Irak) in hun streven naar democratie en wereldvrede en mensenrechten en natuurbehoud. De Turkse buren waren ooit de grootste vijand, maar helpen hen nu goed in de opbouw van het land. Het is een heel onwezenlijke bijeenkomst, het is net of je bij een politieke persconferentie bent aangeschoven.
Gastvrij zijn de Koerden in ieder geval wel. Ze hebben in een andere kamer lunch voor ons klaargezet. We eten rijst met een saus van tomaat/aardappel/ui. De partijbons en de tolk eten gezellig mee. We eindigen weer in de salon met zoete thee. Dan wordt het langzamerhand wel eens tijd om bij de graven van de voorouders te gaan kijken. Daar begint het toneelstukje opnieuw: we geven opnieuw dezelfde mensen een hand, dit keer onder het oog van een draaiende TV-camera. Misschien zien we onszelf later in de week terug op de Koerdische TV!
Achter een muurtje liggen enkele simpele graven, bedekt met narcissenplanten. Het was de wens van de oude Barzani om eenvoudig begraven te worden en dat is hier uitgekomen. Helaas zijn ze ernaast een groot complex ter ere van hem aan het bouwen, met een museum, moskee en een informatiecentrum. Het is “voor 80% af”, zoals zoveel in Koerdistan, maar ze hebben geen idee wanneer het helemaal klaar zal zijn. Ervoor ligt heel symbolisch een vijver in de vorm van de Koerdische staat.
Na vriendelijk afscheid te hebben genomen van de delegatie, stappen we de bus weer in richting Rawanduz. Helaas regent het nog steeds, zodat we niet echt de schoonheid van deze bergregio meekrijgen.
De vallei van Rawanduz ligt maar zo’n 25 kilometer van de Iraanse grens. En dat merk je echt wel. We rijden door een stadje waarin opeens alle vrouwen geheel in het zwart gesluierd zijn. In de overige steden van Koerdistan is het al bijzonder als er één een hoofddoek draagt. Verder wordt er van alles verhandeld langs de kant van de weg.
Hoewel het een vrij smalle bergweg is, zien we ook veel meer vrachtverkeer. Er komt heel wat uit Iran Koerdistan binnen. Wij slaan echter ruim voor de grens af, een berghelling op. Daar op het topje ligt ons hotel voor deze nacht. Het is het vreemde Pank Resort, een uitgestrekt bungalowpark dat in de regen en de wind van deze namiddag een bijzonder troosteloze indruk maakt. Het aanwezige reuzenrad laten we ook maar voor wat het is.
Peshmerga en een begrafenis
Gisteren zijn we naar Rawanduz komen rijden via de bovenroute van de Hamilton Road, en vandaag verlaten we het via de benedenroute door het dal. De Hamilton Road is tussen 1928 en 1932 door de Britten aangelegd om de handel met buurland Perzië te vergemakkelijken. De Britten waren de baas in Koerdistan (en de rest van Irak) tussen 1920 en 1932. Er is maar weinig wat daaraan nog herinnert. Geen bordje over meneer Hamilton dus: het is nu een goed geasfalteerde doorgaande weg.
Het is de hele nacht flink door blijven regenen en er hangen dikke wolken. Door de raampjes van de bus zien we nauwelijks nog iets. Toch moet je er af en toe uit voor een fotostop. Zo is daar de bekendste waterval van Irak: de Gali Ali Beg. Hij is zo bekend omdat de waterval staat afgebeeld op het briefje van 5000 Iraakse dinar. De vele regen van de afgelopen dagen heeft de waterval zichtbaar goed gedaan. Het water spuit als een fontein over de rand van de bergrichel. Vorig jaar is zelfs het hele uitkijkterras wat er naast ligt weggespoeld, en ook nu staat het water van de rivier gevaarlijk tot aan de rand.
Het kost me terug in de bus een uur om weer op temperatuur te komen. We menen steeds lichtpuntjes aan de horizon te zien, maar het blijft regenen – soms hard, dan weer zachtjes.
Thee drinken doen we rond elven in het toeristische stadje Shaqlawa. De hoofdstraat ziet er heel modern uit, vol met winkels. Bij nadere inspectie blijken de meesten wel ongeveer hetzelfde te verkopen: noten en zoetigheden. Passerende dagjesmensen uit Iran en Irak zijn er blijkbaar dol op. Voor mij betekenen ze vooral goede foto-objecten.
We hebben een half uur om rond te kijken in Shaqlawa, maar het regent nog steeds zo hard dat er niet veel aan is. Je kunt niet eens naar de overkant van de straat lopen, de goten zijn overstroomd. Dan de bus maar weer in. Het is sowieso een flink eind rijden vandaag van Rawanduz naar de zuidelijke stad Suleymania.
We stoppen tegen half 2 voor de lunch bij een groot en drukbezocht wegrestaurant. Als we uitstappen parkeert er een legervoertuig van de Koerdische regio naast ons, inclusief man met mitrailleur in de aanslag op het dak. Oei, dat hadden we nog niet gezien hier in het eigenlijk best tamme Iraaks Koerdistan. Onze ‘fotogroep’ nadert voorzichtig, alsof het een traditionele stam in Zuid-Ethiopië betreft. Zomaar foto’s maken lijkt hier wel erg gewaagd. Maar al snel is het ijs gebroken. Net als de meeste ‘gewone’ Koerden willen ze maar wat graag op de foto, en ze maken met hun mobiele telefoons zelf ook opnames.
