World Heritage Traveller

Guyana & Suriname 2013

Written by:

  1. Route
  2. #507: Paramaribo
  3. Plantages en Dolfijnen
  4. Dag der Inheemsen
  5. Privéjet naar Georgetown
  6. Stabroek in de regen
  7. Kaieteur en Orinduik
  8. Iwokrama
  9. Atta Lodge
  10. We vinden onze mascotte in Surama
  11. Relaxen in Annai
  12. Waterlelies en rumpunch in Karanambu
  13. Jacht op de reuzenmiereneter
  14. Yupukari en de kaaimannen
  15. Terug in Georgetown
  16. Peperpot
  17. Terugblik Guyana & Suriname 2013
    1. Suriname
    2. Guyana

Route

Het is bijna zover: op 6 augustus vertrek ik voor mijn tweede grote reis van dit jaar. Ik vlieg eerst naar Suriname, waar ik op eigen gelegenheid een paar dagen Paramaribo en omgeving ga verkennen. Daarna vlieg ik verder naar het buurland Guyana, waar ik aansluit bij een kleinschalige natuurreis door het binnenland.

De globale reisroute is als volgt:

DatumProgrammaVerblijf
6 augVlucht van 14.20 – 18.20 uur van Schiphol naar vliegveld Zanderij in Paramaribo, met KLM-vlucht 0713. De vluchttijd is ca. 9 uur. Vanaf het vliegveld is het dan nog een uur naar het centrum.Guesthouse Amice, Paramaribo
7 augHet oude centrum van Paramaribo verkennen, het enige werelderfgoed van deze reis.Guesthouse Amice, Paramaribo
8 augFietstocht door de omgeving van Paramaribo, langs en over oude plantages.Guesthouse Amice, Paramaribo
9 augNog een toertje vanuit Paramaribo, bijvoorbeeld met de boot dolfijnen spotten of langs suikerplantages.Guesthouse Amice, Paramaribo
10 augVroeg in de ochtend vliegen naar Georgetown, van 7.45-7.30 uur met Gumair vanaf het kleine vliegveld Zorg & Hoop. Het is in Guyana een uur vroeger dan in Suriname.
De rest van de dag tijd om de hoofdstad Georgetown te bekijken: wandelen naar City Hall & St Johns kerk (twee mogelijk toekomstige werelderfgoederen) en het Nationaal Museum.
Cara Lodge, Georgetown
11 augDagtocht naar de Kaieteur & Orinduik watervallen per vliegtuig. Kaieteur is de hoogste waterval ter wereld. De Orinduik watervallen zijn meer terrasvormig, en geschikt om in te badderen.Cara Lodge, Georgetown
12 augVlucht naar Annai. Vandaar door met de 4×4-jeep naar het Iwokrama regenwoud, in het hart van één van de vier meest ongerepte regenwouden ter wereld.
In de middag tijd om te voet zelf de omgeving van de lodge te verkennen, en vogels te spotten.
Tegen zonsondergang een boottocht over de rivier op zoek naar de 4 soorten kaaimannen die er leven en slangen zoals de boa.
Iwokrama River Lodge, Iwokrama
13 augVoor het ontbijt weer de rivier op, voor vroege vogels. Daarna te voet klimmen naar de top van Turtle Mountain, met apen onderweg en mooie vergezichten.
’s Middags naar de Kurupukari watervallen, met oude rotstekeningen, en het Indiaanse dorpje Fair View waar cassave wordt verbouwd. 
Iwokrama River Lodge, Iwokrama
14 augOchtendwandeling. Daarna met de 4×4 jeep de paden af op zoek naar een jaguar en andere grote zoogdieren.Atta Rainforest Lodge, Iwokrama
15 augCanopy walkway voorafgaand aan het ontbijt. Daarna met de 4×4 op zoek naar de kleurige Guyaanse rotshaan. Verder naar het Indiaanse dorp Surama, met wandeling door het dorp.Surama Eco Lodge, Surama
16 augOchtendwandeling over de savanne om vogels te kijken.
’s Middags kanotocht over de Burro Burro rivier, met kans op het zien van dieren als otters en tapirs.
Surama Eco Lodge, Surama
17 augMet de 4×4 jeep verder over het savanneland, met reuzentermietenheuvels en vee.Rock View Lodge, Ruperti
18 augOchtendwandeling door de heuvels. Bezoek aan Indianendorp, bekijken traditionele cashewnoot roosteren.Rock View Lodge, Ruperti
19 augBoottocht naar Karanambu Ranch, grote kans op het zien van otters.
Bij zonsondergang weer het water op, voor kaaimannen en de reuzenwaterlelie Victoria Regis.
Karanambu Ranch, Rupununi Savanne
20 augMeer otters, of watervogels zoals ibissen en reigers.Karanambu Ranch, Rupununi Savanne
21 augTocht over de Rupununi Savanne, op zoek naar de reuzenmiereneter. In de Rupununi rivier leven
reuzenotters en kaaimannen.
Door naar het Indianendorp Yupukari, en het daarbij gelegen onderzoeksinstituut voor zwarte kaaimannen.
Caiman House, Rupununi Savanne
22 augIn de ochtend is er nog wat tijd om het dorpje te bekijken, of vogels te spotten.
Na de lunch terugvlucht naar de hoofdstad Georgetown. Daar krijgen we ter afsluiting nog een rondleiding door de stad.
Cara Lodge, Georgetown
23 augUitslapen en de websites bijwerken.
Daarna terug naar Suriname, met de Gumair vlucht van 13.00-15.15 uur.
Courtyard Marriott, Paramaribo
24 aug’s Ochtends nog genieten van de zon en het zwembad.
Terugvlucht naar Nederland om 17.50 uur met KLM vlucht 714.
Vliegtuig
25 augAankomst op Schiphol om 7.30 uurThuis

#507: Paramaribo

Wat is het?
Paramaribo is een voormalig Nederlands-koloniale stad die zijn oorsprong heeft in de 17e eeuw. De architectuur is een mix van Europese stijlen met inheemse materialen; de meeste gebouwen zijn volledig van hout gemaakt. De originele lay-out van de stad is nog aanwezig, hoewel branden regelmatig schade hebben aangericht onder de meer dan 250 historische gebouwen. De meeste gebouwen dateren van na de grote branden van 1821 en 1832.

Paramaribo, Officiershuizen

Cijfer: 7,5 (Het ziet er opvallend goed verzorgd uit, terwijl het toch tientallen oude gebouwen zijn die het hart van de binnenstad kleur geven. Die “kleur” is overigens grotendeels wit. Verder is het er mooi groen, de straten zijn omzoomd met hoge bomen. Het is veel groter en in veel betere staat dan vergelijkbare Caribische (werelderfgoed)steden als Bridgetown (Barbados)).

Toegang: Het genomineerde deel is maar een klein stukje van Paramaribo, een paar straten eigenlijk. Rondlopen is er uiteraard gratis. De entree tot de belangrijkste bezienswaardigheid, Fort Zeelandia, kost 15 Surinaamse dollar (ca. 3,5 EUR). Meer dan een handvol andere toeristen ben ik er niet tegengekomen.

Hoeveel tijd: Ik heb in totaal een halve dag in het centrum van Paramaribo rondgelopen. Er hing de hele tijd een deken van warmte om me heen, en dat sloopt je langzaam. Toen het vorige week in Nederland boven de 30 graden was, waagde ik me ook niet buiten…

Opvallend: Ik ging om half 9 lopend op pad vanaf mijn pension richting het centrum van Paramaribo. Het is ruim een half uur lopen, je kunt ook met de bus of een taxi, maar ik wilde het Surinaamse straatleven zo op mijn eerste dag hier graag van nabij meemaken. Het is druk op straat, veel auto’s en busjes. Het ziet er redelijk welvarend en bedrijvig uit. Ik ben wel zo ongeveer de enige blanke op straat, maar je loopt er op je gemak en niemand valt je lastig.

Het centrum waar de winkels zijn, de casino’s, de McDonalds en de Burger King, bereik ik al snel. Maar dan is het nog een stuk verder lopen naar De Waterkant. Pas daar sta je aan het begin van het werelderfgoedgebied, en krijgen de statige witte koloniale huizen de overhand. In de rest van de stad zie je ze ook wel, maar dan zijn ze meer vervallen.

Ik loop helemaal door naar Fort Zeelandia, wat nu een museum is. Bij de entree hebben ze nog geen wisselgeld voor mij, maar de aardige oude man bij de ingang laat me vast naar binnen gaan – betalen kan wel als ik weer weg ga. Fort Zeelandia is vooral berucht als gevangenis én als de plek waar in 1982 de Decembermoorden zijn gepleegd. Het ziet er nu echter idyllisch-Nederlands uit. De tentoonstellingsruimtes laten o.a. een oude apotheek zien. Vanaf de muren van het fort heb je mooi zicht over de omgeving, zoals over de fraaie officiershuizen in dezelfde straat.

Fort Zeelandia, Paramaribo

Om de hoek van het fort ligt het Onafhankelijkheidsplein, met nog meer imposante koloniale gebouwen. Het presidentieel paleis beslaat een hele zijde van het plein. Het middenterrein is afgesloten: het lijkt dat men alvast aan de voorbereidingen is begonnen voor de komende feestdagen (Suikerfeest, Dag der Inheemsen) en het cultuurfestival Carifesta. Er is in ieder geval al een drumband aan het marcheren.

Ik eindig mijn rondwandeling, voor ik aan de lunch ga, bij de Sint Petrus- en Pauluskathedraal. Dit is samen met de kathedraal van Georgetown in Guyana de grootste houten kathedraal van Zuid-Amerika. Voor de verandering is-ie niet wit, maar opvallend geel en blauwgrijs. Van binnen is het hout ongeschilderd.

Plantages en Dolfijnen

Om kwart voor 9 deze ochtend moet ik me melden in Leonsberg. Dat is een plaats iets ten noorden van Paramaribo. “Iedere taxichauffeur kent het”, zeiden ze gisteren tegen mij bij het reisbureautje. Gelukkig blijkt dat waar te zijn voor degene die me er deze ochtend naar toe brengt. Het is een leuke rit door de fraaie noordelijke buitenwijken van Paramaribo. Hier staan veel moderne villa’s. President Bouterse woont hier ook: zijn huis is zelfs vlak naast de plek waarvandaan de boot voor mijn dagtour vertrekt.

