- Route Japan 2012
- Naha, Okinawa
- Per bus door noordelijk Okinawa
- #452: de Gusuku van het Ryukyu-koninkrijk
- In het donkere bos
- #453: Yakushima
- Dazaifu, de oude hoofdstad van Kyushu
- Fietsen over de Kibi-vlakte
- #454: Iwami Ginzan zilvermijn
- Kobe: de aardbeving en de biefstuk
- #455: Hiraizumi
- Aomori
- #456: Shirakami-Sanchi
- Rondje Tokyo per fiets
- Tempels kijken in Kamakura
- Terugblik Japan 2012
Route Japan 2012
Komende woensdag vertrek ik voor een reis van 3,5 week door Japan. Het is mijn derde bezoek aan dit land, de laatste keer was al weer 9 jaar geleden! Maar het is me altijd blijven trekken en er is nog genoeg te zien. Ik heb een route bedacht waar de nadruk ligt op het zuidwesten: de eilanden Okinawa en Yakushima, Kyushu, en vandaar door richting de omgeving van Tokyo.
Er staat natuurlijk ook weer een aantal werelderfgoederen (WE) op de planning, 5 om precies te zijn. Plus twee plekken die in 2013 mogelijk op de Lijst komen. Verder reis ik heel wat rond, per vliegtuig, boot en natuurlijk de trein.
Het voorlopige programma ziet er als volgt uit:
| Datum | Programma | Verblijf |
| 16 mei | Vlucht KL0861 Amsterdam – Tokyo, vertrek om 4.55 uur. | Vliegtuig |
| 17 mei | Aankomst op Tokyo Narita om 8.50 uur. Daar door om 12.40 uur met een binnenlandse vlucht van Skymark Airlines naar Naha, de hoofdstad van Okinawa. Aankomst in Naha om 15.45 uur. Met de monorail naar het hotel. | Best Western Naha Inn, Naha (Okinawa) |
| 18 mei | Bezoek aan Naha, met onder andere het Shuri-kasteel, het Tamaudun Mausoleum en andere overblijfselen uit de tijd dat Okinawa nog een eigen koninkrijk was (WE1). Ook het historisch museum en de Makishi markt, met traditioneel Okinawaans voedsel zoals zeeslang, staan op het programma. | Best Western Naha Inn, Naha (Okinawa) |
| 19 mei | Met de bus naar het noorden van het eiland. Nog meer kasteelruïnes, het Churaumi Aquarium en het Ryukyu Mura openluchtmuseum. | Best Western Naha Inn, Naha (Okinawa) |
| 20 mei | Vlucht met ANA naar Kagoshima 10.50-12.15 uur. Daar JR Railpas inwisselen op het station, en misschien ’s middags nog even de stad verkennen (o.a. Sengan-en tuin en zomerverblijf). | Hotel Sunflex, Kagoshima |
| 21 mei | Veerboot naar Yakushima, 8.30 – 12.30 uur. Als het te regelen valt, ’s avonds naar de eieren leggende schildpadden op het Nagata-strand. | Miyanoura Port Side YH, Yakushima |
| 22 mei | Wandeling naar Shiratani Unsuikyo (ca. 3 uur retour), een bos met de Yakusugi cederbomen waar het eiland beroemd om is. Herten en apen leven er ook volop. | Miyanoura Port Side YH, Yakushima |
| 23 mei | Rondje met de lokale bus rond het eiland. Naar de Oko-no-taki watervallen en mijn voet zetten in het werelderfgoedgebied langs de westkust (WE2) | Miyanoura Port Side YH, Yakushima |
| 24 mei | Terug naar het “vasteland”. De snelle boten vertrekken in de ochtend. Vanuit Kagoshima dan 40 minuten verder met de snelle trein noordwaarts naar Kumamoto. In Kumamoto is het kasteel het meest bezienswaardige. | Toyoko Inn Kumamoto-jo Torichosuji, Kumamoto |
| 25 mei | Dagtocht naar de actieve vulkaan Mt. Aso. Heen en terug met de trein, en met de kabelbaan omhoog. | Toyoko Inn Kumamoto-jo Torichosuji, Kumamoto |
| 26 mei | Trein naar Okayama. Halve dagtocht naar Kurashiki, met 17e eeuwse houten koopmanshuizen. | Toyoko Inn Okayama-eki Higashi-guchi, Okayama |
| 27 mei | Fietstocht(je) over de Kibi-vlakte. Bezoek aan de Koraku-en (uit de Japanse tuinen top 3) en het zwarte kasteel. | Toyoko Inn Okayama-eki Higashi-guchi, Okayama |
| 28 mei | Trein naar Izumo (Shimane), 3 uur. Izumo Taisha schrijn | Toyoko Inn Izumo-shi Ekimae, Izumo |
| 29 mei | Dagtocht per lokale trein naar Oda (shimane). Hele dag in de Iwami Ginzan zilvermijn (WE3), plus eventueel havenplaatsje Yunotsu | Toyoko Inn Izumo-shi Ekimae, Izumo |
| 30 mei | Oversteek naar het noorden van Japan (per trein), met een stop halverwege in Kobe | Green Hill Hotel, Kobe |
| 31 mei | Met de trein verder naar het noorden, met onderweg Mount Fuji, mogelijk werelderfgoed in 2013 | Hotel Associa, Yokohama |
| 1 juni | Via Sendai naar Hiraizumi. Middag al in Hiraizumi, en overnachting in een ryokan. | Ryokan Soba’an Shizukatei, Hiraizumi |
| 2 juni | Hiraizumi, boeddhistische tempels en tuinen (WE4). Later op de dag nog verder naar het noorden, trein naar Hirosaki | Hotel Route Inn, Hirosaki |
| 3 juni | Bezoek Hirosaki, het “Kyoto van het Noorden”. En naar het mogelijk werelderfgoed Sannai-Maruyama, archeologische opgravingen uit de Jomon-periode, in Aomori | Hotel Route Inn, Hirosaki |
| 4 juni | Rondrit per trein rond Shirakami-Sanchi (WE5), een nationaal park grotendeels bedekt met oerbos van de Japanse beuk. | Dormy Inn, Akita |
| 5 juni | Terug naar Tokyo; musea en andere zaken | Hotel Niwa, Tokyo |
| 6 juni | Tokyo | Hotel Niwa, Tokyo |
| 7 juni | Tokyo | Hotel Niwa, Tokyo |
| 8 juni | Dagtocht naar Kamakura, tempelstad en voormalige hoofdstad van Japan. Mogelijk nieuw WE in 2013. | Hotel Niwa, Tokyo |
| 9 juni | Terugvlucht naar Nederland. Vertrek 13.35 uur. Vlucht KL0864. Aankomst op Schiphol: 18.15 uur. | Thuis |
Naha, Okinawa
De eilandengroep Okinawa ligt zo’n 2100 kilometer ten zuiden van Tokyo. Dat is 3 uur vliegen, en dat nog eens bovenop de 10,5 uur vanuit Nederland naar Japan. Het subtropische Okinawa is een populaire vakantiebestemming voor de Japanners. Mijn vlucht met Skymark Airlines is echter lang niet uitverkocht: maar ongeveer 25 van de 180 plaatsen zijn bezet. Ik heb dus 3 stoelen voor mezelf om wat slaap in te halen.
De vlucht landt in Naha, de hoofdstad. Ik had een beetje een exotisch paradijsje verwacht, maar het is vooral heel erg Japans. Rustig, netjes, georganiseerd. Reclames en niet-commerciële uitingen lijken zich uitsluitend te richten op een doelgroep van 11-jarige meisjes: vrolijke figuurtjes, pastelkleuren en opwekkende muziek geven aan wat je allemaal wel en niet mag of moet.
In de monorail: let op je vingers!
De meest handige vorm van openbaar vervoer in Naha is de monorail, een spoorlijn enkele tientallen meters boven de grond. Voor 6 EUR mag je er 24 uur onbeperkt mee reizen. Dat doe ik volop op mijn eerste volledige dag hier. Om 8 uur rijd ik naar het eindpunt in het noorden, Shuri-ji. Shuri (in de heuvels) en Naha (haven) waren vroeger twee steden, maar ze zijn aan elkaar gegroeid. Nu is het een grote massa huizen en flats – er wonen ruim 300.000 mensen.
Shuri was de stad waar de koningen van het Ryukyu-koninkrijk woonden. Dit Ryukyu was een zelfstandige staat, totdat het in de 17e eeuw door Japan werd geannexeerd. Uit de Ryukyu-periode is nog veel overgebleven, en dat wordt met lokale trots gepresenteerd. De eilanden hadden in die tijd veel contact met China, wat in de bouwstijl terug te zien is. De inwoners hingen een natuurgodsdienst aan, en nu nog zijn er tempeltjes en heilige plekken op Okinawa waar de natuur vereerd wordt. In Shuri zie je dat terug in Sonhyan-utaki, een stenen poort die toegang gaf tot een (nu verdwenen) heilig bos, en in Suimui Uitaki, een van de ceremoniële plaatsen op het binnenterrein van het Shuri-kasteel.
Heilige plek bij het Shuri-kasteel
Het Shuri-kasteel is verreweg de populairste bezienswaardigheid van Naha. Ik ben er al bij openingstijd, half 9, maar zeker niet als enige. Busladingen vol zijn er, vooral veel scholieren. Het kasteel ligt op een heuvel en wordt omringd door lange, grijze stenen muren, typisch voor hier. Ze worden af en toe onderbroken met poorten in Chinese stijl. Ook het vele rood en de leeuwen bij de ingang doen aan China denken.
Het kasteel is in de Tweede Wereldoorlog met de grond gelijk gemaakt. Pas in 1992 is het in volle glorie hersteld. Als je je schoenen in een door dames in klederdracht aangereikt plastic tasje stopt, mag je naar binnen in het felrode paleis dat in het centrum van het kasteelcomplex staat. Heel veel te zien is er niet, en het is allemaal ook nieuw natuurlijk.
Scholieren op het binnenterrein van het Shuri-kasteel
Een minuut of 5 verwijderd van het kasteel ligt het mausoleum van de Ryukyu-koningen. Het is maar een paar honderd meter lopen, maar hier is het veel rustiger. Ik ben zelfs de enige op het binnenterrein. Achter de lange grijze muren bevinden zich drie poorten waarachter de notabelen in graftombes bijgezet werden. Daar mag je nu niet meer bij, het enige dat je ziet is de sobere buitenkant. Het spreekt mij wel aan, mede omdat het er veel origineler uitziet dan het kasteel.
Tijd om Shuri weer te verlaten. Het is pas half 11, maar ik heb nog een heel programma gepland (Naha-in-één-dag). De volgende bestemming zijn de tuinen en het koninklijk buitenverblijf. Hier kun je niet met de monorail komen, maar wel met stadsbus nummer 5. Deze rijdt gelukkig frequent over de hoofdstraat van Naha. Na een kwartiertje meen ik “Shikina-en” te verstaan van de dame op het bandje dat in de bus de haltes voorleest. Gelukkig staat er ook nog een groot bord, dus ik stap bij de juiste halte uit.
Deze landschapstuin is ook een voorbeeld van de Chinese invloed op het Ryukyu-koninkrijk. Het wandelpad slingert zich rond een centrale vijver, met Chinese bruggetjes en een zeshoekig paviljoen. Het is een lekkere plek om wat rond te lopen omdat de bomen de brandende zon tegenhouden. Behalve een paar Japanse bejaarden is er niemand op het terrein.
Ik neem de bus terug naar het centrum, en lunch daar met een broodje en cappucino bij Doutor – een koffieketen die ik nog van mijn vorige Japan-reizen ken. De zaak ligt aan de Kokusai Dori, dé hoofdstraat en winkelstraat van Naha. Gisteravond liep ik hier ook al even. Het is onvoorstelbaar hoeveel kitscherige rotzooi hier te koop is. Nog erger is het in de overdekte zijstraten. Maar ik moet hier vandaag weer door, want er tussenin ligt de Makishi-markt.
De markt is ook overdekt én gekoeld. Het is kleiner dan ik gedacht had, een paar rijen maar. Maar bijna alle kramen hebben voor mij erg exotisch uitziende waar. Uitgestald ligt zo ongeveer alles wat je uit zee kunt scheppen: zeewier, schelpen, en kleurrijke vissen. Ik geloof niet dat ik ooit zo’n felblauwe vis als hier gezien heb.