Het Koerdische leger hanteert nog steeds de naam Peshmerga (‘Zij die tegenover de dood staan’). Het is eigenlijk de naam van het guerilla- en opstandelingenleger dat sinds 1920 heeft gevochten voor de Iraaks Koerdische vrijheid en onafhankelijkheid. Nu zijn ze het leger van deze regio, er zitten dus geen Iraakse militairen. Ze gaan in volle bewapening binnen zitten lunchen. Het is voor ons een vreemd gezicht, maar je kunt je geweer moeilijk buiten in de auto laten liggen.
Na me weer helemaal volgestopt te hebben met kebab (ongeveer het enige wat ze hebben in het restaurant), gaat de rit verder richting Suleymania. De chauffeur van onze minibus heeft tijdens de stop de ramen laten wassen. Het is droog geworden, en we kunnen de wereld om ons heen weer zien. Niet dat er heel veel bijzonders voorbij komt, vooral heel veel onafgebouwde betonnen huizen – misschien wel hét beeld van Iraaks Koerdistan voor mij tot nu toe.
Als we door het centrum van een stadje rijden levert dat meestal wel mooie plaatjes op. Zo ook dit keer: aan het begin van de stad zien we een grote tent met tientallen in het zwart geklede vrouwen eromheen – hier moet iemand gestorven zijn. Waar zijn de mannen? Die zitten in de moskee. En inderdaad, als we daar langsrijden komen de mannen net naar buiten. Ze zijn allemaal op hun best gekleed, de meesten in stemmig zwarte Koerdische traditionele dracht dit keer.
De bus moet natuurlijk weer aan de kant van de weg worden gezet. Foto’s maken is hier ook geen enkel probleem, en de mannen gaan er uitgebreid voor staan.
We komen langzamerhand in de buurt van Suleymania. Prachtige bergen liggen links van ons, en de hoogsten nog steeds met flink wat sneeuw op de toppen. De namen van deze bergen en andere geografische markeerpunten ontgaan me – er zijn eigenlijk geen goede kaarten of reisgidsen over Iraaks Koerdistan. En net als bij de geschiedenis is er ook op gebied van geografie hier nog veel te beschrijven.
Vlak voor Suleymania zien we nog een fortachtige constructie, die meteen als gevangenis te herkennen is. Hier werden Al Qaeda-gevangenen vastgehouden door de Koerden en de Amerikanen. Ik weet niet of er nog steeds mensen vastzitten. Ik ben bang van wel.
In Suleymania zelf, een stad met een miljoen inwoners, staat nog iets veel herkenbaarders: een grote graansilo. Een soortgenoot (die van Basra) staat op het briefje van 50 Iraakse dinar.
In de stad Suleymania
Suleymania is de tweede stad van Iraaks Koerdistan. Het wordt beschouwd als de culturele hoofdstad van het land. Ook is het een rebelse stad waar veel geprotesteerd wordt; de grootste opstand was in 1991 tegen het toenmalige regime in Bagdad. In de stad is de Amna Suraka, ofwel de Rode Gevangenis, de belangrijkste getuigenis van het tijdperk van Saddam Hussein.
In 1991 wisten de Koerdische opstandelingen deze gevangenis in handen te krijgen. De kogelgaten zitten nog in de muren en er is een wachttoren naar beneden gevallen, maar verder is het complex in originele staat. We krijgen er een rondleiding door een jonge lokale gids die goed Engels spreekt. Eerst zien we de cellen: hokken met tralies waar groepen gevangenen tegelijk werden vastgehouden. En isoleercellen en speciale vrouwencellen.
Even verderop wordt het gruwelijker: de martelkamers, met de haken waaraan mensen werden opgehangen nog aan het plafond. De wanden zijn geluiddempend bedekt met hout. In een ander gebouw is een fototentoonstelling over de Koerdische opstand van 1991, en de Massale Uittocht die daarop volgde toen het Iraakse leger die neersloeg. Twee miljoen Koerden sloegen tegelijk op de vlucht de bergen in, de meesten naar Iran zoals onze gids die toen nog een kind was. Tot slot is er de Spiegelzaal, waar 182.000 stukjes glas de Koerdische slachtoffers representeren.
Eenmaal weer in de frisse buitenlucht maken we nog wat foto’s bij de tanks en ander wapentuig dat op de binnenplaats verzameld staat. Het zijn producten uit de Sovjet-tijd. De lokale bezoekers klimmen er bovenop om de mooiste plaatjes te kunnen schieten. Inmiddels is het flink druk geworden in het museum: zo zijn er twee bussen gearriveerd uit de Iraakse stad Najaf. Het zijn sji’itische moslims, een groep die net als de Koerden erg geleden heeft onder het regime van Saddam Hussein. Nu zijn ze net als wij vast in de stad om morgen de festiviteiten rond nieuwjaar mee te maken.
Niet al te ver van de Rode Gevangenis ligt het Slemani museum. Dit is volgens de bordjes het op één na grootste historisch museum van Irak en het grootste van Koerdistan. Ook hier is het druk met Iraakse toeristen, de meesten al in hun mooiste kleding – wat voor de vrouwen lange kleurige jurken betekent.
