- Route Servië, Bosnië en Montenegro
- In een Servisch kuuroord
- #490: Studenica klooster
- Novi Pazar
- #491: Stari Ras en Sopoćani-klooster
- #492: Gamzigrad-Romuliana
- De variatie van Novi Sad
- Subotica rijmt niet op Exotica
- Belgrado en de kerk die maar niet af wil komen
- #493: Mostar
- Sufi’s en stenen
- Historische wandeling door Sarajevo
- #494: Mehmed Paša Sokolovićbrug
- Lukomir, het einde van de wereld
- #495: Nationaal Park Durmitor
- De nieuwe en de oude hoofdstad
- #496: Baai van Kotor
- #497: Dubrovnik
- Terugblik Servië, Bosnië en Montenegro
Route Servië, Bosnië en Montenegro
Het is bijna tijd voor mijn eerste grote reis van het jaar. Hij gaat naar het voormalig Joegoslavië, en dan met name naar het zuidoosten: Servïë, Bosnië en Montenegro. Zeker Servië staat nog niet echt op de toeristische kaart, maar dat maakt het alleen maar leuker natuurlijk.
Tussen Belgrado en Dubrovnik (ja ook nog een dagje Kroatië) liggen 8 werelderfgoederen en hopelijk ook veel andere mooie dingen op de route. Op de eerste paar dagen na maak ik de hele tocht met het openbaar vervoer.
De route ziet er op hoofdlijnen als volgt uit:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 4 – 7 mei | Vlucht naar Belgrado (Jat Airways 263, 11.50-14.05). Meteen auto ophalen, en door naar Vrnjacka Banja (kleine 3 uur). Vanuit dit spaoord bezoek aan kloosters in de regio: Studenica (WE1) en Sopocani (WE2). | Cvetni Konaci Hotel, Vrnjačka Banja |
| 7 – 8 mei | Doorrijden naar het oosten, naar Zajecar. Daar in de omgeving ligt Gamzigrad Romuliana (WE3), een Romeinse opgraving. | Garni Hotel Hamburg, Zajecar |
| 8 -10 mei | Auto terugbrengen naar het vliegveld van Belgrado, en dan met de bus of trein verder naar het noorden. Bezoek aan het Hongaarse aandoende Novi Sad en het stadje Subotica, dat vol staat met Art Nouveau gebouwen. | Hotel Centar, Novi Sad |
| 10 – 11 mei | Terug naar Belgrado, en de bezienswaardigheden van deze Servische hoofdstad bekijken. | Queen’s Astoria Design Hotel, Belgrado |
| 11 – 12 mei | Lange busrit van 8 uur naar Sarajevo, over de grens in Bosnië Herzegovina. | Sarajevo |
| 12 – 14 mei | Stukje door naar Mostar. Bezoek aan oude centrum en de herstelde brug (WE4). En naar het Sufiklooster in het nabijgelegen Blagaj. | Shangri La B&B, Mostar |
| 14 – 18 mei | Terug naar Sarajevo met de bus. Enkele dagen om deze leuke stad te bekijken, en dagtrips te maken naar oa. de brug van Visegrad (WE5). | Halvat Hotel, Sarajevo |
| 18 – 20 mei | De bus weer in, op weg naar een volgend land. Vlak over de grens met Montenegro ligt in de bergen het Durmitor Nationaal Park (WE6). | Hotel Soa, Zabljak, Durmitor |
| 20 – 21 mei | Via de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica door naar Cetinje, de leuke oude hoofdstad gelegen in de bergen. | Cetinje |
| 21 – 23 mei | Verder naar het zuiden, naar de Baai van Kotor (WE7). Het land rond deze mooie baai was vroeger een kolonie van Venetië. Nu is het het meest toeristische gebied van Montenegro. | Vila Panonija, Kotor |
| 23 – 25 mei | Met de bus in 3 uur door naar Dubrovnik, van Montenegro naar Kroatië. Bezoek aan de havenstad Dubrovnik (WE8), één van de mooiste in Zuid-Europa. Op de laatste dag terugvlucht 11.00 – 17.45 uur met Finnair. | House Boninovo, Dubrovnik |
In een Servisch kuuroord
Vrnjačka Banja: Zonder te hoeven zoeken reed ik vanmiddag van het vliegveld van Belgrado naar mijn overnachtingsplaats voor de komende dagen. Vrnjačka Banja is hét kuuroord voor de Serviërs, die ook op een warme dag in mei in grote getale hierheen zijn gekomen. Wat is er te doen? Bijzondere baden natuurlijk, en verder een beetje wandelen over de promenade en door het park. Roken is hier nog heel gewoon op straat en in cafés. En verder doet men zich te goed aan pizza, friet, bier en ijs. Lekker gezond! De mascotte van de stad is een musje, hoe toepasselijk.
#490: Studenica klooster
Wat is het?
Het Studenicaklooster is één van belangrijkste en rijkste Servisch-Orthodoxe kloosters. Het werd gesticht aan het eind van de 12e eeuw door Stefan Nemanja, heerser over het middeleeuwse Servië. Het is vooral bekend om zijn fresco’s in Byzantijnse stijl. Het klooster is volledig omringd door een muur. Op het binnenterrein staan drie kerken. Ook zijn er modernere gebouwen die gebruikt en bewoond worden door de monniken van nu.
Cijfer: 7,5 (De foto’s doen niet echt recht aan de inhoud: binnen, daar waar de fresco’s zijn, mag je niet fotograferen. De kerkjes zelf zijn opgebouwd uit gepolijst wit marmer. De grootste kerk heeft de meeste en beste fresco’s, tegen een blauw met gouden achtergrond. Verder is het een prachtige stille plek. Een halve punt extra omdat de bomen er zo mooi in bloei staan, en het er heerlijk ruikt!).
Toegang: Gratis. Ze houden het simpel hier in Servië: het is wat het is, een actief mannenklooster. Parkeerveldje erbij, klaar.
Hoeveel tijd: Zo’n 3 kwartier. Het is niet zo’n groot terrein. Vanaf mijn standplaats Vrnjacka Banja was het 1,5 uur rijden (85 kilometer) over een rustige en mooie binnenweg.
Opvallend: Vandaag, 5 mei 2013, is het Eerste Paasdag volgens de Juliaanse kalender die gehanteerd wordt door de Servisch-Orthodoxe kerk. Ik was ook al verrast door de paaseieren op het vliegveld van Belgrado en in mijn hotel. Een mooie dag dus om kerken en kloosters te bezoeken. Dat vonden vele Serviërs met mij: op hun paasbest gekleed waren ze present bij de twee belangrijke kloosters die ik vandaag bezocht, Studenica en Zica. Bij het wat meer afgelegen Studenica was de opkomst nog beperkt, alhoewel twee families er hun baby lieten dopen. Bij het Zicaklooster daarentegen was het even na 9 uur in de ochtend al flink druk.
Net als het Studenicaklooster is het Zicaklooster gebouwd in de typisch Servische Raska-architectuur. Dit is een mengeling van westerse (Romaanse) en oosterse (Byzantijnse) elementen. Zica heeft met Studenica het gebruik van wit marmer gemeen. De fresco’s zijn echter veel minder goed bewaard gebleven. De buitenkant is hier het mooist: knalrood! Het is de kleur rood die de Servisch-Orthodoxe priesters meenamen van de Griekse berg Athos, de meest heilige plaats van de orthodoxe kerk. Als je naar het klooster rijdt, blinkt het rood je al van kilometers ver tegemoet.
Novi Pazar
Novi Pazar: Parkeren is een crime in deze grensstad ingeklemd tussen Kosovo en Montenegro. “Turkser dan Turkije”, aldus mijn Bradt reisgids. In het kleine oude centrum zijn nog een paar Ottomaanse bouwwerken bewaard gebleven, zoals een 16e eeuwse moskee en de restanten van een hammam. Ik eet er geheel in stijl een kebab op een terras. Novi Pazar kende tijdens de Joegoslavische oorlogen van de jaren negentig een enorme bloei, vooral door de productie en verkoop van spijkerbroeken! Nog steeds is er een grote kledingmarkt, hoewel de spijkerbroekenboom inmiddels wel over is.
#491: Stari Ras en Sopoćani-klooster
Wat is het?
Dit werelderfgoed omvat vier Servische monumenten uit de middeleeuwen. Ze liggen op een paar kilometer rondom de stad Novi Pazar in het uiterste zuidwesten van Servië. Stari Ras was de hoofdstad van het Servië van die tijd. Het 12e eeuwse Đurdevi stupovi-klooster en het een eeuw jongere Sopoćani-klooster zijn de wapenfeiten van de middeleeuwse Servisch-Orthodoxe kerk. En de Sint-Pieterskerk is de oudste kerk van Servië, met fundamenten uit de 4e eeuw.
Cijfer: 6,5 (Hoewel het er op lijkt, vond ik dit toch wat minder dan de kloosters van gisteren. Dit is soberder, sommige delen zijn zelfs totaal vervallen. Alleen het Sint-Pieterskerkje op de heuvel is een plaatje).
Toegang: Ook allemaal gratis. Je geld raak je hier in Servië moeilijk kwijt. Parkeren hoef je ook nergens te betalen en je kunt eten voor een paar EUR. Alleen het tanken vanochtend viel niet mee – met zo’n 50 EUR voor 3/4 tank zijn het bijna Nederlandse prijzen.
Hoeveel tijd: Het was hard werken vandaag, van half 9 tot half 6 onderweg. Niet dat er zoveel te zien was trouwens. Maar ik heb alle vier componenten van het werelderfgoed proberen te bezoeken, plus de nabijgelegen stad Novi Pazar.
Opvallend: Op mijn gemak reed ik weer over de prachtige slingerweg door de Raska-vallei richting het zuiden. Voor 70% dezelfde route als gisteren, maar nu nog verder door naar het zuiden, richting de grens met Montenegro.
Gelukkig staat de route naar de vier plaatsen van het werelderfgoed goed aangegeven met de overal ter wereld bekende bruine borden. Ik rijd eerst naar het Sopoćani-klooster, zo’n 10 kilometer van Novi Pazar over een weg vol gaten. Er is een parkeerterreintje bij, en de man van de kloosterwinkel staat me al op te wachten. Ik zeg hem gedag, en loop dan verder het complex in. Dit is eigenlijk alleen maar één grote kerk in Romaanse stijl. Ook hier weer veel oude fresco’s aan de binnenzijde. Deze kerk is veel hoger en lichter dan die van Studenica van gisteren.