Na ook nog even de kramen met varkenspootjes bewonderd te hebben, stap ik weer in de monorail voor het laatste doel van vandaag: het provinciaal museum. Het blijkt een enorm gebouw te zijn, een moderne uitvoering van de Ryukyu-kasteelbouw met grijze, lange muren. Ze hebben een kunstmuseum en een historisch museum. Alleen in dat laatste ga ik naar binnen.
De geschiedenis van Okinawa blijkt vrij simpel te vertellen te zijn. In vijf ruimtes leer je alles over de natuurlijke en menselijke historie. De Ryukyu waren weliswaar goede bouwers en handelaars, maar veel moois hebben ze niet nagelaten. Het grootste deel van de bevolking was druk met landbouw, en de bovenlaag sloot zich op achter de hoge muren van de kastelen.
Traditioneel opslaghuis voor gewassen, vóór het provinciaal museum
Aan het eind van de permanente collectie is nog een paar meter ingeruimd voor de Tweede Wereldoorlog en de Amerikaanse bezetting van Okinawa. De begeleidende tekst noemt die laatste periode (tot 1972) een “ordeal” (beproeving) – 90% van de gebouwen was verwoest en voedsel was schaars. Er is nog veel anti-Amerikaans sentiment hier, mede door de 14 legerbases die er nog steeds zijn en die 18% van het oppervlak van het eiland beslaan.
Als je hier als westerling rondloopt denken ze ook meteen dat je een Amerikaan bent, dat merkte ik gisteren al. Niet dat je dan met de nek aangekeken wordt hoor, ik heb al weer wat staaltjes Japanse beleefdheid in ontvangst mogen nemen (sta je even voor een routebord te kijken, snelt er meteen iemand naar je toe met een Engelstalige kaart).
Per bus door noordelijk Okinawa
Ik wil natuurlijk wel meer van Okinawa zien dan alleen de hoofdstad. Met het openbaar vervoer kom je een eind, als je tenminste tijd genoeg hebt. Ik kies ervoor om naar het noordwesten te gaan, naar het schiereiland bij de stad Nago. Daar ligt een aantal bezienswaardigheden bij elkaar. Het “Ananaspark” en “Okinawa Fruit Land” laat ik maar aan me voorbij gaan – ik kies voor het Nakiji-kasteel en het Churaumi Aquarium.
Al om half 8 sta ik op het busstation van Naha. Vandaar vertrekt expresbus 111 naar Nago. Het is een expresbus omdat hij over de snelweg rijdt. Het wil niet zeggen dat het dan ook snel gaat: de rit van 60 kilometer duurt anderhalf uur. Er zijn gewoon bushaltes langs de snelweg, en een keer of vijf neemt hij ook nog eens een afslag om nog een halte aan de rand van een dorp mee te nemen. Nou ja, voor mij is het ook gewoon meteen een toeristische tour over het eiland. Heel veel bos is er, valt me op. En heuvels. Het lijkt toch best veel op de Japanse hoofdeilanden.
In de regionale bussen in Japan hebben ze een prachtig systeem om de ritprijs te bepalen. Als je binnenkomt trek je een nummertje (dat is het nummer van de halte waar je bent ingestapt), en als je dan uit wilt stappen betaal je de prijs die op dat moment op het grote scorebord voorin de bus achter jouw nummer staat. Het lijkt wel bingo. En met het geven van wisselgeld wordt de chauffeur ook niet belast: automaten voor in de bus wisselen zowel briefjes als muntgeld.
Eenmaal aangekomen op het busstationnetje van Nago kan ik gelijk door in streekbus 66. Deze maakt een rondje over het nabijgelegen schiereiland. Het scorebord in de bus blijkt nu ook handig voor mensen die geen Japans verstaan: als je weet hoeveel je rit kost, dan weet je ook wanneer je uit moet stappen. Als ik mijn nummer op 770 Yen zie springen, weet ik dat ik in de buurt van het Nakiji-kasteel ben aangekomen. De buschauffeur wijst me in zijn beste Engels nog even de goede kant op: “mountain”.
De berg oplopen dus. Het is inmiddels kwart over 10 en flink heet. De bewegwijzering geeft aan dat het 1 kilometer is, maar het voelt meer als 1,9 of zo. Het kost me een kwartier om bij het bezoekerscentrum van Nakiji te komen. Nakiji is net als Shuri waar ik gisteren was één van de kastelen uit de tijd van het Ryukyu-koninkrijk. Samen met nog 7 andere overblijfselen uit die periode vormen ze één werelderfgoed.
Shuri is helemaal herbouwd, maar hier in Nakiji zijn alleen ruïnes overgebleven. En zelfs daarvan verdenk ik de Japanners dat ze ze flink gerestaureerd hebben – de muren zien er te egaal uit. Vanaf het bezoekerscentrum moet je nog een eind verder de berg op lopen, maar dan zie je ook in wat voor prachtige omgeving je zit. Het is een heel sfeervolle plek, lekker om zo maar een beetje rond te lopen. Er bloeien veel bloemen en je ziet grote, kleurige vlinders. Het voormalige kasteel bestaat uit 6 verschillende ruimtes, maar het onderscheid is in deze vervallen staat niet meer te zien.
Na een uurtje loop ik de berg weer af, terug naar de grote weg voor de bus naar het 7 kilometer verderop gelegen Ocean Expo Park. Als ik beneden ben komt er net een bus aanrijden, gelukkig want ze rijden maar ongeveer een keer per uur. Ik ben de enige passagier, en we rijden vlot door naar mijn volgende bestemming. Ik hoef niet op de bel te drukken want de buschauffeur weet al precies waar ik er uit wil – veel anders dan het Oceaanpark met het grote aquarium is er hier niet meer op de punt van het schiereiland. Hij geeft me bij het uitstappen ook nog twee snoepjes mee!
Het Churaumi Aquarium is onderdeel van een groot park gewijd aan de Oceaan en voornamelijk de dieren die daarin leven. Er zijn bassins buiten met schildpadden en dolfijnen. Het is natuurlijk een populair dagje uit voor gezinnen, maar hoewel het zaterdag is valt de drukte me nog wel mee. Het is niet het soort attractie dat ik snel zal bezoeken, maar ik had goede dingen gelezen vooral over het Aquarium. Het is het op één na grootste in de wereld.
En de moeite waard blijkt het zeker te zijn. Als je oog in oog staat met de vissen is dat toch wel fascinerend. Het lijkt wel of ze je ook aankijken, hoewel ze doodmoe moeten zijn van al die gezichten voor hun raam de hele dag. De vissen zitten verdeeld over 77 kleinere en grote bakken. Het toppunt is het enorme theater, 10 meter hoog en tientallen meters breed. Ze zitten vol met druk heen en weer zwemmende vissen, tot haaien en grote roggen aan toe.
Na alle vissen gezien te hebben eet ik nog een noedelsoep in het restaurant op het park. Om 2 uur sta ik weer bij de bushalte voor de lange rit terug naar Naha. Het busvervoer in de middag is nog wat schaarser dan in de ochtend, dus het kost me zo’n 3,5 uur inclusief wachttijden om “thuis” te komen.
#452: de Gusuku van het Ryukyu-koninkrijk
Wat is het?
De Gusuku zijn kastelen en verwante monumenten die stammen uit de tijd dat de Ryukyu over Okinawa heersten (ca. 12e-17e eeuw). Okinawa was toen nog een zelfstandig gebied, dat floreerde door landbouw en handel met buurlanden China en Japan. De Gusuku waren de regionale politieke en religieuze centra, opgezet door stamhoofden. Het werelderfgoed bestaat uit 9 verschillende locaties verspreid over het hoofdeiland van Okinawa: 5 ruïnes van kastelen, het koninklijk mausoleum, een buitenverblijf, een heiligdom en een stenen poort. Ze staan o.a. op de werelderfgoedlijst vanwege hun unieke architectuur, een mix van Chinees en Japans.
Cijfer: 7,5 (Ik heb inmiddels al een hele reeks cijfers aan werelderfgoederen toebedeeld, en dit haalt het toch net niet voor een 8 zoals Chavin of Hué (om maar eens twee vergelijkbare plekken op aarde te noemen). De resten van de Gusuku liggen op sfeervolle locaties en geven op zijn minst een hint van de betekenis die ze eeuwen geleden hadden. Veel meer dan muren is er eigenlijk niet over – en alles wat je meer ziet is recent weer opgebouwd.)
Toegang: Ik bezocht 5 van de 9 plaatsen die behoren tot het werelderfgoed. In Naha is de entree tot Sonohyan-utaki gratis (het is ook alleen maar een gesloten poort). Voor het Shuri-kasteel (6,40 EUR), het Tama-u-dun mausoleum (2,40 EUR) en de Shinkina-en tuin (3,20 EUR) kreeg ik in totaal 3 EUR korting op vertoon van mijn dagpas voor de monorail. De 5e, Nakijin-jo in het noorden van Okinawa, kostte 4 EUR. Overal krijg je er kleurige folders bij (in het Engels), en er liggen zelfs stempelkussens om “af te stempelen” wat je allemaal gezien hebt.
Hoeveel tijd: Een halve dag voor de 4 in Naha – 3 liggen er vlakbij elkaar in Shuri, en de tuinen liggen zo’n 15 minuten met de bus van het centrum van Naha. De kasteelruïnes van Nakijin vragen een uurtje, maar ze liggen nogal afgelegen dus je bent al snel het grootste deel van de dag op pad om er te komen en er weer weg te raken.
Opvallend: Bij Sonohyan-utaki, één van de 9 locaties, vereren ze een stenen poort met een houten deur erin (zie grote foto boven). De Ryukyu-koningen kwamen hier bidden aan het begin van een grote reis. Alleen dan ging de poort open en gaf toegang tot de er achter gelegen heilige bomen. Door de bouw van een school in de jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn zoveel bomen gekapt dat de poort nu voor altijd gesloten blijft. Men vereert daarom nu de stenen poort zelf, als substituut voor het voormalige boomheiligdom.
In het donkere bos
Inmiddels ben ik doorgereisd van Okinawa naar een ander eiland: Yakushima. Dit ligt 2 uur varen van de kust van Kagoshima, de meest zuidelijke stad van Kyushu (één van de hoofdeilanden van Japan). Yakushima staat bekend om zijn ongerepte bossen en de grote hoeveelheid regen die er valt.
Op mijn eerste volle dag op Yakushima stap ik om half 9 op de bus naar Shiratani Unsuikyo. Dat is een park met wandelpaden van verschillende lengte en zwaarte. Je kunt er zeer oude en hoge Japanse ceders zien.
De busrit alleen al is de moeite waard. Het is maar een half uurtje rijden, maar je gaat via een smalle slingerweg tussen de bossen door omhoog. De vergezichten over de groene toppen zijn prachtig, en het wordt nog leuker als we opeens een groep apen langs de kant van de weg zien. De buschauffeur stopt om ons foto’s te laten maken. Het is een familie van een stuk of 8 Japanse makaken, inclusief een baby. De Japanse makaken onderscheiden zich van de andere makaken doordat ze een felrood gezicht hebben. Dat kun je ook goed zien als je er zo dichtbij staat. De “oohs” en “aahs” zijn niet van de lucht bij mijn Japanse medepassagiers als er zich ook nog een hertje meldt bij het stel apen. Nou hebben we alle grotere zoogdieren die hier leven al gezien!
De bus dropt mij en zo’n 6 medepassagiers op het parkeerterrein van het park. Daar zie je pas echt dat dit een populaire plek is voor Japanners, er staan al wel zo’n 30 auto’s en 2 bussen. Voor je het park ingaat moet je 300 Yen (3 EUR) entree betalen. En dan is het verder aan jezelf hoever je gaat lopen. Ik ben van plan de “grote ronde” van 3 uur te doen. Daarmee kom je in het meest ongerepte deel van dit bos. De wandeling staat als licht tot gemiddeld zwaar beschreven.
Al na 100 meter ga ik twijfelen aan wat Japanners met “licht” bedoelen. Je moet over een reeks grote stenen klauteren, er hangt een touw naast om je aan op te trekken. Niet mijn idee van een fijne wandeling. En ik heb al helemaal geen idee hoe de Japanse bejaarden die in groten getale aanwezig zijn dit op gaan lossen.