Opvallend veel van de objecten in het museum zijn kopieën, je vraagt je af waar de originelen zijn. Misschien ergens in een Europees museum? Toch zitten er wel mooie dingen bij, bijvoorbeeld uit het (werelderfgoed) Hatra dat rond het begin van de jaartelling door de Parthen werd gebouwd. Topstuk is een met koppen versierde deurpost.
Voordat we in de stad losgelaten worden brengt de bus ons nog naar de berg Azmar, waarvandaan je een goed uitzicht over de stad Suleymania hebt. Het is echter zo heiig dat je geen goede foto’s kunt maken. Wel is goed te zien hoe enorm groot het is, er wonen zo’n 1,5 miljoen mensen en men blijft driftig doorbouwen.
Een deel van de groep gaat dan naar het pretpark op de berg, en ik laat me afzetten in het centrum bij de bazaar. Deze beslaat een flink deel van het hart van de stad. Hij is grotendeels overdekt. Het lijkt ook of er geen eind aan komt, zo groot is het. Je kunt er alleen maar in ronddwalen, er zijn oneindig veel zijpaadjes. Wel heeft ieder deel van de bazaar zijn eigen specialiteit. Dit varieert van vlees tot stof voor dameskleding tot juwelen. Het is echt opvallend hoeveel gouden sieraden er te koop zijn, die moeten wel heel populair zijn onder de lokale bevolking.
Het is druk in de nauwe gangen van de bazaar. Morgen is het zo gezegd een feestdag, en nu lijkt het wel een koopavond c.q. koopmiddag. Mensen moeten nog snel van alles inslaan om genoeg eten in huis te hebben, om de haren fris geknipt te hebben en hun nieuwe outfit op te halen. De vrouwen drommen samen bij de stoffenwinkels, de mannen hebben meer oog voor de nieuwste mobiele telefoons. Ik snack er mijn lunch bij elkaar: een groot glas vers geperst sinaasappelsap bij het ene tentje, en een broodje kebab bij een ander populair stalletje.
Aan de rand van de bazaar staat een oude(re) moskee met een mooi turquoise betegelde minaret. Hier maak ik nog wat foto’s, en ga dan proberen de weg naar het hotel terug te vinden. Een plattegrond van de stad heb ik niet: geen toeristen, geen reisgids, geen plattegrondjes. Gelukkig stuit ik al snel op twee reisgenoten waarvan er een hier gisteravond al heeft rondgelopen. Die weet de weg naar het hotel, en wijst me meteen op ‘de Grote Moskee’ die ik nog niet eerder had ontdekt. Uit de minaret schelt net de oproep tot gebed dus we kunnen er niet naar binnen.
Het is nog een flinke wandeling van zo’n 40 minuten terug over de Salim Street naar Hotel Assos. Gelukkig is er genoeg te zien. Drankwinkels bijvoorbeeld: het is echt opvallend hoe drankverkoop in dit islamitische land wordt getolereerd, in de meeste Arabische landen gebeurt dat alleen onder de toonbank. Je ziet hier op straat ook bierreclames en in de meeste restaurants is het geen probleem om bier of iets sterkers te bestellen. Verder is men druk bezig met het opbouwen van de podia voor het feest van morgen.
Voor het diner zijn we uitgenodigd bij een Koerdische vriend van onze reisleidster. Hij woont in een modern en vrij ruim huis in een buitenwijk van Suleymania. Hij woont er samen met zijn vrouw en twee kleine kindjes. Die laatste twee eisen alle aandacht op, vandaar dat een tante het avondeten heeft klaargemaakt. Het is dolma, een typisch Koerdisch gerecht van met rijst gevulde en gestoofde groenten. Net zoiets als de Griekse dolma, maar die zijn alleen gewikkeld in druivenbladeren. Hier wordt een enorme schaal op de grond gepresenteerd, waar we met z’n tienen nog niet eens doorheen komen.
Now Ruz 2714
Now Ruz is het nieuwjaars- en voorjaarsfeest, dat in de regio Iran/Azerbaijan/Koerdistan op of rond 21 maart wordt gevierd. Ik maakt het mee in Suleimaniya.
Vandaag is het een feestdag, maar ’s ochtends moet nog de laatste hand worden gelegd aan de patriottische versieringen: een enorme poster met de Koerdische vlag en narcissen als symbool voor de lente.
De Koerden vieren vandaag Oud&Nieuw: Now Ruz. Het jaar 2714 is aanstaande. De straten in het centrum van Suleymania zijn afgezet en het feest kan beginnen. Mannen, vrouwen en kinderen zijn op hun paasbest gekleed. Veel glitter dus.
Er loopt een enkele strijder mee in de mensenmassa die in de loop van de middag op gang komt. Men paradeert de kilometerslange Salim Street op en af.
Even na vier uur ‘s middags wordt het grote vuur ontstoken.
Tijd om te dansen. De oude mannen doen het statig voor.
Er zijn optredens op diverse podia. Net als in Nederland op Koninginnedag valt er heel wat te snacken langs de route.
Hier te koop: bakjes gekookte tuinbonen!
