Twee musea in Parijs
Het Musée d’Orsay is het Parijse museum gewijd aan vooral Franse kunst uit de periode 1848-1914. Het gaat om half 10 open, en omstreeks dat tijdstip kom ik ook aanlopen. Voor de ingang staan de bezoekers al rijen dik te wachten, ik schat zo’n 300 mensen. Ik wil toch graag naar binnen dus sluit me maar aan in de rij. Als de deuren open gaan, slinkt de rij snel. Het duurt een kwartiertje voor ik binnen ben, mijn kaartje à 9 EUR heb gekocht en een audiogids heb opgehaald.
Het museum is gehuisvest in een oud treinstation, daardoor is er ook ruimte genoeg om heel veel bezoekers binnen te laten. Er zijn opvallend veel verveelde schoolkinderen onder hen. De kunst is per stroming in separate zalen tentoongesteld. Er is veel van alles, een grote ruimte vol postimpressionisme, misselijkmakende schilderijen opgebouwd uit stipjes. En een hele eigen ruimte voor Toulouse-Lautrec, dat tuttige is ook niet echt mijn smaak.
Tegen het eind van mijn rondgang kom ik bij de zalen gewijd aan het Impressionisme. En daar zie ik voor het eerst de mensenmassa ook weer. Vooral groepen met gidsen trekken rechtstreeks hiernaartoe. Ze staan met een man of 20 rond één schilderij, terwijl de gids via een microfoontje uitleg geeft.
Mijn doel in deze zalen is het schilderij Le dejeuner sur l’herbe van Edouard Manet. Het is één van de 101 hoogtepunten benoemd in de cursus kunstgeschiedenis waar ik mee bezig ben. Het zorgde voor veel rumoer toen het voor het eerst aan het publiek werd gepresenteerd in 1863– vooral omdat er zo maar een eigentijdse blote vrouw centraal in het schilderij zit, naast twee geklede mannen.
Het is een erg groot schilderij, meters hoog en breed. Als je ervoor staat word je blik meteen getrokken naar die ene blote vrouw – het is het deel dat het meest oplicht, door haar blanke huid in tegenstelling tot de zwarte pakken van de mannen en de groene omgeving.

Ik loop nog even langs Van Gogh (het spannende, dynamische De kerk van Auvers hangt hier onder andere) en Gauguin, en houd het dan na twee uur voor gezien. Ik stap weer in de metro.
Mijn volgende bestemming, het Musée Guimet, ligt aan de andere kant van de Seine. Metrostation Iena blijkt pal naast de ingang te liggen van dit museum voor Aziatische kunst.
Maar ik begin eerst met Aziatisch eten: in de kelder is een klein museumrestaurant in vaag Aziatische sfeer. Ook de menukaart is een mengelmoes van kleine Aziatische gerechten. Ik kies de Salade Royale, wat een Vietnamese salade met garnalen, kip, ananas en vissaus blijkt te zijn. Erg lekker.
Gesterkt begin ik aan mijn rondgang over de drie verdiepingen die het gebouw rijk is. De grote entreezaal is gewijd aan Cambodjaanse kunst. Het lijkt wel of ze half Angkor naar Parijs hebben overgebracht, maar uit ervaring weet ik gelukkig dat er in Cambodja gelukkig nog veel op de originele plaats staat. Het is een zaal vol boeddhistische sculpturen.
Dit museum is niet een van de bekendste van Parijs, dus gelukkig zijn er ook niet zoveel bezoekers als in het d’Orsay vanochtend. Ik ben wel verrast hoe groot het hier is. Zaal na zaal, verspreid over drie verdiepingen. Het staat ook wel erg vol met objecten moet ik zeggen. Net als in d’Orsay veel overdaad, zoveel te zien dat je je een beetje verloren gaat voelen. Helaas heb ik hier geen audiogids tot mijn beschikking, daarvoor moet je een identificatie (paspoort/rijbewijs) achterlaten en die heb ik niet bij me vandaag.
Ik dwaal dus maar wat rond door het gebouw, en blijf staan bij wat me aanspreekt. Het is allemaal erg mooi, alleen ik heb al zo veel van Azië gezien dat er weinig echt bijzonders bij zit.
Een uitzondering is de collectie kunst uit Afghanistan. De tentoonstelling draait om een “schat” die gevonden is in de jaren dertig in de plaats Bagram. De inhoud dateert uit de 2e eeuw, en laat zien hoever de contacten van de lokale heersers reikten: ivoren voorwerpen uit India, glaswerk uit Egypte en Syrië, gelakte doosjes uit China. Vooral het uitgesneden ivoor is in erg goede staat en zit vol met details.