Na de keien is er gelukkig gewoon weer een pad. Tot aan een grote hangbrug volgt het de loop van een bruisende rivier met watervallen. Bij de hangbrug is ook de splitsing of je de rondwandeling met de klok mee of ertegen in gaat lopen. Ik kies voor dat laatste, en loop rechtdoor het bos in. Het pad is hier vrij smal en stijgt af en toe flink. Je loopt op keien en soms op houten trappen. En als er niks anders is, over de grote wortels van de bomen.
Een kwartiertje later sta ik voor weer een hindernis in het parcours: je moet een stroompje oversteken. Gezien de grote hoeveelheid regen die hier gisteren gevallen is, staat het water vrij hoog en ik zie zo geen makkelijke manier om aan de andere kant te raken. En ik heb ook helemaal geen zin om nat te worden of te vallen. Ik keer daarom om, en ga kijken of het pad via de andere kant beter te doen is.
Gelukkig blijkt dat het geval te zijn. Het pad is daar ook vlakker en breder. En er zijn meer mensen. Na een half uur moet ook daar een stroom worden overgestoken. Ik ga eerst even staan kijken hoe de anderen dat doen. De stenen blijken precies goed te liggen in het water om ongeschonden aan de overkant te komen. Terwijl ik zo sta te wachten zie ik achter de ruggen van de toeristen opeens een aantal apen voorbijwandelen. Zij steken even verderop het water over, rustig lopend. En ook nu loopt er weer een hertje mee in hun kielzog. Dat gaat op zijn gemak staan grazen terwijl op anderhalve meter afstand een aantal druk fotograferende Japanners in felgekleurde wandelkleding staat. Het doet de dieren hier niets. Het valt ook op dat de apen niet vervelend zijn, ze hebben blijkbaar nog niet geleerd dat er eten zit in die rugzakken van de wandelaars. Dat is in landen als Thailand of India wel anders.
Weer blij door dit leuke intermezzo steek ik ook “de rivier” over – het blijkt gemakkelijker te zijn dan het lijkt. Op mijn gemak loop ik daarna naar het eindpunt van deze route, de Shiratani Hut. Het is een houten gebouwtje waar je op de vloer kunt overnachten. Andere voorzieningen zijn er niet in dit park. Er staat zelfs geen frisdrankautomaat bij de ingang, terwijl je die verder in Japan om de paar honderd meter tegenkomt.
In de buurt van de hut staan enkele van de hoogste en oudste Japanse ceders van dit bos. “Japanse ceders” zijn trouwens geen ceders zoals die in Libanon, het zijn coniferen. Ze kunnen tot 70 meter hoog en 4 meter breed worden. Bij o.a. de Kugurisugi (de grote jongens hebben ook allemaal een naam) kun je erdoorheen lopen.
Omdat dit stuk zo soepel is gegaan, besluit ik toch maar het rondje af te maken en via de route terug te lopen waar ik aan het begin van de tocht niet verder wilde. Ik kom nog een jongen tegen die in dezelfde jeugdherberg overnacht als ik, en hij zegt dat het allemaal erg meevalt.
Ik merk wel dat mijn evenwicht nu beter geoefend is dan vanochtend vroeg. Ik stap soepel van steen tot steen, en ook voor een rivieroversteek draai ik mijn hand niet meer om. Helaas heeft er zich een nieuw “probleem” aangediend: het is gaan regenen. En niet zo’n beetje ook. Gisteren in het plaatsje Miyanoura had ik ook al aan den lijve mogen ondervinden hoe hard de regen hier uit de lucht kan komen vallen, het zijn een soort tropische stortbuien. Het enige positieve eraan is dat ze nooit lang duren.
Zonder kleerscheuren kom ik de tweede helft van de route door. Toch vind ik dit een minder interessant stuk dan het eerste. Ik zie ook geen dieren meer. Die zullen wel ergens aan het schuilen zijn. Ik stap dus maar door, terwijl ik natter en natter begin te worden. Mijn schoenen zijn ook niet meer droog, ik heb toch te vaak in plassen moeten stappen.
Na ruim 3 uur ben ik weer bij het begin. Bijna tenminste – ik ga niet terug via die rare grote stenen bij de ingang maar neem het veel gemakkelijkere pad naar de parkeerplaats. Dat blijkt ook de route te zijn die alle Japanse oudjes nemen!
Het regent nog steeds, en ik ga schuilen op de enige overdekte plek die voorhanden is: de rokersplaats! Gerookt wordt er gelukkig niet, iedereen probeert er wat op te drogen en eet zijn zelf meegebrachte lunch. Ook ik begin aan mijn supermarktcroissantjes en sinaasappelsap.
Het is nog anderhalf uur wachten tot de bus terug gaat (14.40). Dat is best lang, en het half in de open lucht zitten is ook fris als al je kleren nat zijn. Ik besluit daarom maar vast een eind naar beneden te lopen, via de geasfalteerde weg in de richting van mijn overnachtingsplaats Miyanoura. Gelukkig is het inmiddels droog geworden. Het loopt lekker makkeljk naar beneden, en ik kan nog een laatste keer vandaag genieten van de vergezichten over de bossen, van de vele kleuren groen. Eigenlijk vind ik de bossen van bovenaf mooier dan als je er middenin loopt.
Na 3 kilometer kom ik bij de eerste bushalte, en wacht daar nog een minuut of 10 voordat de bus langskomt en me weer naar Miyanoura brengt. Een natte en vermoeiende dag was het, maar toch ben ik erg tevreden over het verloop!
#453: Yakushima
Wat is het?
Yakushima is een dichtbebost eiland en het laatst overgebleven ecosysteem dat wordt gedomineerd door de Japanse ceder. De bossen zijn erg oud, er is nooit gekapt. De oudste bomen zijn tot 3000 jaar oud en hebben een doorsnee van meerdere meters.
Cijfer: 8 (Niet omdat die grote coniferen nou zo spectaculair zijn, maar het is een schattig eiland met net zoveel toerisme dat het nog leuk is. En van overal zie je die prachtige groen beboste bergen, waar je ook maar kijkt. Mensen wonen er alleen aan de kust, zo’n 15.000 in getal.)
Toegang: Er wordt geen specifieke entree geheven. Het gebied is alleen te voet te bereiken.
Hoeveel tijd: Ik was er 2,5 dag, een prima tijd denk ik. Als je heel erg van wandelen houdt en het is mooi weer, dan kun je je er nog wel langer vermaken.
Opvallend: Pas toen ik deze reis naar Japan in detail aan het voorbereiden was, kwam ik erachter dat het werelderfgoed “Yakushima” niet het hele eiland beslaat. En zelfs een flinke wandeling door de bossen en langs de kenmerkende grote Japanse ceders is nog niet genoeg. Het gebied dat tot werelderfgoed is verklaard is maar een deel van het nationaal park Yakushima. En natuurlijk net het moeilijkst te bereiken deel: de hoogste bergtoppen, de meest afgelegen bossen. Er is een wandeling van 10 uur naar de Jomon Sugi (het oudste, hoogste en bekendste exemplaar van de Japanse ceders op Yakushima) en dan bereik je net het beschermde gebied. Maar daar had ik niet zo’n zin in.
Ik heb de kaart van Yakushima naast de begrenzing van het werelderfgoed gelegd, en kwam erachter dat het verst dat je met de bus kunt komen de waterval Ohko-no-taki is. Vandaar leek het nog zo’n 3 à 4 kilometer lopen tot de rand van het werelderfgoedgebied. Gelukkig scheen de zon volop deze woensdag, en werd het na 5 minuutjes bij de waterval te hebben gekeken een prettige wandeling noordwaarts. Dit deel van Yakushima is onbewoond. Er loopt wel een asfaltweg doorheen, met de auto kun je een volle ronde over het eiland maken in tegenstelling tot de bus. Dat het er veel rustiger is dan waar ik gisteren was merk je al aan de vele vogels die je hoort en ziet. En natuurlijk weer de nodige hertjes en apen langs de kant van de weg. Na op mijn gemak een minuut of 40 gelopen te hebben bereikte ik inderdaad een bord dat je nu het werelderfgoedgebied betreedt. Missie geslaagd!
Dazaifu, de oude hoofdstad van Kyushu
Op de boot terug van Yakushima naar Kyushu zag ik de weersvoorspelling voor de volgende dag: een parapluutje met regendruppels. Niet echt het ideale weer dus om zoals gepland de vulkaan Mount Aso te gaan bekijken. Toen ik nog even op internet checkte wat ik zou missen, zag ik ook nog eens dat de toegang tot de kraterrand op het moment is afgesloten vanwege de uitstoot van giftige gassen.
Een alternatief vond ik al gauw in Dazaifu: het plaatsje in de buurt van de grote stad Fukuoka huisvest het Kyushu Nationaal Museum. Plus meerdere grote tempels. Het is tussen de 7e en 12e eeuw 500 jaar lang de hoofdstad geweest van dit Japanse hoofdeiland.
Dazaifu ligt aan een particuliere spoorlijn, de Nishutetsu-lijn. Het ritje van 5 minuten kost 1,50 EUR. Het is duidelijk een populaire bestemming: de trein zit vol met voornamelijk vrouwen op pad voor een dagje-uit. Ook in de hoofdstraat, een aaneenschakeling van souvenirwinkels en bakkerijen, is het flink druk. De bakkerijen verkopen de lokale specialiteit: pruimencake.
Het regent zachtjes en ik besluit eerst naar het museum te gaan. Dit ligt aan het eind van het plaatsje, tegen een bergwand aan. Het Kyushu Nationaal Museum is één van de vier nationale musea in Japan. Het is pas in 2005 gebouwd, en zit dan ook in een futuristisch pand dat van buiten op een groot aquarium lijkt. Ook hier zijn volop bezoekers, het parkeerterrein staat vol met bussen en auto’s.
Voor 13 EUR koop ik een kaartje voor de vaste collectie en de tijdelijke tentoonstelling. De vaste collectie is te zien op de vierde etage van dit immense gebouw. De collectie is gewijd aan de Aziatische geschiedenis, en dan vooral de uitwisseling tussen het Japanse eiland Kyushu en omliggende landen zoals Korea en China. Die uitwisseling blijkt anno 2012 een geheel nieuwe dimensie te hebben gekregen: er zijn heel veel Chinese toeristen. Zo luidruchtig dat je zeker weet dat het Chinezen zijn. Gelukkig is er ook veel moois te zien, allemaal supermodern ingericht natuurlijk. Ik heb een hele tijd staan kijken in de zaal met drums en gongs, waar ook een film op de muur wordt vertoond over Aziatische festivals waar die instrumenten gebruikt worden.
Een verdieping lager is een tijdelijke tentoonstelling te zien van het werk van Ikuo Hirayama. Hiervoor blijken de meeste Japanse bezoekers te zijn gekomen. Hirayama was een 20e eeuwse traditionele Japanse schilder, die over de wereld reisde en dromerige schilderijen maakte van ruïnes en woestijnlandschappen. De tentoonstelling toont afwisselend zijn schilderijen en door hem verzamelde objecten uit de landen die hij bezocht. Hij zette zich ook in voor het behoud van het culturele erfgoed, o.a. voor de Bamiyan Buddha’s in Afghanistan. Er komen in de tentoonstelling heel wat werelderfgoederen voorbij, van the Mogao-grotten in China tot aan Angkor (Cambodja) en Palmyra (Syrië).
Afbeeldingen van het werk van Ikuo Hirayama
Na een noedelsoep als lunch ga ik door richting de tempels. Het grootste complex is dat van het Tenmangu-schrijn. Het bestaat uit vijvers, bruggetjes, poorten en verschillende gebouwen. Dit is één van de drie belangrijkste Tenmangu-schrijnen in Japan – ze zijn gewijd aan de geleerde Sugawara Michizane. Het was op deze plek dat hij in 903 als balling overleed.
Zoals zoveel Shinto-heiligdommen is dit een bont en druk spektakel. De Chinese toeristen raken ook helemaal enthousiast. Japanners komen hier om te bidden voor examens en goede schoolprestaties. Je kunt er honderden soorten geluksbrengers kopen. Op papiertjes of houten bordjes kun je een wens schrijven en die aan de daarvoor bestemde rekken ophangen.
Symboliek speelt een belangrijke rol op het binnenterrein. Zo staat er de legendarische pruimenboom, die van Kyoto naar Dazaifu vloog toen de geleerde hierheen werd verbannen. Vandaar dus ook al die pruimecakejes in de winkelstraten. En zijn er tientallen beelden en beeldjes van ossen te vinden – Dazaifu is de plaats waar de os die de kar trok met de grafkist van de geleerde niet meer verder wilde lopen, en zo werd dit zijn eindstation.