Ik had me Leonsberg voorgesteld als een haventje, maar meer dan een houten aanlegsteiger is het niet. Er staan al wat Nederlands-uitziende mensen te wachten. Niet iedereen gaat overigens met dezelfde tour mee: ik kom nog 2 stellen tegen die dinsdag bij mij in het vliegtuig zaten, en zij doen de plantagetour per fiets. De steiger is ook het vertrekpunt voor de veerpontjes tussen beide zijden van de Suriname-rivier.

Iets na negenen komt de schipper ons halen. We gaan met twee boten en één gids: één boot met Nederlandse stagiaires/co-assistenten (een veel geziene mensensoort in Paramaribo) en één boot met de overige toeristen. Ook dat zijn allemaal Nederlanders. We zitten met z’n achten in de houten overdekte boot, dus dat is lekker ruim. En er zijn drankjes en snacks aan boord.

Boot voor dagtocht, Leonsberg

We varen eerst schuin naar de overkant, naar Fort Nieuw-Amsterdam. Dat kost maar een minuut of 20. De Suriname-rivier is overigens best breed, en aan de horizon kun je de Atlantische Oceaan zien.

Fort Nieuw-Amsterdam is in de 18e eeuw door de Nederlanders gebouwd op een strategische plek, daar waar de Suriname-rivier en de Commewijne samenkomen. Behalve een oud kanon hier en daar ziet het er niet meer erg “fortachtig” uit. Het is een uitgestrekt plaatsje waar gewone mensen wonen, en er is een openluchtmuseum met o.a. een gevangenis. We blijven hier zo’n anderhalf uur: er is genoeg te zien.

Fort Nieuw-Amsterdam

Politiepost, Fort Nieuw-Amsterdam

De tocht van vandaag staat behalve het bezoeken van drie voormalige plantages ook in het teken van het dolfijnen spotten. Het getij moet een beetje meezitten, en het hangt ook erg van het tijdstip af of en hoeveel je er ziet. We vinden ze al vrij snel vlak voor Fort Nieuw-Amsterdam. Er zijn meer boten op het water die ze proberen te vinden, en na een tijdje varen ze allemaal rondjes in hetzelfde stuk van de rivier.

Ik weet al uit eerdere ervaringen dat dolfijnen fotograferen bijna een onmogelijke opgave is. Ze duiken op de meest onverwachte plekken op, en zijn al weer onder water als je het knopje van je fototoestel hebt ingedrukt. Precies zo gaat het vandaag. Dan zien we er weer een links van de boot, dan rechts…. Maar je mag al blij zijn als je een vin weet vast te leggen. De gids vertelt dat hij op de tocht van gisteren wel 20 dolfijnen heeft gezien, en dat ze toen ook sprongen en speelden voor de boot. Helaas is het vandaag een stuk minder.

Kleine dolfijn / Guiana River Dolphin  (Suriname-rivier, 2013)

De dolfijn zit linksonder!

Tegen enen varen we door over de Commewijne-rivier naar Plantage Frederiksdorp. De gebouwen hier zijn de afgelopen jaren goed gerestaureerd, en het is nu in gebruik als hotel en restaurant. De gids heeft eerder al via de mobiele telefoon onze eetwensen doorgegeven, zodat we gelijk aan tafel kunnen.

We zijn zeker niet de enigen hier: meerdere tafels zitten vol, het is immers voor de Surinamers vandaag een vrije dag (in verband met het Suikerfeest). Het eten is zoals vaak hier Javaans van oorsprong. Ik neem soto, een maaltijdsoep. Een klein beetje flauw, maar wel goede voeding in de warmte.

Soto, Plantage Frederiksdorp

Onze laatste plantage voor vandaag ligt nog een heel eind verder varen de Commewijne op. Hier zie je langs de kust duidelijk de mangrovebossen, met hun dikke wortels in de modder. Ook staan er wat mooie vogels langs de waterkant – maar daar ga ik me vanaf volgende week in Guyana pas in verdiepen.

Plantage Rust en Werk is nu een dorpje van zo’n 300 inwoners. Het is alleen over het water te bereiken. De helft van de mensen leeft van de garnalenvisserij. Al direct als we aan land gaan zien we de bakken met garnaaltjes liggen te drogen. We kunnen de garnaaltjes goed bestuderen want we worden precies op dat moment overvallen door een hoosbui. We schuilen bij de garnalenman onder het afdakje. Gelukkig is het na een kwartier weer helemaal droog, en straalt de zon weer volop alsof er niets gebeurd is.

Plantage Rust en Werk

Garnalendroogplaatsen

Rust en Werk wordt mijn favoriete plantage van de dag: dit is geen monument of openluchtmuseum, maar een levend dorpje. De inwoners zijn de feesttent voor het Suikerfeest aan het opbouwen, en er schalt luide muziek uit enorme speakers. Anderen rijden met de brommer heen en weer over de enige (zand)weg door het dorp. Er is ook een lagere school, en een begraafplaats met houten huisjes voor de overledenen.

Plantage Rust en Werk

We lopen er een half uurtje rond, totdat het weer tijd is om in de boot te stappen en terug naar Leonsberg te varen.

Dag der Inheemsen

Vandaag is het de Dag der Inheemsen, een dag ter erkenning van de inheemse bevolkingsgroepen van Suriname. Ik heb gehoord dat het feestgedruis zich vooral in de Palmentuin in Paramaribo afspeelt.

De taxichauffeur die me dinsdagavond van het vliegveld naar mijn pension in Paramaribo bracht, zei het al: de Surinamers hebben deze week een lekker lang weekend. Donderdag heeft iedereen vrij voor het islamitische Suikerfeest, en vrijdag is het de Dag der Inheemsen. Wie de Surinaamse feestdagenkalender bekijkt ziet dat er aan iedereen gedacht is: hindoeïstische, islamitische en christelijke feestdagen, dag van de Hindoestaanse immigratie en dag van de Javaanse immigratie, en nog veel meer.

Vandaag is het dus de Dag der Inheemsen, een dag ter erkenning van de inheemse bevolkingsgroepen van Suriname. Ik heb gehoord dat het feestgedruis zich vooral in de Palmentuin afspeelt, dus daar loop ik eerst naar toe. Deze tuin (een soort palmenbos) ligt achter het presidentieel paleis.

Dag der Inheemsen in de Palmentuin

Ik arriveer er tegen 11 uur, en het is al gezellig druk. Overal staan kraampjes tussen de palmbomen, er schalt muziek en je ruikt de gefrituurde snacks. Het lijkt een beetje op Koninginnedag in Nederland. Alleen zijn de bezoekers niet in het oranje gekleed, maar in het rood – de kleur die ‘liefde’ symboliseert.

Met een bakje schaafijs met ananassiroop nestel ik me op een muurtje, en ga eerst lekker een tijdje mensen kijken. Velen zien er op hun feestelijkst uit, de “echte” inheemsen zijn in traditionele kledij gekomen en de andere Surinamers hebben gewoon iets vrolijks aangetrokken. Er lopen ook heel wat Nederlandse toeristen tussendoor, en ik zie wat bekende gezichten van de tour van gisteren.

Dag der Inheemsen in de Palmentuin

De formele activiteiten vinden plaats aan de andere kant van het paleis, op het Onafhankelijkheidsplein. Daar staat een groot podium en een tribune. Op het podium worden inheemse dansen uitgevoerd, muziek gemaakt en de hoogwaardigheidsbekleders toegesproken. Hier is veel minder publiek dan in de Palmentuin – het plein ligt dan ook in de brandende zon.

De (eerste?!) Surinaamse minister van inheemse komaf komt ook nog even een praatje houden. Hij doet dat in een voor mij onverstaanbare taal met een enkel Nederlands woordje er tussendoor. Het wordt mij al snel te heet, en ik verlaat het feestterrein op zoek naar een restaurant met airco.

Dag der Inheemsen

Privéjet naar Georgetown

Ergens tussen Paramaribo en Georgetown, 7.56 uur: Ik meldde me vanochtend netjes om half 7 bij de terminal van Gum Air in Paramaribo. Daar doet iedereen een beetje lacherig: “Je bent de enige op de vlucht vandaag!” Speciaal voor deze ene passagier zijn er toch nog aardig wat mensen aan het werk: de check-in, het meisje van de duty free-verkoop, de douaneambtenaar. En de piloot natuurlijk, die als we eenmaal de juiste vlieghoogte hebben bereikt de automatische piloot het werk laat doen, en zelf de krant gaat zitten lezen… Gelukkig zet hij de Cessna Caravan na ruim een uur veilig op Guyaanse bodem.

Stabroek in de regen

Het waren de Nederlanders die als eersten wel brood zagen in dit stukje Zuidamerikaanse kust. Al in 1596 stichtten ze een fort aan de Essequibo rivier, Kyk-over-al. In 1738 ging de West-Indische Compagnie zich ermee bemoeien, en werden Essequibo, Demerara en Berbice tot koloniën gemaakt. Een stad werd gesticht: Stabroek, vernoemd naar compagniebevelhebber Nicolaes Geelvinck, heer van Stabroek. In 1812 namen de Engelsen het gezag over, en hernoemden de stad in Georgetown. En dit is tot op dag van vandaag de hoofdstad van Guyana.

Het is verleidelijk om Georgetown te vergelijken met Paramaribo. Maar op mijn eerste verkenningsronde door de stad vallen me al snel de verschillen op. Georgetown ‘voelt’ echt armer, en de oude koloniale gebouwen (voor zover die al bewaard zijn gebleven) zitten een stuk minder strak in de verf.

Georgetown, kathedraal

Gelukkig is het centrum goed te belopen vanaf mijn hotel. Ik ga eerst naar de St. George kathedraal – een van de monumenten op de Voorlopige Lijst van Werelderfgoed van Guyana. “Echte” werelderfgoederen heeft het land niet. De kathedraal schijnt de grootste houten kathedraal ter wereld te zijn. Van buiten is-ie inderdaad erg mooi, en hij staat ook te schitteren op een soort rotonde in het hart van de stad. Binnen is de organist aan het oefenen, en zijn er een paar andere bezoekers aan het rondkijken.