#451: Loiredal
Wat is het?
Het Loiredal tussen Sully-sur-Loire en Chalonnes-sur-Loire is een cultuurlandschap langs de rivier de Loire. Het gebied omvat een 200 kilometer lange strook aan de oevers van de rivier, en de rivier zelf. Al sinds 2000 jaar heeft de mens dit land in cultuur gebracht, met als hoogtepunt de periode van de Renaissance en de Verlichting. Langs de rivier liggen historische Franse plaatsen zoals Orleans, Blois en Tours. De streek is vooral bekend om zijn vele kastelen. Het bekendste daarvan, Chambord, werd al in 1981 op eigen kracht tot de werelderfgoedlijst toegelaten. In 2000 is de nominatie uitgebreid tot het hele Loiredal.
Cijfer: 8 (Ik verwachtte een soort Versailles of Fontainebleau, een geheel gemeubileerd paleis met bonte zalen. Maar Chambord is meer een middeleeuws kasteel, grotendeels leeg. De verbazing begint al als je binnenstapt: de grote wenteltrap in de vorm van een dubbele helix is ingenieus en creatief, zonder het protserige van veel paleisentrees. Als je je via die trap naar de bovenste verdieping hebt gedraaid, kom je midden tussen de torentjes te staan – het andere handelsmerk van dit kasteel. Veel ervan zijn schoorstenen, om de rook van de 282 haarden weg te voeren. En dan te bedenken dat koning Frans I slechts 72 dagen heeft genoten van dit jachtkasteel, dat hij in de 16e eeuw in Italiaanse stijl liet optrekken.)
Toegang: De entree tot Chambord kost 9,50 EUR. Ook betaalde ik nog 5 EUR voor een audiogids, maar die was het dit keer niet waard. Als je binnen bent spreekt het allemaal wel voor zich, en er staan ook nog informatieborden.
Hoeveel tijd: Anderhalf uur voor kasteel Chambord. Als je het zoals ik als dagtocht vanuit Parijs doet, ben je wel ongeveer de hele dag onderweg. Zeker op zondag, waarop je maar één kans hebt om met het openbaar vervoer Chambord te bereiken. Streekbus 18 vertrekt dan maar twee keer per dag uit Blois, en de eerste trein uit Parijs sluit aan op de tweede bus (die van 11.30 uur). Er zijn twee bussen terug (om 14.22 en 16.10 uur), en genoeg treinen.
Opvallend: Klokkijken is niet mijn grootste kwaliteit. Dat bleek maar weer toen ik met de bus terugkwam bij het station van Blois tegen half 4. Ik dacht: ik neem een cappucino, wacht een half uurtje in de warmte van de stationshal en pak dan de trein van 16.57 terug naar Parijs. Tegen tien voor 4 liep ik naar het perron, waar nog helemaal niemand stond. Vreemd, misschien dat iedereen tot het laatste moment binnen bleef omdat het buiten nogal hard waaide. Pas nadat ik het perron een keer heen en weer was gelopen kwam ik er achter dat 16.57 geen 3 minuten voor 4 is, maar 3 minuten voor 5. Ik had dus nog een heel uur over! Had ik het eerder geweten, dan had ik nog het kasteel van Blois kunnen bekijken dat in het centrum van het plaatsje ligt.
Met een uur te gaan en opklarende lucht besluit ik er alsnog te gaan kijken. Gelukkig maar, anders had ik deze mooie ruiter gemist.
Langs de Seine van oost naar west
Hoewel ik al ruim 20 jaar heel wat afreis, is dit pas mijn tweede bezoek aan Parijs. De eerste keer was 10 jaar geleden, toen ik op een koude zaterdag in februari spontaan besloot in de trein te stappen. Dat werd een heel kort bezoek, want ik ging ’s avonds weer terug naar huis. Ik heb toen wel wat sfeer kunnen snuiven en in de bittere kou een boottocht over de Seine gemaakt. Vanaf het water zie je trouwens al heel veel van de stad.
Dit keer heb ik nog ruim een halve dag voordat ik om 14.25 de Thalys terugneem richting Rotterdam. Gelukkig is het stralend weer deze Koniginnedag, veel beter dan de afgelopen twee dagen. Ik heb me voorgenomen Parijs bovengronds en te voet te gaan bekijken. De metro is weliswaar heel handig, maar je ziet niets van de stad. Ik heb zelf een wandeling op mijn kaart getekend, langs 10 bezienswaardigheden die verspreid liggen over de oevers van de Seine. Niet geheel toevallig het gebied dat het Parijse werelderfgoed omvat, van de Pont de Sully in het oosten tot en met de Eiffeltoren in het westen.