Aan het eind van de middag is het onvoorstelbaar druk geworden. Naar verwachting zijn er meer dan een miljoen mensen aanwezig. Iraakse Koerden, maar ook Koerden uit de buurlanden Iran en Turkije. En Irakezen elders uit het land.
Halabja en Ahmed Awa
Om half 9 zitten we op ‘nieuwjaarsochtend’ weer in de bus voor een dagtrip naar het zuidoosten van Iraaks Koerdistan. We zijn niet de enigen die de stad Suleymania proberen te verlaten: er is al langzaamrijdend verkeer aan de rand van de stad. In de auto’s om ons heen zitten Koerden in hun feestkledij, hele families samengepakt in één auto. Ze gaan picknicken in de natuur. De straatverkopers spelen daar goed op in: langs de kant van de weg zijn watermeloenen te koop, flessen water, ijsblokken om alles fris te houden, houtskool voor de barbecue en zelfs levende schapen.
Gelukkig gaat de lange rij auto’s een andere kant op dan wij. Wij gaan naar Halabja, een stad die tijdens de oorlog tussen Iran en Irak in 1988 met gifgas is gebombardeerd door de troepen van Saddam Hoessein. Het is bijna twee uur rijden naar deze uithoek van het land. Die ligging is hen ook noodlottig geworden: tijdens de oorlog hadden de Iraanse troepen Halabja bereikt, en ze spanden samen met de lokale Koerden.
Er vielen 5000 doden door de gifgasaanval in Halabja, de grootste aanval met gas na de Tweede Wereldoorlog maar niet de enige tegen de Koerden in Irak. In de stad is een monument annex museum ter nagedachtenis aan die dag gebouwd. We bekijken het samen met een lokale gids. Er zijn ook andere bezoekers aanwezig. Zo spreekt een uitstekend Engels sprekend meisje uit Iran me aan. Iraanse troepen hebben een bijzondere rol gespeeld bij de “ontdekking” van dit drama: zij vonden de slachtoffers, en maakten foto’s en videobeelden. Die zijn nu te zien in dit museum.
Het monument is vooral een plek ter nagedachtenis. Elk jaar op 16 maart (de dag waarop het gebeurde) komen mensen uit de buurt de overledenen herdenken. Iets soortgelijks ligt net buiten de stad: op de grote begraafplaats vind je massagraven met slachtoffers, en een herdenkingsplek met 5000 grafstenen met de namen erop.
Dit is de eerste begraafplaats die we deze reis van dichtbij zien. Ook de ‘gewone’ doden van Halabja worden hier begraven. Hun grafstenen zijn opvallend uitbundig versierd voor een islamitische begraafplaats. Velen hebben afbeeldingen van bloemen, en op eentje ontwaar ik een vlinder.
Het grote monument van Halabja is pas weer open na restauratie – een eerdere versie is in 2006 door de lokale bevolking in brand gestoken, omdat ze vonden dat er goede sier met hun leed werd gemaakt terwijl de bewoners zelf geen enkele hulp hebben gekregen. Inmiddels is de situatie wel wat verbeterd, maar het is nog steeds een veel armere streek dan de rest van Koerdistan.
De teleurgestelde inwoners hebben hun toevlucht genomen tot het geloof. Zo religieus als hier hebben we het nog niet gezien tijdens deze reis: vanaf verschillende minaretten klinkt tegen elkaar in de oproep tot gebed. Bij de grote moskee is de preek tot buiten te horen. Alle winkels zijn dicht als we vrijdag rond lunchtijd door de stad lopen, de verkopers hebben een doek over hun waar gegooid en zijn gaan bidden. Alleen een jongen van een jaar of 12 ziet zijn kans, en gooit de groente- en fruitwinkel open voor verkoop aan de buitenlanders.
Vanuit Halabja rijden we richting de mooi besneeuwde bergtoppen aan de horizon. Het is het Zagros gebergte, dat de grens tussen Irak en Iran vormt. Dat levert mooie plaatjes op. We overvallen een schaapsherder die vanaf een heuveltje zijn schapen in de gaten aan het houden is. Schaapskuddes hebben we de afgelopen week vrij vaak gezien. Elke keer als je over het platteland rijdt zie je er eigenlijk wel meerdere.
De groene velden met de bergrug op de achtergrond zijn ook voor de Koerden idyllisch genoeg om hun nationale hobby uit te oefenen: picknicken. Her en der verspreid langs de weg en op het grasland zie je auto’s staan. Daarnaast zit op een kleed een grote familie zich te goed te doen aan de meegebrachte etenswaar. Je kunt je in Nederland niet voorstellen dat je zomaar ergens in een weiland gaat staan, maar veel landbouw is er hier toch al niet dus er is ruimte genoeg.
Wij rijden verder door, de bergen in. We gaan naar de watervallen van Ahmed Awa, op 5 kilometer van de Iraanse grens. De omgeving van Ahmed Awa ziet er nu zo onschuldig uit, toch is er ook hier een paar jaar geleden iets verontrustends gebeurt. Drie Amerikaanse toeristen zijn in 2009 door Iraanse grenstroepen gevangen genomen, en ruim één jaar (de vrouw) c.q. twee jaar (de twee mannen) vastgehouden in Teheran. De drie waren boven de waterval van Ahmed Awa aan een lange bergwandeling begonnen.