Maar zo’n 200 meter verderop kom je in een heel andere wereld. De Komyonzenji is een tempel van het Zen Boeddhisme. Zowel voor als achter heeft het een echte Zen-tuin. Die achter is een mostuin.
Aan de achterkant van het gebouw kun je vanaf een soort veranda de details op je in laten werken. En vooral genieten van de stilte – de groepen komen hier klaarblijkelijk niet. Er zijn maar 4 andere mensen die met mij in alle rust vanaf de houten vloer van de veranda de tuin in kijken. Helaas vliegt er elke 5 minuten of zo een vliegtuig over op weg naar het grote internationale vliegveld van Fukuoka. Maar daar hadden ze nog geen weet van toen de tempel eind 12e eeuw werd gesticht.
De derde grote en oude tempel van Dazaifu ligt twee kilometer verderop. Ik loop ernaartoe, en verruil al snel de winkelstraten voor een wijk waar het me plezierig wonen lijkt. Behalve een enkele lokale bewoner met boodschappen in de hand of op de fiets kom ik geen mens meer tegen. Het is een lekkere wandeling, ondanks dat het nog wat druilerig weer is en mijn bovenbenen nog pijn doen van het lopen op Yakushima.
De Kanzeonji-tempel dateert uit de 8e eeuw en was in haar hoogtijdagen de belangrijkste tempel van Dazaifu. Ondanks de korte voorbereidingstijd die ik had, is me nog bijgebleven dat er iets moois te zien zou zijn in een raar bijgebouw. Dat gebouw is makkelijk te vinden, het lijkt wel een betonnen voorraadschuur op poten. Tussen die poten is een kantoortje, waar een vrouw de entreekaartjes tot de Schatkamer verkoopt. En schatten zijn het zeker, je moet er zelfs je schoenen voor uittrekken. Op de eerste verdieping staat een verzameling metershoge houten boeddhabeelden, de grootste meer dan 5 meter hoog. Geweldig!
De overige tempelgebouwen op het terrein zijn afgesloten. Het is er ook erg stil.
Via twee lokale treinen (2x 5 minuten), de shinkansen (30 minuten) én de slome tram van Kumamoto (25 minuten) kom ik om kwart over 6 weer “thuis” in Kumamoto. Het is een lange maar erg mooie dag geweest.
In de buurt van mijn hotel zoek ik meteen een restaurant op. En vind iets naar mijn smaak op een bovenetage waar je eet in afzonderlijke houten privé-cabines. Als je iets wilt, druk je op een knop en komt er bediening. In mijn geval een meisje dat hardnekkig en veel Japans tegen me blijft praten. Gelukkig word ik gered door een mannelijke collega die wel wat Engels spreekt en zelfs een Engelstalige menukaart tevooorschijn tovert. Naast een assortiment gegrilde spiesjes (Yakitori) en gegrilde vis probeer ik de lokale delicatesse van Kumamoto uit: rauw paardenvlees. Een beetje taai, maar best lekker.
Sushi met rauw paardenvlees
Fietsen over de Kibi-vlakte
Japanners die fietsen lijken zich te beperken tot de scholieren die op lage damesfietsen met mandje voorop de trottoirs in de steden onveilig maken. Tot mijn verbazing ontdekte ik echter een heuse fietsroute in de omgeving van Okayama. Daar is over de Kibi-vlakte een traject van 15 kilometer uitgezet. Je rijdt van station naar station, en onderweg passeer je de belangrijkste bezienswaardigheden van deze streek.
Om kwart over 9 in de ochtend arriveer ik op het stationnetje van Bizen-Ichinomiya, 12 minuten met de stoptrein verwijderd van de grote stad Okayama. Ik had de fietsroute gevonden op twee Engelstalige Japanse websites. En hun verhaal blijkt helemaal te kloppen. Bij dit station kun je een fiets huren, die je dan aan het eind van de route bij het station van Soja weer kunt inleveren. Heel handig!
De oude man die de fietsen beheert zoekt een extra hoog exemplaar voor mij uit. Na betaling van 1000 Yen (10 EUR) krijg ik nog een routekaart mee in het Japans, en kan ik op weg.
De eerste stop is maar een paar honderd meter verderop. Het Kibitsuhiko-schrijn stamt uit de 17e eeuw, en is gewijd aan Kibitsuhiko – een legendarische prins. Zijn avonturen hebben aan de basis gestaan van het volksverhaal over Momotaro. Deze fietsroute staat grotendeels in het teken van deze legende. Het verhaal vertelt dat Momotaro geboren is uit een perzik, en vervolgens als kleine jongen een bende gevaarlijke reuzen verslaat.
Dit eerste heiligdom aan hem gewijd is al net zo apart als de legende zelf. Rechtsvoor het hoofdgebouw hangt een afbeelding van een boos kijkende reus. Natuurlijk kun je ook hier weer geluksbrengers kopen, maar die zijn voor de gelegenheid in de vorm van een perzik gesneden. Met mij zijn er nog een stuk of 10 andere bezoekers. Zij komen om te bidden.
Boze geest bij het Kibitsuhiko-schrijn
Het terrein is vrij groot, en vooraan zijn vijvers die vol zitten met schildpadden. Aan de rand liggen dan nog twee grote stenen in de vorm van eieren. Ook hierbij wordt gebeden. Een sfeervolle plek is het, waar ik op mijn gemak een half uur rondkijk.
Vervolgens is het fietsen naar de volgende “halte”, zo’n 3 kilometer verderop. Het grootste deel van het pad is uitsluitend toegankelijk voor fietsers en voetgangers. Je fietst tussen de landbouwvelden door, en gelukkig is het een vlakte dus zwaar fietsen is het niet.
Het Kibitsu-schrijn ligt ietsje van de route af, en je moet uitkijken dat je er niet voorbijfietst. Aan het grote parkeerterrein en de souvenirwinkels leid ik af waar het ongeveer moet zijn. Het is het belangrijkste Shinto-heiligdom van deze regio. Er zijn op deze zondagochtend dus ook al veel andere bezoekers aanwezig. Ik parkeer mijn fiets bij de andere fietsen beneden, en loop de trap op naar het hoofdcomplex.
Ook het uiterlijk van dit schrijn is bijzonder: deels donker hout, deels oranje, met een rieten dak. Bovenop staan gekruiste houten balken.
Achter dit hoofdgebouw liggen nog allerlei andere delen van dit grote complex. Deze delen zijn via lange houten corridors met elkaar verbonden. In een van de bijgebouwen stuit ik op een groep jongens en meisjes die boogschieten (Kyudo) aan het oefenen zijn. Ze zijn gekleed in traditionele kledij en gebruiken speciale Japanse bogen. Het is een heel ritueel, met kleine pasjes schuifelen ze van en naar hun plek in de rij om te mogen schieten. De volgende groep zit dan al in opperste concentratie op stoelen achter hen te wachten. Het is meer meditatie dan sport.
Ook iets bijzonders, maar van een heel andere orde, is het kleine heiligdom aan de rand van het terrein dat gewijd is aan borsten. Ik kom er toevallig omdat ik twee Japanse jongens achterna loop die ook de fietstocht aan het doen zijn. Ik ben nog niet eens zo verbaasd over wat ik zie, want ik had eerder deze week al van deze “borsten” te koop zien liggen in de winkeltjes bij Dazaifu. Na wat research op internet kom ik erachter dat ze zowel bedoeld zijn om te bidden voor goede moedermelk als tegen borstkanker.
Ik neem nog een softijsje bij de ingang, en stap dan weer op de fiets. Ik moet nu wat kilometers maken tussen de velden door. De akkers zijn bijna allemaal leeg. Daar waar er water op staat, zie je veel vogels, vooral reigers. Ze zijn behoorlijk dichtbij en ik wil ze graag goed op de foto zetten, maar helaas heeft mijn fiets remmen die enorm piepen. Elke keer als ik af wil stappen om een foto te maken, zijn de vogels snel gevlogen.
Behalve landbouwgrond zie je ook kleine heuveltjes in het terrein. Dat zijn oude grafheuvels. Eén ervan ligt ook aan de fietsroute, en die ga ik van dichterbij bekijken. De Tsukuriyama Kofun is met zijn 350 meter lengte de op 4 na grootste grafheuvel van Japan. Hij is in de vorm van een sleutelgat aangelegd, en dateert uit de periode 300-538.
Als ik naar boven ben gelopen tref ik daar een oudere vrouw aan die een lokale vrijwillige gids blijkt te zijn. Ze spreekt wat woordjes Engels, en ze heeft een map bij zich met foto’s van wat er in deze graven gevonden is. Dat geeft het verhaal meer kleur, en samen lopen we een ronde over de top van de heuvel. Het pad naar het hoogste deel is zo steil dat je je aan een touw moet vastgrijpen om niet weer door het zand naar beneden te glijden. Het vrouwtje dat vast niet meer dan een kilo of 50 weegt gaat als tegengewicht voor mij aan het touw hangen, zodat het straktrekt. Ik doe hetzelfde voor haar, maar ik geloof dat ze stabiel genoeg ter been was om het niet nodig te hebben.
Zo’n 2,5 kilometer verderop is het weer tijd voor een tempel. De Bitchu-Kokubunji tempel ligt in een bosachtig gebied. Blikvanger is de 5 verdiepingen en 34 meter hoge pagode. Het is een mooi ding, helemaal van hout. Het tempelcomplex eromheen is een beetje saai in vergelijking met de kleurrijke Shinto-heiligdommen aan het begin van de tocht.
Na deze tempel gaat de route nog zo’n 5 kilometer verder, naar het plaatsje Soja waarvandaan ook de trein terug naar Okayama vertrekt. De route is hier minder goed te volgen, en er zijn ook geen aparte fietspaden meer (anders dan de brede trottoirs). Met behulp van de Japanse kaart en de routeborden boven de weg weet ik toch vrij gemakkelijk het station te vinden. Ruim 4,5 uur na vertrek zit de tocht erop. Ik ben blij dat ik weer wat bijzondere dingen van Japan heb kunnen zien vandaag, en heb ook gewoon lekker gefietst in de stralende zon.
#454: Iwami Ginzan zilvermijn
Wat is het?
Het cultuurlandschap van de zilvermijn Iwami Ginzan bestaat uit 14 historische plekken rondom de berg Sennoyama. Vanaf 1526 tot 1923 werd hier zilver gewonnen. Vooral in de 16e en 17e eeuw leidde dat tot een bloeiende handel met Korea en China, en met Europese zeevaarders zoals de Portugezen. Overgebleven zijn ruim 600 oude mijnschachten, restanten van smelterijen, huizen van kooplieden en ambtenaren, tempels, 2 transportroutes door de bergen, en 3 havenplaatsjes waarvandaan het zilver verder over de wereld werd vervoerd.
Cijfer: 6,5 (Ik had me er meer van voorgesteld – het meeste is erg vervallen. De mijnbouw is hier ook al vroeg in de 20e eeuw gestopt, de natuur heeft het daarna weer overgenomen. Ook de tempels lijken niet of nauwelijks nog gebruikt te worden, de meeste waren gesloten. Eén van de mijnschachten is toegankelijk gemaakt voor toeristen, maar zonder veel uitleg is het niet meer dan een lange onderaardse gang. Het ligt wel in een mooie bosachtige omgeving, zag zelfs nog twee apen.)
Toegang: Het is een groot gebied, waar je vrij kunt rondwandelen en tempels, graven en mijnen kunt zien. In de grote Ryugenji Mabu-mijnschacht kun je ook naar binnen. Entree kost 200 Yen (2 EUR) – de prijs voor buitenlanders: die krijgen namelijk 1 EUR korting bij de betaalde onderdelen van dit werelderfgoed!
Hoeveel tijd: Ik ben er ongeveer een halve dag geweest. Het kost veel tijd om van het begin van het dorp Omori tot de mijn te lopen. Het is een kilometer of 5 bergopwaarts, en onderweg is er natuurlijk van alles te zien. Er zijn ook volop restaurants, cafeetjes en souvenirwinkels.