Mijn volgende stop is het Nationaal Museum van Guyana. Ook hier kun je gratis naar binnen. Er zijn nog wat andere toeristen, Surinamers zo blijkt. Als ik door de gangen met oude opgezette dieren loop, hoor ik dat het buiten is gaan stortregenen. Vanochtend was er hier ook al zo’n bui, en dan gaat het flink te keer. Ik heb nu in een halve dag in Guyana al meer regen gehad dan in drie dagen Suriname. Ik hoop niet dat het een voorteken is voor de komende twee weken.

De regen stroomt op twee plekken zelfs het museum binnen – dat zegt wel iets over de staat van het onderhoud. Ook de afwatering in de straten kan het niet meer aan, en grote delen van het centrum staan blank.

Georgetown in de regen

Gelukkig wordt het na een minuut of 20 weer droog, hoewel het er erg dreigend uit blijft zien. Ik loop verder de stad in, en zie nog een paar koloniale houten gebouwen zoals het stadhuis en het gerechtshof. Je kunt er niet naar binnen, en ze zien er een beetje triest uit.

Er zijn veel mensen op straat. Georgetown heeft qua veiligheid geen goede naam, maar niemand valt me lastig. Ik heb wel expres mijn grote camera in het hotel gelaten – en met al deze regen komt dat eigenlijk goed uit. Het drukst is het bij de grote overdekte markt. Die heet nog naar de Nederlanders: de Stabroek markt.

Georgetown, ingang Stabroek markt

Binnen verkopen ze vooral kleding, en achterin zitten juweliers. Ik geloof dat de meeste zaken rondom het gebouw worden gedaan: daar staan stalletjes met groentes, plastic spullen, riemen en tassen en zo.

Vanaf de markt loop ik verder naar het noordelijk deel van het centrum. Dat is overigens ook maar een minuut of 10 wandelen, het is hier lekker compact. Ik heb voor de lunch mijn oog laten vallen op het beste / populairste Chinese restaurant van de stad: het New Thriving Chinese Restaurant. Het ziet er glimmend uit, en ik kies voor het lunchbuffet à 10 dollar. Er zitten ook Chinezen te eten, dus het zal wel goed genoeg zijn.

Georgetown, Regenboom

Na de lunch wandel ik nog wat verder rond. Een aantal hoofdstraten hier heeft een strook met bomen in het midden, waar een voetpad tussendoor is aangelegd. Zo hoef je je leven niet steeds te wagen door aan de kant van de weg te lopen (trottoirs hebben ze dan weer niet). De bomen zelf zijn ook het aanzien waard, ze zijn lekker groot en beschermen de wandelaars tegen zon en regen. Ze heten, hoe toepasselijk vandaag, Regenbomen.

Kaieteur en Orinduik

We beginnen onze tour door Guyana met een decadente dagtocht per vliegtuig. Doel is dé toeristische attractie van het land: de Kaieteur waterval. Naast ons groepje van 7 gaan er nog 4 “losse” toeristen en een gids mee. Kaieteur ligt in de bergen in het zuiden van Guyana, en het staat op alle ranglijsten van de mooiste en hoogste watervallen ter wereld. Ook ligt het in het enige nationale park van het land. Het gebied is heel ongerept gebleven, er loopt ook geen weg naar toe.

Als we op het kleine Ogle-vliegveld van Georgetown aankomen is het eerst wel even schrikken: er vertrekt vanochtend nog een vlucht naar Kaieteur, en er zitten nog wel 20 mensen te wachten. We hebben dus niet het rijk alleen bij Kaieteur. Gelukkig vertrekt hun vlucht een half uur later dan wij, én krijgen wij er nog een andere set watervallen bij: Orinduik.

Het is gelukkig niet zo bewolkt als gisteren, dus het is een rustige vlucht van een uur naar Kaieteur. Onderweg zien we vooral veel boomtoppen, met daar tussendoor open plekken die geruimd zijn voor kleinschalige mijnbouw.

“Onze” piloot is een Amerikaan. Als we Kaieteur zien liggen, draait hij eerst twee rondjes om de waterval heen zodat de mensen aan beide kanten van het vliegtuig het goed vanuit de lucht kunnen zien.

Als we aan de grond staan, gaan we te voet verder. Het is 20 minuten lopen naar het eerste uitzichtpunt. Het is nog best een pittige wandeling, doordat de stenen waarover we lopen soms nat zijn. En het eerste uitzichtpunt vraagt nog de beklimming van een rots. Maar dan zijn we er toch echt, en hebben een briljant uitzicht op deze kolkende waterval. Aan de voet is ook een regenboog te zien.

Kaieteur

We fotograferen ons suf, maar gids Clint wil al snel weer verder. Hij wil graag de andere groep voorblijven zodat we het uitzicht voor ons alleen hebben. Via een ander pad dus maar door naar uitzichtpunt nummer twee. Je komt hier door een “bos” van reuzenbromelia’s, felgroen van kleur. Hierin verschuilen zich soms de kleine gifkikkers waar Kaieteur ook bekend om is, maar helaas kunnen we er geen vinden.

Meer geluk hebben de vogelaars: de gids wijst ons op een oranje rotshaan (cock-of-the-rock) die in de bossages naast het pad zit. Familie van deze feloranje gekleurde vogel heb ik in 2011 al in Peru gezien, de rode rotshaan. Deze ziet er voor mijn ongeoefende oog precies hetzelfde uit. Maar het blijft door zijn bijna fluorescerende kleur een opvallende vogel. In de groep ontstaat nog enige hilariteit omdat een van de deelnemers kleurenblind blijkt te zijn, en pas na heel veel hulp en wijzen deze bonte vogel in het groen ontwaart.

Oranje rotshaan bij Kaieteur

Na twee uur wandelen en in totaal 4 uitzichtpunten, komen we weer terug bij het vliegveldje. Er is daar ook een klein bezoekerscentrum, waar we de door de gids meegebrachte lunch opeten. Veel salades, maar ook rijst, kip, vis en gebakken banaan. Eigenlijk zijn we nu al moe en voldaan.

Voor de watervallen van Orinduik moeten we echter nog 20 minuten verder vliegen. Deze liggen in de grensrivier met Brazilië. Hier zijn we dan eindelijk echt de enige toeristen. Er wonen duidelijk wel wat mensen in de buurt, want een man en drie kinderen komen ons begroeten. Ze krijgen van de gids de restanten van de lunch mee.

Watervallen van Orinduik

De watervallen van Orinduik zijn niet zo spectaculair als die van Kaieteur. Wel interessant is het dat ze in een heel andere zone liggen: dit is hooglandsavanne – gras dus, en geen bos. We spenderen hier een uurtje aan het water, en sommigen van de groep gaan er zelfs in. Het is best een mooie omgeving, maar langzamerhand worden we teveel lastig gevallen door irritante kleine vliegjes die heel vervelend kunnen steken. Om 4 uur vouwen we ons allemaal weer het vliegtuigje in voor de terugvlucht van ruim een uur naar Georgetown.

Iwokrama

Vroeg in de ochtend vliegen we weer naar het zuiden, dit keer naar de regio Iwokrama. Naast onze groep van 7 zitten er nog 4 dames uit Florida op de vlucht. We landen op de Annai landingsbaan – inderdaad niks meer dan een baan om het vliegtuigje neer te zetten. Ernaast ligt de Rock View Lodge, en daar ontbijten we.

Met een truck worden we opgehaald voor het verdere vervoer naar Iwokrama. Het is nog een hele tijd wachten tot-ie komt, later begrijpen we wel waarom. We doden de tijd met vogels kijken op het mooie terrein van de Rock View Lodge.

De truck is een omgebouwde Bedford-vrachtwagen. Achterin de bak zijn zes banken geplaatst, zodat hij geschikt is voor personenvervoer. Weliswaar een beetje primitief, maar hij is open aan de zijkanten en je hebt goed zicht op de omgeving. We hebben nog geen 500 meter gereden en gaan meteen maar lunchen in een restaurant – het enige onderweg.

Dan beginnen we aan de echte rit. Er is maar één weg het binnenland in, en dit is hem. Hij is gemaakt van rood zand, en zit zo na de regentijd vol met gaten. De truck kan het allemaal wel aan, alleen je voelt elk gat in de weg. Na 2,5 uur hobbelen hebben we een korte stop, en vragen de chauffeur hoe ver het nog is. “Drie uur”, zegt hij. Euh? We dachten dat de hele rit maar 1,5 uur zou duren. Een beetje langer onder deze condities, maar nu wordt het echt lang. We hebben ook geen water bij ons voor zo’n lange tocht.

Iwokrama Hoofdweg na regenbui

Er zit niks anders op dan het maar uit te zitten. We worden ook nog een paar keer overvallen door een felle regenbui. Lang duurt zo’n bui hier nooit, maar het regent goed naar binnen in de truck. Het enige vermeldenswaardige dier dat we onderweg zien is een jabiru, een hele grote vogel die midden op de weg loopt.

Pas tegen 6 uur komen we uitgeteld aan bij de Iwokrama River Lodge, onze overnachtingsplaats voor de komende 2 nachten. Het is een prachtige uitgestrekte lodge aan het water. De ontvangst is ook vriendelijk, en ik krijg een huisje met veranda en hangmat voor me zelf. Alle huisjes kijken uit over de rivier Essequibo. Na het eten maken we nog een korte tour per boot, maar we zien niet veel.

De volgende ochtend gaan we vóór het ontbijt, om 6 uur, weer de boot in. We varen een rondje om het Indian House Island, waar een lokale man woont die zijn geld verdient met de jacht op wilde dieren. Beetje wrang hier in een natuurgebied. Maar ze hebben hem zover gekregen dat hij het niet hier in de buurt doet, maar elders in Guyana. Het beste resultaat van deze vroege ochtend tour zijn twee verschillende soorten toekans.