Dan is het tijd voor Stari Ras. Tenminste, wat er van over is. Tegenover “Motel Stari Ras” liggen een paar stapels stenen die de contouren aangeven van wat gebouwen. Was dit Stari Ras? Ik zie er geen bord bij staan. De foto’s op internet laten tenminste nog wat muren op een heuveltop zien, maar hier zie ik niet veel meer dan een groot parkeerterrein en barbecuende Serviërs.
Voor ik aan de lunch ga in het centrum van Novi Pazar rijd ik nog één binnenweg af, naar het derde deel van het werelderfgoed: het Đurdevi stupovi-klooster. Weer een andere weg, en weer een heuvel op natuurlijk. Naarmate ik dichterbij kom, valt mijn mond open: er staat één lange file naar het kerkje dat op de top te zien is. Mensen hebben hun auto aan de kant van de weg achtergelaten en gaan te voet verder. Mijn trek in iets te eten wint het van mijn nieuwsgierigheid wat hier te doen is: bij de eerste gelegenheid keer ik de auto, en rijd de berg weer af.
Tot slot ga ik nog even langs bij de Sint-Pieterskerk. Deze ligt ten noorden van Novi Pazar, dus al een beetje op de terugweg. Hier ben ik weer de enige bezoeker. De poorten staan open, maar behalve een hond is er verder geen opzichter te zien. Het is een schattig gerestaureerd kerkje, met eromheen stenen kruizen met grafschriften in het Cyrillisch. Ik hang nog even rond in de hoop de “vriendelijke priester” of de “buurvrouw met de sleutel” te ontmoeten die me de binnenkant van de kerk kan laten zien, maar helaas verschijnt er niemand.
#492: Gamzigrad-Romuliana
Wat is het?
Felix Romuliana omvat de ruïnes van het gefortificeerde paleis van de Romeinse keizer Galerius. Hij liet het bouwen van 297 tot 311 op zijn geboortegrond, daar waar ook zijn moeder Romula woonde en naar wie het is vernoemd. Het werd een luxe complex met twee tempels, een badhuis en mozaïeken vloeren. Het paleis is optisch verbonden met twee grafheuvels bovenop een nabijgelegen heuvel: hier liggen de mausolea van Galerius en Romula. Keizer Galerius werd hier in 311 bijgezet na de traditionele ceremonie voor zijn verheffing van mens tot god, die alle Romeinse keizers te beurt viel die een troonopvolger hadden nagelaten (de zogenaamde apotheose).
Cijfer: 7,5 (Het eerste wat opvalt zijn de stevige buitenmuren, gemaakt van een mix van baksteen en natuursteen. Ik dacht dat het reconstructies waren, maar het blijkt origineel uit de Romeinse tijd te zijn. Op het binnenterrein staat wat minder overeind, maar het is toch een lekkere plek om rond te struinen. Nergens staan verbodsbordjes, en veel van de ruïnes zijn door gras overgroeid. Het is een sfeervolle plek, en net wat anders dan de gemiddelde Romeinse opgraving. Vooral de visuele link met de twee grafheuvels – heel mooi zichtbaar vanaf het terras van het cafeetje – had ik nog niet eerder ergens gezien).
Toegang: 200 dinar (1,80 EUR). Er is zelfs een officiële ticketkiosk! En een cafeetje! En je moet betalen voor de WC! Van wat ik tot nu toe in Servië heb gezien komt dit nog het meest in de buurt van een toeristische attractie. Een bus schoolkinderen verliet net het terrein, en werd afgelost door een groep oudere Belgische toeristen.
Hoeveel tijd: Ik ben er anderhalf uur geweest. Bij elk bouwwerk staan informatieborden in het Servisch en het Engels. Ook is er links van de ingang een kleine tentoonstelling. Gamzigrad ligt aan het eind van een 8 kilometer lange hobbelweg, midden in het Servische boerenland.
Opvallend: De mooiste vondsten uit Romuliana zijn tegenwoordig terug te vinden in het museum van de nabijgelegen stad Zajecar. Na mijn bezoek aan de opgravingen ging ik daar natuurlijk ook nog even langs. Het museum is gehuisvest in een groot geel gebouw aan het centrale plein van de stad. Een belangrijke plek, voor belangrijke wetenschappers zo schijnt. Bezoekers, zeker buitenlandse, daar hebben ze wat minder mee.
Als ik me in de hal meld, is er nergens een loket te bekennen. Een man die ik aanspreek tovert uit een bureaula in zijn kantoor toch een kaartje voor me tevoorschijn (ook 200 dinar). Ondertussen discussieert hij hevig met een vrouwelijke collega. Ik denk nog dat hij haar aanspoort om mij rond te leiden, maar nee hoor. En zo doe ik alleen de rondgang door de zalen. Alle lichten zijn nog uit, dus bij het binnengaan van iedere zaal doe ik zelf het licht maar aan. En ook weer uit als ik de zaal verlaat. De communistische geest waart hier nog goed rond in Servië….
Toch is het museum een goede aanvulling op een bezoek aan Romuliana. Er is een maquette van zo’n 10 vierkante meter met hoe de gebouwen er in de Romeinse tijd uit hebben gezien. En ook de beste mozaïeken liggen nu hier, zoals een compleet labyrint.
De variatie van Novi Sad
Het is tijd om de binnenlanden van Servië achter me te laten, en terug te keren naar de westerse beschaving. Althans, zo voelt het na een nacht in het wel erg achtergebleven Zajecar. Ik rijd in 3 uur terug naar het vliegveld van Belgrado, lever mijn huurauto in en reis verder met de bus. Vanaf Belgrado is het nog anderhalf uur rijden naar Novi Sad. Het is een slome bus, die ook nog eens langs de snelweg stopt omdat een klein meisje voorin wagenziek is geworden.
Ik zie het landschap veranderen: het wordt vlakker en vlakker, en in de buurt van Novi Sad passeren we de imposant brede Donau. Novi Sad is de tweede stad van Servië, en heeft 250.000 inwoners. Het is de hoofdstad van de autonome regio Vojvodina. Het wordt ook wel “de meest westerse stad van het oosten” of “de meest oosterse stad van het westen” genoemd. Als ik van het busstation door het centrum naar mijn hotel loop, valt me meteen al op dat er hier veel meer moderne kleding- en schoenenwinkels zijn. De mensen zijn ook veel beter gekleed dan ik tot nu toe in Servië gezien heb.
Paleis van de orthodoxe bisschop
Na mijn spullen in Hotel Centar gedropt te hebben, loop ik de stad weer in. Het historische centrum is maar klein, en eigenlijk ook niet zo historisch: het meeste dateert uit de 19e eeuw. Het heeft de uitstraling van een stad in Hongarije of Tsjechië, met kleurige gebouwen, veel kerken, pleinen en standbeelden. Ook hier zitten de terrassen trouwens weer vol en worden aan de lopende band ijsjes verkocht. Het mooiste gebouw dat ik tegenkom is het bisschoppelijk paleis: hier woont de Servisch-Orthodoxe bisschop van Novi Sad.
Het paleis ligt naast de Servisch-Orthodoxe kathedraal. Van buiten is dat “gewoon” een heel grote kerk. Samen met wat andere toeristen die plotseling zijn verschenen (Duitsers) neem ik ook binnen een kijkje. Dat blijkt een goede beslissing te zijn, want de kathedraal is zeer rijk gedecoreerd. Er zijn heldere glas-in-lood ramen, en verder heel veel iconen en nog meer goud. De betovering wordt alleen doorbroken doordat er iemand aan het stofzuigen is…
Hierna loop ik naar het Museum van Vojvodina. Net als het museum van gisteren in Zajecar is het een statig gebouw. Gelukkig is de ontvangst dit keer warmer. Ik betaal mijn entree van 1 EUR in het winkeltje, en de goed Engels sprekende suppoost loopt met me mee om de start van de rondleiding te wijzen. Het museum is gewijd aan de archeologie, geschiedenis en folklore van deze regio. Vojvodina heeft een heel andere geschiedenis dan de rest van Servië: pas laat zijn er hier Servisch-Orthodoxen komen wonen, ze waren min of meer weggejaagd uit het door de Turken bezette Servische kerngebied. Het maakte ook onderdeel uit van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk.
Hoewel de opschriften grotendeels in het Servische schrift zijn, is de hele historie toch goed te volgen doordat er in elke zaal Engelse teksten klaarliggen. Erg mooi is de gouden Romeinse helm, en ook de traditionele kleding van de verschillende bevolkingsgroepen is de moeite waard.
Een paar minuten verderop sta je aan de oever van de Donau. Wat een geweldig brede rivier is dat toch. Vanaf hier heb je ook zicht op het Petrovaradinfort.
Via het stadspark loop ik weer terug in de richting van mijn hotel. Daar in de buurt is de laatste religieuze stop van vandaag: de Synagoge uit 1909. Net als de katholieke én de orthodoxe kathedraal valt vooral op hoe groot het is – de verschillende godsdiensten wilden hier vast niet voor elkaar onder doen. De synagoge is trouwens niet meer in gebruik, anders dan als concertzaal. Ernaast ligt een in dezelfde gele baksteen gebouwde joodse school, die nu als balletschool dienst doet. Er staat een bordje voor de synagoge dat hij geopend is voor toeristen, maar hoewel ik er tijdens openingstijd ben is de deur gesloten.
En hiermee eindigt mijn wandeling door Novi Sad – een stad met een hele andere sfeer dan ik tot nu toe in Servië heb meegemaakt: vrolijker, moderner, gevarieerder, weg van de communistische monocultuur.
Subotica rijmt niet op Exotica
Al direct toen ik besloten had dat ik naar Servië zou gaan stond Subotica hoog op mijn verlanglijstje. Ik had er zulke mooie foto’s van gezien. Het is een stadje vol kleurige en frivole Art Nouveau-gebouwen, de meesten nog in heel goede staat. Subotica ligt vlakbij de grens met Hongarije. Ook de meerderheid van haar inwoners is van Hongaarse komaf. Aan hen dankt het ook de prachtige gebouwen in de binnenstad: aan het eind van de 19e eeuw maakte de stad een enorme bloeiperiode door vanwege de komst van vele Hongaarse en joodse immigranten. Alle belangrijke bouwwerken in de stad dateren uit dat tijdvak.
Deze periode van groei en bloei werd mede mogelijk door de aanleg van een spoorlijn naar Subotica in 1869. Geheel in stijl reisde ik er vandaag ook heen met de trein, vanuit Novi Sad. Het was de eerste keer dat ik in Servië in een trein zat. Met de trein zelf was niks mis, alleen traag…. De intercitytrein vertrok om 8.35 uur, en pas om 10.53 uur zouden we in Subotica zijn – 100 kilometer verderop. Nog geen 45 kilometer per uur dus. Bij het kopen van het treinkaartje in de enorme stationshal van Novi Sad leerde ik trouwens dat je Subotica uitspreekt als “Subotitsa” (en dat Subotica dus helaas niet rijmt op Exotica).