Opvallend: Van mijn werelderfgoedcollega’s ben ik pas de tweede die dit gebied heeft bezocht. Het ligt ver van de grote steden van Japan, en dus ook ver van de shinkansen-routes. Ik kwam er door vanuit Okayama eerst 3 uur lang een regionale trein te nemen tot Izumoshi. Hier heb ik overnacht. Dat het een gemeente is met 150.000 inwoners is er niet aan af te zien, ik had er een hele avondwandeling voor nodig om een geldautomaat, een supermarkt en een restaurant te vinden. De volgende dag ben ik met de lokale trein verder gegaan naar Odashi (3 kwartier), en ben daar overgestapt op een bus (25 minuten). Dat is de enige manier om zonder auto deze geïsoleerde streek te bereiken.
Sinds het in 2007 werelderfgoed is geworden trekt het wel meer toeristen. Op het station werd mij al een stapel folders in het Engels toegestopt. Ik was dan ook zeker niet de enige die er vandaag rondliep. Zo ontmoette ik tot wederzijdse hilariteit meerdere malen een ouder Japans stel dat al bij mij in de trein uit Okayama had gezeten, in het zelfde hotel in Izumoshi overnachtte als ik en die me deze ochtend uitgenodigd hadden om bij hen aan tafel te ontbijten omdat alle andere plaatsen bezet waren door bouwvakkers.
Kobe: de aardbeving en de biefstuk
Ik reis dit keer wat snel door het centrale deel van Japan, daar waar grote steden zoals Hiroshima, Osaka en Kyoto liggen. Daar ben ik in 2000 en 2003 al geweest. De focus van deze reis ligt op het zuidwesten (inmiddels achter de rug) en het noorden (onderweg naar toe). Om niet hele dagen in de trein te hoeven zitten heb ik tussenstops gepland in Kobe en Yokohama.
Kobe is met 1,5 miljoen inwoners de op 5 na grootste stad van Japan. Erg bekend in de buitenwereld is het niet, behalve voor twee dingen: Kobe-biefstuk en de Aardbeving van Kobe in 1995. Ik haal wat plattegrondjes van de stad op het shinkansentreinstation, stop mijn rugzak daar in een kluisje en ga doelbewust op pad voor die twee zaken.
De Aardbeving
De Aardbeving van Kobe vond plaats in 1995 en doodde bijna 6500 mensen. In het havengebied is sindsdien een museum / herdenkingsplaats ingericht. Via het wat ondoorzichtige openbaar vervoersysteem van de stad (en wat hulp van een man die mij wel erg lang naar een plattegrond zag staren) ben ik er in een half uurtje. Ik loop eerst nog verkeerd in de buurt en kom langs het wel erg toepasselijke Traumaherstelcentrum (onderdeel van een psychiatrisch ziekenhuis). Maar al snel zie ik het imponerende gebouw van het museum, met de datum en het tijdstip van de aardbeving voorop: 17 januari 1995, 5.46 uur.
Aardbevingsmuseum, met de klok permanent op 5.46 a.m.
Het complex bestaat uit twee gebouwen en vier verdiepingen. Het is deels museum, deels monument, deels onderzoeksinstituut. Als ik tegen 3 uur aankom, verlaten net zo’n 100 scholieren het gebouw. Na 6 EUR entree betaald te hebben word ik doorgestuurd naar de vierde etage.
De expositie begint met een film van 7 minuten waarin de effecten van het moment van de aardbeving zelf worden nagebootst. Samen met 2 andere bezoekers sta ik in een zaal die voor de helft bedekt is met filmschermen. Na een lange introductie voor de Japanners en een kort briefje in het Engels voor mij (“als je je niet goed voelt worden tijdens de film, dan zijn er links en rechts nooduitgangen”), gaat het licht uit. Op de schermen krijgen we dan de aardbeving “te voelen”, op verschillende plaatsen in Kobe en omgeving. Het geluid is nog enger dan wat je ziet: een rollende donder, en daarna vooral heel veel rinkelend glas. Je ziet de bestuurder van een trein eerst nog gewoon zijn rondje rijden tot opeens de rails er niet meer zijn.
Na deze film worden we naar een volgende filmzaal geleid, waar we een film van 15 minuten te zien krijgen over de gevolgen van de aardbeving en het eerste herstel. Ik krijg een koptelefoon waar het geluid in het Engels is. Een meisje vertelt het verhaal wat haar en haar familie overkwam, dat ze haar zus verloor en dat ze hun huis kwijtraakten. Het heeft wel een typisch Japans einde – het meisje wordt verpleegster (waarom geen arts?) om mensen in nood te helpen, haar broertje gaat in de constructie van aardbevingsbestendige gebouwen werken. Met hard werken zijn ze er allemaal weer bovenop gekomen, iedereen werkte goed samen en had veel voor elkaar over. Soms is Japan net een beetje Noord-Korea.
Op de derde etage zijn foto’s en overblijfselen te zien uit de tijd van vlak na de aardbeving. Op een handcomputertje kan ik de identificerende nummers intikken en krijg zo het begeleidende verhaal in het Engels te lezen. Veel van de huizen die zijn gesneuveld tijdens de aardbeving waren oude houten huizen, ook met oude bewoners. Zoals wel vaker bij rampen gebeurt kwamen er ook andere problemen aan het licht: hier de vele Japanse bejaarden die in slechte omstandigheden en geïsoleerd leefden. Na de aardbeving is er een programma opgezet met vrijwilligers om hen uit hun huis te krijgen (letterlijk en figuurlijk).
De overige expositieruimtes zijn vooral op preventie gericht. Na ruim een uur besluit ik terug te gaan naar het station om mijn spullen op te halen en in te checken in mijn hotel. Het was een indrukwekkend bezoek.
De Biefstuk
Aan het begin van de avond heb ik nog iets van een heel andere orde op het programma staan: het eten van Kobe-biefstuk. Kobe is dé plek voor het proeven van het exclusieve Wagyu-rundvlees. Dat zijn die koeien die alleen voor het vlees worden gehouden, gemasseerd worden en bier of saké te drinken krijgen. Hun vlees heeft een marmerachtige structuur en een hoog vetpercentage.
In de voorbereiding heb ik op internet gezocht naar een goed restaurant, waar ze ook een Engelse menukaart hebben. Ik kwam uit bij Steakland Kobe, in de buurt van het centrale treinstation Sannomiya. Het is gemakkelijk te vinden, en omdat ik nog vroeg ben krijg ik een plekje aan de bar – met je neus voor de gril. Je kunt kiezen uit een paar soorten biefstuk, en of je er ook nog wat bijwilt, en dan gaat de kok voor je aan de slag. Ik ga voor het “Special Sirloin Steak Menu”. Dat bestaat uit salade, soep, rijst, groente en 200 gram duur vlees.
Voor je het weet ligt de biefstuk al gegrild en in plakjes op je bord. Ik heb er twee sauzen bijgekregen. Het is onvoorstelbaar wat je proeft, het smaakt eigenlijk niet eens meer naar rundvlees. Het is zo zacht dat je het als een soort marshmallow in je mond kunt laten smelten. Er zitten gebakken knoflookchips bij, dat maakt de smaak nog sterker.
Ik krijg nog een espresso na, en dan is het tijd om af te rekenen: 60 EUR. Thuis heb ik nog een dinerbon van mijn werk liggen, ik ga eens proberen of ze ook buitenlandse restaurantrekeningen accepteren…
#455: Hiraizumi
Wat is het?
Het werelderfgoed in Hiraizumi omvat 5 Boeddhistische heiligdommen, die representatief zijn voor het Zuiver Land-boeddhisme in de 12e eeuw. Hiraizumi was in die tijd het politieke en religieuze centrum van het noorden van Japan. Door de aanleg van tempels en tuinen wilde de heersende Ôshû Fujiwara familie een Zuiver Land creëren, een paradijs op aarde. Deze stroming was overgekomen uit China en Korea, en de Japanners vermengden het met hun traditionele verering van de natuur. De tuinaanleg bijvoorbeeld ging volgens stricte regels: een vijver mocht alleen de vorm van een schildpad of een kraanvogel hebben. Binnen 100 jaar, in 1189, was de gouden periode van Hiraizumi voorbij.
Cijfer: 7,5 (Na mijn eerste middag hier lag het nog op koers voor een 8: een zeer hartelijk welkom op het station, stralend weer, en de omgeving van de Motsu-ji tempel is prachtig. Het is de oude boeddhisten wel gelukt hier een paradijsje te scheppen, vooral door de tuinen. De volgende ochtend bezocht ik de grote Chuson-tempel en daarbinnen het Gouden Paviljoen. Over het algemeen is dit toch meer een “gewoon” boeddhistisch tempelcomplex. Het Gouden Paviljoen is briljant, een puur gouden constructie met parelmoeren accenten. Helaas is het gereduceerd tot een museumstuk omdat het wordt tentoongesteld in een hal die het moet beschermen. Je moet je toch voorstellen hoe het was toen het goud nog gewoon buiten stond te glanzen. Nu mag je er niet eens meer een foto van maken.)
Toegang: Entree tot de Motsu-tempel kost 500 Yen (5 EUR), en tot het Gouden Paviljoen van de Chuson-tempel 800 Yen (8 EUR). De rest is gratis.
Hoeveel tijd: Een volle dag kun je je hier wel vermaken. De tempels liggen verspreid over het plaatsje, dus je bent ook tijd kwijt aan het heen en weer wandelen. Tussendoor zijn er kleine musea en tentoonstellingen waarin je meer over de glorietijd van Hiraizumi te weten kunt komen. Ook kun je er fietsen huren om de omgeving te verkennen. Het hedendaagse Hiraizumi is een klein, rustig en zeer welvarend ogende plaats.
Opvallend: Ik overnachtte in Hiraizumi in een ryokan, een traditioneel japans hotel. Op mijn eerdere reizen naar Japan had ik dat ook al een paar keer gedaan. Het is telkens weer een verademing. Dit keer sliep ik in Ryokan Shizukatei. Het ligt op het platteland, midden tussen de rijstvelden zo’n 8 kilometer van Hiraizumi. Ik ging erheen met een taxi, en werd al buigend enthousiast verwelkomd door het personeel. Schoenen uit, en ik werd met thee en een cakeje op een bankje neergezet. Eerst even de formaliteiten doornemen: hoe laat diner? Hoe laat ontbijt? Hoe laat weer weg? Dan brengt de Engelssprekende eigenaar me naar mijn kamer: traditioneel ingericht met tatami-matten. Maar met voldoende luxe van een TV, koelkast, airco en eigen badkamer.
In die kamer krijg ik om 6 uur het diner voorgeschoteld door Tomo, mijn persoonlijke bediende (niet echt hoor, ze moest nog meer kamers af). De eigenaar had me vooraf gevraagd of “sushi” en “biefstuk” goed was als diner. Maar ik krijg vooraf al een heel plateau aan vooral 101 creatieve dingen met rauwe vis. Verschillende soorten sashimi, maar ook de tentakeltjes van een inktvis. En paddestoeltjes in geklopt eiwit. En tempura. De hoofdgerechten komen dan nog: koude noedels, 3 overheerlijke sushi, en een soort gecaramelliseerde biefstuk. Allemaal geweldig.
Na het eten stort ik me op het andere fijne aan een ryokan: het Japanse bad. Ook hier in Shizukatei is er een gezamenlijke badruimte (mannen en vrouwen wel gescheiden). Het hete water komt via een permanente stroom van een bron buiten het meters brede bad in. Niets zo ontspannend als dit.
Ik ben zo moe van het bad en het eten dat ik om half 9 in slaap val. Tomo heeft inmiddels mijn futon uitgerold op de vloer, en bedekt met laken, kussen en dekbed. Ik vind het wel lekker slapen zo laag, alleen op je zij liggen doet toch wel pijn na een tijdje.
De volgende ochtend staat er weer een feestmaal als ontbijt voor me gereed. Appelcider, rijst en misosoep in de ochtend – ik lust het allemaal. De eigenaar is daarna nog zo vriendelijk me met zijn auto terug te rijden naar Hiraizumi, zodat ik mijn tocht langs alle tempels daar kan afmaken.
Aomori
“De archeologische vindplaatsen van de Jomon-periode” is een cluster van 15 prehistorische opgravingen op het noordelijke puntje van de provincie Tohoku en het uiterste zuiden van het eiland Hokkaido.