Iwokrama2 Toekan

Meteen na het ontbijt gaan we met de boot naar Turtle Mountain, waar we naar de top klimmen. Het is ruim een uur omhoog. Gelukkig lopen we langzaam. Onderweg zien we niet veel, het bos is te dik. Het pad is aangelegd, met bankjes en handrailingen om je aan vast te houden.

Op de top heb je een mooi uitzicht over de boomtoppen. We zien 2 rood-blauwe papagaaien, die geduldig blijven poseren. En met veel moeite ook 2 zwarte slingerapen. Met de verrekijker zie je ze goed, maar het is te ver voor een foto.

Iwokrama2 Zicht vanaf Turtle Rock Mountain

We lopen via het zelfde pad terug. Gelukkig zijn er de handrailingen, anders is het wel glibberig naar beneden, door de klei, bladeren en boomwortels. Terug in de lodge wacht de lunch, waarna we even vrij hebben. Ik hang lekker een uurtje in de hangmat.

Dan staat er nog een boottocht op het programma. Met een flinke vaart varen we naar een aantal stroomversnellingen. Daar in de buurt zijn ook oude rotstekeningen te zien, 7000 jaar oud volgens onze gids Elvis.

Iwokrama3 Rotstekeningen

Na een uurtje zijn we weer terug. Er valt nog een stortbui, maar om half 5 is het gelukkig weer droog voor onze laatste activiteit van de dag. We gaan een korte wandeling doen bij de lodge, de Screaming Piha Nature Trail. Het pad is een beetje hetzelfde als aan het begin van de wandeling vanochtend: vlak met bladeren en boomstronken. Je verwacht hier niet veel te zien, maar we horen het geroep van de Capuchonvogel. We gaan een stuk van het pad af tot we vlak onder het duo staan: 2 grote oranjeachtige vogels met een kale kop (vandaar dat “capuchin” ofwel “kapucijn”).

Na een kilometer of zo kunnen we niet verder omdat het te drassig is. We keren dus om en gaan hetzelfde pad terug. Tegen het einde zie ik opeens iets groots in de boomtoppen rechts van het pad. Met de zoomlens van mijn camera zie ik dat het apen zijn. Het zijn rode brulapen, 3 in een boom. We kunnen tot vlak onder die boom komen, ze liggen een beetje te suffen. Ze zijn vaak ’s ochtends erg actief, en brullen dan het hele bos bij elkaar.

Rode brulaap - Iwokrama, Guyana (2013)

De laatste ochtend is het weer om 6 uur verzamelen. We zijn met z’n vieren dit keer, de eerste afvallers in de groep worden zichtbaar. Maar ik heb langzamerhand geleerd dat het de tijd op de grond is die telt: hoe meer wandelingen/boottochtjes je maakt, hoe langer de lijst wordt van de dieren die je gezien hebt. We wandelen over de toegangsweg van de hoofdweg naar de lodge. Aan de rand van de bos zien we meteen al 2 agouti’s (cavia-achtige knaagdieren), en een eendachtige vogel. Verder op het pad zien we ook nog een paar goede roofvogels: een adelaar, valk en gier.

Atta Lodge

We rijden dit keer met jeeps over de doorgaande weg. De stortbui van gisteren heeft de weg er niet beter op gemaakt. Slechts één keer per jaar wordt-ie gerepareerd, na de regentijd. We zien dit keer onderweg een witte wormsalamander van ruim een meter lang. Het is net een slang, hij slingert langzaam de weg over. En even later steekt er nog een agouti over.

Ook hier bij de Atta Lodge staat het welkomstcomité al weer klaar. De kleine, verlegen John wordt onze nieuwe gids. We gaan met hem eerst een korte wandeling door het bos doen. Helaas zien we niets noemenswaardigs.

Atta Yarula en gids

Van 1 tot 3 uur gaat het internet in de lodge aan, dus het is feest. Ik werk de website bij, net als de rest van de groep verslingerd aan het internet. Eén van ons is met de gids nog een stukje gaan lopen. Om 2 uur komt de gids terug gerend: ze hebben een slapend dier gevonden hoog in de boom, of we ook willen komen? We laten onze laptops achter, trekken snel stevige schoenen aan en marcheren in flinke draf achter gids John aan over een smal bospad. Het is veel verder dan we dachten, sommigen zijn op slippers en we worden dan ook flink gebeten door mieren en ander kruipsel.

Reisgenoot Andrew staat braaf bij de bewuste boom te wachten. Het duurt nog een tijdje voordat ik het beestje in het vizier krijg. Ik word nog even gebeten door een spin, maar krijg het wollige dier dan toch in beeld. Het is een luiaard! Die wilde ik graag zien op deze reis. Ze staan erom bekend dat ze nauwelijks bewegen. De gids probeert hem wakker te maken door aan de boom te schudden. Dat helpt een beetje. Even laat hij ook zijn gezicht en poten zien.

Atta Luiaard

Voldaan lopen we na een kwartiertje terug naar ons geïmproviseerde internetcafé. Daar heeft Andrew nog de eer zijn vondst bij te schrijven op het grote bord waarop de belangrijkste “spots” staan – zoals de jaguar (3x dit jaar), puma en nog een paar luiaards.

Om 4 uur in de middag gaan we weer op pad. Doel is de Canopy Walkway, de loopbrug tussen de boomtoppen die hier in 2002 is gebouwd. Je kijkt dus als het ware op de boomtoppen neer. Het is een half uurtje lopen: eerst vlak, en dan 150 traptreden op. We zien nog een kleine, groene giftige slang. En een mooi rood gekuifde specht.

Atta Vanaf de Canapy walkway

De loopbrug heeft 4 uitkijkpunten. Bij de derde blijven we het langst: daar is het uitzicht het beste. Helaas is het een rustige vooravond. Meer dan enkele toekans zien we niet. Tegen zessen lopen we onverrichter zake dus weer terug. Gelukkig worden we bij de lodge nog verblijd met een grote vogel: de Black Curassow. Die zitten hier half-tam en komen graag een kijkje nemen bij de lodge.

De volgende ochtend is het weer appél voor de vroege vogels. Tegen zessen lopen we met z’n vieren en de gids richting de grote weg. Zo vroeg in de ochtend is er nog geen verkeer. Door het open zicht is deze weg een goede plek om dieren te spotten, en ook de spaarzame blikken op jaguars worden meestal hier gedaan.

Wij beginnen met een heleboel kleine vogels. Veel soorten die we nog niet eerder gezien hebben. In de verte zien we weer een agouti over de weg sprinten. Het is lekker lopen zo midden op de brede weg. Constant hoor je het gebrom van de brulapen en de vele vogelgeluiden. Als we takken zien bewegen rechts van de weg, zijn we apen op het spoor. Het blijkt een zwarte slingeraap te zijn, die een tijdje met ons meeloopt over de takken langs de weg. We kunnen hem goed in het gezicht zien. Volgens de gids zijn ze erg agressief. Maar dit is er maar eentje.

Bosduivel / roodgezicht slingeraap (langs de weg bij Atta Lodge, Guyana, 2013)

Op de terugtocht zien we nog een schitterende witte havik zitten. Dan gaan we via een bospad terug naar de lodge. We hebben er dan al bijna twee uur wandelen in de vroege ochtend opzitten. Tijd voor ontbijt!

We vinden onze mascotte in Surama

De oude Engelse legertruck van Surama komt ons weer ophalen bij de Atta Lodge. Gelukkig hoeven we er vandaag niet ver mee te rijden: het dorpje Surama ligt ongeveer een uur verder aan de hoofdweg. Ik bemachtig dit keer een plekje op de voorste bank, dat scheelt erg in het hobbelen én je hebt het beste zicht op de weg voor je.

Onze nieuwe gids gaat ook mee, Milner uit Surama. Alle lodges hebben hun eigen gidsen, en ons groepje wordt als het ware als een postpakketje van de ene aan de andere lodge overgedragen. Met hem stoppen we na een half uurtje langs de kant van de weg. Vandaar loopt een pad het bos in, richting rotsachtig terrein waar veel oranje rotshanen worden gezien. Deze voor Guyana kenmerkende vogel hadden we zondag al gespot bij de watervallen van Kaieteur, maar hij is mooi genoeg om nog een keer goed te bekijken. Na een minuut of 20 zijn we een paartje op het spoor.

Surama Oranje rotshaan close

Vervolgens rijden we met de truck door naar Surama. Net voordat we de hoofdweg verlaten, zie ik iets katachtigs met grote sprongen de we weg oversteken. Het is een Jaguarundi volgens de gids. Zeg maar een klein soort jaguar. Mooi! Ik ben de enige van de groep die hem gezien heeft, en de gids zag alleen de achterkant (maar kon hem toch identificeren en duiden dat het een vrouwtje was).

Onze lodge in Surama ligt vlakbij het gelijknamige dorpje. Na een lekker lange siësta, waarin ik vanaf mijn bed vogels kan spotten, gaan we om 4 uur een dorpswandeling maken. Het is een uitgestrekte plaats, waar maar 300 mensen wonen. In het midden ligt het voetbalveld, met daaraan grenzend een lagere school en creche. Ook is er sinds vorig jaar een totempaal te bewonderen die gemaakt is door een lokale kunstenaar.

We lopen een ronde van twee uur, waarbij bij het vallen van de avond het licht steeds mooier over de rieten daken en het groene gras valt. Op de achtergrond zie je steeds het Pakaraima gebergte. Een heel andere omgeving dan het regenwoud van de afgelopen dagen.

Surama Huis

Na het avondeten om 7 uur maken we nog een korte nachtwandeling. Op het pad bij de lodge zien we met in het schijnsel van de zaklantaarns twee soorten nachtzwaluwen. Verderop in het bos zit nog een uil op een tak. Veel verder gaan we niet, het pad is te blubberig.

Zoals inmiddels gebruikelijk vertrekken we de volgende ochtend weer om 6 uur in de ochtend. We lopen naar de berg Surama. Eerst zo’n 3 kwartier over de vlakte, en dan flink omhoog via een niet al te best pad. Er liggen veel groen bemoste stenen, en boomwortels. Tegen achten zijn we boven, en kunnen we vanaf de rotsen uitkijken over de toppen van de bomen.