Met nog eens 10 minuten vertraging op de toch al lange zit arriveerden we even na elven op het station van Subotica. Gelukkig begint de pracht al tegenover de uitgang van het station: daar staat het Ferenc Raichle Huis. Dit wordt geroemd als het mooiste Art Nouveau-gebouw in Servië. Het lijkt wel een werk van Gaudí, zo rond en glimmend en bont van kleur.
En ook in de voetgangerszone iets verderop liggen aan weerskanten nog veel meer gebouwen uit eind 19e, begin 20e eeuw. Allemaal zijn ze uniek in hun kleuren en motieven.
Het tweede imposante Art Nouveau-meesterwerk ligt aan het centrale plein: het zwart met rode Stadhuis. Het stadhuis is zo groot dat nog maar een deel ervan in gebruik is door de stad. De rest wordt gehuurd door winkels, en er zit zelfs een McDonalds in. Helaas staat de zon zo ongelukkig dat ik er geen heel goede foto’s van kan maken.
Subotica heeft (of had kan ik beter zeggen) net als Novi Sad een grote synagoge. De omvang en de prominente plaats in de stad geven aan hoe groot en belangrijk deze bevolkingsgroep hier was tot aan de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in 1902 gebouwd door de architecten Jakab & Kamar, die ook verantwoordelijk waren voor o.a. het Stadhuis. Nu is het een van de meest vervallen gebouwen van de stad, het staat een beetje zielig midden op een groot grasveld met een hek eromheen. Alle kleur en glans is er wel vanaf.
Even voorbij de synagoge ligt een grote overdekte boerenmarkt. In het achterste deel verkoopt iedereen zijn zelfgekweekte wortels en bloemkolen. En veel paprika’s natuurlijk, we zitten hier vlakbij de Hongaarse geboortegrond. De paprika’s zijn hier (en in de restaurants waar ik ze heb gezien) allemaal wit van kleur. Het is niet zo dat ze later nog verkleuren tot groen of rood of zo, het is gewoon een andere soort dan die in Nederland in de supermarkten ligt.
Hiermee heb ik het centrum van Subotica wel gezien. Ik sluit af in stijl met een heerlijke lunch op het terras van Café Boss. Dat ligt op de binnenplaats achter het Ferenc Raichle Huis, zodat je tijdens het eten van de schone architectuur kunt blijven genieten.
Belgrado en de kerk die maar niet af wil komen
St. Savakathedraal in Belgrado: Waar in Europa bouwen ze nu nog aan een helemaal nieuwe kerk, die één van de grootste ter wereld gaat worden? Het werk aan deze Servisch-Orthodoxe tempel startte al in 1935, maar door allerlei oorlogen kwam het er niet van hem af te ronden. De buitenkant is sinds een paar jaar klaar, nu de binnenkant nog. Daar is nog veel werk te verzetten: de vloer en muren zijn kaal, er staan steigers tot in de nok en andere delen zijn bedekt door doeken. Er staan uitnodigende collectebussen bij de ingang om geld in te zamelen. Als het af is, kunnen er 10.000 gelovigen de dienst bijwonen. Het was er vandaag alvast flink druk met zowel Servische schoolkinderen als buitenlandse toeristen.
#493: Mostar
Wat is het?
Het gebied rond de Oude Brug in het oude centrum van Mostar ontwikkelde zich in de Ottomaanse tijd, vanaf de 16e eeuw. De stenen brug werd gebouwd in 1566 door de Turkse architect Hajrudin, als opvolger van een houten ophaalbrug die niet langer voldeed voor de toenemende karavaanhandel. In dezelfde periode werden er meerdere moskeeën, winkels, herbergen en woonhuizen toegevoegd om aan de groei van de stad te voldoen. De brug en de omringende gebouwen werden in de Bosnische Oorlog, in 1993, beschoten en vernietigd. Het verkreeg zijn plaats op de Werelderfgoedlijst pas na die tijd, toen het geheel weer was opgebouwd (in 2004). Vooral zijn symbolische waarde werd geroemd, als plaats van verbondenheid van de verschillende bevolkingsgroepen in Bosnië-Herzegovina.
Cijfer: 8 (Erg sfeervol, ondanks dat alles wat je ziet eigenlijk een reconstructie is. Ze hebben dezelfde lokale grove stenen gebruikt voor de herbouw, dat maakt dat het wel authentiek lijkt. Het is alleen nog erg schoon en glimmend, dat was vóór 1993 vast wel anders. De brug zelf is een plaatje, en vanaf de verschillende windrichtingen bezien steeds net weer even anders. De grote, nieuwere brug even verderop is een goede plek om foto’s van de Oude Brug te maken. Verder is het ook heerlijk om er vroeg in de ochtend door de straatjes van het oude centrum rond te lopen als er nog geen andere toeristen zijn. Ook het gedeelte bij de kleinere stenen brug is erg fraai).
Toegang: Geen entree voor de brug of de oude straatjes. Overal waar je verder naar binnen wilt betaal je wel een paar EUR. Het is hier duidelijk duurder dan in Servië – er komen heel wat toeristen voor een dagtocht vanaf de Kroatische kust naar Mostar, en daar valt goed aan te verdienen. De prijzen staan behalve in Bosnische marken ook overal in EUR aangegeven.
Hoeveel tijd: Halve dag. Als je alleen door de kern van het genomineerde gebied wandelt, ben je in een half uurtje wel klaar. Ik maakte er een rustige slenterdag van. In de straatjes kwam ik nog een Amerikaanse tegen, naast wie ik gisteren 8 uur in de minibus uit Belgrado had gezeten. We dronken samen een espresso en kletsten wat bij op een van de vele terrasjes.
Verder heb ik nog een hele tijd vanaf het “terras” beneden bij de rivier staan kijken naar de brugspringers. Dat brugspringen is een lokale sport hier in Mostar – op de hoek van de brug hebben ze zelfs een heus clubhuis. Het gaat gepaard met veel geshow en geld ophalen met de pet, voordat er eindelijk eentje springt. Zo dichtbij lijkt het water helemaal niet diep genoeg, maar deze jongen kwam toch weer vrolijk zwaaiend boven.

Opvallend: Er is niet heel veel meer dat nog herinnert aan de oorlog, zeker niet in dit toeristische en herbouwde deel van de stad. Misschien willen ze er ook gewoon niet meer aan herinnerd worden. In het museum in één van de torens bij de Oude Brug speelt een video over de reconstructie, en daarin wordt gezegd: Hajrudin (de Ottomaanse architect) wilde gewoon een brug bouwen, zo goed als hij kon. Er moest veel vervoer over kunnen om aan de bloeiende handel van die tijd tegemoet te komen. Niks geen symbool voor de verbinding tussen Oost en West.
Aan de aangrenzende grotere doorgangswegen liggen nog wel enkele volledig kapotgeschoten en vervallen gebouwen. Ook is er een groot kerkhof midden in de stad, met op de witte kruizen allemaal sterfdata van in 1993.
Sufi’s en stenen
Vandaag ga ik de omgeving van Mostar verkennen. Er liggen nog een paar plaatsjes in de buurt die op de Voorlopige Lijst voor het Werelderfgoed staan. Dat betekent dat ze misschien in de toekomst genomineerd gaan worden. Het plan is om met het openbaar vervoer Blagaj (ten westen van Mostar) en Stolac (ten zuidwesten) te gaan bezoeken.
Blagaj is maar 9 kilometer ver, en de Mostar stadsbussen 10, 11 en 12 rijden er naar toe. Hoe laat ze vertrekken is een beetje een raadsel: op de website van het busstation van Mostar geven ze heel andere tijden aan dan op het plakkaat bij de halte zelf. Ik besluit maar gewoon even na negenen bij de halte te gaan staan. Al snel komt bus 11 er aan – en lig ik na betaling van 1 EUR prima op schema voor mijn tocht van vandaag. De Mostar stadsbussen zijn trouwens heel modern, ze zijn een geschenk van “de bevolking van Japan”. De Japanse vlag staat ook prominent op de zijkant.
Het is een korte rit over het platteland, dat er overigens welvarend bij lijkt te liggen. Er zijn veel wijngaarden, dat zou je hier toch niet verwachten. Ook verkopen vrouwen kersen en aardbeien langs de kant van de weg. Na een minuut of 20 rijden we Blagaj binnen. Ik weet niet precies waar ik moet zijn, en stap maar uit waar de vrouwen met boodschappentassen er ook uitgaan – dat zal het centrum wel zijn.
Ik vraag bij de supermarkt de weg naar mijn bestemming: de Blagaj Tekke. Dat is een Sufi-klooster uit 1520, dat gebouwd is bij de bron van de rivier de Buna. Het is nog een kilometer verder lopen, maar gelukkig is het opnieuw stralend weer en loop je door een mooie omgeving. De Buna is een bruisende rivier, die gebruikt wordt om forellen te kweken. Er zijn meerdere bedrijven die dat doen, en ook nog eens een stuk of 5 restaurants vlakbij het klooster waar je de forellen kunt eten.
Bij het Sufi-klooster zijn ze net aan het openen, maar ik kan al wel vast doorlopen. Er komt ook een schoolklas aan, waarvan de kinderen zich vooral gaan staan te vergapen aan de grot waarbinnen de bron van de rivier Buna ligt. Ik kijk er ook even, maar kan het toch niet zo spannend vinden.
Ik wil wel graag binnenkijken in het klooster zelf. Het is echter wachten op de man met de sleutel. Zo tegen half 11, als zich inmiddels al heel wat toeristen in het complex gemeld hebben, verschijnt hij eindelijk en opent snel de deuren. Het klooster wordt nog actief gebruikt. Als vrouw moet je je hoofd en benen bedekken. Ik had al een eigen hoofddoek meegenomen, maar je kunt hier ook exemplaren lenen.
Op de bovenverdieping zijn vier ruimtes die je kunt bekijken. In de eerste staan twee graftombes van 15e eeuwse Tadzjiekse heiligen: dit is het doel van de lokale pelgrims, en mensen offeren er ook geld en bidden er. De overige kamers zijn gebedsruimtes, schaars gedecoreerd zoals gewoonlijk in de Islam. Het enige memorabele is het rijk versierde houten plafond van een van de ruimtes.
Met de bus rijd ik weer terug naar Mostar. Ook hier weer geen spoor van een dienstregeling, maar als zich steeds meer mensen bij de bushalte beginnen te melden weet ik dat het niet lang meer kan duren. Keurig op tijd voor de lunch ben ik terug in Mostar. Ik koop vast een kaartje voor de bus naar de volgende bestemming, Stolac. Die vertrekt om kwart over 1, dus ik kan eerst nog even eten in de stad.