Als succesvol werelderfgoedverzamelaar moet je ook proactief te werk gaan. Zo zoek ik altijd naar plekken op de “Voorlopige Lijst” als die in de buurt van mijn globale reisroute liggen. “De archeologische vindplaatsen van de Jomon-periode” is er eentje van de Voorlopige Lijst van Japan. Voorlopig is hij nog niet aan de beurt om echt genomineerd te worden, maar je weet maar nooit.
Het is een cluster van 15 prehistorische opgravingen op het noordelijke puntje van de provincie Tohoku en het uiterste zuiden van het eiland Hokkaido. Van de 15 kies ik Sannai-Maruyama in Aomori uit voor een kort bezoek. Het lijkt de meest toegankelijke locatie te zijn.
Jomon gaat voor werelderfgoed!
De routebeschrijving met het openbaar vervoer was een beetje vaag, dus ik neem een taxi vanaf het station van Aomori om me 7 kilometer naar de rand van de stad te brengen. Het verandert meteen weer in een staaltje Japanse hulpvaardigheid: de taxichauffeur met wie ik geen taal gemeen heb, besluit dat ik het beste uit mijn bezoek aan Sannai-Maruyama moet halen en belt vast vooruit met zijn mobiele telefoon om aan te kondigen dat er een Engels sprekende bezoeker aankomt. Vervolgens gaat hij met mij het hoofdgebouw in om te verzekeren dat ik een Engelssprekende vrijwillige gids krijg. De meisjes achter de balie zijn ook allemaal erg blij met een gast uit “Oranda”.
Samen met de eerst wat moeizaam Engels sprekende gids loop ik verder het terrein over. Deze overblijfselen uit de Jomon-periode (5.500 – 4.000 jaar oud) werden pas ontdekt in 1992, toen ze een honkbalstadion op deze locatie wilden bouwen. Er zijn veel hutten, grotere gebouwen, grafkuilen en -kruiken, en heel veel aardewerk gevonden. Sannai-Maruyama bestaat vandaag de dag uit een buitenlocatie met gereconstrueerde gebouwen en archeologische opgravingen, en een overdekt complex met een museum en een winkel/restaurant/informatie- & beleveniscentrum.
Sites die zo oud zijn als deze zijn vaak moeilijk tot leven te brengen, maar ik moet zeggen dat ze er hier veel energie in hebben gestoken om er het beste van te maken. Soms door reconstructies om een gevoel te geven hoe de woningen er moeten hebben uitgezien, maar ook open putten (bedekt door kleine gebouwen om ze te beschermen) om te laten zien hoe het door de archeologen is aangetroffen. Het museum toont tot slot de grote objecten die hier zijn gevonden: jade ringen, veel speerpunten natuurlijk, versierd aardewerk en grappige kleifiguren die waarschijnlijk gebruikt zijn bij rituelen.
Ze zien nu al enthousiast uit naar een mogelijke werelderfgoedstatus, die wordt genoemd in de Engelse brochure en duidelijk zichtbaar is in het logo boven de receptie. Ik vrees dat de kansen klein zijn, daarvoor is het verhaal niet bijzonder genoeg, maar ik heb toch genoten van mijn bezoek van ongeveer een uur.
Kleipop gevonden in Sannai-Maruyama
Vijf minuten lopen ervandaan ligt het Aomori Museum of Art. Het is een echt moderne kunstmuseum, een heel groot gebouw met heel weinig inhoud. De binnenkomer bij de permanente collectie bestaat uit een zaal met 3 metershoge werken van Marc Chagall. Stoeltjes in het midden om ervan te genieten, erg mooi inderdaad. Dan volgt er een reeks typische Japanse pop art, zoals de Hula-Hula kamer. Het hoogtepunt is zeker het standbeeld van de Aomori-ken hond: 8,5 meter hoog, maar toch schattig.
De Hond (Aomori-Ken) van Yoshitomo Nara
Tegenover het museum blijkt een bushalte te liggen waar eens per uur een bus langs komt. Ik zie mensen zitten te wachten als ik klaar ben bij het museum, en ben dus mooi op tijd om simpel de bus terug te pakken naar het station. Daar eindig ik mijn bezoek aan Aomori weer eens met eten: gemarineerde rauwe tonijn dit keer.
#456: Shirakami-Sanchi
Wat is het?
Shirakami-Sanchi is een gebergte dat bedekt is met het laatst overgebleven grote bos van Japanse beuken. Vroeger stond heel het noorden van Japan er vol mee. De beuken zijn zeer goed bestand tegen de zware sneeuwval hier. Er is nooit gekapt, er zijn geen wegen, er wonen geen mensen. Wel leven er Aziatische zwarte beren. De hoogste berg is 1243 meter, en het gebergte wordt gekenmerkt door diepe valleien en steile hellingen.
Cijfer: 7 (Je gaat het automatisch toch vergelijken met dat andere Japanse bos: dat van Japanse ceders op Yakushima. Om de een of andere reden kwam dat toch puurder op mij over. Misschien komt dat ook omdat het me niet gelukt is om tot het kerngebied van Shirakami door te dringen. Ik heb het moeten doen met wat korte wandelingen in de buurt van Juniko. Gelukkig was het wel stralend weer, en heb ik genoten van het rare blauwe meer Aoike en de Nihon Canyon.)
Toegang: Gratis! Er is ook niet echt een ingang. Als je het kerngebied van het werelderfgoed wilt bezoeken, moet je vooraf toestemming aanvragen bij de autoriteiten (in het Japans).
Hoeveel tijd: Het kost je zeker wel een volle dag. De gemakkelijkste manier om het gebergte te zien is vanuit de trein: de Gono Line en de Ou Line rijden er elk aan een kant langs. Ik ging met de Gono Line naar Juniko, in een speciale trein met extra grote ramen. Je ziet zo overigens meer van de Japanse kust dan van de bergen. In Juniko ben ik met de bus naar het hoogste punt gegaan, en vandaar naar beneden gelopen (zo’n 2,5 uur inclusief stops).
Opvallend: Dit is een ongerepte wildernis, het kerngebied wordt alleen bezocht door zo’n 3000 bergbeklimmers per jaar. En door de Matagi, traditionele Japanse berenjagers die in de winter en het voorjaar in groepjes wekenlang in het bos verkeren. Ik maakte me voor mijn vertrek deze ochtend een beetje zorgen over wat ik zou aantreffen, of ik in mijn eentje over stille bospaden moest lopen en misschien oog in oog zou komen te staan met een beer.
Juniko (“12 meren”), dat net buiten het echte werelderfgoedgebied ligt, bleek echter ook op een doordeweekse dag een flink door Japanners bezochte bezienswaardigheid te zijn. Er zijn natuurlijk ook souvernirwinkeltjes, je kunt er eenvoudig eten, om de paar honderd meter zijn er schone toiletten. De enige beer die ik gezien heb zat opgesloten in een kooi. Ik hoop dat het een tijdelijke opvang was, veel meer dan een paar passen kon hij/zij er niet in zetten.
Rondje Tokyo per fiets
Tokyo is nogal een intimiderende stad. Waar andere Japanse miljoenensteden zoals Kobe of Kyoto nog wel iets overzichtelijks en gemoedelijks hebben, lijkt Tokyo alleen maar te bestaan uit winkels en mensenmassa’s. Er wonen 13 miljoen mensen, en dagelijks komen daar nog eens 2,5 miljoen forensen bij. Net als bij mijn eerste bezoek aan de Japanse hoofdstad in 2000 vond ik het lastig om er grip op te krijgen. Echte, niet te missen, bezienswaardigheden zijn er ook niet.
Een uitkomst bleek de fietstour van Tokyo Great Cycling Tour te zijn: in één dag onder leiding van een gids interessante plekjes in deze immense stad leren kennen. Vanochtend om 9 uur ging ik samen met 11 internationale medefietsers op pad, achter Yuki aan. We gaan de “Edo-Tokyo cultuurrit” doen.
Heel veel ouds is er niet meer in Tokyo. Onze eerste stop is bij de Nihonbashi-brug, die er al sinds 1603 ligt. Een eerdere versie dan, de brede weg van nu is uit het begin van de 20eeeuw. Dat 1603 is een belangrijk jaartal uit de geschiedenis van Tokyo: het is het begin van de bloeiperiode van Edo (zoals het vroeger heette).
Fietsen in Tokyo vraagt wel stuurmanskunst en goed opletten. Voetgangers en fietsers delen hetzelfde pad, en je cirkelt dus een beetje van links naar rechts om de sms-ende scholieren of moelijk ter been zijnde oma’s heen. Yuki kent de straten hier natuurlijk op haar duimpje, en we fietsen ook delen over de meerbaanswegen met auto’s.
We stoppen bij een luxe winkel met traditionele Japanse koekjes, gebak, snoep en ander zoet spul. Of het ook lekker is betwijfel ik eigenlijk, maar de presentatie van alles is geweldig. We mogen iets lekkers uitzoeken, wat we even verderop in een parkje opeten. Ik heb een rijstbal gevuld met rodebonenpasta. Het is glibberig en mierzoet.
Na een halfuurtje komen we in smalle straatjes terecht. Net als ik verbijsterd denk “wat zit daar een dikke, blote man op de trap”, blijken we bij een hele zaal vol sumoworstelaars te zijn aangekomen. Ze trainen hier, in hun “stal”. Daar wonen ze ook samen, op de verdieping erboven.
Het is tegen tienen, en ze zijn bijna aan het eind van hun ochtendtraining die om 7 uur is begonnen. Veel meer dan rekken en strekken lijken ze niet te doen, maar eerder op de ochtend schijnen ze al oefenpartijtjes te hebben gedaan. Aan de gezichten en het zweet te zien zijn ze behoorlijk kapot. Dit zijn nog redelijk jonge jongens, ook nog niet zo heel dik. Het zijn wel professionals. Maar ze moeten nog heel wat eten en trainen om bij de top te komen.
Deze trainingsschool ligt in een wijk waar er meerdere van dit soort scholen zijn. We zien ook nog twee worstelaars op de fiets. Dat is wel een heel grappig gezicht: twee grote, dikke mannen in badjas en slippers ieder op een lage damesfiets. We moesten zo lachen toen we hen zagen, dat we niet zo snel een foto konden maken. We probeerden ze op de fiets nog in te halen, maar dat is niet gelukt.
Hier vlakbij ligt ook het sumo-stadion, een grote sporthal die van buiten ook wat op een tempel lijkt. De sumo-sport is sterk verbonden met de Shinto-godsdienst. Vandaar al die rituelen die de worstelaars opvoeren voordat ze aan hun partijtje duwen beginnen. Onder de sporthal is een klein sumo-museum. We zien de eregalerij van de grote kampioenen. De laatsten zijn allemaal buitenlanders (uit Mongolië, Hawaii). Ook dit jaar wordt weer geen Japanse winnaar van de grote toernooien verwacht. Ook de Bulgaren, Russen en Esten hebben de sport ontdekt.
Het loopt inmiddels tegen lunchtijd, en we fietsen naar een groot warenhuis om inkopen te doen. In eigenlijk alle warenhuizen zijn de kelderverdiepingen bezet door supermarkten en goedkope eettentjes. In het warenhuis dat Yuki voor ons heeft gekozen, hebben ze een heel grote keuze aan bento’s – houten bakjes gevuld met van alles voor de lunch. Van sushi tot vlees tot groenten. Ik kies er eentje die er leuk uitziet, er zitten vooral groenten en paddenstoelen in.
Nadat alle groepsleden wat hebben uitgekozen, gaan we nog eens zo’n moeilijke beslissing in om iets te drinken te kopen. Er is zoveel te koop hier in de supermarkten. Het enige wat je mist is fruit – dat is er wel maar stervensduur. Bijna 20 EUR voor een bak met druiven bijvoorbeeld. Die luxe fruitpakketten zijn trouwens vooral om als cadeau te geven.
We eten de lunch buiten op. Gelukkig is het prachtig weer vandaag. Vanaf onze picknickplaats, en ook iets daarvoor al, hebben we goed uitzicht op Tokyo’s meest recente trots: de Tokyo Sky Tree. Het is met zijn 634 meter de hoogste toren ter wereld. En het is ook het op één na hoogste gebouw ter wereld.
Pas vanaf afgelopen mei is hij helemaal gereed, en opengesteld voor publiek. Je kunt omhoog met een lift. En verder zijn er natuurlijk weer veel restaurants en winkels. Je zou denken dat ze er daar inmiddels wel genoeg van hebben in Tokyo, maar “het zijn heel nieuwe winkels”. Entree tot de toren is al voor maanden uitverkocht. Heel veel mensen staan het ding (het is een televisietoren) ook te fotograferen.