Surama Zicht vanaf de Surama berg

De gids heeft ontbijt meegesleept (boterhammen met pindakaas!), en dat eten we eerst op. Langzamerhand komen we weer een beetje bij van de vermoeiende klim, en speuren we de toppen af naar beweging. We zien als snel oranjeroode bewegende vlekjes in een boom: dat blijkt een groep rode brulapen te zijn. Het is eigenlijk voor het eerst dat ik hun vacht zo roodbruin zie.

Heel veel meer zien we helaas niet. Af en toe vliegen er een paar rood-groene ara’s voorbij, dat is altijd een mooi gezicht. Ik kijk niet uit naar de terugtocht over het glibberige pad. Maar gelukkig staan er zoveel bomen langs dat je steeds wel iets hebt om je aan vast te houden. Tegen het einde zien we dan ook eindelijk nog een “Screaming Piha” in een boom zitten: dit onooglijke grijze vogeltje schreeuwt continu het hele bos bij elkaar. We hebben ze op al onze wandelingen al gehoord, maar nog nooit eentje gezien.

Terug bij de weg staat er gelukkig een jeep van de lodge op ons te wachten, zodat we niet de hele tocht door het dorp terug hoeven te maken. Bovendien dreigt er een stortbui – ik heb liever een douche na al dat gezweet van vanochtend.

Surama Na de regen

Als we tegen elven weer bij de lodge zijn, is het helemaal bewolkt en is het flink gaan regenen. Dit is meer dan een tropisch buitje. Het regent gestaag door, en het onweert ook een beetje. Op de planning staat dat we om half 3 een boottochtje gaan maken, maar dat zit er niet in. Iedereen gaat maar wat relaxen in de hangmatten of op de kamer.

Om kwart over 3 is de lucht blauwer geworden, en besluit de gids alsnog te vertrekken. We worden met een jeep een eindje weggebracht, zodat we niet eerst een paar kilometer door de modder hoeven te lopen. Op het laatste stukje ontkomen we er niet aan, maar mijn wandelschoenen blijken nog redelijk waterdicht.

We gaan met zijn vijven plus gids in een roeiboot de Burro Burro rivier op. Het is een smalle en rustige rivier, meer een kreek. De omgeving is mooi, maar net als op de berg vanochtend kun je niet bepaald zeggen dat het vol met dieren zit. We denken toch dat er hier teveel mensen wonen, dat er gejaagd wordt of dat ze gewoon te schuchter raken van menselijke geluiden. We zijn al blij als we een vogeltje zien. Hét vogeltje van deze boottour wordt de IJsvogel.

Surama Pygmy Kingfisher

We zijn al weer bijna terug bij de lodge als het hoogtepunt van de dag komt: de gids ziet een luiaard in een boom schuin voor ons hangen. We hebben dit keer helemaal vrij zicht, hij zit niet verscholen tussen de bladeren zoals het exemplaar van een paar dagen geleden. Enige probleem is dat hij met zijn achterkant naar ons toe hangt. De jeugdige gids van de Atta Lodge (John, hij was nog maar 18 hoorde ik achteraf) probeerde er zonder succes leven in te krijgen door flink aan de boom te schudden. De veel meer ervaren gids van Surama weet een betere truc: hij doet de roep van een adelaar na – en daar is de luiaard terecht voor op zijn hoede. Hij draait zijn kopje naar ons toe, zodat we hem in zijn geheel kunnen bewonderen.

Drievingerige luiaard (Surama, Guyana, 2013)

Een geweldig beest, en we benoemen hem later tijdens het diner tot mascotte van onze reis. Zo vaak worden ze niet gezien, en wij hebben er nu al twee gespot!

Relaxen in Annai

Om 8 uur stappen we weer in de truck voor de rit naar de volgende lodge, de Rock View Lodge in Annai. Weer over dezelfde hobbelweg uiteraard. Het is maar een korte rit – rond 10 uur zijn we er al. Dit is de meest luxe lodge van deze regio (en onze reis) – het zijn net hotelkamers.

Annai Hangmat

Na ons geïnstalleerd te hebben op de kamers, krijgen we een rondleiding over het terrein. De Lodge is eigendom van Colin Edwards, een bekendheid hier. Deze Engelsman woont hier al ongeveer heel zijn volwassen leven, en hij heeft zelfs zijn ouders hierheen gehaald (ze liggen nu begraven op het terrein). Een heel aparte man zullen we maar zeggen. Hij is getrouwd met een inheemse vrouw, en ze hebben een heel stel kinderen die ook allemaal op de lodge werken.

Er is een grote groentetuin en visvijver bij de lodge, dus we krijgen vast goed te eten. Een lokale vrouw geeft ons een demonstratie “cashewnoot roosteren”. Dat lijkt niet zo ingewikkeld – harde noten op een hete plaat – totdat het vuur het werk moet gaan doen. De noten worden als het ware geflambeerd. De verkoolde noten kun je daarna openkraken, en binnenin zit het kleine nootje dat je kunt eten. Ze smaken goed.

Annai Cashewnoten roosteren

Na de lunch doen we een wandeling door het dorpje Annai. Er wonen 450 mensen. Erg florerend ziet het er niet uit. De enige bezienswaardigheid is de grote benab (traditioneel dorpshuis) dat ze aan het herbouwen zijn. Vorig jaar werd het oude houten gebouw getroffen door de bliksem, en brandde geheel af.

Annai De nieuwe benab

De rest van de dag breng ik door in de hangmat. Er is hier niet zoveel te doen, het ligt iets te veel in de bewoonde wereld om bijzondere natuur en dieren te zien.

De volgende ochtend is er toch nog een vroege wandeling ingepland. We gaan naar een rots vlakbij de lodge. Sinds februari staat hier ook een telefoonmast, die de hele tijd een zoemend geluid afgeeft. De “5 soorten apen” die er volgens de gids zouden moeten leven zijn denk ik allang weggevlucht. Behalve de zendmast hoor je ook de honden, hanen en muziek uit het dorp.

We doen de “Uncle Dennis Trail” en klimmen in anderhalf uur over de rots. Het is goede ochtendgymnastiek. Het enige wat we zien is een wit met zwart gevederde havik, van vrij dichtbij.

Annai Blackfeathered white hawk

Op tijd voor het ontbijt zijn we weer terug bij de lodge. De rest van de ochtend breng ik in het zwembad en de hangmat door. Er komt nog een mooi fotomoment voorbij als we achter de kamers in de boom een iguana ontdekken. Het reptiel met stekeltjes is ruim een meter lang en ziet er vervaarlijk uit.

Tijdens de lunch vatten we het idee op om ’s middags zelf nog een keer de rots van vanochtend te beklimmen. Andere bezoekers van de lodge hebben er namelijk vandaag toch nog bruine kapucijnapen gezien. Samen met twee van de mannelijke medereizigers vertrek ik dus voor weer een wandeling. Als we eenmaal boven zijn begint het erg hard te regenen. Gelukkig hebben we vanochtend al een schuilplek gezien – een half vervallen benab. Daar schuilen we tot de bui voorbij is gewaaid.

De regen maakt het toch al niet eenvoudige pad natuurlijk nog glibberiger. Maar het maakt ook dat sommige dieren juist naar buiten komen. Mijn Amerikaanse reisgenoot doet de beste vondst: een bijengifkikker. Dit is het kleine, gele gifkikkertje waar we bij de Kaieteurwatervallen tevergeefs naar hebben gezocht. Toch nog wat leuks gevonden vandaag!

Annai3 Gifkikker

In totaal struinen we drie uur over de top van de heuvel en alle paden van de Uncle Dennis Trail. Sommige uitzichtpunten gaan we wel drie keer langs. Je weet maar nooit. Maar apen zien we helaas niet.

Waterlelies en rumpunch in Karanambu

Karanambu Ranch is de volgende lodge die we op de tour aandoen. Hij ligt ten zuiden van Annai. We moeten eerst een uur of twee rijden met de truck over de inmiddels bekende rode hoofdweg. Dit is een redelijk bewoond gebied, we zien zelfs vrachtverkeer en passeren een pindakaasfabriek. We pikken ook een lifter op – een lokale man die met pijl en boog gaat vissen (of jagen?).

Karanambu Liftende jager

Het landschap om ons heen wordt steeds vlakker, we komen in de savanne. Ergens langs de kant van de weg ligt tussen het gras de Ginep Boat Landing. Hier liggen al twee motorbootjes op ons te wachten, samen met drie mannen van onze nieuwe lodge. We laden de bagage over van de truck in de boot, en gaan dan lekker achteroverleunend het water op.

Het water staat heel hoog, en de rivier waar we op varen is erg breed. Niet gunstig om otters en kaaimannen te zien. We moeten ons behelpen met wat roofvogels. Na zo’n anderhalf uur varen bereiken we het afgelegen liggende Karanambu. Het is door het hoge water van de weg afgesloten, en nu alleen per boot bereikbaar. Er wonen ook geen andere mensen dan die op de lodge werken. Het Amerikaanse beheerderspaar Salvador en Andrea, en de fameuze otterconservator Diane McTurk staan ons al op te wachten.

We blijken ook de enige gasten te zijn: ze hebben maar 6 kamers. De ontvangst is allerhartelijkst, en we zijn ook erg blij met de lunch die heel anders is dan het standaardmenu van rijst, kip en bonen dat we de afgelopen week zo ongeveer elke dag hebben gegeten. Dit is eten van de Caribische kust: gebakken banaan, gebakken rijst, gekruid rundvlees, gefrituurde groenteballetjes en salade. Een deel van de groep gaat ook meteen al aan de rumpunch (vruchtensap gemengd met rum) waar de lodge bekend om staat.

Na een siësta (het is hier flink heet) gaan we om vier uur met de twee motorbootjes weer het water op. We gaan eerst vogels en apen spotten. Met de vogels gaat het wel goed, maar de apen zijn lastiger te vinden. We zien slechts twee rode brulapen verscholen tussen de bladeren, waarvan één jong. Het water staat zo aan het eind van de regentijd nog enorm hoog, je vaart eigenlijk tussen de boomtoppen door.

Hét doel van deze boottocht is het spektakel van de bloeiende Victoria reuzenwaterlelies. We zijn mooi op tijd tegen zonsondergang bij Buffalo Pond. Het opvaren van het meertje is al adembenemend, de hele oppervlakte is bedekt met grote ronde bladeren en enkele bloemen.