De bus naar Stolac is geen verbetering ten opzichte van die van vanochtend. Dit is echt een heel oude bus, met ook een heel oude chauffeur. Het is er nog best druk, vooral met scholieren. De rit naar Stolac is 35 kilometer, en duurt zo’n 3 kwartier. De meeste ramen van de bus zijn zo smerig of kapot, dat je niet eens naar buiten kunt kijken. Ik kijk maar mee door de voorruit, om in de gaten te houden waar ik uit moet stappen. Ik moet natuurlijk weer iets heel obscuurs bekijken: middeleeuwse grafstenen. Volgens de reisgids liggen ze 3 kilometer voor Stolac, aan de kant van de weg. Gelukkig staan ze 5 kilometer van tevoren al aangegeven met een bruin bord: de Radimlja Necropolis. Als ik langs de kant van de weg een hoop witte stenen zie liggen, is het tijd om uit de bus te stappen.
Ik moet in mezelf wel lachen om waar ik nu weer terecht ben gekomen. Zomaar ergens langs een drukke doorgaande weg liggen dus deze stenen. Er staat wel een bordje bij, maar het is verder niet bewaakt of beschermd. Ik ben uiteraard ook de enige bezoeker.
De 133 grafstenen (stecaks) hier dateren uit de 15e en 16e eeuw, en zijn gerealiseerd door een rijke Bosnisch orthodoxe familie. Ongeveer de helft van de stenen is gedecoreerd met uitgehouwen motieven. Ik bekijk ze allemaal op mijn gemak. De beeltenissen zijn nog goed bewaard gebleven, ondanks dat ze hier in weer en wind in de open lucht liggen. Er zijn ruiters te paard met pijl en boog, kruizen, bomen of planten, en vooral ook een soort ridders die één hand opgeheven hebben. Ik was echt verrast door de kwaliteit van de afbeeldingen, ik had er heel weinig van verwacht maar ik ben blij dat ik ze zo in alle rust en van dichtbij heb kunnen bekijken. Deze grafstenen zijn typisch voor Bosnië, en ook voor omliggende landen als Servië, Montenegro en Kroatië. De 4 landen hebben een werelderfgoednominatie in voorbereiding, die in 2015 tot opname in de lijst moet leiden.
En dan moet je dus ook nog weer terug. Ik heb langs de drukke weg geen bushalte gezien. Ik kan natuurlijk teruglopen naar Stolac, maar besluit het eerst maar eens te vragen bij het stalletje aan de overkant. De jongen van een jaar of 18 die de zaak beheert spreekt maar een beetje Engels, en denkt dat ik naar Mostar wil lopen. Hij begint een heel kaartje te tekenen – maar 35 kilometer, ik dacht het toch niet. Ik wil een bushalte. Oh – de bus kunnen we hier wel tegenhouden houden als hij langsrijdt.
Wanneer de bus komt weet hij ook niet. Hij klapt voor mij een parasol uit vlak langs de weg, en zet er twee stoelen bij. Zo kunnen we op ons gemak kijken of de bus eraan komt. Hij heeft ook niks anders te doen. Na een minuut of 20 is hij het wachten al zat, en gaat zijn moeder bellen met de vraag of zij het busstation wil bellen wanneer de bus naar Mostar vertrekt. Even later stopt er een vrachtwagen, en de chauffeur stapt uit voor een hamburger en een drankje bij het stalletje. De jongen vraagt hem of hij mij mee wil nemen naar Mostar. Dat is geen punt, en zo zit ik even later (voor het eerst geloof ik) voorin een grote truck. Met een half uurtje zijn we in Mostar, waar de chauffeur me veilig in het oude centrum afzet. Het was weer een enerverende dag met het openbaar vervoer…
Historische wandeling door Sarajevo
Sarajevo en Beiroet hebben een fascinerende recente geschiedenis en een complexe politieke structuur gemeen. Dus na het succes van Te voet door Beiroet ging ik op zoek naar een soortgelijke wandeling die me door de ogen van een lokale bewoner de stad laat zien. Ik vond de Free Walking Tour van Neno, en meldde me een paar dagen vantevoren per e-mail aan.
Bij het vertrekpunt, het Nationaal Theater, verzamelt zich tegen 11 uur een bont groepje toeristen. We zijn met zijn achten: uit Australië, de Verenigde Staten, Canada, Hong Kong en ik mag Europa vertegenwoordigen. Gezeten op de trappen van het theater krijgen we eerst een geschiedenisles van onze gids Neno, een laatstejaars student Internationale Betrekkingen. Sarajevo stamt uit de Ottomaanse tijd (15e eeuw), de Ottomaanse Turken regeerden hier maar liefst 4 eeuwen voordat Bosnië Herzegovina deel uit ging maken van het Oostenrijks-Hongaarse rijk en meer westerse invloeden onderging.
We lopen eerst het deel van de stad in dat uit de Oostenrijks-Hongaarse tijd stamt. Ondanks dat ze hier maar 40 jaar regeerden, hebben ze veel monumentale bouwwerken achtergelaten. Plus een netwerk van trams en straatverlichting. Aan de hand van het grootse postkantoor komt het verhaal al snel op het Beleg van Sarajevo, de periode van 1992-1996 dat de stad werd belegerd door de Bosnische Serviërs. Het hoofdpostkantoor was het eerste doelwit, het werd gebombardeerd vanaf een tegenovergelegen heuvel.
Het gebouw is inmiddels weer helemaal opgebouwd. In dezelfde stijl als voorheen, maar niet langer in het roze maar nu in het geel. Het ligt naast het Paleis van Justitie, ook een fraai pand uit de Oostenrijks-Hongaarse tijd dat in volle glorie is hersteld. Dit is een chique deel van de stad, aan de waterkant van de lange maar smalle rivier de Miljacka die Sarajevo doorkruist. Pas recent is er een heel moderne nieuwe brug aangelegd. Wel een mooi ding, maar de inwoners vroegen zich af of het geld niet beter gebruikt had kunnen worden. Het gaat economisch erg slecht in Bosnië, de officiële werkloosheid is een verbluffende 43%.
Ten noorden van de rivier ligt de buurt waar ik gisteren zelf al doorheen was gelopen, op mijn route vanaf het treinstation naar het hotel. Behalve een glimmend modern winkelcentrum en de eerste McDonalds van Sarajevo liggen hier diverse herdenkingsmonumenten. De eerste waar we bij stilstaan is de vrolijkste: het is het logo van de Olympische Winterspelen die in 1984 in Sarajevo gehouden werden. Het is nog steeds een periode waaraan men graag terugdenkt. Neno hoopt ook dat het toerisme (inclusief de wintersport) ooit weer zo’n vlucht zal nemen.
Aan de overkant van de straat zijn twee monumenten ter nagedachtenis aan de doden die vielen in de jaren negentig, tijdens het Beleg van Sarajevo. Eerst is er op de grond de met rode verf gevulde inslag van een granaat. Deze zogenaamde “Roos van Sarajevo” is op zo’n 100 plaatsen in de stad te zien, op die plaatsen waar mensen op straat gestorven zijn door scherpschutters of granaten. Daar vlakbij is het vrij nieuwe monument ter herinnering aan de meer dan 1000 omgekomen kinderen in diezelfde periode.
De tocht gaat verder naar het oosten van de stad. We lopen over de hoofdstraat van Sarajevo – de Maarschalk Tito-straat. Dat de belangrijkste straat nog steeds vernoemd is naar de communist / dictator Tito zegt veel over de waardering die men nog voor hem heeft. De inwoners kijken vooral terug op de economische voorspoed en stabiliteit die hij hen bracht. Beiden zijn ze na zijn dood in 1980 kwijt geraakt. De straat eindigt bij weer een andere plaats van herinnering: de Eeuwige Vlam, die brandt ter nagedachtenis aan de doden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
We zijn inmiddels aanbeland in de winkelstraten van de stad, die behalve moderne winkels minstens evenzoveel restaurants en cafées telt. Hier houden we een kwartiertje pauze om iets te eten of te drinken te kopen. Ik begeef me samen met een paar andere avontuurlijke groepsgenoten naar een gelegenheid waar ze Burek verkopen. Dit is een snack gemaakt van bladerdeeg, en gevuld met vlees of kaas of groenten. Het is een populaire lunch of tussendoortje voor de Bosniërs. Ik kies voor de variant met spinazie en kaas (Zeljanica). Je betaalt naar het gewicht – voor 2,5 Bosnische Mark (1,25 EUR) heb je al een heel stevige lunch te pakken.
Hier in de buurt ligt ook de overdekte markt die in 1994 en 1995 tweemaal door granaten werd getroffen, en vele slachtoffers achterliet. De markt bleef gedurende de hele oorlog functioneren, net zoals de meeste mensen gewoon naar hun werk gingen en de theaters voorstellingen bleven organiseren. Onze gids Neno was nog een kind tijdens de oorlog (van 7 tot 11 jaar), maar hij heeft er wel een voorliefde voor suiker en zoetigheden aan overgehouden omdat dat destijds zo schaars was.
Tachtig jaar eerder was Sarajevo al eens het middelpunt van het internationale nieuws. Hier werd de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand vermoord door een Servisch nationalist, een vonk die de Eerste Wereldoorlog deed ontbranden. Neno vertelt enerverend over wat er zich die dag afspeelde: het was een geplande aanslag, waarvoor 6 getrainde Serviërs langs de route opgesteld stonden die Franz Ferdinand in een open auto aflegde. De eerste aanslag, met een granaat, mislukte. Pas op de terugweg was het raak. Op de straathoek waar het zich allemaal afspeelde hangt nu een plakkaat met inscriptie, en er is een klein museum over de Oostenrijks-Hongaarse tijd van Sarajevo.
De Latijnse Brug, die uitkomt op de straathoek waar de aanslag plaatsvond
Tot slot van de 3,5 uur durende wandeling gaan we de Ottomaanse wijk in. Ik was hier zelf al geweest, maar we krijgen nu toch nog wat minder opvallende plekken te zien. Erg mooi is de oude karavanserai. Hij is te bereiken via een steegje tussen de vele souvenirwinkeltjes door. Op de binnenplaats is een groot terras, waar de jeugd van Sarajevo zich tegoed doet aan koffie, thee en de ook hier (net als in Libanon) zo populaire waterpijp. Wij lopen door naar boven, waar je goed kunt zien hoe ruim deze oude herberg van opzet was.