Het is een heel vreemd verhaal – zelfs lokalen lopen hier niet zonder een gids door de bergen, er liggen landmijnen en iedereen weet dat je hier in grensgebied zit. Alleen smokkelaars gaan wel eens de grens over, maar het is nog uren lopen. De drie hebben onlangs (maart 2014) een boek geschreven geschreven, waarin ze beweren dat ze geen idee hadden dat ze zelfs maar in de buurt van Iran waren. CIA-agenten of supernaïef?
Op het parkeerterrein onderaan de berg van Ahmed Awa stappen we over van de bus in een jeep. Je moet namelijk het laatste stuk steil omhoog de berg op tot bij de plek waar de watervallen zijn. Er blijken 9 Nederlanders in één jeep te passen, ondanks hun afmetingen.
Op deze feestdag is het ook hier natuurlijk druk met picknickende families en groepen jongeren. Er zijn souvenirstalletjes en theetentjes langs het pad omhoog. Wij zoeken een rustig plekje op om onze meegebrachte lunch op te eten. Het blijft niet lang rustig, omdat er steeds mensen langskomen die met de buitenlanders op de foto willen.
Je zit hier natuurlijk op hoogte, en omdat het nog vroeg in het seizoen is buldert het water van de berghelling af naar beneden via een serie watervallen. Het is vandaag lekker zonnig weer en het is een heerlijke plek om een tijdje te vertoeven. ’s Zomers is het helemaal ideaal om verkoeling te zoeken als je in het hete laagland woont.
Ahmed Awa is populair bij zowel dagjesmensen uit Iran als uit Bagdad. Toch wel opvallend dat de oude rivalen zich nu vrolijk mengen onder de Koerden. Het is de meest ontspannen en zorgeloze streek in de regio, en je mag er dingen die je ‘thuis’ niet mag. Alcohol drinken bijvoorbeeld, en in korte broek lopen en meisjes kijken.
Wereldkampioenen picknicken
We rijden vanochtend eerst de bergen in, naar Qizqapan. Daar ligt een graftombe uit de tijd van het Oud-Perzische rijk. Naar schatting stamt de tombe uit einde 5e of begin 4e eeuw voor Christus. Hier lag waarschijnlijk een van de lokale heersers begraven. Er is zelfs een parkeerterrein bij waar ook al een andere auto staat. Daar stapt voor de couleur locale net een grote familie uit met de dochters in bonte glitterjurken. Ook lopen er koeien met kalfjes tussen door.
Genoeg fotomogelijkheden dus beneden. Maar we moeten de trap op van de ijzeren stellage die voor de bergwand is gebouwd. De tombe is in de wand uitgehouwen op een meter of 20 hoogte. Als je bovenaan de stellage bent kom je oog in oog te staan met de grot en vooral het zeer fraaie portaal. Het is in Griekse stijl gebouwd met zuilen. Ook zitten er elementen in van het Zoroastrisme, de oude Perzische religie. Helaas is een deel van de facade overgespoten met recente graffiti.
We zitten hier op de route tussen Suleymania en Dukan. Op de weg omhoog naar Qizqapan hebben we aan de overkant van de straat een man schapen zien slachten langs de kant van de weg. Daar moet op de terugweg natuurlijk gestopt worden. Er staat een groepje van zo’n 20 schapen nog rustig in een kringetje op hun beurt te wachten. Eén man slacht het schaap, een ander helpt hem daarna op te blazen zodat de vacht eraf kan, weer een ander beent het karkas uit en de vierde man verkoopt de inmiddels handzame brokken vlees langs de kant van de weg.
Overal op de grond liggen felrode plassen bloed. Er lijken al heel wat schapen gesneuveld te zijn deze ochtend. Het einde komt snel en zonder gekrijs: kop eraf met een mes, en dan de rest van het schapenlichaam nog even met de voet stil houden tot de poten uitgesparteld zijn. De mannen doen goede zaken. Regelmatig stopt een van de passerende auto’s, en zelfs een politieman van de tegenover gelegen post doet er inkopen.
We rijden door naar het meer van Dukan. Dit is het grootste meer van Koerdistan. Het is een stuwmeer. Zoals wel vaker hier is er niet veel “natuur”. Vogels laat staan grotere dieren zie je hier haast niet.
We maken er met een motorboot een tochtje van een half uur over het meer en een kloof in. Het is niet al te spectaculair, maar zoveel water bij elkaar is voor de gemiddelde Koerdische bezoeker waarschijnlijk wel bijzonder.
Bovenop een tegenoverliggende helling vinden we een theehuis met uitzicht. Uitzicht op het meer, de besneeuwde bergtoppen én de ontelbare auto’s waarachter picknickende families schuilgaan. We zagen ze vanochtend om kwart over 9 al ergens in het gras zitten – de Koerden zijn echt wereldkampioenen picknicken. Bij het meer zijn ook vakantiehuisjes en daar in de buurt zitten de mensen op elkaars lip. De families hier op de hogere uitkijkpunten hebben het beter voor elkaar: daar is lekker groen gras om te zitten, en er ligt minder afval op de grond.