Karanambu Bladeren

We kiezen een bloem in de knop uit om in de gaten te houden, en gaan zitten wachten. De gidsen hebben rumpunch en zelfgebakken pindakoekjes mee, dus dat gaat prima. Langzamerhand opent de bloem zich, binnen zo’n 3 kwartier tijd. Als hij helemaal open is, komt er een zoemend insect aanvliegen die zich binnenin nestelt. Elke bloem kan meerdere insecten aan. Het begint ook steeds fijner te ruiken met al die bloeiende bloemen om ons heen.

Karanambu Bloemknop

Voor

Karanambu Bloem open

Na

Tegen 7 uur zijn we weer bij de lodge, waar ons meer rumpunch en een prima maaltijd wacht. We eten samen met Diane, Salvador en Andrea aan één lange tafel. De verhalen over het verleden van Karanambu, en alle dieren die ze “gered” heeft vloeien na enige stimulans van Salvador uit Diane’s mond. Ze is nu een oude, breekbare vrouw die vast erg blij is met het feit dat het Amerikaanse paar bij haar is komen wonen en de lodge runt.

Jacht op de reuzenmiereneter

Vandaag gaan we al om kwart voor 6 op pad, het vroegste vertrek van de hele reis. We gaan proberen een reuzenmiereneter te vinden in de savanne. Vanwege het hoge water moeten we eerst een eindje varen, en dan verder over het land met een oude jeep.

Salvador, de beheerder van de lodge, heeft gisteravond al iets van de logistiek verklapt. Om de kans te vergroten dat we het beest zullen zien, is er vanaf vanochtend vroeg voor ons al een cowboy te paard op pad om het grasland af te struinen. Er leven waarschijnlijk 8 reuzenmiereneters in dit gebied, maar het is ook erg uitgestrekt. De cowboy en de gids in onze jeep staan met walkie-talkies in contact, zodat ze elkaar kunnen waarschuwen als ze wat gevonden hebben.

Karanambu2 Cowboy

Na een half uur rijden komt het verlossende bericht: er is er eentje gezien. Als we naar de man te paard toe rijden, blijkt de miereneter zich verschanst te hebben in een overstroomd deel van het grasland. Het kost nog heel wat moeite en gedraai met het paard om de miereneter richting ons blikveld te krijgen. Maar het lukt. Het is nog een vrij jong dier, het ziet er niet echt “reusachtig” uit. Helaas maakt hij zich ook al weer snel uit de voeten.

Reuzenmiereneter (Rupununi savanne, Guyana, 2013)

Blij dat we hem gezien hebben gaan we met jeep en boot terug richting lodge. Op dezelfde plek waar deze ochtend al eerder apenactiviteit zagen (hevig bewegende bomen), komen we nu midden in een troep doodshoofdaapjes terecht. Echt leuk, van zo dichtbij heb ik ze nog nooit gezien. Ze zijn altijd zo beweeglijk dat ze moeilijk te fotograferen zijn. Maar nu zit er een stel stil naar ons te kijken. Anderen doen zich te goed aan de vruchten aan de boom, het is vast hun ontbijtboom. Ook zie we hoe ver ze kunnen springen van boomtak naar boomtak.

Karanambu2 Squirrel Monkey (2)

Voor het namiddagprogramma maken we weer een boottocht over de Rupununi-rivier. We zien nog een paar vogelsoorten die we nog niet eerder hebben gezien, en liggen een tijdje te dobberen in een meer om de zonsondergang te zien. In de verte zien we echter ook donkere wolken en bliksemflitsen, dus het wordt tijd om terug te gaan. Onweer op het water in een aluminium boot is niet zo’n goed idee.

Helaas houden we het niet droog: een stortbui overvalt ons de laatste 10 minuten. In de bootjes hebben we geen enkele bescherming, dus we worden zeiknat. Terug in de lodge kunnen we dus weer van kleding verwisselen: is het niet van het zweet, dan wel van de regen.

Karanambu3 Zonsondergang

Na het eten laat Salvador ons foto’s zien op zijn laptop die gemaakt zijn door camera-vallen op het terrein. Ze laten een scala aan wilde dieren zien dat ’s nachts langs trekt: jaguars, tapirs, ocelots, armadillo’s. Ook kijken we een film over de introductie van sportvissen als alternatieve bron van toeristische inkomsten. In de wateren van Guyana zwemt de enorme Arapaima. Deze is eigenlijk beschermd, maar voor het sportvissen wordt een beperkt aantal vergunningen afgegeven.

Yupukari en de kaaimannen

Tegen tienen vertrekken we naar de laatste pleisterplaats van deze reis, Caiman House in Yupukari. Eén boot van Karanambu brengt ons weg, terwijl als tweede boot er eentje van Caiman House ons komt ophalen. De tweede boot van Karanambu was gisteravond ergens blijven steken nadat iemand van het personeel met zijn zwangere vrouw naar een controle was gegaan. Het is logistiek steeds een heel gepuzzel, de lodges hebben maar weinig vervoersmiddelen en als er iets buiten gebruik is moeten ze iets afspreken met een andere lodge. Ze lenen ook benzine van elkaar.

We varen weer zuidwaarts over de Rupununi rivier. De stroming is hier vrij stevig, dus het is een wat hobbelige tocht. Net als de andere keren zien we geen ander verkeer op de rivier. Er zijn wel dorpjes, maar het is allemaal heel kleinschalig. Naar Yupukari is het maar een uurtje varen. Dit deel  van de rivier staat bekend om zijn grote populatie kaaimannen en arapaima’s (reuzenvissen).

Caiman Ons bootje

Aangekomen in Yupukari moeten we eerst 1,5 kilometer vanaf de aanlegsteiger door het dorp naar onze verblijfplaats Caiman House lopen. We komen er precies op tijd aan voor de lunch. Die is gezamenlijk met de andere gasten, een paar vrijwilligers en twee Fransen die met een jeep op wereldreis zijn. Na het eten is het weer tijd om te rusten, want het is hier net als in Karanambu erg heet. En er zijn net zoveel muggen en stekende vliegjes. Iedereen zit inmiddels onder de bulten, het lijkt wel of we door een pokkenepidemie zijn aangetast.

Om 4 uur vertrekken we voor een dorpswandeling. Vrijwel het hele dorp Yupukari is op het moment uitgestorven. Er wonen normaal 500 mensen, en er is een school en een kliniekje. Maar omdat het zomervakantie is, zijn de meeste inwoners weggetrokken naar hun cassaveboerderijen buiten het dorp. Daar blijven de gezinnen totdat de school weer begint.

Yupukari is een soort centrum voor de regio, verderop is een dorpje waar de mensen nog heel traditioneel leven: “ze hebben geen internet”, aldus de gids. Hier hebben ze ook geen mobiel telefoonnetwerk, zo blijkt als we voor een telefooncel staan. Het is trouwens verboden om te kussen of te roken binnen…

Yupukari telefooncel

Het dorp ligt op een heuvel en is in de regentijd helemaal omringd door water. We nemen een kijkje bij de waterkant. Op de vraag of er ook kaaimannen zitten, komt de gids met een triest verhaal. Zijn broertje is jaren geleden gedood door een kaaiman. Hij was met zijn vader aan het vissen op een kleine boot, en ze zijn toen tegen een kaaiman aangevaren en omgeslagen. Het kind van 12 jaar werd doodgebeten.

Toch is ons doel voor de rest van de namiddag om ook een kaaiman te zien. We gaan daarom met twee bootjes weer de rivier op, en kijken wat we tegenkomen. Vogels natuurlijk altijd. En na korte tijd spot de bootsman al een zwarte kaaiman verscholen onder een laag takken en bladeren. Je ziet eigenlijk alleen zijn ogen. We komen tot vrij dichtbij, en dan zwemt hij op zijn gemakje weg. Het is een groot, lelijk beest.

Caiman Zwarte kaaiman

Alleen onze boot heeft de kaaiman gezien, de andere boot was al verder de rivier opgevaren. Als we het andere groepje weer tegenkomen, maken we ze jaloers met onze vondst. Ze geloven het eerst niet, en de foto’s op de digitale camera’s moeten er aan te pas komen als bewijsmiddel.

De duisternis valt langzaam in. We zoeken verder langs het water naar dieren met gebruik van het schijnsel van een sterke lamp. Af en toe glinsteren er nog een paar kaaimannenogen op, maar de dieren zelf zien we niet. Beter gaat het met de nachtvogels. Die blijven gewoon op hun stokje zitten, ook al krijgen ze een schijnwerper in het gezicht.

We zien voor het eerst deze reis “potoos” – reuzennachtzwaluwen.  Zowel de grotere Vale Reuzennachtzwaluw en de kleinere Grijze Reuzennachtzwaluw. Ze lijken op uilen, maar hebben een heel rare kop. Ze proberen te doen alsof ze een dode boomtak zijn.

Caiman Great Potoo Vale Reuzennachtzwaluw

Terug in Georgetown

Twee jeeps brengen ons in de ochtend vanaf Caiman House in Yupukari naar de start- en landingsbaan van Karanambu. We rijden voor het laatst over de savanne, vlakbij waar we een paar dagen geleden de reuzenmiereneter “vonden”.

De start- en landingsbaan is ook niet meer dan dat: een egale strip waarop kleine vliegtuigen kunnen landen. Er staan twee houten banken onder een overkapping naast, daar kunnen de passagiers in de schaduw wachten. Personeel is er niet. De vlucht is weer met een Cessna Caravan, het meest gebruikte vliegtuigje hier in Guyana. Er passen 12 passagiers in, en het is heel krap van binnen. Bij landing blijken er al 6 mensen in te zitten die opgestapt zijn in Lethem. Eén van onze groep moet dus plaatsnemen in de stoel van de co-piloot.

Landing op Karanambu Airstrip

De vlucht naar Georgetown duurt een uur en een kwartier. Aan het eind vliegen we door een regenbui, en dat is heel hobbelig in zo’n klein vliegtuig. We stuiteren alle kanten op, het lijkt we op de rit met de truck over die slechte hoofdweg naar Iwokrama. Maar we landen veilig op Ogle Airport, het binnenlandse vliegveld van Georgetown.