De Ottomaanse wijk is het oudste deel van de stad, maar al vele malen in rook opgegaan. Het is nu veel kleiner dan het vroeger was, maar nog steeds behoorlijk indrukwekkend (veel groter dan die in Mostar bijvoorbeeld). De winkels zijn gespecialiseerd in oriëntaalse prullaria, ik moet er niet aan denken hier iets van mee te nemen. Maar je kunt er lekker door de steegjes dwalen, of een ijsje eten. Hier eindigt de boeiende wandeltocht van vandaag, en gaat een ieder weer zijn eigen weg.
#494: Mehmed Paša Sokolovićbrug
Wat is het?
De Mehmed Paša Sokolovićbrug in de Bosnische stad Visegrad is net als grote delen van Mostar en Sarajevo een product van het Ottomaanse Rijk. Het is een meesterwerk van de architect Sinan, die ook verantwoordelijk was voor diverse monumentale bouwwerken in Istanbul en andere delen van het rijk. De brug werd gebouwd tussen 1571 en 1577. Hij is bijna 180 meter lang en heeft 11 bogen. Opdrachtgever was Mehmed-paša Sokolović, een lokale jongen die het tot grootvizier aan het hof van de Ottomaanse Sultan had geschopt.
Cijfer: 5 (Het is alleen maar een brug, en ook nog eens een vrij sober uitgevoerde. Vast knap gemaakt voor de 16e eeuw, maar geen vergelijk met die in Mostar. Zeker ook de natuurlijke ligging is een stuk minder. De Drina die hij overspant is een heel brede rivier, met turquoise gekleurd water. Het zou een woest stromende rivier moeten zijn, maar dat zag ik er niet aan af. Door de aanleg van twee elektriciteitscentrales even verderop is het waterpeil in de rivier gestegen. Dat heeft de aanblik van de brug erg veranderd, vroeger waren de pijlers waar de bogen op rusten veel meer zichtbaar.).
Toegang: De brug is alleen nog open voor voetgangers, het gemotoriseerd verkeer kan een kilometer verderop via een nieuwe brug de stad in. Er wordt geen entree geheven, er komen waarschijnlijk ook maar zelden toeristen. Alleen om het werelderfgoedvinkje te halen zat ik vandaag 3 uur heen en 3 uur terug in de bus vanuit Sarajevo. Ik bleek niet de enige gek die een hele dag opofferde voor deze expeditie: bij mij in de bus zat een Japans stel van in de zestig, dat ook alleen maar een paar foto’s van de brug kwam maken.
Hoeveel tijd: Kort, heel kort. Dat komt goed uit, want als je Visegrad bezoekt als dagtocht vanuit Sarajevo dan heb je ongeveer 5 kwartier voordat de laatste bus terug gaat (tussen 12.45 en 13.00 rijden er 2 bussen langs de brug). Deze tijdspanne was voor mij ruim genoeg om het ding van alle kanten te fotograferen, er overheen te lopen, een stuk over het “jaagpad” langs de rivier te lopen voor de foto’s van een afstandje én een lunch bij elkaar te scharrelen in de plaatselijke supermarkt.
Opvallend: Visegrad en dus ook de Mehmed Paša Sokolovićbrug ligt in de Republika Srpska. Dit is een autonoom deel binnen Bosnië Herzegovina, gecreëerd voor de Bosnische Serviërs. De opschriften zijn hier net als in Servië weer allemaal in het Cyrillisch schrift, en de rood-blauw-witte vlag (lijkend op die van Servië) wappert er overal in plaats van het blauw-geel van Bosnië.
Er is geen formele grens of zo, maar er is weinig interactie tussen de beide deelgebieden. Ze hebben eigen postsystemen, en ook voor de bus moest ik vanochtend vroeg een tocht van een half uur dwars door Sarajevo ondernemen naar de Bosnisch Servische wijk. De stadsbussen en trolleybussen vanuit het centrum rijden niet verder dan “de grens”. Dan moet je zelf nog een paar honderd meter lopen om op het grote oostelijke busstation te komen, vanwaar alle bussen binnen de Republika Srpska en naar de voormalig bondgenoten Servië en Montenegro vertrekken. Bussen naar Kroatië en de door Bosnische Kroaten en Bosnische moslims bewoonde streken vertrekken vanaf het andere busstation van Sarajevo, nabij de binnenstad.
Lukomir, het einde van de wereld
Voor mijn laatste dag in Bosnië Herzegovina heb ik een wandeltour geboekt. En alhoewel het de afgelopen anderhalve week prachtig weer is geweest, komt de regen deze ochtend in Sarajevo met bakken uit de hemel. Niet bepaald fijn wandelweer. Maar we gaan toch: de gids van Green Visions, een Australische wereldreizigster en ik.
Misschien zou het in Lukomir, in de bergen van Herzegovina, wel beter weer zijn. En het houdt inderdaad op met regenen, maar door de dikke wolken en mist zien we gedurende de anderhalf uur durende rit naar onze bestemming weinig van het berglandschap. Hier wordt ’s winters geskied, en ook nu ligt er af een toe nog een hoopje sneeuw. Het landschap is verder vrij kaal en rotsachtig. De grond wordt vooral gebruikt om schapen te laten grazen.
Lukomir is het hoogste en meest afgelegen bergdorp van het land. Het ligt op bijna 1500 meter hoogte, en er wonen in de zomer zo’n 60 mensen. De asfaltweg ernaar toe wordt smaller en smaller, tot we de laatste 13 kilometer moeten afleggen over een onverharde weg.
Door zijn ligging is ook de Bosnische oorlog aan het dorp voorbijgegaan – geen van de strijdende partijen had er interesse in. Alle huizen van het dorp zijn gebouwd met ruwe stenen. Er wonen nu alleen nog bejaarden, en dan ook alleen nog buiten de strenge winters. Die brengen ze door bij familie in de stad.
We kijken wat rond in het plaatsje, dat er uitgestorven en vervallen uitziet. Alleen een smerige, natte hond komt ons welkom heten. En dan vergeet ik nog de twee vrouwen die uit hun huis komen snellen om ons zelfgebreide sokken te verkopen. Alle bewoners van het dorp zijn moslim (er is ook een moskee), en er zijn slechts twee achternamen in omloop bij de families in het dorp.
Wij zijn hier gekomen om te wandelen. En hoewel de lucht er nog steeds dreigend uitziet, wagen we het er toch maar op. We kunnen altijd omkeren als het weer begint te regenen. Er is een stenen pad dat langs de berghelling loopt. We lopen eerst bergafwaarts, wat door de losliggende stenen enige concentratie vereist. De zon breekt gelukkig af en toe door, en ik doe zelfs mijn regenjack uit.
We lopen steeds dieper het dal in, we zijn inmiddels van het bredere pad af en volgen nu de paadjes die door schapenherders gebruikt worden. Overal ligt ook schapenpoep, dat ruik je wel. Na een uur komen we bij een stroompje, waar net wat teveel water in staat om doorheen te waden. Er is wel een “brug” neergelegd van takken, maar die oversteken daar bedank ik toch voor. Zo stabiel sta ik niet op mijn benen. De gids en de Australische lopen nog wel verder, tot aan een kleine waterval 10 minuten verderop.
Ik blijf op hen wachten, en ondertussen begint het ook weer te regenen. Ik vind een goede schuilplaats onder een grote boom, en daar wachten we als de anderen terug zijn ook samen tot het droger wordt. Gelukkig duurt dat maar even.
Tegen half twee zijn we terug in het dorp. Tijd voor lunch. Die gaan we eten bij de oma van een van de medewerkers van reisorganisatie Green Vision. Oma en opa wonen in één van de traditionele huizen. We moeten onze schoenen uitdoen in een soort bijkeuken, en stappen dan de lekker verwarmde keuken / woonruimte in. Gekookt wordt op een houtkachel, en die brandt goed.
De gids heeft uit Sarajevo brood en vele soorten beleg meegenomen. Oma vult dat aan met gepofte aardappels uit de oven, en vers gezette Bosnische koffie. Die laatste is net zo sterk als Turkse koffie. We zitten hier gezellig, en we stellen wat vragen over en weer. Gedurende het toeristenseizoen (van mei tot oktober) komt hier twee keer per week een groepje toeristen, dus ze zijn wel wat gewend. Er is ook TV, en ze hebben mobiele telefoon. Aan het begin van de ochtend zagen we een van de vrouwen naar een heuvel boven het dorp lopen met de telefoon in de hand, op zoek naar de beste ontvangst.
Na de lunch stappen we weer in de jeep, en rijden dezelfde weg terug naar Sarajevo. Dit keer moeten we een aantal keren stoppen om schaapskuddes de weg te laten passeren. Het heeft geen zin om er doorheen te rijden. de schapen begrijpen het niet en gaan met doodsverachting voor de auto langs lopen. Een enkele herder jaagt hen met een stok naar de kant, zodat wij er langs kunnen. In totaal hebben we vandaag 5 verschillende schaapskuddes met hun herders en honden gezien, dat geeft wel aan hoe gewoon dat hier nog is. In de zomer komen er nog meer uit andere delen van het land om in deze vallei hun schapen te laten grazen.
Terug op de verharde weg slingeren we ons via bergpassen weer richting Sarajevo. Voor het eerst vandaag (en ook voor het laatst) zien we de toppen van de bergen, die uit de wolken tevoorschijn zijn gekomen. In dit gebied zijn ook de skiwedstrijden gehouden tijden de Olympische Spelen van Sarajevo in 1984.
Onze gids is tijdens het winterseizoen skileraar en in de zomer dus reisgids. Geen ideale baan volgens hem, hij is op zoek naar vastigheid en heeft afgelopen jaar meegedaan aan de selectie voor de politie. Alle testen kwam hij goed door, maar om de baan echt te krijgen moet je connecties hebben of smeergeld betalen. En zo is hij veroordeeld tot weer een seizoen gidsen. Gelukkig komen er wel elk jaar meer toeristen naar Sarajevo.
#495: Nationaal Park Durmitor
Wat is het?
Het Nationaal Park Durmitor omvat het Durmitorgebergte en de kloof die is uitgesleten door de rivier Tara. In het Durmitorgebergte ligt de hoogste piek op 2522 meter. Daarnaast zijn er nog 48 andere bergtoppen van boven de 2000 meter in het bergmassief. De Tarakloof is de grootste kloof van Europa en na de Grand Canyon de grootste ter wereld. Het park dat rijk is aan flora en fauna ligt in het noordoosten van Montenegro.
Cijfer: 6,5 (Het is een Alpenachtige omgeving, die ook zo in Duitsland of Oostenrijk zou kunnen liggen. Het park is erg ontwikkeld: er zijn veel bankjes om uit te rusten, borden met informatie over wat je ziet en uiteraard veel wandelpaden. Vooral het uitzicht op de met sneeuw bedekte bergtoppen is prachtig. Daarvoor had ik het park trouwens niet in gehoeven, dat zag ik al in volle glorie vanaf de parkeerplaats van mijn hotel.).