Wat betreft zorg voor hun omgeving hebben de Koerden nog wel een weg te gaan. Mensen gooien hun afval zo uit het raam of laten het achter op de picknickplek. Overal slingeren plastic flessen, lege blikjes en plastic zakken. Alleen gisteren op de toegangsweg naar de watervallen van Ahmed Awa werden we verrast door wat milieubewustzijn: iedere auto die de weg opreed kreeg een zak uitgereikt om het afval in te doen.
We lunchen vandaag in het stadje Koya. Althans, dat was de bedoeling. Maar het is weekend en nog steeds feest, dus alle restaurants zijn dicht. We struinen de plaats van voor naar achter door op zoek naar iets eetbaars. Met een paar medereizigers kom ik uiteindelijk bij een banketbakker terecht, die ons tenminste wat voedzame koekjes en iets te drinken kan verkopen. Achter de facades van de hoofdstraten ligt hier nog een oude (deels joodse) wijk. De gebouwen zijn erg vervallen, maar dat maakt het wel pittoresk.
In een buitenwijk van Koya staat een groot blauw beeld tegen een helling. Het lijkt wel een Mariabeeld, maar hier? Er leeft best een grote groep christenen in Koerdistan, velen gevlucht uit andere delen van Irak of Syrië, maar echt openlijk christelijke uitingen zie je toch zelden. Achter de grote blauwe madonna blijkt het heiligdom te liggen voor Marbana Behnam, een christelijke heilige. Er is een klein kerkje waar we ook lokale bezoekers kaarsjes zien aansteken.
Vanaf Koya is het nog zo’n 60 kilometer rijden naar onze eindbestemming Erbil. We maken nog één geplande stop: bij het kunstwerk van Ismael al Khajat. Deze Koerdische kunstenaar beschilderde tijdens de burgeroorlog (1994-1996) samen met schoolkinderen de rotsen in de zone die toen niemandsland was tussen de strijdende partijen. Twee dagen geleden zijn we in Suleymania ook bij zijn atelier geweest, en hebben toen een beschilderd steentje als souvenir meegekregen. De stenen hier langs de kant van de weg zijn zonder het verhaal erachter maar matig interessant. Er staat ook geen informatiebord met uitleg bij of zo, alle auto’s razen er gewoon voorbij.
Zo’n 15 kilometer voor Erbil is het gedaan met het hard rijden. We komen in een lange file terecht. Hier in de omgeving van de grote stad heeft het picknicken het ultieme hoogtepunt bereikt. De mensen zitten allemaal langs de kant van de weg. Een deel van de mensen wil ook al weer naar huis, wat er toe leidt dat de tweebaansweg opeens een vierbaansweg is geworden: 4 rijen dik naast elkaar richting Erbil, waarvan 2 op de verkeerde weghelft. Tegemoetkomend verkeer kan er nog maar met veel moeite langs. We komen slechts stapje voor stapje vooruit, maar gelukkig is er genoeg te zien langs de kant van de weg. De mensen hebben nog steeds hun mooiste kleding aan, dansen in kleine groepjes op zelf meegebrachte muziek, laten zich zien en willen graag bekeken worden.
De Citadel van Erbil
De Erbil Citadel is de hoop van Iraaks Koerdistan voor het verkrijgen van haar eerste werelderfgoed. De nominatie wordt besproken in de vergadering van het werelderfgoedcomité in juni dit jaar. De Citadel van Erbil wordt bestempeld als de “de oudste continu bewoonde nederzetting in de wereld”. Hiermee is het een rivaal voor beter bekende plaatsen zoals Byblos (Libanon), Damascus (Syrië) en Jericho (Palestina).
Claims als deze zijn natuurlijk niet waterdicht te controleren, maar de oorsprong van Erbil is zeker zeer oud. Een meer onderscheidende factor is het feit dat het een stadscitadel (bewoond door mensen) is en niet een militair fort. Het ligt op een 30 meter hoge heuvel, de resten van vroegere bewoning. De moderne stad van Erbil is eromheen gebouwd.
Ik bezocht de Citadel op een zondagochtend. We gingen de Citadel van de achterkant in (via de Noordpoort) en moesten daar een bewaker passeren die even driftig ging bellen. Onze Nederlandse reisleidster had geregeld dat een lokale gids ons rond zou leiden, maar bij binnenkomst was hij nergens te vinden. Dat bleek achteraf geen groot probleem te zijn, je kunt vrij rondlopen in het centrale deel van het binnenste van de Citadel. En met de hulp van een soort opzichter waren we in staat om een aantal deuren te openen en onder verschillende afzettingen met rood lint door te kruipen. Wij ontmoetten er ook een Iraanse backpacker die op eigen houtje aan het rondkijken was. Na jaren van restauratie is de Erbil Citadel nu dus definitief geopend voor bezoekers. Er waren ook veel lokale bewoners aanwezig voor een zondagse wandeling.
Ik had geen echte verwachtingen van wat er te zien is in het interieur van de citadel. In de hoogtijdagen was het een ‘labyrintisch netwerk van smalle verkeersvrije straatjes’. Ondanks de nog steeds lopende restauraties / reconstructie, domineren de lelijke 20e eeuwse toevoegingen de eerste aanblik. Zo is er nog steeds een verharde centrale weg tussen de Noord- en Zuidpoorten, aangelegd ten tijde van Saddam Hoessein. De weg van een paar honderd meter lang heeft zelfs een verkeersdrempel. Ook de beruchte watertank uit de jaren ’20 die voor lekkage en beschadigingen heeft gezorgd, staat er nog steeds.