Om negen uur steek ik voor het eerst mijn hoofd boven de grond uit. Ik verlaat metrostation Jussieu, en loop over de Pont de Sully naar het Ile St. Louis. Dit is één van de twee grotere eilanden in het midden van de Seine. Het is er rustig op straat. Tussen de woningen staan klassieke hotels en een enkele galerie of luxe bakker. Ik heb dit weekend al meermaals verlekkerd naar de kleurige macarons staan kijken, maar ik neem niks hoor.
Weer een brug verbindt het Ile St. Louis met het Ile de la Cité. De grote kathedraal Notre Dame domineert dit eiland. Ik kom er van de achterkant aanlopen. Vanuit een parkje kun je mooie plaatjes schieten van de druk-gothische achterzijde van de kathedraal. Heel anders dan de twee elegante, strakke torens aan de voorkant. Aan die voorkant zie ik ook weer de eerste lange rijen van vandaag: nu om de Notre Dame binnen te mogen. Er staan opvallend veel Chinezen in de rij. Ik kan ze een beetje verstaan, dus voor mij is het gemakkelijk ze te onderscheiden van de ook alom in Parijs aanwezige Japanners. Voor wie geen Chinees verstaat: Japanners zijn meestal kleiner, beter gekleed en minder brutaal dan Chinese groepstoeristen.
Voor mijn volgende bezienswaardigheid moet ik iets van de koers langs de Seine af. De Tour St. Jacques of Sint-Jacobstoren ligt verder “landinwaarts”. Je ziet hem trouwens al van heel ver.
Dit is het beginpunt van de Franse route naar Santiago de Compostela. Samen met 77 andere gebouwen en objecten zoals bruggen vormt het een werelderfgoed op zich – eentje waar de werelderfgoedgemeenschap graag lacherig over doet. We kunnen maar niet bevatten waarom dit een separate nominatie is geworden: er is ook een Spaanse route naar Santiago de Compostela, waarom sluiten de Fransen daar niet bij aan? En alsof dat nog niet genoeg is staan 7 van de 78 bouwwerken ook nog eens op eigen kracht en dus dubbel op de lijst, zoals de kathedralen van Amiens en Bourges. Om het nog wat ingewikkelder te maken: de Tour St. Jaques hier in Parijs maakt geen deel uit van het Parijse werelderfgoed langs de Seine.
De toren ligt er schoongewassen of gezandstraald bij. Er is rondom een parkje aangelegd met bankjes. Ik had wel pelgrimsactiviteit verwacht hier, maar verder dan een handjevol toeristen en een zwerver die op een bankje ligt te slapen kom ik niet. Je kunt de toren ook niet in, er staat een hek omheen dat afgesloten is.
Ik loop dus weer verder, ben zo’n anderhalf uur onderweg nu. Ik heb een flinke afstand te overbruggen voor ik bij het Place de la Concorde ben. Maar dit is misschien wel het mooiste gedeelte van de stad. Of je nu links of rechts kijkt, overal is wel iets moois of verrassends te zien. Het 19e eeuwse warenhuis La Samaritaine bijvoorbeeld, in Art Deco-stijl. Een sfinx die water spuugt. Meer dan levensgrote ruiterstandbeelden. La Collonade, de strakke rij pijlers die de ingang tot het Louvre vormt. En de binnenplaats van het oude Louvre zelf, met geweldige classicistische beeldhouwkunst.
Voor het Louvre-museum heb ik nu geen tijd. Dat bewaar ik voor een volgend bezoek aan Parijs, dat er zeker komt. Hier staat ook weer een fikse rij voor de ingang via de glazen piramide van I.M. Pei.
Even verderop sta ik bij het drukke verkeersknooppunt Place de la Concorde. Hier staat de Egyptische obelisk, en je kunt de Champs Elysees afkijken tot aan de Arc de Triomphe.
Het laatste deel van mijn wandeling loopt weer parallel aan de Seine. Ik zie nog meer paleizen die omgevormd zijn tot musea: het Petit Palais en Grand Palais bijvoorbeeld. Van de laatste vang ik via een openstaande zijdeur een glimp op van het interieur. Ik geloof dat ik hier ook nog een keer in moet: een enorme, hoge tentoonstellingshal gemaakt van glas, ijzer en staal.
En tot slot is er dan de Eiffeltoren. Ik zag hem zaterdag al vanuit de metro die er in de buurt een stukje bovengronds rijdt. Het ding is zo verbazingwekkend groot. Het blijft ook je aandacht maar trekken. En ik blijf maar foto’s maken. Na 3,5 uur eindigt hier ook mijn wandeling langs de Seine, onder het geraamte van de toren.









Leave a comment