Toegang: Entree wordt geheven aan de toegangsweg tot het Zwarte Meer, het meest populaire deel van het park. Het kost 3 EUR. Via andere toegangspaden kom je zonder te betalen het park in. Ook de bus die ik gisteren nam tussen Sarajevo (Bosnië) en Niksic (Montenegro) reed langs het park. Een prachtroute trouwens, over een smalle bergweg en met zicht op de rivier en diepe kloof van de Piva.
Hoeveel tijd: Een dag heb je wel nodig om naar deze uithoek van het land te komen én een stuk het park in te lopen. Er zijn veel wandel- en mountainbikepaden uitgezet. De meeste zijn in de zware categorie, je kunt ook naar de pieken klimmen of naar een ijsgrot.
Opvallend: Ik koos voor een gemakkelijke wandeling. Zo gemakkelijk dat ze me bij de plaatselijke VVV er zelfs geen kaartje voor mee willen geven. Ik loop eerst naar het Zwarte Meer. Dit gletsjermeer ligt vlakbij de ingang van het park. Normaal kun je er een rondje omheen lopen, maar nu is een deel van het pad ontoegankelijk geworden omdat er teveel water staat. Ik ben nog vroeg, om half 9 sta ik al aan het meer, en kom alleen een enkele lokale bewoner tegen die de hond uitlaat.
Van hieruit loop ik verder naar een volgend meer: Zminje. Volgens de bordjes ligt het 1 uur wandelen verderop, dus dat is goed te doen. Het pad is aangegeven met rood-witte stippen op de bomen, en inderdaad heel gemakkelijk te volgen. Dit stuk loopt grotendeels door het naaldbos dat het onderste deel van dit gebergte bedekt. Naarmate ik dichter bij het eindpunt kom, ligt er steeds meer oude sneeuw op het pad. Op het laatst kun je het niet meer ontwijken, en moet je er wel overheen lopen.
Het meer zelf ligt er rustig bij. Ik strijk neer op een bankje aan het water. Al snel valt op hoeveel kikkers er in het water zitten, ze zwemmen wat rond en kijken me aan. Even later komt er een lokale man aan met 2 kinderen. Ze gaan hier vissen, alhoewel hier alleen maar hele kleine visjes zwemmen. In het Zwarte Meer is het veel beter, daar zit forel zegt de man. Ik denk alleen dat het vast teveel zou opvallen als hij daar gaat vissen (ik neem aan dat het verboden is, hoewel er geen bordjes staan).
Via een andere weg loop ik dan terug naar Zabljak, waar mijn hotel is. Het is een verharde weg waar ook een enkele auto passeert. Je loopt hier langs de boerderijen, met wat koeien en vooral heel veel schapen. Ik sla af bij het dorp Pitomine, waar ik weer een heuvel over moet. Vanaf de top heb je goed overzicht over Zabljak, en ik kan zelfs mijn hotel zien liggen. Op zicht loop ik de laatste kilometer. Vierenhalf uur na vertrek ben ik weer “thuis”.
De nieuwe en de oude hoofdstad
Montenegro is een raar klein land met maar 650.000 inwoners. Het heeft het het langst uitgehouden in een federatie met Servië, maar koos uiteindelijk toch in 2006 ook voor onafhankelijkheid. Hier is geen oorlog geweest, en Montenegro heeft zich snel gemoderniseerd en is kandidaatlid van de EU en de NAVO (iets waar ze in Servië en Bosnië alleen maar van kunnen dromen).
De tegenwoordige hoofdstad is Podgorica. Het is ook verreweg de grootste stad van het land, en ligt behoorlijk centraal. Er wordt veel gebouwd, vooral flats en kantoorgebouwen. Podgorica zou verder wel eens de minst bezienswaardige Europese hoofdstad kunnen zijn. Mijn rondje door de stad leverde één oude toren en één hele moderne brug op.
Ik was toch nog blij met een andere vondst in Podgorica: op zoek naar een restaurant stond ik opeens voor de deur van Restaurant Shanghai. Jawel, een heus Chinees Restaurant. Na weken van gegrild vlees ben ik wel toe aan iets met rijst. Of er ook Chinezen werken is maar de vraag, ik heb ze niet gezien. Het interieur is wel zoals je dat uit Nederland gewend bent, en het uitgebreide menu met de nummertjes ook. De smaak van de loempiaatjes en de kip-met-groenten was wel “apart”. Volgens mij hebben ze wat moeite om aan de juiste Chinese ingrediënten te komen.
Na een prima nachtrust in een zakenhotel in het centrum van de stad pakte ik de volgende ochtend de bus naar Cetinje. Dit was de hoofdstad van Montenegro van de 15e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog, totdat Podgorica deze eer overnam. De twee plaatsen liggen maar zo’n 30 kilometer van elkaar. Cetinje ligt echter in de bergen, en is ook gesticht toen de Montenegrijnse leiders zich op een strategische plek terug wilden trekken tegen het opkomende Ottomaanse Rijk.
De Montenegrijnen vieren vandaag – hoe toepasselijk – Onafhankelijkheidsdag. Onderweg had ik er nog niet veel van gemerkt, de bussen reden gewoon en er waren ook genoeg winkels open. Hier in Cetinje houdt een groepje kinderen de nationale eer hoog, en fietst door de straten met de Montenegrijnse vlag in de hand. Cetinje is een rustig, florerend plaatsje dat een beetje Tsjechisch aandoet.
De meeste mensen komen hier voor het Klooster van Cetinje. Dit is het belangrijkste Servisch-Orthodoxe klooster van het land, en dus de meest heilige plek van Montenegro. Ze bewaren er bijzondere relikwieën, zoals een hand van Johannes de Doper. Het is erg druk bij het klooster: er staan zeker 10 tourbussen op de parkeerplaats. Het zijn allemaal toeristen die hier op een dagtrip komen vanaf de vlakbij gelegen badplaats Budva. Helaas mag je niet zo naar binnen. Ik wordt geboden om me bij zo’n groep aan te sluiten. Met hen wacht ik een tijdje op de binnenplaats van het klooster tot we ergens naar binnen mogen, maar daar zit geen schot in. Zelf rondkijken is voor een toerist streng verboden, net als foto’s maken. Dan is de lol er voor mij wel snel af, en ik ga lekker de rest van het stadje bekijken. Ik ben geen schaap…
De meeste “oude” gebouwen in Cetinje dateren uit het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Dat was de echte bloeiperiode van deze stad. Buitenlandse mogendheden openden hier hun ambassades, en lieten hiervoor kleurige barokke paleisjes aanleggen. Zo zijn er nog de Engelse, Franse, Turkse en Russische ambassades te bekijken. De Russische is overigens de enige die er vervallen uitziet, de rest glimt.
Het meest aansprekende gebouw vond ik de residentie van de President van Montenegro. Het is eigenlijk net zo’n gekleurde villa als de oude ambassades, het heet het “Blauwe Paleis”. Het dateert ook uit het eind van de 19e eeuw, toen was het het paleis van de kroonprins van Montenegro.
#496: Baai van Kotor
Wat is het?
De Baai van Kotor is een inham aan de kust van de Adriatische Zee. Het gebied wordt al sinds de Oudheid bewoond. Zijn grootste bloeitijd maakte het door toen het deel uitmaakte van het Venetiaanse Rijk tijdens de late Middeleeuwen. Het speelde een belangrijke rol in de verspreiding van de Italiaanse / Mediterrane cultuur over de Balkan. De regio werd in 1979 getroffen door een zware aardbeving, die vrijwel alle gebouwen in Kotor ernstig beschadigde. In dat jaar werd het ook opgenomen op de Werelderfgoedlijst, en het heeft jaren geduurd voordat alles weer opgebouwd was.
Cijfer: 6,5 (Kotor is een van de vele plaatsen aan de voormalig Joegoslavische kust die sterk onder Venetiaanse invloed hebben gestaan: Trogir, Split en Dubrovnik staan daarvan ook op de Werelderfgoedlijst. Kotor is wat kleiner dan de laatste twee. De oude stad heeft wat mij betreft geen echte hoogtepunten. Ook de andere plaatsjes die ik bezocht en die deel uitmaken van dit werelderfgoed waren aardig maar niet bijzonder. Het mooiste is nog de natuurlijke ligging, de bijna geheel ingesloten baai omringd door hoge bergen).
Toegang: Het is een vrij groot gebied, met allemaal dorpjes. Dus gratis rondlopen! Wel betaalde ik entree voor de Kathedraal van Kotor (2 EUR), het Maritiem Museum van Kotor (4 EUR) en de Romeinse mozaïeken van Risan (2 EUR). Je bent hier zeker niet alleen: wat een toeristen. Vanochtend vroeg lagen er al maar liefst 3 enorme cruiseschepen voor de kust van Kotor. Ze zijn bijna groter dan het plaatsje zelf. Dat massatoerisme uit zich ook in de prijzen hier: bijna Nederlands.
Hoeveel tijd: Ik was er anderhalve dag, en dat is best wel lang. Het centrum van Kotor heb je in 2 uur wel gezien. Daarna kun je nog wat dorpjes in de buurt bekijken, een boottochtje maken of naar het fort boven Kotor klimmen.
Opvallend: Kotor zelf ligt helemaal aan het eindpunt van de baai. Rondom het water liggen echter nog 7 plaatsjes die deel zijn van het werelderfgoedgebied. Nadat ik alles wel gezien had in Kotor zelf, pakte ik de bus naar Perast. Dit plaatsje ligt iets noordelijker, en geeft een wat beter overzicht over de ingewikkeld gevormde baai. Het lijkt vanaf Kotor gezien een groot meer, maar Perast ligt precies tegenover de nauwe doorgang die de baai met de zee verbindt.
Perast is verder een Kotor in het klein, met de voor de hele Adriatische kust kenmerkende grijze natuurstenen huizen. En ook hier komen de toeristen en masse naar toe; het is eigenlijk niet te geloven, zo bijzonder is het allemaal niet. Tot slot van mijn tochtje langs de baai liep ik nog 3 kilometer noordwaarts, naar Risan. Daar liggen mozaïeken uit de tijd dat het een Romeinse vesting was, Risinium geheten. Er zijn nog maar zo’n 5 mozaïeken bewaard gebleven. Eentje daarvan is helemaal geïnspireerd op de ligging bij de zee: het toont geometrische motieven in de vorm van inktvissen en kreeften.
#497: Dubrovnik
Wat is het?