Direct na de lunch rijden we naar de wijk Asakusa. Daar ligt de belangrijkste tempel van Tokyo: Senso-ji. Ik ben hier in 2000 ook geweest, en een deel van mijn medefietsers hebben hem ook al gezien. We krijgen 20 minuten om er rond te lopen, nadat Yuki ons het verschil tussen een boeddhistische tempel en een shinto-schrijn heeft uitgelegd. Je kunt het in ieder geval zien aan de toegangspoort.
Het is hier erg druk. De tempel vind ik lang niet zo interessant als andere tempels die ik op deze reis al heb gezien, zoals die op de Kibi-vlakte.
We moeten daarna een flink stuk verder fietsen. Er zit ook een grote brug in het parcours – met de zwaarste helling van de hele rit. Ik red het net om in de eerste versnelling boven te komen. Mijn tourgenoten overigens allemaal ook, het zijn wel geoefende fietsers. Deze tour is niet iets voor mensen helemaal zonder conditie of die nauwelijks ooit gefietst hebben (wat ik wel eens op andere tours heb meegemaakt). De gids fietst ook stevig door steeds. En wij moeten haar proberen bij te houden. De rij wordt dan gesloten door de tweede gids (meer een hulpgids): Tomo.
Tomo is bezig met promotieonderzoek aan de Universiteit van Tokyo. De campus van die universiteit, de meest prestigieuze van Japan, is onze volgende bestemming. Dit is een plek waar je zelf nooit naar toe zou gaan. Maar het is een verbazingwekkende locatie, met Europees aandoende gebouwen. Er lopen natuurlijk veel studenten rond, maar ook oud-studenten die foto’s aan het maken zijn. We rusten uit met koffie onder een grote boom op het binnenterrein.
Via het grote Ueno-park, waar ik gisteren al was voor het Nationaal Museum, rijden we verder zuidwaarts richting keizerlijk paleis. Het is heel groen in dit deel van de stad. We stoppen eerst bij een zijpoort, waar cameraploegen en politie staan opgesteld. Het keizerlijk paar woont aan deze kant van het complex, en zo te zien gaan ze dus even weg. Het blijkt nog een uur te duren voordat ze langs gaan komen, daar gaan we maar niet op wachten.
We fietsen door naar de voorzijde van het paleiscomplex, naar de hoofdingang. Deze ingang is trouwens maar 2x per jaar open voor publiek. We kunnen er nu dus alleen maar een beetje voor staan kijken. Het paleis zelf kun je ook niet zien, alleen maar wachttorens. De gids laat ons de huidige samenstelling van de keizerlijke familie zien. Net vanochtend is een neef van de kroonprins overleden, de 6e in rij van troonopvolging. Alleen mannen kunnen op de troon komen in Japan, en ook trouwen binnen de familie gaat al niet meer zodat ze steeds moeten terugvallen op burgers als huwelijkskandidaten.
We pikken nog een laatste verrassing mee: in een naburige straat is men zich aan het voorbereiden voor een processie. Morgen en ook dit weekend zijn er festiviteiten in Tokyo, voor het begin van de zomer. De Shinto-priester wijdt het schrijn dat door de straten gedragen zal worden vast even in.
Zeseneenhalf uur en 26,6 kilometer na vertrek komen we dan weer aan bij het kantoortje van de fietstourorganisatie. Daarmee zit de inspannende, leerzame en vooral ook leuke tour erop. En heb ik eindelijk de leuke kanten van Tokyo gezien.
Tempels kijken in Kamakura
Ik had mijn reisprogramma zo opgesteld dat ik de laatste twee dagen ten volle zou benutten, en doodmoe het vliegtuig in zou gaan. Gisteren met de fietstour was dat helemaal gelukt. Toen ik vanochtend weer op gang moest komen voelde ik vooral de vermoeidheid in mijn armen nog.
Vandaag ga ik de hele dag naar Kamakura: hoofdstad van Japan tussen 1192 en 1333, en mogelijk nieuw werelderfgoed in 2013. Het is ook de plek waar het boeddhisme vaste voet aan de grond kreeg in Japan, binnengekomen vanuit China. Wat er te zien is? Tempels, heel erg veel tempels. Op de plattegrond die ik bij de tourist infomation oppik tel ik er 61. Vooraf heb ik een lijstje gemaakt van de 6 meest interessante, en die ga ik dus langs.
Heel veel tempels, niet altijd zo duidelijk aangegeven als hier
De boeddhistische tempels en Shinto-schrijnen liggen verspreid in en om het plaatsje Kamakura. Vanaf het station loop ik eerst naar het centrale deel, naar het grootste en belangrijkste schrijn van de stad: Tsurugaoka Hachimangu. Althans, dat is de bedoeling maar ik heb meteen al moeite met de weg te vinden. Uiteindelijk kom ik er van de zijkant binnen. Het is vooral erg groot, en met feestdagen ook stervensdruk.
Erg lang kan het me niet boeien, en ik loop weer verder. Nu naar het noorden van de stad. Helaas is het lopen hier niet zo plezierig als bijvoorbeeld in Hiraizumi: er is druk verkeer op de straten, en van een trottoir is nauwelijks sprake. Het is ook nog eens flink heet, en mijn hersens weten na al dat fietsen van gisteren niet zo goed meer hoe ze mijn benen in de wandelstand moeten zetten.
Uiteindelijk weet ik Hokokuji te bereiken. Dit is één van de Zen-boeddhistische tempels van Kamakura. Het is vooral bekend vanwege zijn bamboe”bos”. Echt op z’n Zen’s is er een minibosje aangelegd van een paar vierkante meter – ze moeten je gemoedsrust brengen. En inderdaad is het er veel aangenamer dan langs de drukke weg.
Op weg naar Hokokuji was ik al geïntrigeerd geraakt door drie Duitsachtige “Konditoreien” die hier aan de straat zitten. Ik krijg al helemaal visioenen van appeltaart. Na snel nog even bij de zeer oude Sugimotodera tempel te hebben gekeken, stap ik binnen bij Konditorei Bergfeld. Het straalt er al meteen vanaf dat het er erg duur is. Samen met de serveerster loop ik de keuze aan gebak door – Europees aangepast aan de Japanse smaak. Het cakeje gevuld met pruimen lijkt me het nog het minst erge. Samen met koffie komt dat neer op 8,40 EUR.
Ik heb de extra energie wel nodig, want ik moet nu naar de andere kant van de stad lopen. Hiervoor snijd ik eerst in een half uur of zo het centrum dwars door, tot aan de Jochji tempel. Daar achter begint namelijk een wandelpad van 3 kilometer dat je langs nog meer interessante tempels leidt, en uiteindelijk eindigt bij de Grote Boeddha van Kamakura.
Het fijne aan het wandelpad is dat je eindelijk verlost bent van de drukte van de auto’s om je heen. Het minder fijne is dat het veel klimmen en dalen is, over de in Japan zo gebruikelijke boomwortels waar je zo lekker over kunt struikelen. Er zijn veel andere wandelaars onderweg. Iedereen begroet mij met een hartelijk Konnichi Wa.
Pas tegen het eind van het pad stuit ik op de eerste interessante tempel. Of eigenlijk is het een Shinto-schrijn: Zeniaraibenzaiten. Hier loopt een stroompje door een grot, en het verhaal gaat dat als je daarin je geld wast, je hoeveelheid geld zal toenemen. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd aan de vele Japanse schoolkinderen die hier aanwezig zijn. Driftig wassen ze hun muntjes van 1 Yen.
Het is me ook bij andere tempels in Japan al opgevallen: ze draaien heel wat omzet door de schoolkinderen. Er is altijd volop goedkope prullaria te koop, en ijsjes en snoep.
Ik ben blij dat ik even verderop het einde van het wandelpad heb bereikt. Ik heb geloof ik wel een tempel gemist, maar ja. Ik heb spierpijn en wil eerst eten. Het is al half twee. Ik sjok dus door de straten vol souvenirwinkels op zoek naar een restaurantje. Veel verder dan een Okonomiyaki-tentje kom ik niet. Deze gevulde Japanse pannenkoek is wel lekker voor een keertje. Het duurt alleen wel lang voordat-ie klaar is. Meestal staat het eten hier in Japan binnen twee minuten voor je neus, maar deze moet eerst nog een kwartiertje aan je tafel gebakken worden. “Heb je honger?” vraagt de serveerster al. Euh, ja!
Na het eten ga ik de laatste twee tempels langs. De Hasedera-tempel is de eerste, en meteen de mooiste van de hele dag. Het staat vol met Jizo-standbeeldjes ter nagedachtenis aan gestorven kinderen. Het is een heel groot tempelcomplex, tegen de heuvelrug aan en dus weer veel trappenlopen. Er is een grot gewijd aan de godin Benzaiten (waar je kleine gele benzaiten-tjes kunt offeren), en het klapstuk is het ruim 9 meter hoge met goud bedekte standbeeld van de boddhisatva Kannon met 11 hoofden.
De populairste bezienswaardigheid van Kamakura heb ik tot het laatst bewaard: de Grote Boeddha. Het is een bronzen standbeeld van meer dan 13 meter hoog. Het staat op zijn eigen binnenplaats te stralen. Vroeger stond-ie binnen in een tempel, maar die is door zware weersomstandigheden verloren gegaan. Sindsdien staat-ie in de openlucht, en dat is wel zo mooi.
Terugblik Japan 2012
Het was weer fijn in Japan: het is vooral een heel prettig land om te zijn, zo kalm, zo beleefd, zo optimaal georganiseerd. En zulk geweldig eten altijd maar weer.
Ik was er 3,5 week vanaf half mei tot begin juni. Gelukkig veel zon gehad, en aangename temperaturen van zo’n 25 graden. Hoogtepunten dit keer: het eiland Yakushima (lekker compact, maar toch een beetje wild met volop apen en herten), de fietstocht over de Kibi-vlakte (hier op het platteland zag ik de mooiste tempels) en mijn verblijf in Hiraizumi (een rustgevende plek, en een fijne ryokan).
Voorbereiding
Reizen naar Japan vraagt wel veel geplan vooraf. Ik had natuurlijk ook specifieke dingen die ik wilde zien: vijf vrij obscure werelderfgoederen bijvoorbeeld die verspreid liggen over het land – van zuidwest tot noord. En dan heb je ze nog niet eens allemaal gehad: er zijn er 2 die nog meer afgelegen liggen. Dus al een maand of 2 van tevoren had ik mijn hele dagplanning klaar. Daar heb ik me grotendeels ook aan gehouden. Ik heb wel veel rondgetrokken en ben nergens lang gebleven, maar omdat het vervoer zo gemakkelijk is in Japan is dat toch minder vermoeiend dan in andere landen.
De hotels had ik vooraf al vrijwel allemaal in Nederland geboekt – gunstig gelegen hotels raken er snel vol, en ze zijn ook niet zo berekend op binnenlopers.
Ook heb ik via Tozai Travel een treinkaart aangeschaft: de Japan Rail Pass voor 3 weken onbeperkt reizen op het Japanse spoor. De twee binnenlandse vluchten had ik ook zelf rechtstreeks bij de vliegmaatschappij op internet gekocht.

Veel bijzonders hoef je verder niet mee te nemen. Om alle elektronica te laten werken heb je wel een wereldstekker nodig. Op het laatste moment had ik nog een USB-Ethernetkabeltje gekocht, en die heb ik ook regelmatig gebruikt: in de hotels zie je meer vast internet via een kabeltje dan draadloos.
Handige websites:
Japan Guide: Goede info over alle bezienswaardigheden. Je hebt geen reisgids meer nodig (die had ik ook niet bij me).
Yakushima Visitors Guide: Met veel liefde gemaakte website over dit eilandje, met heel veel handige tips.
Hyperdia: De onmisbare routeplanner van de Japanse spoorwegen.
Vervoer
Het openbaar vervoer is over het algemeen heel goed geregeld in Japan. Bij de treinen staat de bestemming er ook in het Engels op, bij de bus is dat wat minder vaak het geval.