Daarentegen is het karakteristieke boomvormige patroon van straten die uitwaaieren vanaf de hoofdingang helaas niet meer herkenbaar.
In het hart van de citadel-stad liggen de oude hammam en de belangrijkste moskee. De moskee lijkt de enige plek binnen de Citadel die daadwerkelijk in gebruik is. Hij heeft een mooie betegelde minaret, maar voor de rest is het interieur verschrikkelijk moderne kitsch. In de buurt erachter liggen enkele elegant gerestaureerde stadspaleisjes. Eén daarvan zal worden gaan gebruikt als cultureel centrum. Er is ook een textielmuseum, maar dat was vandaag gesloten.
Op zijn beste momenten deed de Citadel me denken aan Itchan Kala, de oude stad van Khiva (Oezbekistan). Itchan Kala is wel veel meer sfeervol. De Erbil Citadel ondervindt duidelijk nog hinder van een (te?) lange periode van verval. En hoewel het technisch gezien “voortdurend bewoond” is geweest gedurende 7000 jaar, zijn de meeste mensen al in de jaren ’60 naar de modernere wijken van Erbil verhuisd. Uiteindelijk is er één familie blijven wonen om de citadel bewoond te houden. Ook hebben er een tijdje vluchtelingen in gewoond.
Hoe zijn de kansen voor inschrijving op de Werelderfgoedlijst? Ik denk dat het op veel sympathie-stemmers kan rekenen. Het is Irak (heeft nog veel hulp nodig voor het herstel), het is het Midden-Oosten (er was een sterk Arabisch /islamitisch blok van stemmers vorig jaar, en de vergadering van dit jaar wordt gehouden in Qatar), de zeer oude oorsprong van de Citadel is onmiskenbaar en het verhaal van de Koerden zelf is ook een interessante invalshoek. Het zal het eerste werelderfgoed worden in Groot-Koerdistan (verspreid over Syrië, Irak, Iran en Turkije), en met zowel Mardin en Diyarbakir (beiden Turks Koerdistan) op de nominatie voor de komende 2 jaar lijkt dit op een acceptatie van de Koerden in de internationale gemeenschap .
De adviseurs van ICOMOS zullen ongetwijfeld iets te zeggen hebben over de manier waarop de gebouwen in Erbil worden hersteld hebben, hoewel delen van het werk gesponsord worden door Unesco zelf. Vooral ook lijkt er een gebrek aan coördinatie te zijn over hoe nu verder te gaan met de reconstructie van de Erbil Citadel. De stad nu wordt hersteld in de situatie zoals hij was in de late 19e eeuw – niets verwijst naar de Assyriërs of andere vroege bewoners uit de 7000 jaar geschiedenis. Veel van de gebouwen liggen nog steeds in puin en ik heb geen aanduiding gezien wanneer “het” klaar moet zijn. Dit is trouwens wel heel typisch voor Koerdistan als geheel: veel dingen zijn “80% af “, terwijl iedereen weet dat de resterende 20% nog het zwaarste werk wordt.
Terugblik Iraaks Koerdistan 2014
Terugblik en praktische info over mijn reis door Iraaks Koerdistan in 2014.
Voor een land zonder echte grote bezienswaardigheden (en zonder werelderfgoederen!) was het toch een memorabele reis. Vooral de Koerden zelf maken het verschil. Je kunt merken dat ze lang geïsoleerd hebben geleefd, en nu heel blij zijn dat ze in een vrije en veilige regio onder eigen bestuur leven. Het is een heel fotogeniek gebied, en de mensen vinden het geen enkel probleem om te poseren. Zelf lopen ze ook overal met camera’s en mobiele telefoons rond en maken minstens evenveel foto’s van elkaar.
Voor mij waren de hoogtepunten:
– de Jezidi-tempel van Lalesh: zo obscuur en typisch voor de charme van het Midden-Oosten, op je sokken door een zwartgeblakerde grot met heilige olijfolievaten
– Now Ruz in Suleymania: een miljoen mensen in traditionele kledij aan het feesten op opzwepende Koerdische muziek en zonder enige wanklank
We kwamen onderweg maar één andere westerse toerist tegen: een Spanjaard die we troffen in de donkere grotten van Lalesh. En verder nog wat Duitsers die 3 maanden gingen werken aan een treintje in het pretpark van Rawanduz. Zolang Iraaks Koerdistan zo weinig wordt bezocht, houdt het zijn charme. Het is nu al behoorlijk modern en welvarend, en als het nog opener wordt gaat het speciale er vrees ik wel vanaf.
Voorbereiding
Zo’n georganiseerde reis is wel eens lekker makkelijk: je hoeft eigenlijk niks voor te bereiden, alleen maar te betalen. Wel heb ik me ingelezen aan de hand van een paar boeken over (Iraaks) Koerdistan. Er is voor Iraaks Koerdistan geen visum nodig: je krijgt bij aankomst een stempel in je paspoort dat je 15 dagen mag blijven.