Dubrovnik was onder de naam “Ragusa” de belangrijkste zeemacht van de Adriatische Zee van de late Middeleeuwen tot in de 17e eeuw. Het was een zelfstandige stadsstaat, rijk en vooruitstrevend. Het ging in zijn tijd de concurrentie aan met de maritieme republiek Venetië. Aan de voorspoed kwam een eind in 1667, toen de stad een vernietigende aardbeving te verduren kreeg. Vanaf 1991 werd de stad 7 maanden lang belegerd door het Joegoslavische leger, wat opnieuw veel schade tot gevolg had..
Cijfer: 8 (Dubrovnik heeft de naam de mooiste stad van dit deel van Europa te zijn, en dat is denk ik wel waar. De oude stad binnen de stadsmuren is één geheel van witte natuurstenen wegen en muren, en oranje dakpannen. Het deed mij erg Italiaans aan allemaal, en dat niet alleen door de vele pizzeria’s en ijsverkopers. Het is ook de eerste grotendeels katholieke stad die ik tijdens deze reis bezoek, en dat zie je terug aan de vele kerken en kloosters van de bekende religieuze ordes zoals de Jezuïeten, Dominicanen en Franciscanen. Vanaf de stadsmuren heb je het mooiste zicht over de hele stad. Van de oorlogsschade zie je nagenoeg niets meer, alleen dat bijna alle dakpannen vernieuwd zijn (glimmend oranje). Wat mij tegenviel is dat er “binnen”, in de kerken en musea, eigenlijk niet veel bijzonders te zien is. Dubrovnik haalt het voor mij dan ook niet bij steden als Florence, Venetië, Praag, laat staan Rome.).
Toegang: Je mag nog net zonder te betalen de stadspoorten door, maar daarna begint het grote geld uitgeven al snel. De wandeling over de stadsmuren kost 90 kuna (12 EUR), en dat is zonder gids en dan moet je op eigen kracht de twee kilometer over de muur lopen. Voor het Franciscaner klooster betaal je 30 kuna (4 EUR) en voor de boottocht naar Lokrum 60 kuna (8 EUR). Een cola of een koffie kost hier ook al snel tegen de 3 EUR.
Hoeveel tijd: Een volledige dag, als je je tenminste ook buiten de oude stad begeeft naar bijvoorbeeld een van de omliggende eilandjes of de voorstad Pile. ’s Ochtends voor 9 uur en ’s avonds na 6 uur zijn eigenlijk de meest ideale tijdstippen om er rond te lopen, dan is het nog / weer rustig in de straten van Dubrovnik. Op een gewone dag komen er alleen al zo’n 5000 passagiers van cruiseschepen in de stad.
Opvallend: In 1994 is het werelderfgoedgebied uitgebreid met verdedigingswerken rondom de stad. Hiertoe behoort onder andere het eiland Lokrum, dat op 15 minuten varen uit de haven van Dubrovnik ligt. Het is een leuke excursie weg van de drukte van het centrum. Op de boot die zo eens per 45 minuten gaat zijn er ook nog volop toeristen. Maar naarmate je verder van het haventje van Lokrum wegloopt, wordt het steeds stiller.
Ik liep via de niet al te interessante botanische tuin naar het uiterste noorden van het eiland, in de hoop daar nog een mooie uitkijk op de stadsmuren van Dubrovnik te hebben. Het werd een hele klim over het midden van het eiland, langs een verlaten fort en over paden die steeds slechter aangegeven stonden. Ik vond mijn uitzicht – toch wel wat ver van de kust voor goede foto’s. Ik nam een andere route terug, langs de kust, maar kon daar niet verder doordat ze met het pad aan het werk waren. En dus moest ik toch weer terug over het steile pad midden over het eiland. Ik kwam hier nog wel oog in oog te staan met twee konijnen: een zwarte en een lichtbruine. Het lijkt me dat dit ex-huisdieren zijn die hier ooit zijn vrijgelaten.
Terugblik Servië, Bosnië en Montenegro
Dit was een erg geslaagde reis door drie heel verschillende landen: het oostblokkerige Servië, het dynamische en oriëntaalse Bosnië Herzegovina en het onuitgesproken Montenegro. In elk land een week: dat was een goede keuze. Geen van de landen is erg groot of overladen met bezienswaardigheden, dus veel langer had ook niet gehoeven. Ik heb er ook nog eens 2,5 van de 3 weken prachtig weer gehad, en dat in schril contrast met het koude en druilerige Nederland.
Het hoogtepunt van deze trip was zeker Bosnië Herzegovina. Zowel Mostar als Sarajevo zijn heerlijk sfeervolle steden. Ook de natuur is er prachtig ruw: valleien, meren, rivieren, bergen.
Servië
Voorbereiding
Toen ik begon met het voorbereiden van deze drieweekse Balkanreis wist ik alleen dat ik naar voormalig Joegoslavië wilde, en in ieder geval naar Servië. Al snel bleek dat transport met het openbaar vervoer vooral de oude allianties volgt: moeilijk tussen Servië en Kosovo, makkelijk tussen Servië en Montenegro. En als je met de bus van Belgrado naar Sarajevo in Bosnië gaat arriveer je niet op het centrale busstation, maar op dat in de Servisch-Orthodoxe wijk (in de zgn. Republica Srpska). Een beetje goochelen met de route leverde uiteindelijk een combinatie met Bosnië en Montenegro op.
Verder valt er niet veel voor te bereiden: je hoeft geen visum, en Servische dinars kun je op het vliegveld en verder op iedere straathoek pinnen. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft nog steeds een lichte waarschuwing bij reizen naar Servië staan (“waakzaamheid betrachten”, wat dat dan ook mag betekenen), maar dat slaat in 2013 eigenlijk nergens meer op.
Vervoer
TomTom heeft anno 2013 nog steeds geen navigatiekaarten voor Servië. Terug naar oude tijden dus, en ik had zelfs een heuse wegenkaart aangeschaft. Die bleek ik echter helemaal niet nodig te hebben: het vervoer en de routes zijn doodsimpel.
Vlucht
Ik vloog rechtstreeks met JAT Airways van Amsterdam naar Belgrado. Het was maar 2 uur en 10 minuten vliegen. JAT is de Servische nationale vliegmaatschappij. Op Schiphol doet de KLM de afhandeling voor JAT, wat betekent dat ze gewoon vanaf terminal 1 of 2 vertrekken, en je kunt inchecken bij een KLM-automaat.

Huurauto
Voor de eerste paar dagen had ik bij AVIS een auto gehuurd. Ik haalde hem op op het vliegveld van Belgrado, en reed er mee naar het zuiden en oosten van het land. Ik kreeg een prima VW Golf mee. Het autorijden bleek een stuk eenvoudiger dan gedacht: de plaatsen en bezienswaardigheden staan goed aangegeven, en gelukkig niet alleen in het Cyrillische schrift. De doorgaande wegen zijn prima en over het algemeen is het er erg rustig. De grote snelweg tussen Belgrado en Nis is een tolweg – voor het laatste stuk van 150km betaalde ik 5 EUR tol. Verder nog veel dank aan Radio Index, een Servische radiozender met continu goede popmuziek die ik de hele tijd op de autoradio aan had staan.
Opvallend was wel de grote hoeveelheid verkeerspolitie, die in een kat-en-muisspel verwikkeld is met de Serviërs met dure auto’s die graag veel te hard rijden en inhalen waar dat niet mag. Iedere dag, op elke weg stond er wel politie. Ik heb me natuurlijk braaf aan de maximum snelheden gehouden.
Openbaar vervoer
Ik ben een paar keer met de bus gegaan, en één keer met de trein. Openbaar vervoer tussen de steden is frequent, niet duur, een beetje traag en er was volop plaats. De mensen achter het loket spraken genoeg Engels om de weg naar het juiste perron te wijzen.
Overnachtingen
Tijdens mijn rondreis overnachtte ik op de volgende plaatsen:
Vrnjacka Banja
Dit is meer een groot huis dan een hotel. Ze hebben ook maar een paar kamers te huur. Het ligt aan de lange wandelpromenade van dit kuuroord. Parkeren voor de deur, moderne (bad)kamer, wifi, satelliet TV en een balkonnetje. Wat wil je nog meer. ’s Ochtends is er een klein ontbijtbuffet met o.a. creatieve stukjes werk zoals gevulde paprika’s.
Website: Cvetni Konaci
Prijs: 35 EUR per nacht inclusief ontbijt
Zajecar
Lelijke kolos aan het centrale plein. Van binnen is het wel helemaal gerenoveerd, en erg netjes. Vriendelijke man achter de receptie, die goed Engels spreekt. Internet via een kabel. Parkeren op een binnenplaatsje. Intrigerende Engelstalige Russische zender op TV. Er waren bijna geen andere gasten, het ontbijt was dan ook op bestelling in het café.
Website: Hotel Garni Hamburg
Prijs: 25 EUR per nacht inclusief ontbijt
Novi Sad
Modern 4*-hotel aan de rand van het voetgangersgebied in het centrum van de stad. Luxe uitstraling, maar dat wil niet zeggen dat alles klopt. Zo hadden ze nog een hoekje over, en daar hebben ze maar een eenpersoonskamer van gemaakt zo lijkt het. Het draadloos internet werkt alleen in de punt, bij de deur. ’s Ochtends is er een uitstekend ontbijtbuffet, met veel verse dingen waaronder heerlijke aardbeien.
Website: Hotel Centar
Prijs: 40 EUR per nacht inclusief ontbijt
Belgrado
Chique en protserig hotel vlakbij het trein- en busstation van Belgrado. Goed, snel gratis internet. Ontbijt heb ik niet gehad, omdat ik al voor de starttijd (7 uur) weer vertrokken was. Heb ’s avonds er in het restaurant nog een salade gegeten, was goed.
Website: Queen Astoria Design Hotel
Prijs: 60 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten en drinken
Op sommige reizen, zoals in Japan en Libanon, keek ik elke dag weer uit naar wat ik die dag zou gaan eten. Dat is hier in Servië bepaald niet het geval. Zeker in het minder moderne zuiden en oosten is er weinig keus. Ook zijn de menukaarten vaak alleen in het Cyrillisch, waardoor ik afhankelijk was van de Engelstalige vaardigheden van de bediening.
Wel een heel positief punt zijn de vele kleine bakkers. Sommigen zijn niet meer dan een loket, vanwaar ze verse warme broodjes (hartig of zoet) verkopen. Anderen zijn iets luxer, en verkopen er ook koffie bij en hebben plek om te zitten. Voor de lunch nam ik vaak een belegd stokbroodje, erg lekker.