Trein
Verplaatsingen kosten nooit erg veel tijd in Japan: je overbrugt zo een paar honderd kilometer met de shinkansen. Gratis met de Japan Railpas. En ook gratis een zitplaats reserveren, zodat je zeker weet dat je niet hoeft te staan. Niet dat die dreiging erg groot was – het was niet druk in de treinen. Alleen ten noorden van Tokyo wordt het wat krapper, maar daar rijden de snelle treinen ook maar 1x per uur in plaats van 2x of vaker in het midden en zuiden van het land.
De werelderfgoederen Iwami Ginzan, Hiraizumi en Shirakami-Sanchi liggen alle drie niet aan een snelle spoorlijn. Ik heb dus ook heel wat Japanse boemeltreintjes van binnen mogen zien. Ze stoppen wel heel erg vaak, maar verder is er niks mis mee.

Bus, boot en overig
Daar waar er geen treinen rijden, zijn er altijd nog bussen, boten en taxi’s. Naar en van Yakushima ging ik met de draagvleugelboot. Ook daar was het niet zo druk, zodat ik gewoon bij vertrek nog een kaartje kon kopen. In de steden rijden bussen en soms ook trams en metro’s. Het is allemaal kinderlijk eenvoudig te doorgronden, en een ritje kost meestal niet veel meer dan 1,5 EUR.
Voor het eerst heb ik ook een binnenlandse vlucht genomen, twee keer zelfs: naar en van Okinawa. Dat is namelijk wel heel ver met de boot (dagen). Ook in Japan hebben ze lowcost vliegtuigmaatschappijen. En ook daar zijn ze goedkoop en simpel. Ik reisde o.a. met Skymark Airlines. Op beide vluchten waren meer dan de helft van de plaatsen onbezet. Het kost ook minder dan een gemiddelde lange treinreis.

Overnachtingen
Ik heb vrijwel alle hotels vooraf via internet geboekt, bij sites als Booking.com
Naha (Okinawa)
Erg gunstig gelegen hotel, pal naast het Asato monorailstation en op 5 minuten lopen van de grote winkelstraat van Naha (met ook heel veel restaurants). Ik had er een eenpersoonskamer, klein maar handig genoeg. Met nette badkamer en zelfs een ligbad. Erg snel draadloos internet. Het ontbijt is niet inclusief, voor 7 EUR kun je een redelijke mix van Japanse en westerse gerechten krijgen met prima koffie.
Best Western Naha Inn, 50 EUR
Kagoshima
Misschien wel de kleinste kamer die ik ooit gehad heb: een bed ingeklemd tussen het raam en de badkamer, en daarnast nog net wat loopruimte. Toch is alles er: een bad, een Japanse WC met verwarmde bril, gratis internet via een kabel, zelfs satelliet TV (met alleen maar Japanse zenders trouwens). Het hotel ligt halverwege tussen de grote winkelstraat en de haven, beide zijn op loopafstand. Ontbijt is niet inbegrepen, en ook alleen maar Japans, zodat ik zelf maar wat gehaald heb bij de supermarkt.
Hotel Sunflex, 74 EUR
Miyanoura (Yakushima)
Dit is een jeugdherberg, die ligt aan de overkant van de haven waar je aankomt met de boot uit Kagoshima. Eigenlijk is het gewoon een huis, met 5 kamers. Lekker rustig dus. Ik heb een privé-kamer genomen, en krijg de ruimste kamer die ik tot nu toe in Japan heb gezien. Er staat een stapelbed, een kast, tafel en stoel, plus nog een hele tatamivloer waar je op kunt liggen. Badkamer is gedeeld en op de gang. Ook hier geen ontbijt, maar wel een broodrooster en koelkast en zo die je mag gebruiken.
Miyanoura Port Side Youth Hostel, 53 EUR
Kumamoto
Ik overnachtte hier 2 nachten in een Toyoko Inn, een van Japan’s bekendste budgethotelketens. Het ligt aan de hoofdstraat van Kumamoto, pal tussen de winkels. Het is verbazingwekkend hoeveel ze in een kleine kamer kunnen stouwen. Maar alles is er, van koelkast tot TV, bad, draadloos internet, waterkoker, kluisje. Ontbijt is ook inbegrepen, wel vooral Japans maar toch ook nog wat zachte broodjes, jam en ik lust ook wel zo’n rijstbal..
Toyoko Inn Kumamoto-jo, 52 EUR
Okayama
Leuke stad, Okayama. Beroemd om zijn tuinen en kasteel. Verder gewoon lekker overzichtelijk en modern. Weer in een Toyoko Inn geslapen – en mijn kamer is exact hetzelfde als die in het vorige hotel. Alleen in spiegelbeeld. Ook dit keer beviel het prima. Het hotel ligt 2 minuten lopen vanaf het station. Mijn kamer was op de 11e verdieping, dus met mooi uitzicht over de stad.
Toyoko Inn Okayama-eki Higashi-guchi, 57 EUR
Izumo
En de laatste Toyoko Inn. Deze ligt precies tegenover het station. Er zijn ook een paar restaurants in de buurt, verder is er in het stadje helemaal niks te beleven. Ook hier was de overnachting weer prima. Zelfs wat extra dingen bij het ontbijt dit keer, zoals fruit. Opvallend was dat het hotel vol zat met bouwvakkers / wegwerkers, plus enkele Japanse toeristen.
Toyoko Inn Izumo-shi Ekimae, 52 EUR
Kobe
Hotel met een trouwkapel, dat is weer eens wat anders. Ligt gunstig halverwege het station en het centrum, beide 5 minuten lopen. Lobby doet iets groots vermoeden, maar de kamers zijn wat verouderd en er kan geen raam open. Ook het internet doet het niet op mijn wat afgelegen kamer 524. In de lobby werkt het wel. Goedkoopste maar ook eenvoudigste kamer van deze reis.
Green Hill Hotel, 45 EUR
Yokohama
Groot en luxe hotel boven het treinstation Shin-Yokohama. De hotelkamers zijn rond een atrium gebouwd, het was echt een eind lopen om weer bij de lift te komen. Heb kamer op de 14e verdieping met wijds uitzicht over Yokohama. Vooral een heerlijk bed. Draadloos internet is wat wisselvallig, er is ook een kabel als alternatief. Er is een uitgebreid ontbijtbuffet in de ochtend, met voor de niet-Japanners zelfs wat plakjes kaas en verschillende soorten brood.
Hotel Associa, 120 EUR
Hiraizumi
Diep in het platteland achter Hiraizumi ligt dit traditionele Japanse hotel. Je moet er met de taxi naar toe, zo afgelegen ligt het. Dan krijg je wel uitzicht op de groene rijstvelden vanuit je kamer. Het diner is inclusief, en erg uitgebreid. Verdere plusplunten: bijzonder vriendelijk personeel en lekker Japans bad. Ontbijt is erg Japans, maar ook lekker. Je slaapt op een tatami-vloer. Kamer heeft wel moderne dingen zoals TV, airco en koelkast.
Ryokan Shizatei, 110 EUR (inclusief diner)
Hirosaki
Ik had deze plaats gekozen als handig startpunt voor de trein langs Shirakami-Sanchi, maar achteraf bleek Aomori de gezelligere stad. Steeds wat moeite gehad om in Hirosaki een goed restaurant te vinden. Hotel is ook dit weer van een keten, pal tegenover het station. De kamer is net zo klein maar prima verzorgd net als alle andere. Wifi deed het niet, internet met kabel wel. Ontbijt is inclusief, maar dat heb ik niet uitgeprobeerd omdat er een Doutor-coffeeshop in het station zit – goed voor cappucino en belegde broodjes.
Route Inn, 55 EUR
Akita
Van de stad zelf heb ik niet veel gezien, ik was er op doorreis van het noorden terug naar Tokyo. Deze Dormy Inn ligt op ongeveer 5 minuten lopen van het station. Het is ook een hotel uit een keten, net als de Toyoko Inn en de Route Inn. De inrichting is wat anders dit keer: voor het eerst geen bad maar alleen een douche. Met een beetje moeite ook het raam opengekregen, en prima geslapen. Internet alleen via kabel.
Dormy Inn, 65 EUR
Tokyo
Dit hotel ligt vlakbij de Tokyo Dome, de “Arena” van Tokyo waar sportwedstrijden en popconcerten worden gehouden. Er zit ook een winkelcentrum bij en er zijn heel veel restaurants in de buurt, zowel buitenlandse als Japanse. Hotel Niwa is nogal chique, vooral de lobby en de bijbehorende restaurants. Mijn kamer is iets beter maar ook weer niet zo heel veel dan de standaard businesshotels waar ik veelal deze reis heb overnacht. Er is een echt ligbad dit keer, een lekker bed, en ook het draadloos internet werkt prima. Geen ontbijt inbegrepen.
Hotel Niwa, 125 EUR
Eten & Drinken
Soms leek het wel een culinaire reis. Het is onvoorstelbaar hoeveel variatie er in Japans eten is. Iedere streek heeft zijn eigen specialiteiten, en die heb ik dus ook zo vaak mogelijk uitgeprobeerd. In de grote steden zijn ook wel internationale restaurants, maar daar vond ik het eten vaak minder geslaagd. Ze zijn ook duurder: voor een Indiase of Italiaanse maaltijd met iets te drinken erbij betaal je zo’n 20-25 EUR. Japans eten kan erg goedkoop zijn: meestal betaalde ik zo’n 5 tot 7 EUR voor een noedelsoep, 12-14 EUR voor een menu.
Een paar hoogtepunten
Geen enkele keer heb ik slecht gegeten. Het enige waar ik op moest letten of ik de bediening op de een of andere manier duidelijk kon maken wat ik wilde eten. Soms kwam er spontaan een Engelstalig menu ergens vandaan, andere keren kon ik wat aanwijzen in een menu met plaatjes of in de vitrine.

Kagoshima Ramen – noedelsoep met varkensbot

Japans junkfood: okonomiyaki

Vliegende vis, uit Yakushima
Drinken
Bij de Japanse restaurants krijg je standaard koud water of koude / warme thee bij het eten. Het is niet zo gebruikelijk om nog een extra drankje te bestellen. Als je dat wel doet, merk je hoe duur drank is in restaurants: 3 EUR voor een cola, 4 tot 6 EUR voor bier. Dat laatste betaalde ik ook voor mijn dagelijkse cappuccino-shot. Bij Doutor hebben ze de beste cappuccino en de lekkerste broodjes, maar deze Japanse keten wordt langzaamaan verdrongen door het Amerikaanse Starbucks (met die slappe melk-cappuccino).

Lunch bij Doutor
Kosten
Inclusief treinkaart en binnenlandse vluchten heb ik 167 EUR per dag uitgegeven. Aan eten (32 EUR) en entrees/tours (10 EUR) geef je eigenlijk niet zoveel uit. Ook goedkope hotels zijn wel te vinden. Als ik me bij de hotelketens had gehouden, dan zit je op 50-60 EUR per dag. Het zwaarst tikt het vervoer aan: dit kostte me gemiddeld 52 EUR per dag. Maar ik heb dan ook grote afstanden afgelegd, en twee afgelegen eilanden bezocht. Daarbovenop komt nog de vlucht: 1028 EUR voor een internationaal KLM-ticket.
Je geeft dus in een reis van 3,5 week wel flink wat uit. Ik begon al goed op het vliegveld van Tokyo, toen ik per ongeluk 1050 EUR pinde. Ik dacht voor 300 EUR te pinnen, en bedacht toen dat het ook handig zou zijn om wat kleiner briefgeld te hebben. Dus nog een keertje 75 EUR erbij gevraagd, en dat werd dus 750 EUR. Ik was een beetje met de nullen in de war – je moet er twee afhalen (100 Yen = 1 EUR).
Nou ja, ook 1050 EUR komt gemakkelijk op als je een paar hotels cash betaalt. En om kleiner geld had ik me geen zorgen hoeven te maken, het is nergens een probleem om met een briefje van 10.000 Yen (100 EUR) te komen aanzetten. Zelfs sommige frisdrankautomaten wisselen het.
Als je een internationale geldautomaat tegenkomt is het het beste er ook meteen maar goed gebruik van te maken. Bij de meeste Japanse banken kun je met Europese creditcard of pinpas geen geld opnemen. Dat kan alleen bij de postkantoren, de 7-11 supermarkten (tegenwoordig niet meer zo talrijk in Japan) en bij de schaarse buitenlandse banken zoals de Citibank.





























































Leave a comment