Aangekomen in het centrum gaan we eerst lunchen. Dat doen we bij Shankar’s, een populair Indiaas restaurant. Het smaakt inderdaad goed, en de pittige kip curry met roti is een welkome afwisseling van het eten in het binnenland.

De harde kern van ons reisgezelschap gaat daarna meteen door met de afsluitende City Tour door Georgetown. Ik heb aan het begin van de reis deze route al voor een deel zelf gewandeld, maar ik hoop vandaag op zonniger foto’s. We gaan met z’n vijven in een minibusje.

Georgetown

We rijden heel wat rond, en ik zie dit keer meer mooie oude houten huizen dan ik twee weken geleden heb kunnen ontdekken. Ze zijn er dus wel, maar ze zijn vaak goed verstopt en sommige zitten erg slecht in de verf.

We gaan binnenkijken in één van deze pareltjes, het is nu het Walter Roth Antropologisch Museum. Op twee verdiepingen zijn voorwerpen tentoongesteld over het leven van de oorspronkelijke bewoners van Guyana, verschillende indianenstammen. We hebben net twee weken tussen hun nakomelingen doorgebracht (vooral bij de Makushi), dus dat is leuk om te zien. We komen er achter dat de langwerpige rieten mand die we regelmatig zagen toch echt geen pijl-en-booghouder is, maar wordt gebruikt op de cassaveplantages.

Aan de randen van het centrum zijn nog een paar opvallende standbeelden en monumenten geplaatst. “Omdat elk land ze heeft, moest Guyana ze ook hebben”, aldus de gids.

Georgetown Standbeeld slavenleider Cuffy

Cuffy, leider van de slavenopstand in 1763

Tot slot bezoeken we de Botanische Tuin. Dit ís een van de meest geroemde bezienswaardigheden van Georgetown, maar je wordt er niet vrolijk van. Er loopt een asfaltweg dwars doorheen, en daaraan staan allerlei auto’s geparkeerd. Mensen hangen in en om hun auto, houden een soort stadspicknick. Ook wij rijden er met ons busje dwars doorheen.

We stappen alleen even uit bij de brug waarvandaan je lamantijnen zou moeten kunnen zien. Een paar van deze “zeekoeien” komen elke dag aan het eind van de middag voorbijzwemmen om wat vers gras uit de botanische tuinen te eten. Helaas zien we ze niet, we zijn wellicht nog een uurtje te vroeg. Het water in de kanalen is trouwens erg vervuild, het verbaast me dat er überhaupt nog wilde dieren kunnen leven.

Georgetown Botanische tuin

Peperpot

Voor mijn laatste halve dag van de vakantie had ik eigenlijk rusten, internetten en zwembad ingepland, in een luxe hotel in Paramaribo. Maar na een paar uur in de ook zeer comfortabele Cara Lodge in Georgetown voel ik me al weer fit en schoon genoeg om nog iets te gaan bekijken bij mijn terugkeer in Suriname. Ik kies voor het natuurpark bij de Peperpot Plantage, zo’n 15 kilometer buiten het centrum van Paramaribo. Nog even nagenieten van de natuur…

Het vergt wat improviseren om er te komen. Ik had gisteravond via de hotelbalie een taxi geboekt voor de heen- en terugrit, maar ze deden nogal vaag over de prijs. Als de chauffeur om 8 uur verschijnt wordt het er niet beter op – hij vraagt 31 US dollar voor een enkele reis. Nou, bedankt. Ik loop dan zelf maar even het centrum in, en vraag daar bij de taxistandplaats om vervoer. Dat gaat prima, en zo ben ik om half 9 eindelijk op weg naar de Plantage. Het is nog geen 20 minuten rijden. Met de chauffeur spreek ik af dat hij me twee uur later op dezelfde plek komt ophalen.

Peperpot Natuurpark

Peperpot is een voormalige koffie- en cacaoplantage. Na het ter ziele gaan van de plantage en de verwaarlozing van het terrein, heeft de natuur het weer overgenomen en is typische tropisch regenwoudbegroeiing ontstaan. Er is een wandelpad uitgezet van 3,2 kilometer lang, er staan borden met uitleg en je moet 18 SRD (ca. 4 EUR) entree betalen. Frustratie van de echte natuurliefhebbers is dat het pad pas om half 9 ’s ochtends opengaat, wanneer de grootste ochtendactiviteit van de dieren alweer voorbij is.

Je kunt hier op een relatief kleine oppervlakte veel van de planten, vogels en andere dieren zien waar ik de afgelopen weken in Guyana vertrouwd mee ben geraakt. De kleinere dieren dan, jaguars of reuzenmiereneters kom je hier natuurlijk niet tegen. Maar wel verschillende soorten apen, en ze schijnen makkelijk te vinden te zijn. En inderdaad, al na een minuut of 20 heb ik succes: er zit een groep doodshoofdaapjes in een boom langs het wandelpad. Ze schrikken niet van mij, en ik kan ze rustig bekijken. Het zijn mini-aapjes, met een staart die langer is dan hun lichaam.

Peperpot Doodshoofdaapje

Het lange, rechte wandelpad door het bos komt uiteindelijk uit bij de overgebleven gebouwen van de oude plantage. Helaas heb ik niet de tijd om daar helemaal naar toe te lopen – je moet nog ruim 3 kilometer over hetzelfde pad terug. Je kunt echt wel een halve dag voor dit natuurpark uittrekken: het mag dan wel een keurig aangelegd pad zijn, het voelt heel “echt”. Ik kom deze ochtend trouwens geen enkele andere bezoeker tegen.

In totaal zie ik op mijn rustige wandeling drie groepen doodshoofdaapjes. Het lukt me niet een andere apensoort te zien, ook niet het bruine kapucijnaapje dat meestal met de doodshoofdapen meereist. In Guyana had ik die ook al gemist, anderen uit de groep hebben er wel één gezien (maar ik was te druk met schattige foto’s maken).

De vogels laat ik dit keer maar links liggen. Wel trekken enkele kleurige grote vlinders mijn aandacht.

Peperpot 404

Om kwart voor 11 moet ik helaas weer terug naar mijn hotel in de stad. De taxichauffeur staat al keurig op me te wachten, en zet me af bij het hotel waar de laatste voorbereidingen voor mijn terugvlucht op me wachten.

Terugblik Guyana & Suriname 2013

Het lijkt wel of ik maanden ben weggeweest. Het is een heel intensieve reis geweest, met soms wel 4 activiteiten op een dag. En dat terwijl het binnenland van Guyana niet eens zo ongerept was als ik had verwacht. Je moet dus wel hard werken (lees: veel lopen en vroeg opstaan) om wilde dieren te zien. De streek is dunbevolkt en ligt erg geïsoleerd, en ik werd dan ook blij verrast door de centrale rol die de indianendorpjes in het toerisme spelen. Deze kleinschaligheid (Guyana ziet maar 2500 toeristen per jaar) geeft een heel bijzondere charme aan reizen door Iwokrama en de Rupununi.

De combinatie met Suriname was ook een goed idee. Dat is een totaal ander land: welvarender, bedrijviger, met meer Aziatische invloeden ook. En alles lekker in het Nederlands, grappig om dat zo ver van huis mee te maken.

Suriname

Mijn eerste indruk van Suriname was dat het erg groen is, en dat het nog het meest lijkt op Maleisië. Waarschijnlijk komt dat door de tropische sfeer en de sterk multiculturele mix van de bevolking. Er is veel autoverkeer. Langs de wegen zie je veel grote Chinese supermarkten. De mensen zijn heel open en spontaan.

Alles is er in het Nederlands, inclusief de borden voor de fietspaden. Bij het ontbijt krijg je bruin brood met kaas of hagelslag. Ook 90% van de andere toeristen zijn Nederlanders. Grappig om een keer mee te maken, maar ik denk dat vooral dat laatste wel op de zenuwen gaat werken na een paar weken.

Voorbereiding
Als je binnen één reis vaker dan 1x Suriname binnen moet, heb je een visum nodig. Dit multiple-entry visum kost 40 EUR. Je kunt het halen bij het consulaat in Amsterdam, maar ik heb het voor het gemak door een visumburo laten verzorgen. Binnen 3 dagen had ik mijn paspoort met stickervisum weer terug.

Vervoer
In Suriname ben ik niet verder gekomen dan Paramaribo en omgeving, dus behalve een enkele taxi heb ik geen vervoer nodig gehad.

Vluchten
Ik vloog rechtstreeks vanaf Schiphol met de KLM, één van de twee maatschappijen die een paar keer per week naar Paramaribo vliegen. Ik vertrok op dinsdag, een hele rustige dag en maar 7 andere mensen in mijn Economy Comfort-klasse (waar er zo’n 35 in kunnen). Ik vloog terug op zaterdag, en dat was een bomvolle vlucht met ook veel kinderen. De reistijd is zo’n 8,5 uur.

Van Paramaribo naar Georgetown in Guyana vloog ik met Gum Air. Dat werd één van de leukste belevenissen van deze reis: ik was de enige passagier! Op de terugvlucht kwamen er ook maar 3 anderen opdagen, het lijkt een niet erg rendabele verbinding tussen de 2 buurlanden.

Overnachtingen
In Paramaribo overnachtte ik op de volgende 2 plaatsen:

De eerste paar dagen verbleef ik in Guesthouse Amice aan de Gravenberchstraat, een paar kilometer ten zuidwesten van het centrum. Het is een schoon en vriendelijk pension, met maar een paar kamers. Ik had een erg mooi balkon aan de voorzijde van het gebouw. Het is er wel vrij gehorig omdat het aan een drukke doorgaande weg ligt, en in het gebouw zelf hoor je ook de andere gasten stommelen.

Website: Guesthouse Amice
Prijs: 45 EUR per nacht voor een kamer met balkon en inclusief ontbijt

Het “Marriott” ligt aan de andere kant van het centrum, vlakbij de “Nederlandse wijk” met het Torarica hotel en de pannekoekenrestaurants. Saai Amerikaans ketenhotel, men spreekt je aan in het Engels (een unicum in Suriname). Redelijk goed maar sfeerloos restaurant. Goed bed en ruime kamer, maar verder niet erg luxe. Is zijn geld niet echt waard, en je wordt door de receptie opgescheept met te dure taxi’s.