De warme maaltijden waren soms een regelrechte zoektocht. Behalve in de grote, moderne steden als Belgrado en Novi Sad zijn er gewoon niet zo heel veel restaurants. Het lijkt ook dat mensen er niet vaak uit eten gaan, er waarschijnlijk niet het geld voor hebben. Op het traditionele Servische menu staat veel gegrild vlees, en schnitzel en kip. Je krijgt er brood of patat bij, en het is gebruikelijk om er een kleine salade naast te bestellen. Gelukkig hebben ze altijd wel de shropska salade (Bulgaars geloof ik), met schapenkaas, tomaat en komkommer. Hieronder de lokale favoriet: de kebap (cevapcici).

Kosten
Het is er echt heel goedkoop. Dat merkte ik al toen ik de hotels ging boeken: tussen de 30 en 40 EUR krijg je prima moderne hotels in het centrum van een stad. Ook verder geef je niet veel uit. Entrees zijn vaak gratis, of maar 1 of 2 EUR. Eten kan ook spotgoedkoop, in Zajecar hadden ze bijvoorbeeld een dagmenu voor 200 dinar (minder dan 2 EUR). En zelfs in het leuke restaurant in Novi Sad betaalde ik nog geen 5 EUR voor een groot bord pasta met gegrilde groenten en een biertje erbij.
Met een gemiddeld dagbudget van 90,60 EUR komen de kosten uit tussen die van mijn reizen door Nepal en Peru. Alleen de autohuur (en de bijbehorende benzine) verhindert dat Servie bij de allergoedkoopste landen is uitgekomen zoals India en Bolivia.
Bosnië Herzegovina
Bosnië was zonder twijfel het prettigste en meest interessante land van mijn reis. Het is levendiger en dynamischer dan Servië en Montenegro.
Vervoer
De meeste verplaatsingen heb ik met de bus gedaan. Dat gaat eenvoudig: kaartje kopen kan in de bus zelf en instappen op elke hoek van de straat. Als je het buskaartje op het station koopt, kost het iets meer. Dat komt omdat er dan een “perronkaartje” aan vast zit – je mag echt niet zo maar bij de bussen. Die eigenaardigheid hebben ze trouwens in Servië en Montenegro ook. Ze houden hier de mensen wel aan het werk. Want de toegang tot het perron moet natuurlijk bewaakt worden, en voor het verkopen van de kaartjes zijn toch ook minstens 2 geopende loketten nodig.
Ik ben één keer met de trein geweest: van Mostar naar Sarajevo. De treinen rijden veel minder frequent dan bussen, en het treinstation van Mostar (zie foto hieronder) zag er zo mogelijk nog meer vervallen uit dan het busstation. Ze rijden met afgedankte Europese treinen.

Overnachtingen
In Bosnië overnachtte ik op de volgende twee plaatsen:
Mostar
Ideale ligging in steil omhoog lopende steeg tegenover de Oude Brug. Aardige eigenaren die redelijk goed Engels spreken. De kamer is voorzien van een zitje, snel internet en satelliet TV. Je krijgt een sleutel van de voordeur, het is net alsof je er woont. Op de laatste dag kon ik zelf een ontbijtpakketje pakken uit de koelkast, omdat ik vroeg weg moest.
Website: Shangri La Bed and Breakfast
Prijs: 35 EUR per nacht inclusief ontbijt
Sarajevo
Dit pension ligt vlakbij de oude wijk. Het is eigenlijk een gewoon huis, waar ze 5 kamers verhuren. De kamer blijft lekker koel, er komt weinig zon binnen. Heerlijk geslapen hier. Uitgebreid ontbijt in de ochtend. Enige minpuntje is dat je ’s avonds en ’s ochtends de andere gasten hoort (die binnenkomen, of de douche aanzetten).
Website: Guesthouse Halvas
Prijs: 44 EUR per nacht exclusief ontbijt
Eten en drinken
Het eten is hier een stuk beter dan in het buurland Servië. Hoewel ze veel dezelfde gerechten hebben, is het allemaal wat pittiger en met meer aandacht klaargemaakt. Hieronder een populair lunchgerecht of snack, bürek (hier gevuld met spinazie en kaas, je hebt ook andere varianten).
De kebap (cevapcici) is ook hier in Bosnië de meest geliefde maaltijd. Zo’n 80% van de mensen die je op terrassen ziet eten, neemt dit. Voor de afwisseling at ik ook af en toe vis: forel zie je wel regelmatig op de menukaart.

Kosten
Het goedkoopste land van mijn reis. Met een kleine 78 EUR per dag zit het op het prijsniveau van India. Mijn beide overnachtingsplaatsen waren erg goedkoop, terwijl ze toch vlakbij het centrum van de bij toeristen redelijk populaire steden Mostar en Sarajevo liggen.
Montenegro
Dit is wel een stuk moderner dan Servië of Bosnië. De busstations zien er netjes verzorgd uit, en veel mensen spreken Engels. Voor het eerst zag ik ook weer Nederlanders met eigen caravan!
Vervoer
Ik heb hier alles met de bus gedaan. Dat gaat goed, alhoewel er weg van de kust niet zoveel bussen per dag rijden. De bussen waren ook lang niet vol. De chauffeur en bijrijder hadden het nog het drukst met het afgeven van allerlei pakketjes, tonnen schapenkaas en andere zaken aan individuen die opeens langs de kant van de weg verschenen.

Overnachtingen
In Montenegro overnachtte ik in:
Zabljak
Modern hotel met luxe uitstraling aan de rand van het dorp, aan de toegansweg tot het Nationaal Park. De kamer is een soort suite, met een bank + TV in de ene ruimte, en het bed in een half afgescheiden ruimte ernaast. Wifi deed het niet op mijn kamer, gelukkig was er nog een vaste internetverbinding. In het weekend was er een uitgebreid ontbijtbuffet, op maandag waren bijna alle gasten verdwenen en kreeg ik ontbijt op bestelling.
Website: Hotel SOA
Prijs: 60 EUR per nacht inclusief ontbijt
Podgorica
In de voetgangerszone van Podgorica, boven winkels. Modern en fris gebouw. Lekker stil ’s nachts. Ik heb een bijzondere doorkijk-badkamer, helemaal van glas maar met lekkere douche. Verder hele grote TV en goede Wifi op de kamer. Ontbijt is een uitgebreid buffet, ondanks dat ze maar een paar kamers hebben. Erg vriendelijke receptie, de meisjes spreken ook goed Engels.
Website: Alexandar Lux Hotel
Prijs: 63 EUR per nacht inclusief ontbijt
Kotor
Duurste hotel van de reis, maar niet het beste. Zal wel aan het hoge prijsniveau van Kotor in het algemeen liggen. Had hier wel voor het eerst een ligbad en een balkonnetje. Verder beetje saai, ouder pension. Ontbijt gewoontjes. Kamer benauwd en donker, moest echt wel de ramen open hebben én de airco aan. Het ligt buiten het oude centrum, dichtbij een modern winkelcentrum (handig voor de supermarkt!).
Website: Vila Panonija
Prijs: 80 EUR per nacht inclusief ontbijt
Eten en drinken
De Ottomaans-Turkse invloed is nooit groot geweest in Montenegro, en dat zie je ook terug in het eten. Kebabrestaurantjes zijn hier schaars, en geen menu’s vol met gegrild vlees meer. Wat hebben ze wel? Vooral heel veel vis. In het binnenland forel, en aan de kust van alles.

Kosten
Dit is het duurste van de landen die ik deze reis bezocht heb. Je ziet het al aan de prijzen van de hotels, en ook voor een goede vismaaltijd in een restaurant ben je zo 15 EUR kwijt. Alleen het openbaar vervoer is nog betrekkelijk goedkoop. Ik gaf hier gemiddeld 92,60 EUR uit. Daarmee komt het uit in de middenmoot van de kosten-per-land ranglijst.
Kroatië
In Kroatië was ik al eens eerder geweest, in de omgeving van Split. Ik hoefde er niet zo nodig nog een keer naar toe, het is wel erg massatoerisme wat hier de klok slaat aan de Adriatische kust. Maar het kwam zo uit op mijn Balkan-reis dat het handigste vliegveld om terug te vliegen dat van Dubrovnik was. En dat was zeker een stad die ik nog een keer wilde zien.
Vervoer
Ik ben dus alleen maar in Dubrovnik geweest, behalve mijn eigen benen heb ik niet veel vervoer nodig gehad.
Bus
Vanuit Kotor in Montenegro reisde ik naar Dubrovnik met de bus. Er gaan 2 bussen per dag. De rit duurt een kleine 3 uur, inclusief het oponthoud bij de 2 grensposten waar alle paspoorten van de passagiers verzameld moeten worden en stempels gezet. Het buskaartje kostte 14 EUR.
Vlucht
Er zijn vanuit Dubrovnik geen rechtstreekse vluchten naar Nederland. Ik vloog daarom met Finnair eerst helemaal naar het noorden, naar Helsinki. En vandaar weer naar Amsterdam. Tezamen zo’n 5 uur, de kortst mogelijke optie. Het vliegveld van Dubrovnik is niet groot en ligt zo’n half uur rijden buiten de stad.
Overnachtingen
In Kroatië overnachtte ik in:
Dubrovnik
Groot huis aan de uitvalsweg naar de oude stad. Mooie lichte kamer met hoog plafond. Allervriendelijkste ontvangst met een glas vruchtensap. Kon ook om kwart voor 12 de kamer al betrekken, fijn in de regen! Voor het huis is een mooi terras in de tuin, daar wordt ook het ontbijt geserveerd. Net als in de andere “huizen” waar ik verbleef is het er wel gehorig.
Website: House Boninovo
Prijs: 55 EUR per nacht exclusief ontbijt
Eten en drinken
Het oude centrum van Dubrovnik zit vol met restaurants. De ene helft zijn pizzeria’s, en de andere visrestaurants. Ik at bij beide, op de eerste dag een grote verse pizza Dalmatica (met ansjovis) en op de laatste dag mijn favoriet: gegrilde inktvis (dit keer met knoflook, erg lekker). Het eten was er prima. Je ziet wel dat sommige restaurants veel populairder dan andere zijn, dan zit bij de een het terras vol en bij de buren is niemand. Ik ontdekte al snel dat het voor het eten niet veel uitmaakt waar je gaat zitten, maar dat je bij de rustigere restaurants in ieder geval een stuk sneller bediend wordt!
Kosten
Ze verdienen wel goed aan de toeristen in Dubrovnik. Ik gaf er in de twee dagen dat ik er was 227 EUR uit. En dan had ik nog wel een goedkoop hotel. De entreeprijzen zijn hoog, 12 EUR voor toegang tot de stadsmuren is echt wel veel. Verder kost ook iets te drinken al snel tegen de 3 EUR.



















































Leave a comment