Vervoer
Vliegtuig
We vlogen naar Erbil met Austrian Airlines. De verbindingen met overstap in Wenen zijn uitstekend. Het is zo’n anderhalf uur van Amsterdam naar Wenen, en dan nog 3,5 uur door naar Erbil. De vluchten zaten niet helemaal vol. Je krijgt ook nog iets te eten (pasta en een toetje) en genoeg te drinken. Bijkomend pluspunt is dat het vliegveld van Wenen kleinschalig is en heel prettig om over te stappen of even te verblijven. Ook op het vliegveld van Erbil is de sfeer heel ontspannen.
Bus
We werden door de competente Koerdische chauffeur Karzan rondgereden in een ruime minibus. De wegen zijn vrij goed, in ieder geval allemaal geasfalteerd en je kunt er goed doorrijden. Files kennen ze echter ook in Koerdistan, en de medeweggebruikers worden daar erg onrustig van. Meerdere keren hebben we meegemaakt dat de tegenliggende rijbaan ook maar in gebruik werd genomen, zodat de auto’s die van de andere kant kwamen via de berm verder moesten.
Overnachtingen
Erbil
Hotel Safeer is een modern hotel met 32 kamers in het centrum van Erbil. Het ligt op een minuut of 20 lopen van de Citadel, aan het eind van de straat. Heel vriendelijke eigenaar die goed Engels spreekt. Je kunt er ook gemakkelijk geld wisselen. Ontbijt is een buffet(je) met de gebruikelijke combinatie van tomaat, komkommer, schapenkaas en vers brood. Er is goed draadloos internet op de kamers.
Website: Hotel Safeer
Duhok
Het Khani Hotel ligt op een prominente plek in het hart van de stad Duhok, met volop eettentjes en supermarktjes in de buurt. Het heeft een chique uitstraling, en is net een tandje luxer dan het hotel in Erbil. Uitgebreid ontbijtbuffet, het beste van de hele reis. Ook hier is gratis wifi. De TV heeft alleen maar zenders uit de golfstaten en Bagdad, waar vrijwel continu wordt gepraat door Arabisch uitziende mannen (soort radio).
Website: Khani Hotel
Rawandoz
Het Pank Resort is een bungalowpark bovenop een berg. Ik heb hier mijn eigen huisje, met woonkamer, slaapkamer, badkamer en zelfs een keuken. Het waait enorm op het terrein. Het is ook een heel groot complex, ver lopen naar de receptie of het restaurant. Er is TV en zelfs internet (beveiligd met een code die ik niet heb gevraagd). Eten is er duur. Ontbijt wordt geserveerd aan tafel, met gebakken ei en yoghurt.
Website: Pank Resort
Suleymania
Het Assos Hotel ligt aan het einde van de hoofdstraat van Suleymania. Het heeft een eigen restaurant. Het is het drukst bezochte hotel van deze reis. Er is heel snel internet. Ontbijt is een buffet, gewoontjes. Het is een al wat ouder hotel, en er komt wel eens wat naar beneden als je iets vastgrijpt (in mijn geval: de rail met kledinghangers in de kast).
Website: Assos Hotel
Prijs: 90 US dollar (geadverteerd in hotel)
Eten
Je kunt er prima eten, geen enkele keer is het tegengevallen. Alleen op vrijdag en op feestdagen was er bijna geen restaurant open.
Ontbijt
Bij alle hotelovernachtingen zat het ontbijt inbegrepen. Bijna altijd was dat een buffet met de Koerdische favorieten tomaat, komkommer, schapenkaas en/of La Vache Qui Rit, brood en thee. De standaard voor het hele Midden-Oosten eigenlijk, maar het smaakte elke dag goed. Voor koffie hebben ze soms Nescafé, maar meestal was het niet te drinken. Je kunt het de hele dag maar het beste bij thee houden.
Lunch en diner
We lunchten meestal uitgebreid, als tussenstop op onze dagtocht met de bus. Soms in een wegrestaurant, soms in een plaatsje. Bij dergelijke restaurants hebben ze voornamelijk kebab, en soms ook rijst met kip of iets dergelijks. In de grote steden Erbil en Suleymania zijn daarnaast ook luxere restaurants waar je Italiaans kunt eten of (mijn favoriet!) Libanees.
Voor het avondeten haalde ik meestal ergens een broodje döner kebab, of wat snacks bij een supermarkt.
Kosten
Koerdistan heeft (nog) geen eigen munt. Ze gebruiken de Iraakse dinar, en je kunt op de meeste plekken ook met dollars betalen. Voor dat laatste is er een vaste wisselkoers. Op straat betaaal je zo’n 1000 dinar (0,60 EUR) voor een broodje kebab, en 500 dinar voor een fles water. In de duurdere restaurants, en dat zijn meestal Libanese of Italiaanse, kan het zo oplopen tot 20 dollar voor een maaltijd.
Deze verzorgde reis is met 2245 EUR wel aan de dure kant voor 10 dagen. Het is dan ook een van mijn duurste reizen ooit, omgerekend naar kosten per dag. De prijzen zijn in Koerdistan flink gestegen, en zeker de hotels hebben West-Europese prijzen. Naast de vaste reissom heb ik weinig uitgegeven, slechts zo’n 185 US dollar.


















































Leave a comment