Website: Courtyard by Marriott Paramaribo
Prijs: 103 EUR per nacht inclusief ontbijt

Eten en drinken
Je kunt heel goed Javaans & Indiaas eten in Suriname. Toch had ik wat moeite de goede adresjes te vinden. Ze zijn niet heel dik gezaaid, zeker niet in de buitenwijk waar ik eerst logeerde. Ook hadden veel restaurants hun deuren gesloten vanwege de feestdagen 8 en 9 augustus.

Kosten
Suriname is op zich niet zo duur. Ik had een goedkoop pension voor de eerste dagen, en eten bij de lokale tentjes kost ook maar een EUR of 8. De kosten lopen op door het vervoer van en naar het vliegveld, dat ruim een uur buiten Paramaribo ligt. Ook de georganiseerde tours zijn duur, op de Nederlandse prijzen afgestemd. De dagtour naar de plantages kostte 60 EUR.

Gemiddeld heb ik 81 EUR per dag uitgegeven in Suriname.

Guyana

De reden om voor Guyana te kiezen lag in mijn geweldige ervaring in Manu Nationaal Park in Peru, 2 jaar geleden. Zulke ongerepte natuur beleven zonder andere toeristen om je heen, dat wilde ik nog wel een keer. Ik heb wat websites van in natuur gespecialiseerde reisorganisaties afgestruind, en kwam bij een 2-weekse reis door Guyana uit. Ook BBC’s Lost Land of the Jaguar (dat wel een heel idyllisch beeld van Guyana geeft) heeft mijn nieuwsgierigheid naar Guyana aangewakkerd.

Het bleek achteraf een iets minder ongerepte jungle te zijn. De dieren zijn vrij schuw, waarschijnlijk toch wel omdat er een grote weg door het gebied loopt, er overal dorpen zijn en er ook gejaagd wordt. Die aanwezigheid van Indianendorpjes maakte het echter ook weer extra interessant. Ik heb het nog nooit ergens meegemaakt dat het toerisme zo in handen van de inheemse bevolking is. Al het personeel, de gidsen, de chauffeurs, de managers van de lodges zijn lokale Makushi-indianen. Ze zijn wel getraind in het toerisme, maar het zijn geen mensen met een westers referentiekader. Het gaat dus niet altijd even professioneel, maar het is wel steeds goed bedoeld. De lodges onderling vullen elkaar ook goed aan.

Voorbereiding
Op de binnenlandse vluchten in Guyana geldt een limiet van 9 kilo aan bagage. Aan kleren heb je in dit warme klimaat niet zoveel nodig. Daarnaast zijn de lodges van alle gemakken voorzien, zoals klamboe en handdoeken. Wat wel veel gewicht met zich mee brengt zijn alle technische hulpmiddelen: grote camera, kleine camera (als back-up en voor in Georgetown), verrekijker, laptop, Kindle en een zak vol kabeltjes.

De Tour
De tour door het binnenland was georganiseerd door Wilderness Explorers, de bekendste reisorganisatie van Guyana. Ik had geboekt via het Engelse Steppes Travel, maar anderen uit het groepje van 7 hadden bij andere organisaties geboekt of bij Wilderness Explorers zelf. De groep bestond naast mij uit 2 Amerikanen en 4 Britten, in leeftijd variërend van begin 30 tot eind 60.

Vervoer
Als eerste moet natuurlijk genoemd worden de Cessna Caravan, het kleine personenvliegtuig met plaats voor 12 mensen dat dienst doet voor het vervoer van en naar het binnenland van Guyana.

Verder was er de omgebouwde Bedford truck. Zowel Surama als Rock View Lodge hebben er een. De bakbeesten van het Engelse leger zijn in het land gebleven nadat de Engelsen zijn vertrokken. In de laadbak zijn banken gemaakt om op te zitten, de zijkant is open maar het dak overdekt tegen regen en zon.

Surama Bedford truck

Op de overgebleven dagen werden we met ook al zeer oude jeeps vervoerd, of met motorbootjes.

Overnachtingen
In Guyana overnachtte ik op de volgende plaatsen. De prijzen van de hotels weet ik niet precies, want die kosten zaten in mijn tour. Maar onder de 100 EUR is er zeker geen een. Het verblijf in alle lodges is op basis van volpension, en inclusief excursies. Alle kamers hadden een eigen badkamer en een goed muskietennet over het bed.

Georgetown
De Cara Lodge is een leuk koloniaal hotel in het centrum van Georgetown. Met het Pegasus Hotel is het het beste van de stad. Het is niet zo groot, en heel stijlvol met z’n houten vloeren en Demarara-luiken. Het heeft ook een goed restaurant en een bar. Het uitgebreide ontbijtbuffet was er ook erg lekker. Verder is er snel internet en satelliet TV op de kamers. Het ligt op loopafstand van de (schamele) bezienswaardigheden van de stad.

Website: Cara Lodge

Iwokrama
De Iwokrama River Lodge ligt op een mooi terrein, pal aan het water van de brede Essequibo rivier. Iedereen heeft hier een eigen huisje. Mijn kamer heeft 3 bedden, en een veranda met een zitje en een hangmat. Het eten is wat flauw en inspiratieloos, maar het vult de maag. Na een blikseminslag enkele weken eerder doet het internet het er niet meer.

Website: Iwokrama River Lodge

De Atta Lodge is een gezellige lodge in het Iwokrama bos. De kamers zijn op een rij in een huis van steen, met de badkamers in de open lucht (met een muurtje eromheen uiteraard). Behoorlijk goed internet als ze de generator aanzetten. Leuke centrale ruimte om te eten en te zitten, met boeken over Guyana en lekkere koekjes. Het eten is hier erg goed, meestal toveren ze zelfs drie gangen op tafel.

Website: Atta Lodge

Surama
Deze lodge is een gemeenschapsproject van het inheemse dorp Surama. Mijn kamer heeft grote open “ramen”, waardoor er een verfrissend briesje waait en je vanuit bed vogels kunt spotten. Het matras hier is wel van mindere kwaliteit dan bij de andere lodges. Het eten heeft de gebruikelijke Guyaanse ingrediënten rijst, bonen en kip – niet bijzonder. Weinig elektriciteit of internet.

Website: Surama Eco Lodge

Annai
De Rock View Lodge is het meest comfortabele onder de lodges in het Guyaanse binnenland. De kamers zijn voorzien van details als stopcontacten om je elektronica op te laden, een mandje met vers fruit en een zitje voor de deur. Er is ook een zwembad. Het nadeel is dat er niet zo heel veel te beleven valt in de buurt, behalve vogeltjes kijken op het terrein zelf. Slechte, bijna onbruikbare internetverbinding.

Website: Rock View Lodge

Karanambu
Lekker afgelegen lodge aan het water, met maar 6 kamers. Er zitten hier veel vleermuizen die ’s nachts door de open daken vliegen, maar in mijn kamer viel dat wel mee. Gelukkig is er een goed muskietennet dat tegen allerlei vliegende beestjes helpt. Het eten in deze lodge is erg goed, en ook aan andere details merk je de hand van het Amerikaanse echtpaar dat de zaak beheert.

Website: Karanambu Ranch

Yupukari
Caiman House is meer een soort hostel dan een lodge. Er verblijven ook onderzoekers en vrijwilligers. Ze hebben eigenlijk maar 4 fatsoenlijke kamers, de rest moet het met een bijgebouwtje of hangmatten doen. Het ligt midden in het Indiaanse dorpje Yupukari. Hier aten we het minste van deze reis – wel erg veel, maar simpel. Ze hadden dan wel weer 3 merken bier…

Website: Caiman House

Eten en drinken
Ontbijt, lunch en diner was vrijwel altijd in buffetvorm. Bij het ontbijt was er meestal toast en brood, met pindakaas, honing en jam. En vers fruit zoals ananas en watermeloen. Koffie en thee komen uit pakjes, hoewel ze in Guyana zelf ook wel koffie verbouwen.

Daarvoor was er elke dag een pre-ontbijt, voorafgaand aan de vroege ochtendwandeling, met koffie/thee en zelfgebakken koekjes.

Lunch en diner waren altijd uitgebreide warme maaltijden. Meestal hield dat een variatie in van rijst, bonen, okra en kip of vis. Soms was er soep vooraf, en een enkele lodge kreeg ook nog een vla-achtig toetje voor elkaar.

De hele dag stond er verder water en vers vruchtensap klaar. In de Rock View Lodge en Karanambu Ranch was ook de sterke drank als aperitief en bij het eten inbegrepen (bier of rumpunch). Bij de andere lodges kon je een enkele keer ook bier of cola kopen.

Hét lokale gerecht van het binnenland is farine. Door sommigen omschreven als “zaagsel”, is dit een product van de cassaveplant. Het zijn droge korreltjes, het lijkt een beetje op couscous. Het is de bedoeling dat je het door iets met vocht schept, zoals de saus bij de bonen. Het heeft ongeveer 0 voedingswaarde, vandaar waarschijnlijk dat die Indianen zo klein blijven. Het was altijd wel onderdeel van ons buffet, en de gidsen aten er gretig van.

Kosten
De tour door Guyana is behoorlijk duur: ik betaalde zo’n 200 EUR per dag. Je betaalt vooral voor de kleinschaligheid en de kosten van het transport. Hele dorpen leven soms van de verhuur van 6 kamers. Het is ook een bewuste keuze dat ze het exclusief en duur houden. Ze zijn zelfs op zoek naar nog beter betalende klanten, en hebben hun oog op sportvissers laten vallen (die schijnen veel meer uit te geven dan natuurliefhebbers).

Qua comfort is het de prijs niet echt waard: alle lodges waren degelijk en netjes, maar zeker niet luxe zoals sommige lodges in Afrika. Naast de kosten van de tour heb ik vrijwel geen geld uitgegeven: in de lodges is alles volledig verzorgd, en er is nauwelijks iets te koop.

Leave a comment

Previous:
Next: