World Heritage Traveller

Wereldreis 2011: Australië

Written by:

  1. Van dag-tot-dag
  2. #399: Kakadu
  3. Stuart Highway – 1161 kilometer door bijna niets
  4. #400: Uluru – Kata Tjuta
  5. #401: Royal Exhibition Building
  6. #402: Australische zoogdierfossielen
  7. #403: Willandra Lakes
  8. Mungo
  9. #404: Tasmaanse Wildernis
  10. #405: Australische strafkolonies
  11. #406: Blue Mountains
  12. #407: Sydney Opera House
  13. Terugblik Australië 2011
    1. Vervoer
    2. Verblijf
    3. Eten & drinken
    4. Kosten

Van dag-tot-dag

AUSTRALIË
31 maartAl om half 5 in de ochtend aangekomen in Darwin. Ook snel door de douane, en ik had mijn auto al om 5 uur. Nog wat tijd gerekt met cappucino drinken & instructieboekje doorlezen, maar om kwart voor 6 toch maar richting Kakadu gereden (ondanks dat het nog donker was). Onderweg nog ontbeten bij een hotel, en daarna het Kakadu Nationaal Park (#24) in. Veel grote vogels gezien langs de kant van de weg.
Eerst naar het bezoekerscentrum, en daarna naar Nourlangie voor Aboriginal rotskunst en een korte wandeling.
Rond lunchtijd aangekomen in Jabiru, mijn overnachtingsplek. Daar naar de supermarkt gegaan, en verder wat gerust in mijn Bush Bungalow. Het regende hard in de middag en avond. ’s Avonds duur (35 EUR) en gelukkig ook vrij goed gegeten bij de Crocodile Lodge. Om 8 uur naar bed!
Lake View Lodge, Jabiru
1 aprilRegenachtig vandaag, meer dan gisteren. ’s Ochtends naar het zuidelijk deel van Kakadu gereden. Savanne-achtig. Niet veel kunnen doen vanwege het weer, alleen wat uitzichtpunten. Wel een mooie verrassing op de terugweg: 2 grote Jabiru op hun gemakje lopend langs de weg, èn achter hun een overstekend wild zwijntje. Twintig minuten stil gestaan langs de kant van de weg om dit alles te fotograferen: geen enkele andere auto gepasseerd.
Veel te grote lunch van beefburger met patat bij de lodge in Cooinda. Geen wonder dat al die Australiërs zo dik zijn. Om 2 uur terug in mijn hut in Jabiru.
Lake View Lodge, Jabiru
2 aprilVroeg op (5.20 uur), voor de Yellow Water Cruise om 6.45 uur vanuit Cooinda
Na het inbegrepen ontbijt om 9.15 doorgereden naar het zuiden, naar Katherine.
Aankomst 12 uur. Naar supermarkt geweest en verder de internet-achterstanden weggewerkt. Hele dag mooi weer geweest, tot aan 17 uur toen het weer begon te gieten.
All Seasons Hotel, Katherine
3 aprilWatervallen in het Nitmiluk National Park bezocht, plus korte wandeling daar. Zweten, want het wordt al snel heet hier. Daarna naar het schattige primitieve Katherine Museum. Voor het avondeten bij de McDonalds beland…All Seasons Hotel, Katherine
4 aprilRit van het noorden van Australië naar het midden, in stukjes geknipt. Etappe 1, 660 km: vertrek om 7.15 uur uit Katherine, aankomst in Tennant Creek om 13.45. 2x gestopt om de tank bij te vullen, en 1x om mijn lunch van salade & yoghurt op te eten. In Tennant Creek meteen vanuit het motel door naar Battery Hill even buiten de stad, voor een bezoek aan het mijnmuseum inclusief ondergrondse tour. ’s Avonds van het buffet gegeten in het hotel.Eldorado Motor Inn, Tennant Creek
5 aprilEtappe 2 – 500 km, Tennant Creek – Alice Springs. Vertrek om 8 uur, na nog even buitengesloten te zijn van mijn kamer na het ontbijt (gelukkig hadden ze een handige klusjesman op het terrein die de hor voor het raam heeft weggehaald, zodat ik via het raam naar binnenkon). Na een uurtje de mooie Devil’s Marbles bezocht. Daarna, met 1 tankstop, doorgereden naar Alice Springs, waar ik om 13.15 aankwam.
’s Middags de was in de wasserette gedaan.
’s Avonds voor Australische begrippen goed en gezellig pasta gegeten bij Casa Nostra.
Best Western Elkira Resort Motel, Alice Springs
6 aprilAl om kwart voor 8 present in het Desert Park even buiten Alice Springs. Hier kun je alle dieren en planten van de regio zien, met een naambordje erbij. Mooi gelegen terrein. Nog een show van roofvogels bijgewoond. Me er in totaal 3 uur vermaakt. Daarna naar het niet zo boeiende Centraal Australië Museum.
Terug in het centrum van Alice Springs voor een goede salade bij Oscar’s. En wat winkels gekeken & naar de supermarkt geweest.
Best Western Elkira Resort Motel, Alice Springs
7 aprilNu zelfs om kwart voor 7 op pad, voor de tocht naar West MacDonnell National Park (130km). Wandeling door de Ormiston kloof gedaan van een kleine 2 uur. Niet de hele rondwandeling, want er staat nog zoveel water dat je het laatste stuk zou moeten zwemmen door koud water! Terug richting Alice Springs in het park ook nog Simpsons Gap bekeken, een smalle doorgang in de enorme rotswand. Hier zitten bijzondere rotswallibies, maar ik heb ze niet gezien (zeker te warm vandaag).
Aan het begin van de middag terug in het hotel, om nog wat te lezen, wassen en internetten. Gegeten bij de plaatselijke Thai.
Best Western Elkira Resort Motel, Alice Springs
8 aprilAankomst vanuit het noorden ca. 13 uur. Geluncht met een salade bij het Gecko Café in Yulara. Daarna door naar Uluru (Ayers Rock) (#25): hét icoon van Australië, reusachtige rode rots met religieuze betekenis voor de aboriginals. Rondgewandeld en gewacht op de zonsondergang. In het hotel gegeten van het Australisch buffet, o.a. gerookte kangoeroe en gegrilde barramundi (vis).Outback Pioneer Lodge, Yulara
9 april’s Ochtends vroeg naar de rotsen van Kata Tjuta: uitzichtpunt & wandeling van 2,5 uur door de Valley of the Winds. Daarna nog even cappucino met een brownie bij de bakker in Yulara, en dan weer 4 uur de auto in.
Om kwart over 3 terug in Alice Springs. ’s Avonds weer goed Thais gegeten bij Nong’s restaurant.
Crown Plaza, Alice Springs
10 aprilGestart met een lekker uitgebreid ontbijt via de roomservice. Daarna auto inleveren op het kleine, moderne vliegveldje van Alice Springs, Om 10.20 uur vlucht naar Melbourne met Tiger Airways, aankomst 13.25 uur. Het is er een half uur later, en het lijkt wel een ander land. Grote stad, Engels, bewolkt.`
’s Avonds overheerlijke spaghetti scoglio (spaghetti met een bak vol schelpen, krab, garnalen, mosselen, inktvis) gegeten in de Italiaanse straat.
Travel Inn, Melbourne
11 aprilOntbijt op een terrasje met heerlijke cappucino. Daarna door het centrum van Melbourne gewandeld, fleece-trui en boek gekocht. Immigratiemuseum bekeken, en naar het Royal Exhibition Building (#26) geweest. Lunch: Japanse noedelsoep.
’s Middags wat reisadministratie gedaan. Pizza gegeten als diner.
Travel Inn, Melbourne
12 aprilVolle maar leuke dag. Nieuwe huurauto opgehaald op vliegveld van Melbourne. Daarna 5 uur rijden langs schapen en borden “pas op voor overstekende koala’s” naar Naracoorte (#27): grotten waarin fossielen van grote dieren zijn bewaard gebleven. Ondergrondse tour gedaan van een uur. Daarna verder gereden naar Horsham. Daar in het hotel maar eens het Australische nationale gerecht (biefstuk) gegeten.Mercure Hotel, Horsham
13 aprilOver het platteland naar Mildura gereden. Getankt bij een echt boerenbenzinestation, waar ze het wisselgeld (honderden AUS dollar) in een houten kistje bij de pomp hadden liggen. Rond 1 uur geluncht met een gezonde salade met kip & avocado in het centrum van het drukke plaatsje. In het motel de was in de wasmachine gegooid, en begonnen aan een nieuw boek.Econolodge, Mildura
14 aprilHele mooie dagtour gedaan vanaf 8.15 uur naar Mungo Nationaal Park in de Willandra Lakes (#28): groep opgedroogde meren waar belangrijke fossielen zijn gevonden. 320 foto’s gemaakt! Terug in het hotel even na vijf uur.Econolodge, Mildura
15 aprilRustig terug gereden naar Melbourne Airport, in een uur of 6. Tijd zitten lezen, om 20.35 naar Tasmanië gevlogen met JetStar. Daar stond de airportbus al te wachten, en die dropte me bij hotel tegen elven.Hotel Collins, Hobart
16 aprilUitgeslapen tot 8 uur, en daarna met enige moeite een ontbijt bij elkaar gescharreld in het centrum van Hobart. Vanaf 11 uur de stad verkend: langs de haven, over de Salamanca zaterdagmarkt, door de oude wijk Battery Point en uiteindelijk weer terug in het winkelhart voor een broodje zalm/kaas. ’s Avonds gegrild vlees gegeten bij Ball & Chain.Hotel Collins, Hobart
17 aprilMooie rit door het heuvelland in herfstkleuren naar Lake St. Clair, onderdeel van het Tasmanian Wilderness National Park(#29). Gewandeld en rondgekeken. Tegen 5 uur terug in Hobart. Goed Italiaans gegeten.Hotel Collins, Hobart
18 aprilDagtour met Grayline naar Port Arthur(#30): 1 van de 11 strafkolonies die door de Britten in de 18e en 19e eeuw in Australie zijn gesticht. Frisjes vandaag, zeker omdat het meeste hier buiten is. Twee tours gedaan, o.a. een boottocht naar en rondleiding op het eiland van de doden. Iets voor 5 uur weer terug in het hotel. Gegeten bij Annapurna, redelijk Indiaas.Hotel Collins, Hobart
19 aprilMet Airporter shuttlebus naar vliegveld. Vlucht uit Hobart QF1020 om 10.45 uur, aankomst 12.25. Half uur vertraging.
Vanaf Sydney Airport met de trein naar het centraal station, en vandaar met de spotgoedkope stoptrein (5 EUR!) door naar Katoomba (2 uur). Rond half 5 aangekomen in het hotel. ’s Avonds gegeten bij één van de maar liefst vier Thaise restaurants in het centrum.
Three Explorers Motel, Katoomba
20 aprilEen halve dag gewandeld door de Blue Mountains (#31): gebergte met eucalyptusbossen. Te voet vanaf mijn hotel in Katoomba, via Echo Point, de Giant Staircase naar beneden en daarna weer omhoog met de steilste spoorlijn ter wereld. Op de terugweg een goede salade als lunch in het centrum van Katoomba.Three Explorers Motel, Katoomba
21 aprilOm 10.20 terug met de trein naar Sydney. Daar in de stad vast wat inkopen gedaan, o.a. een reisgids voor Peru.The Grace Hotel, Sydney
22 aprilGoede Vrijdag, alles is hier in Sydney gesloten vandaag. Alleen de deur uit voor ontbijt, lunch en diner.The Grace Hotel, Sydney
23 aprilHet regent! Moet toch op pad om te ontbijten. Doorgegaan naar het Sydney Museum en Hyde Park Barracks (ook een van de strafkolonie-sites op de werelderfgoedlijst). Geluncht met wat sushi. Daarna nog wat nuttige dingen gedaan zoals nieuwe schoenveters gekocht en reserveringen voor Peru uitgeprint.
’s Avonds gegrilde vis gegeten in een restaurant in Darling Harbour, het uitgaanscentrum van Sydney vol met restaurants en cafés aan het water.
The Grace Hotel, Sydney
24 aprilGelukkig weer mooi weer vandaag. Hele lange fietstour gemaakt door Sydney, start 10.30 uur, einde 17.20 uur. Daarvoor zelf al even langs het Sydney Opera House (#32) gegaan. Alles nu wel gezien in Sydney.The Grace Hotel, Sydney

#399: Kakadu

Wat is het?
Kakadu is een 200 x 100 kilometer groot park in het uiterste noorden van Australië, een paar uur rijden van Darwin. Het is een “gemengd” werelderfgoed – het is zowel om natuurlijke als culturele redenen genomineerd. De natuur bestaat uit een typisch Noordaustralisch landschap van wetland en savanne, inclusief een volledig rivierbasin. De rijke fauna omvat zoet- en zoutwaterkrokodillen, schildpadden, grote groepen watervogels, maar bijvoorbeeld ook 200 soorten mieren. De cultuur bestaat uit rotstekeningen van de Aboriginals, gemaakt 20.000 jaar geleden tot aan nu. Het is ook de plek waar de oudste overblijfselen van de mens in Australië zijn gevonden.

Kakadu - Nourlangie rotstekeningen

Cijfer: 8,5 (als ik een maand later was geweest, had ik meer van het park kunnen zien en was het cijfer waarschijnlijk hoger uitgevallen; desondanks heel erg de moeite waard, vooral vanwege de vele grote vogels boven of naast de weg, de Aboriginal-rotstekeningen en de Yellow Water Cruise bij zonsopgang)

Toegang: Een parkpas voor 25 AUS dollar (18 EUR). Deze is 2 weken geldig. Je kunt de pas op een paar plaatsen in het park kopen, maar er is geen entreepost en ik ben ook geen controles onderweg tegengekomen (misschien vanwege het laagseizoen).

Hoeveel tijd: 3 dagen

Opvallend: ik was er van 31 maart tot en met 2 april, officieel net het begin van het seizoen (1 april), maar in de praktijk was alles nog erg nat en het regende veel. Kakadu in het natte seizoen betekent dat je maar een klein deel van het park kunt bekijken, de rest (inclusief wegen) staat gewoon onder water. Op de website en in het bezoekerscentrum staan de actuele gegevens wat er open is. In ieder geval Nourlangie Rock (met de grootste groep rotstekeningen) en de geweldige Yellow Water Cruise zijn ook in de regentijd toegankelijk. Voordeel van dit seizoen is wel dat het minder warm en minder druk is in het park.

Kakadu - Brolga

Stuart Highway – 1161 kilometer door bijna niets

De volgende ochtend verlaat ik Katherine in de regen. De Stuart Highway is een lange, rechte weg. Je mag er 130 kilometer per uur en dat rijd je ook op je gemak. Veel kans heeft overstekend wild niet met deze snelheden, vooral ook omdat de meeste voertuigen enorme vrachtwagens zijn. Je ziet dan ook bijna meer dode kangoeroes op de weg dan levende langs de kant. Vlak voor Mataranka, 100 km onderweg, zie ik wel een heel stel wallaby’s. Die zien er bijna net zo uit als “gewone” kangoeroes, maar zijn kleiner (ca. 1 meter) en hebben een grijze vacht. Gelukkig steken ze niet de weg over, ze staan langs de kant te kijken.

Stuart Highway

Aan het eind van Mataranka staat een bord “vanaf hier 160 kilometer lang geen benzine”. Mijn tank is nog voor 75% vol, maar het zet je wel aan het denken. Veel anders te doen dan denken heb je onderweg trouwens toch niet: de radio heeft geen ontvangst, de enige “bezienswaardigheden” onderweg zijn gedenkplaatsen vanuit de Tweede Wereldoorlog. Je moet je vermaken met het rijden zelf – zo is het een belevenis om de eerste roadtrain in te halen. Zo’n vrachtwagen met 3 aanhangers is ruim 50 meter lang. Je moet eerst een soort aanloop nemen om op snelheid te komen, en dan een heel lang recht stuk voor je hebben zodat je goed zicht hebt. En dan rijd je gewoon een heel stuk op de andere weghelft. Gelukkig is er maar weinig verkeer, een tegenligger heb je hoogstens eens in de paar minuten.

Uiteindelijk race ik ook nog twee “echte” kangoeroes voorbij: oranje-bruine vacht, zo groot als een mens.

Vlak voor Daly Water wordt het even spannend. De weg is er helemaal overstroomd, over een meter of vijftig. Deze floodings heb ik de afgelopen dagen al vaak gezien, maar meestal is alleen de helft van de weg overstroomd. Dan kun je het water makkelijk omzeilen door even op de andere weghelft te gaan rijden (er is toch geen verkeer). Maar deze hier is bijna een rivier met stroming, en ook lang. Ik ben echt bang om vast te komen te zitten, mijn auto ploetert zich door het water. Het lijkt uiteindelijk erger dan het is: het is niet diep want ik kan nog steeds de strepen midden op de weg zien.

Stuart Highway

In Daly Waters vul ik mijn tank bij met benzine. Je kunt hier maar beter wat te vaak tanken dan te weinig. De prijzen van de benzine gaan scherp omhoog hoe verder je van de bewoonde wereld raakt: in Katherine was het 1,58 AUS dollar, in Daly Waters 1,86 dollar en later betaal ik zelfs 2,13 in Renner Springs.

Na het plaatsje Elliott, 600 inwoners inclusief school en politiepost, wordt het landschap en gelukkig ook de lucht droger. En er is helemaal niets meer te zien onderweg, zelfs geen picknickplaats meer tot 70 km voor Tennant Creek. Ik kom nog wel een paar fietsers tegen: 1 in zijn eentje ploeterend door het water, en later een man en een vrouw allebei op een eenwieler. Zo’n weg als deze trekt blijkbaar allerlei avonturiers aan.

Tennant Creek, ruim 3400 inwoners groot, is mijn eindstation voor de eerste dag rijden. Dat Tennant Creek een gehucht is van enige omvang komt door de mijnbouw. Goud en koper werden hier gewonnen sinds de jaren dertig. Er heeft een echte Gold Rush geheerst. De mijnen zijn nu gesloten.

Op Battery Hill even buiten de stad kun je alles over het mijnbouwverleden van de streek te weten komen. Er is een sociaal-historisch museum, waar je kunt zien hoe de mijnwerkers leefden (en hoe ze één vrouw naar het dorp wisten te lokken). En een mineralenmuseum. Ik ben mooi op tijd om een rondleiding onder de grond door een ex-mijnwerker mee te maken. Dit is pas de eerste dag in het seizoen dat ze tours kunnen houden, de mijn heeft ook onder water gestaan.

De mijnwerker is een echte rauwe Australiër. Voor mij en mijn Duitse tourgenoot moeilijk te verstaan. Hij heeft in de jaren 70 hier in de mijnen gewerkt. Met veel plezier laat hij alle techniek zien, het boren en drilen. We hebben grote oordoppen en een helm op gekregen bij de ingang. De vergaande veiligheidsmaatregelen zijn duidelijk niks voor hem. “Als er een steen op je hoofd viel, was je dood”.

Tennant Creek - mijnbouwmuseum

Na een nacht in een motel in Tennant Creek ga ik op pad voor de laatste 500 kilometer naar Alice Springs. Het is gelukkig droog vandaag, maar nog wel bewolkt. De weg is net als gisteren: gewoon gas geven en rechtdoor.

Er is zowaar iets te zien hier onderweg: na 110 kilometer is het landschap bezaaid met “duivelsknikkers” – enorme, ronde rode stenen. Gepolijst door erosie van wind en water. Ze liggen vlak langs de weg. Er zijn een paar uitzichtpunten om foto’s te maken. En je kunt een wandeling van 20 minuten maken door het grootste veld met knikkers.

De keien zijn het mooist als de zon er op schijnt, bij zonsopgang of zonsondergang. Ik ben er om kwart voor 9, en het is nog bewolkt als ik aankom. Halverwege tijdens mijn wandelingetje breekt de zon gelukkig door, en laat zijn gloed schijnen over het gesteente. Een erg mooi natuurverschijnsel. En een welkome onderbreking van het autorijden.

Devil's Marbles

De laatste 3 uur zijn zo saai dat je je al gaat verheugen op een roadhouse, een benzinestation annex winkel. Ik stop in Ti-Tree, een gehucht dat al 200 kilometer van tevoren staat aangekondigd. Maar het is natuurlijk helemaal niets – een pomp en een keet waarin drank en snacks worden verkocht. Ik gooi de tank nog maar eens vol.

Op dit deel van de route zie je ook geen wilde dieren meer, zelfs nauwelijks vogels en zeker geen kangoeroes. Het wordt steeds warmer en droger naarmate je Alice Springs nadert. Iets ten noorden van de stad passeer je de Steenbokskeerkring – goed voor weer een gedenkbeeld en een picknickplaats langs de kant van de weg.

Ti Tree Roadhouse

Aankomen in Alice Springs voelt goed: het lijkt wel een echte stad, een beetje Amerikaans als in de rode bergen van New Mexico. Genoeg te zien om een paar dagen te blijven. De rit over de Stuart Highway vond ik niet zwaar. Het is echter voor een Europeaan onvoorstelbaar hoe dunbevolkt dit gebied is. Van Nederland tot in Oostenrijk, met één stadje van 3.400 inwoners onderweg, plus een tiental gehuchten. En verder helemaal niks.

#400: Uluru – Kata Tjuta

Wat is het?
Uluru (voorheen: Ayers Rock) en Kata Tjuta (voorheen: Mount Olga) zijn twee enorme rode rotsformaties die scherp uitsteken boven de vlakke woestijn van Centraal-Australië. Ze liggen ongeveer 35 kilometer van elkaar, en 450 kilometer van de dichtstbijzijnde stad (Alice Springs). Het park is in 1987 eerst als natuurlijk werelderfgoed erkend vanwege zijn geologische waarde en zijn exceptionele schoonheid. Sinds 1994 is het ook een cultureel erfgoed vanwege de betekenis die de rotsen hebben in het religieuze systeem van de lokale Aboriginals.

Uluru

Cijfer: 8,5 (Vooraf denk je: hoe interessant kan het zijn, een rode rots in de woestijn. Maar als je er bent voelt het toch of je op een heel bijzondere plaats bent aangekomen. Waarschijnlijk omdat er in de wijde omgeving niets anders is dan woestijn met gras en struiken, en dan kom je opeens bij deze enorme rode bergen die je aandacht maar blijven trekken. Kijken naar de rotsen, op verschillende momenten van de dag, is ook meteen het belangrijkste wat je hier kunt doen. Het wandelen viel me tegen: veel irritante vliegen, losse stenen om over te struikelen en niet veel variatie in het landschap.)

Toegang: 25 AUS dollar (18 EUR), geldig 3 dagen. Het park trekt jaarlijks 400 tot 500 duizend bezoekers. Het is dan ook het drukste gebied wat ik tot nu toe in Australië gezien heb. Bij het uitzichtpunt voor de zonsondergang bij Uluru stonden maar liefst zo’n 50 auto’s op een rij te wachten op de zon.

Hoeveel tijd: 1 dag (2 halve dagen, dan kun je een halve dag naar Uluru en een halve dag naar Kata Tjuta)

Opvallend: Australië is op zich al duur: de koers van de Australische dollar is hoog, en ook de transportkosten in dit uitgestrekte land liegen er niet om. En dan kom je in het Ayers Rock Resort, de enige overnachtingsplaats vlakbij het Uluru Nationaal Park. Alle hotels hier zijn eigendom van een monopolist – je kunt kiezen uit duur of verschrikkelijk duur. Een kamer in Sails in the Desert kost bijvoorbeeld 580 AUS dollar. Ik overnachtte in de Outback Lodge, in de goedkoopste kamer voor 175 EUR. Per nacht. Voor een kale kamer met 2 stapelbedden, WC en douche. En een spuitbus om het ongedierte in de kamer te doden. Alleen een slaapzaal of camping is hier goedkoper.

Uluru zonsondergang

#401: Royal Exhibition Building

Wat is het?
Het Royal Exhibition Building is gebouwd voor twee grote internationale tentoonstellingen die in 1880 en 1888 in Melbourne werden gehouden. Ze lieten fabrieksgoederen zien vanuit de hele wereld. Internationale tentoonstellingen waren een fenomeen in de 19e eeuw, ze lieten de vooruitgang zien die door de industrialisatie van de wereld mogelijk werd gemaakt. Het gebouw wordt omringd door tuinen, de Carlton Gardens. Daar werden tijdelijke paviljoenen voor de tentoonstellingen gehuisvest.

Melbourne - Royal Exhibition Building

Cijfer: 3 (ik vond het gebouw niet mooi, de tuinen zijn niet veel meer dan een kaal stadsparkje, het geheel wordt overheerst door het moderne Melbourne Museum dat op hetzelfde terrein ligt, en ik kon er niet naar binnen!)

Toegang: Alleen met een gids, via het naastgelegen Melbourne Museum. Het is mij een raadsel wanneer de rondleidingen worden
gegeven. Op de maandag dat ik er was, was er in ieder geval geen.

Hoeveel tijd: 15 minuten om er door het park omheen te lopen

Opvallend: Het gebouw ligt in de wijk Carlton, waar ik ook een hotel had geboekt. Carlton is de buurt waar de Italiaanse immigranten zijn terechtgekomen. Dat zie je vooral in Lygon Street: een lange straat met zo’n 30-40 Italiaanse restaurants en cafés. ’s Avonds staan de obers buiten de klanten naar binnen te lokken. Er zijn verwarmde terrassen, en op de zondagavond dat ik er was leek het wel of half Melbourne hier kwam dineren. Heel gezellig en ontzettend lekker eten. En voortreffelijke cappuccino natuurlijk om de dag mee te beginnen!

#402: Australische zoogdierfossielen

Wat is het?
Riversleigh en Naracoorte zijn de twee belangrijkste vindplaatsen van zoogdierfossielen in Australië, en ze behoren tot de besten ter wereld. Riversleigh ligt in het noordoosten van Australië, Naracoorte in het zuiden – de twee delen liggen 2000 kilometer van elkaar. Ze vertegenwoordigen ook verschillende stadia in de ontwikkeling van Australische zoogdieren, waarbij Naracoorte de meest recente is van de twee (maar nog steeds 170.000 jaar oud). In de Victoria Fossil Cave aldaar zijn de resten gevonden van 93 verschillende diersoorten, variërend van 26 soorten kangoeroes tot buffelachtigen.

Naracoorte - skeletten

Cijfer: 7 (Ik bezocht alleen de grotten van Naracoorte. (Druipsteen)grotten zijn niet echt mijn favoriet, maar fossielen wel: gelukkig kon ik mee met de tour door de Victoria Fossil Cave, dé grot waar Naracoorte zijn werelderfgoedstatus aan te danken heeft en de grootste fossielenvindplaats van Australië. De rondleiding is goed, de vindplaats vooral een grote stapel botten.)

Toegang: Entree tot het fossielenmuseum, één grot plus een tour met gids kost in totaal 26 AUS dollar (19 EUR). Als je meerdere tours wilt doen dan kost dat extra. Naracoorte ligt behoorlijk afgelegen (440 km rijden vanaf Melbourne, of 320 km vanaf Adelaide), maar toch waren er op een doordeweekse middag zo’n 40 auto’s op het parkeerterrein en 14 medetoeristen in mijn tourgroepje.

Hoeveel tijd: 2 uur (langer als je meerdere tours aan elkaar vastknoopt, zoals de vleermuizentour die qua tijdstip aansluit op de fossielentour)

Opvallend: Naracoorte ligt net over de grens in de staat Zuid-Australië. Ik kwam er tegen half 3 ’s middags aan. Nog mooi op tijd voor de tour van kwart over 2 aldus de ticketverkoopster – in Zuid-Australië blijkt het een half uur vroeger te zijn dan in de staat Victoria (waarin Melbourne ligt).

#403: Willandra Lakes

Wat is het?
De Willandra Lakes is een groep van 7 drooggevallen meren met een duinlandschap aan de oevers. Ze zijn vanaf 15.000 jaar geleden opgedroogd, over een periode van duizenden jaren. Het is de belangrijkste vindplaats uit de periode dat de grote buideldieren uitstierven en de mens (homo sapiens) dominant werd. Het fossiele landschap is nagenoeg ongewijzigd sinds de laatste IJstijd. Het is een van de oudst bewoonde plaatsen ter wereld (40.000 jaar oud). Naast menselijke skeletten zijn er ook stenen werktuigen en crematieplaatsen gevonden.

Mungo NP, duinen

Cijfer: 8,5 (Het landschap is spectaculair, met veel bijzondere planten en de fossiele botten liggen er voor het oprapen. Ook voor het eerst een groep wilde emu’s van dichtbij kunnen zien en een paar hoppende kangoeroes.)

Toegang: Ik ben met een dagtour vanuit Mildura naar Mungo Nationaal Park gegaan, het meest toegankelijke deel van het merengebied. Je kunt ook met je eigen auto, maar de kans bestaat dat je onderweg vast komt te zitten als het plotseling begint te regenen.

Hoeveel tijd: 1 dag (het is een uitgestrekt gebied, alleen al Lake Mungo is 120 vierkante kilometer groot; het geheel ligt ook nog eens 110 kilometer rijden van Mildura over een onverharde weg)

Opvallend: het is één van de minst bezochte werelderfgoederen onder de spotters – maar 6 “collega’s”  gingen me voor. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik hoorde dat er jaarlijks 80.000 toeristen in het park komen. Het ligt redelijk dichtbij de grote steden Melbourne en Adelaide, en zal dus wel veel stedelingen voor een weekend trekken.

Mungo

Tot op heden heb ik alles in Australië zelf met de auto gereden. Mungo Nationaal Park, onderdeel van het werelderfgoed “Willandra Lakes”, is echter een ander verhaal. De weg ernaar toe is 110 kilometer lang, waarvan 90 onverhard. Je mag er wel met een gewone auto overheen, maar als het begint te regenen heb je een probleem en kom je echt vast te zitten. Dat kost je in ieder geval 1000 AUS dollar boete van de overheid. En de verhuurmaatschappij is vast ook niet blij. Ik kies dus maar voor een veiliger optie, en ga met een dagtour mee vanuit Mildura.

Een week vantevoren heb ik geboekt bij Harry Nanya Tours. Eigenaar Graham Clarke leidt de tour vandaag en is ook de chauffeur van het minibusje. Naast mij zijn er nog 4 andere toeristen: een ouder Australisch paar en een Noors stel. Graham is voor driekwart Aboriginal, en als het ware opgegroeid in Mungo. Hij leidt al 15 jaar tours door het gebied, en is ook als paleontoloog betrokken bij opgravingen in het park.

We rijden in volle vaart over de ongeasfalteerde weg naar het park. De ondergrond is vrij hard, het is ook met een gewone auto nog wel goed te doen en we zien onderweg dan ook een paar huurautootjes van hetzelfde kaliber als mijn Hyundai Getz. Graham vertelt dat het ook hier de afgelopen 5 maanden heel veel geregend heeft. De omgeving is groener dan hij in 26 jaar gezien heeft. Normaal is het alleen zand en stof.

We moeten eerst over het grondgebied van vier boerderijen voordat we in het park zijn. Als we dichterbij onze bestemming komen, worden er alleen nog maar schapen gehouden: het gebied is te droog voor koeien. Graham vertelt aan één stuk door over alles wat we langs de kant van de weg zien. Het landschap is dan ook bijzonder voor de doorsnee Europeaan. Het is een steppegebied: vlak, met lage struiken, een beetje heideachtig. Er zijn kale plekken waar termieten onder de grond hun verblijf hebben gebouwd. We zien twee hoppende kangoeroes (de eersten die ik in beweging zie, meestal staan ze gebiologeerd langs de kant van de weg te kijken) en een groepje emu’s in de verte.

Mungo NP, savanne

Na zo’n anderhalf uur arriveren we in het Nationaal Park, bij Lake Mungo. Mungo is één van de zeven grote meren hier in het Willandra-gebied die sinds de laatste IJstijd droog zijn gevallen. We stoppen bij een uitzichtpunt om een goed overzicht over het terrein te krijgen. Het meer was 120 vierkante meter groot. Je kunt er nu doorheen lopen en deels rijden.

Aan de overkant van het voormalige meer liggen de duinen. Ze worden hier in Mungo de “Chinese muren” genoemd, naar de Chinese arbeiders die hier in de schapenfarms werkten. Dit is het kerngebied waarin alle oude botten van mensen en dieren zijn gevonden waaraan Mungo (en Willandra) zijn faam dankt. Je mag hier tegenwoordig alleen met een gids in: in het verleden werden er teveel botten gestolen en is de ondergrond kapot gemaakt door teveel bezoekers.

Het gebied is kwetsbaar omdat het heel rijk is aan fossiele vondsten. Na elke flinke regenbui komen er weer nieuwe dingen “bovendrijven”. De onderzoekers hier monitoren elke dag het terrein om nieuwe vondsten te markeren. We zien dan ook als snel schelpen en een gefossiliseerde tak van een eucalyptusboom uit het zand steken. Daarna stuiten we zelfs op een behoorlijk compleet skelet van een wombat. De botten zijn door de klei bewaard gebleven, en worden door erosie weer blootgesteld aan de open lucht. Het meeste materiaal in deze laag is 8.000 tot 16.000 jaar oud, en stamt uit de periode dat het meer opdroogde.

Mungo NP, fossiel wombatskelet

In 1968 werd hier voor het eerst ook een menselijk skelet gevonden, van een homo sapiens minstens 26.000 jaar oud. Ze werd Mungo Lady genoemd. Sindsdien zijn er maar liefst 160 andere skeletten hier opgegraven. Behalve de botten zijn er ook andere overblijfselen gevonden die duiden op een antieke, complexe cultuur. Bijvoorbeeld de oudste crematieplaats ter wereld, en een oude oven gebouwd in een termietenheuvel, inclusief stenen gereedschap en visgraten.

Deze vroege vondsten op Australisch grondgebied zijn moeilijk te plaatsen in het globale verhaal van het ontstaan van de mens – de Out-of-Africa theorie. Graham is een fanatiek aanhanger van het idee dat de Australische Aboriginals zich zelfstandig hebben ontwikkeld, en niet afstammen van Afrikanen of Aziaten.

Gids Graham is een gepassioneerd docent en bewaker van de natuur van Mungo en de Aboriginal-tradities. Hij staat ook veel op beurzen in binnen- en buitenland, zoals op de Australiëbeurs in Utrecht. Zoals zijn voorouders maakt hij tekeningen in het zand om ons de cyclische ontwikkeling van de natuur en de evolutie duidelijk te maken.

Mungo NP

En dat alles in een fantastisch duinlandschap. Vreemd gevormde heuvels, hier en daar een tak of een groen struikje. We zien pootafdrukken in het zand van verschillende dieren. Vandaag is het een beetje bewolkt, en dat maakt het rondwandelen hier aangenaam. ’s Zomers wordt het hier 50 graden, en reflecteert al het witte zand het zonlicht om de gevoelstemperatuur nog wat op te schroeven.

We lopen op ons gemak twee uur door de duinen, een prachtig gebied. Daarna worden we afgezet bij het bezoekerscentrum, terwijl Graham de lunch klaarmaakt. Hier constateer ik ook dat er toch flink veel toeristen hier in het park zijn. Het is paasvakantie, dus dat scheelt natuurlijk ook. Er komen jaarlijks zo’n 80.000 bezoekers, veel meer dan ik had gedacht. Onder de werelderfgoedliefhebbers is het een obscuur vinkje.

Naast het bezoekerscentrum staat een grote houten schapenfarm uit 1869 die je kunt bezichtigen. Het is het oudste Europese gebouw dat in dit gebied bewaard is gebleven. Ondanks dat het al heel lang niet meer in gebruik is, ruik je nog de stank.

Het loopt tegen vieren als we de terugrit naar Mildura ingaan. In hetzelfde gebied als vanochtend zien we een groep emu’s. “Wil er iemand nog foto’s maken van een emu?”, vraagt Graham. Dat wil ik zeker wel, ik had ze nog niet in het wild gezien. We parkeren het busje langs de kant van de weg. De emu’s komen al onze kant op om te kijken wie we zijn en wat we doen. Graham verstopt zich in het hoge gras, en lokt de emu’s verder naar zich toe door geluiden te maken en met een pluimpje te zwaaien. Dat is ook de manier waarop de Aboriginals op emu jagen: ze lopen veel te snel om ze op een andere manier te vangen. Maar ze zijn erg nieuwsgierig en komen op het geluid en de beweging af. Het is een groep van een stuk of 10, allemaal jonge dieren maar toch al wel zo’n anderhalve meter hoog.

Mungo NP, emu

Om kwart over 5 word ik weer bij mijn hotel gedropt. Ik ben blij dat ik niet zelf ben gaan rijden: ik heb vandaag zoveel gehoord van de gids over de natuur en geschiedenis hier in Mungo Park, dat had ik niet willen missen.

#404: Tasmaanse Wildernis

Wat is het?
De Tasmaanse Wildernis bestaat uit een groep aaneengesloten nationale parken en andere beschermde gebieden in het centrum en zuidwesten van Tasmanië. De vegetatie bestaat uit gematigd regenwoud en vooral hoge eucalyptusbossen. Er leeft een grote selectie van (deels inheemse) Tasmaanse dieren, zoals de Tasmaanse duivel, possums, buidelmarters en mierenegels. Het is ook een cultureel werelderfgoed, omdat er in grotten in het park archeologische vondsten zijn gedaan die toebehoren aan een 30.000 jaar oude jager-verzamelaarsgemeenschap.

Lake St. Clair

Cijfer: 7 (Het is een mooi gebied, maar niet zo specifiek Australisch als Kakadu, Uluru en Willandra. Het landschap hier lijkt op dat van Noord-Europa: bossen, bergen. De dieren die er leven zijn erg schuw: ik heb er dan ook geen gezien)

Toegang: Ik bezocht het Lake St. Claire-deel van het Cradle Mountain/St. Claire Nationaal Park. Entree is 24 AUS dollar (17 EUR) als je met de auto komt. Het is 2,5 uur rijden vanaf de Tasmaanse hoofdstad Hobart naar het bezoekerscentrum van Lake St. Claire.

Hoeveel tijd: 1 dag of meer (om diep het Cradle Mountain/St. Claire park in te komen moet je de langere wandelingen doen, van 5-7 uur; of de befaamde Overland Track, die duurt 5 tot 6 dagen)

Opvallend: In Lake St.Claire leven vogelbekdieren – misschien wel de vreemdste zoogdieren ter wereld met hun platte, plasticachtige snavel, ratachtige lichaam en zwemvliezen. Er is zelfs een wandeling uitgezet door het gebied waar ze het meest worden gezien, Platypus Bay. Ik wou er wel graag eentje zien, en heb een hele tijd in alle stilte vanaf een boomstronk het water in zitten staren bij hun favoriete strandje. Maar helemaal niks gezien helaas. In het bezoekerscentrum van Lake St. Claire ligt een logboek waar de bezoekers hun gespotte dieren in kunnen opschrijven – het vogelbekdier wordt toch wel dagelijks gezien, zo blijkt. Ik heb me tevreden moeten stellen met een opgezet exemplaar in het bezoekerscentrum.

Lake St. Clair, opgezet vogelbekdier

#405: Australische strafkolonies

Wat is het?
Elf Australische strafkolonies, gesticht door de Britten in de 18e en 19e eeuw. Ze werden bewoond door tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen die door Britse rechters naar Australië waren verbannen. Ze zaten daar hun straf uit, of werkten als dwangarbeiders aan de opbouw van de Britse kolonie. De gevangenen werkten aan de aanleg van wegen, in de scheepsbouw en kolenmijnen. Deze arbeid en de deportatie ver van huis moest bijdragen aan de rehabilitatie van de gevangenen – als ze hun straf hadden voltooid, konden ze zich voorgoed gaan vestigen in Australië. De strafkolonies liggen allen aan de kust, maar verspreid over verschillende Australische deelstaten.

Port Arthur, Gevangenis

Cijfer: 6,5 (De achtergronden zijn interessant, maar erg veel te zien is er niet. Het zijn in feite de ruïnes van gevangenissen. Je krijgt zeker in Port Arthur wel een beeld van hoe het systeem werkte, hoe afgelegen de lokatie was. De tours daar vond ik niet zo geweldig.)

Toegang: Van de 11 strafkolonies bezocht ik Port Arthur. Het is één van de meest bezochte “attracties” van Tasmanië, en ook op de sombere herfstdag dat ik er was waren er honderden andere bezoekers. Het terrein is heel groot dus dat maakt niet veel uit, alleen de groepen op de tours waren erg groot (ca. 50 man). De meest goedkope entree is 30 AUS dollar (22 EUR), en voor een tour betaal je 12 AUS dollar extra.

Hoeveel tijd: halve tot een hele dag (ik was er de hele dag zoet mee met een tour vanuit Hobart, met eigen vervoer was ik niet zo lang gebleven; het was eigenlijk te koud om lang buiten te lopen; er waren 2 tours inbegrepen in mijn ticket: de algemene wandeltour (heel oppervlakkig introductieverhaaltje, maar je ziet nauwelijks iets van de gebouwen) en de tour over het Eiland van de Doden (met de achtergrondverhalen achter de personen op de grafzerken, aardig maar ook met een veel te grote groep))

Opvallend: Ik hoorde voor het eerst van Port Arthur door de schietpartij in 1996, waarbij 35 doden vielen. Toeristen en personeel werden door een schutter neergeschoten in en om de cafetaria, de souvenirshop en het parkeerterrein van het complex. Tragisch genoeg heeft het wel bijgedragen aan de algemene bekendheid van de plaats. Een gedenktuin op het terrein herinnert nu aan die dag.

#406: Blue Mountains

Wat is het?
De Blue Mountains is een uitgesleten plateau een kleine honderd kilometer landinwaarts vanaf Sydney. Het is na veel discussie op de Werelderfgoedlijst gezet vanwege zijn grote verscheidenheid en hoge aantallen aan eucalyptusbomen. De dichte bossen geven de lucht een blauwe gloed, vandaar de naam Blue Mountains / Blauwe Bergen.

Blue Mountains

Cijfer: 5 (Nog meer bos! Ik heb er wel een beetje genoeg van. Eigenlijk had ik voor deze periode nog een werelderfgoed op de planning staan, Barrington Tops Nationaal Park. Maar ook daar zijn alleen maar bomen. Dat slaan we dus maar over ten faveure van een extra dagje in de grote stad, Sydney.)

Toegang: De entree is gratis, wat wel een wonder mag heten in Australië. Je moet dan wel weer betalen voor de folder met info over het park en de wandelingen (3 AUS dollar), en voor de attracties in het Scenic Park. Daar hebben ze de steilste spoorlijn ter wereld en een kabelbaan aangelegd. Ik kies voor een rit omhoog in het treintje (11 AUS dollar), en ben de enige passagier. De trein zit totaal vol op de rit naar beneden, dan val je ongeveer de diepte in zoals in een achtbaan in een pretpark.

Hoeveel tijd: Ik ben 2 nachten gebleven in Katoomba, de grootste plaats in het gebied. Niet omdat er zoveel te zien is, maar het is wel lekker ontspannen om zo uit je bed in een paar minuten naar het park te lopen. De rondwandeling die ik gedaan heb (Echo Point > Giant Stairway > Dardanelles Pass > Federal Pass > Scenic Railway) kostte me 2 uur. Ik vond hem vrij eenvoudig, hoewel hij beschreven stond als “moeilijk”. De Giant Stairway is een trap naar beneden van 900 treden. Toen ik er aan begon kwamen er mensen terug omhoog omdat ze het te steil vonden. Viel echter allemaal best mee, er zijn leuningen om je aan vast te houden en bankjes om op uit te rusten.

Opvallend: Tijdens de wandeling vind ik een steen met een handgeschreven briefje eronder. De tekst is nota bene in het Nederlands: ene Maarten wordt gezocht, en ze lopen nu een andere wandelroute af in de hoop hem daar te vinden. Het ligt er nog maar pas, de inkt is nog niet doorgelopen. Laten we hopen dat ze Maarten gevonden hebben!

#407: Sydney Opera House

Wat is het?
Het Sydney Opera House wordt gezien als een meesterwerk in de laat-20e eeuwse architectuur. Dit vanwege zowel de originaliteit van het ontwerp als de constructietechniek. Het bestaat uit een terras met daarop 3 groepen “schelpen”, waaronder een concertzaal, een operatheater en een restaurant schuil gaan. Het gebouw stamt uit 1973.

Sydney - Opera House

Cijfer: 6,5 (Het is een gebouw dat erg de aandacht trekt natuurlijk, maar ik vond de Harbour Bridge (de brug die er naast ligt) eigenlijk indrukwekkender. De eerste nominatie voor werelderfgoed was al in 1980, en toen was het ook inclusief de brug en het omliggende havengebied. Destijds werd het gebouw als “te nieuw” beschouwd, en pas in 2007 is het definitief op de lijst gekomen)

Toegang: Ik ben er omheen gelopen en gefietst. Je kunt ook een tour doen door het gebouw, maar dat schijnt niet zo interessant te zijn. Die 35 AUS dollar heb ik maar in mijn zak gehouden.

Hoeveel tijd: Tsja. Kwartiertje? Of halve dag als je het hele havengebied meerekent.

Opvallend: Ik “deed” Sydney met een fietstour van BikeBuffs. De tour zou eigenlijk 4 uur duren, maar de (oudere) gids had er zoveel plezier in dat we bijna 7 uur onderweg waren. Fietsen in Sydney betekent vooral veel bruggen op en af, en bijna overal het zicht op de Harbour Bridge en het Opera House. We aten lekkere visspiezen op de vismarkt, reden vooral over de stoep en liepen door de Botanische Tuinen om een boete te vermijden.

Terugblik Australië 2011

Vooraf had ik er al niet al te hoge verwachtingen van, en dat is ook uitgekomen: Australië is niet mijn soort land. Weinig sfeer, nul geschiedenis, onverschillige mensen. Ik had het me een beetje voorgesteld zoals de Verenigde Staten, maar daar zijn ze trotser op hun eigen land en proberen er nog wat van te maken. De eerste Australiërs die ik in het vliegtuig uit Singapore tegenkwam waren zonder uitzondering vet en vol tatoeages. Verderop in het land lijken ze allemaal aangeslagen door het moeten leven in de meest saaie omstandigheden. Misschien vinden zij het wel lekker rustig, ik moet er niet aan denken hier te wonen, zelfs niet in de wereldlijker steden Melbourne en Sydney.

En het is er belachelijk duur. Het kan me niet schelen om ergens veel voor te moeten betalen, maar daar verwacht ik dan wel iets voor terug. Kwaliteit is echter een vrij onbekend begrip in Australië. De hotels bijvoorbeeld waren de slechtste van mijn reis tot nu toe, en bijna overal moet je extra betalen voor ontbijt of internet. Ik zou zo graag een van de mannetjes van het Elegance hotel in Hanoi (Vietnam) loslaten op de troosteloze motels in Australië.

Wat ik desondanks niet had willen missen was het eerste deel van mijn route, van Darwin naar Alice Springs. Daar zie je het beste van wat de ruige natuur hier te bieden heeft, mooie Aboriginal rotstekeningen en een bijzonder verlaten sfeer.

Kata Tjuta

Vervoer

Het grootste deel van de tocht door Australië heb ik gedaan met huurauto’s. Ze rijden hier links, het stuur zit dus rechts (dat vergat ik wel eens bij het instappen). De auto’s zijn ook meest automatisch geschakeld. Ondanks dat het dus wat anders is, is rijden hier heel gemakkelijk. Het is heel rustig op de weg, bijna overal met uitzondering van rond Melbourne of Sydney. Benzinestations of wegrestaurants zijn schaars.

Mijn autootje in Kakadu

Ik heb ook 3 binnenlandse vluchten genomen, van Alice Springs – Melbourne, Melbourne – Hobart en Hobart – Sydney. Ze hebben hier ook lowcost maatschappijen zoals Tiger Airways – als je een beetje op tijd boekt zijn de vluchten relatief goedkoop.

Verblijf

Jabiru is een dorp met 1135 inwoners. Het is precies zo als je je een plaatsje in Australië voorstelt: ruim van opzet, gemaakt om met de auto doorheen te rijden, een benzinestation, een bakker, een medische post. En een grote supermarkt met rondhangende/liggende Aboriginals voor de deur (verkoop van sterke drank is er trouwens verboden). Het is een prima uitvalsbasis voor alle attracties in het Kakadu Nationaal Park.

Ik overnachtte in Lakeview Park, een soort bungalowpark. Ik had er een “Bush Bungalow” (80 EUR) – een constructie van ijzer en stevig gaas in de vorm van een grote tent. Daarin staat 1 dubbel bed en 1 stapelbed. Plus een aanrecht met kraan, koelkast en borden & bestek. Een paar meter verderop heb je dan nog je eigen badkamer, met douche/wc.wastafel. Allemaal erg netjes, en ook inclusief handdoeken, zeepjes, waterkoker met koffie/thee. Door het gaas en het dak van tentdoek heb je net het idee dat je buiten slaapt: je hoort alles & en als de zon om half 7 opkomt wordt het helemaal licht binnen in de tent.

Katherine is het enige stadje binnen een dag rijden. Het heeft 10.000 inwoners. In de omgeving is genoeg te zien om je een dagje te vermaken, zoals de Katherine Gorge, Edith Falls en het Katherine museum. Een fatsoenlijk restaurant vinden valt er echter niet mee – het best ben je af in de enorme supermarkt met verse artikelen en luxe-producten.

Het All Seasons Hotel is net als dat in Jabiru een soort bungalowpark met huisjes, een motel en caravanplaatsen. Ik had dit keer een motelkamer, heel groot, met parkeerplaats voor de deur, koelkast, TV, zitje airco en een lekker bed. Draadloos internet is erg goed, maar moet je wel extra betalen. Ontbijt (toast, cornflakes, yoghurt, fruit) was inbegrepen in de kamerprijs van 90 EUR.

In Tennant Creek stop je alleen maar om de lange en saaie rit naar Alice Springs te onderbreken. Het lokale mijnbouwmuseum bleek trouwens de moeite van een bezoek wel de moeite waard. Verder is het een arme, vervallen plaats aan weerszijden van de highway met motels en caravan parken.

Ik overnachtte in de Eldorado Motor Inn. Ik heb lang gezocht in de reisgids en op internet naar iets fatsoenlijks hier in Tennant Creek, maar dat is er eigenlijk niet. Dit motel komt op Tripadvisor als beste naar voren, het heeft nieuwe eigenaren die er wat van proberen te maken. De kamers hebben nieuwe airco en flatscreen TV’s. Er is goed en gratis draadloos internet. Verder is het allemaal heel oud en gammel. Ook wel schoon, maar buiten lopen en vliegen er veel insecten rond hier in de bush en een enkele weet zich ook toegang te verschaffen tot de kamer. Voor het slapen gaan heb ik eerst 4 sprinkhanen dood moeten slaan met mijn nieuwe slippers. 91 EUR! (de kamer)

Alice Springs is de enige stad in de verre, verre omstreken. Er wonen ook maar 26.000 mensen, maar voor het eerst hier in Australië moest ik uitkijken in het centrum bij het oversteken van de straat: allemaal auto’s! Er is een boekwinkel en verschillende behoorlijke restaurants zoals het Thaise Nong’s.

Het beviel me wel hier, het is net groot genoeg om wat te bieden te hebben en er zijn ook genoeg dingen om te doen in de omgeving. De voorafgaande maanden zijn hier problemen geweest met (dronken) Aboriginals die in het natte seizoen naar de stad waren getrokken. Begin april toen ik er was zwierven er nog steeds veel rond in het centrum en er was veel politie op straat. Je kunt ’s avonds laat niet over straat lopen, maar je gaat hier sowieso al net als in Amerika overal met de auto naar toe (in de stad zijn ook veel gratis parkeerplaatsen).

De eerste dagen verbleef ik in het Best Western Elkira. Ik had er een Deluxe kamer, pas gerenoveerd met chique badkamer. De rest van het complex is echt een motel. Het ligt gunstig op loopafstand van het centrum. Internet is gratis, maar je moet steeds per uur een code vragen bij de receptie. Geen ontbijt (wel een koelkast & waterkoker). Ook weer wat sprinkhanen in de kamer. 105 EUR per nacht.

Na terugkeer uit Uluru heb ik 1 nacht geslapen in het Crowne Plaza. Dit schijnt het beste hotel van de stad te zijn, de prijs voor een Kamer met uitzicht op de Tuin is hetzelfde als die in het Best Western. Dit is wel echt een hotel, geen motel. Wat chiquer dus, en ook in de betere buurt van de stad bij de golfbaan. Je moet wel met de auto naar het centrum. Kamer heeft ligbad, balkon en internet via een kabel.

Yulara is eigenlijk geen stad maar de lokatie van het Ayers Rock Resort. Het is een in 1984 kunstmatig aangelegde plaats om het tourisme naar Uluru te reguleren, en het overnachten in het nationaal park zelf te verhinderen. Het bestaat uit 1 rondweg, waaraan alle 4 hotels liggen, het benzinestation en een pleintje met supermarkt, restaurant, café, bank en souvenirwinkels. Het ligt midden in de woestijn, 450km rijden van de dichtstbijzijnde stad Alice Springs (of 1500 km de andere kant op).

De Outback Lodge is het goedkoopste van de hotels. Maar aangezien alles hier in Yulara vreselijk duur is, betaalde ik 175 EUR voor een budget room met eigen badkamer. Bij de sleutel kreeg ik al een brief mee dat er door het regenseizoen veel insecten en andere dieren op het terrein en in de kamers zaten (en dat dat niks te maken had met de schoonmaakkwaliteiten van het hotel). De kamer bevatte 2 stapelbedden, een aparte WC en douche. En een spuitbus om de beestjes te doden…. Gelukkig maar 1 sprinkhaan. En nadat ik terug kwam van het diner ook nog een heel klein muisje, dat na een minuut of 20 zelf weer de weg naar buiten vond.

Melbourne is een echt grote stad, met bijna 4 miljoen inwoners. Het doet erg Engels aan, het lijkt wel wat op Liverpool. Het is een leuke stad om te winkelen en uit eten te gaan. Veel interessants te zien is er verder niet.

De Travel Inn is een net hotel in de leuke wijk Carlton. Er zijn ontelbare restaurants in de buurt, en supermarkten die 24 uur per dag open zijn. De kamer (105 EUR) is klein, maar van alle gemakken voorzien. En het is ook wel weer eens fijn om niet iedere avond op jacht te moeten naar allerlei beestjes. Geen ontbijt inbegrepen, en draadloos internet in de kamer is er alleen tegen betaling.

Horsham is een stadje op een kruispunt van wegen. Ik overnachtte er alleen maar, onderweg van Naracoorte naar Mildura.

Het Mercure Hotel ligt aan de doorgaande weg. Het is pas sinds oktober 2010 open, en dat kun je wel zien aan de netheid en de moderne inrichting. Mijn kamer was groot, met een 2-persoons en een enkel bed, grote TV, zitje, bureau en badkamer. Er is ook een restaurant waar je de vaste Australische specialiteiten (biefstuk, kipfilet of vis) kunt krijgen.

Mildura is een opmerkelijk kosmopolitisch stadje midden in het boerenland. Het heeft zelf een echte Amerikaans-aandoende “strip” – een eindeloze rij van motels en fastfoodrestaurants die zich uitstrekt vanaf de snelweg tot aan het centrum. In dat centrum zijn hippe koffietenten en een populair Thais fusion restaurant. Ik gebruikte de stad als uitvalsbasis voor een bezoek aan het Mungo Nationaal Park.

Ik overnachtte er in de Econolodge. Dat is één van de vele motels aan de strip, ongeveer 1,5 kilometer van het centrum en recht tegenover een nieuw en groot winkelcentrum. Het waren de goedkoopste overnachtingen in Australië tot nu toe, “slechts” 63 EUR. Het is wel typisch een motel, met parkeerplaats voor je kamerdeur op de begane grond. Maar het is er erg netjes, het internet is gratis (je moet wel steeds een nieuw wachtwoord vragen) en je kunt er je was in de wasmachine & droger stoppen.

Hobart is de hoofdstad van Tasmanië, en heeft inclusief voorsteden 200.000 inwoners. Het is een Europees aandoende plaats, Schots/Noors of zo. Behoorlijk sfeervol voor een stad in Australië, ook door de oude huizen. Qua winkels stelt het niet zo veel voor. Er is wel genoeg variatie aan restaurants, van Vietnamees, tot Grieks tot Italiaans tot natuurlijk Australische biefstuk.

Hotel Collins is een populair hotel in het centrum van de stad, op korte loopafstand van de winkels, de haven en het uitgaansgebied Salamanca. Ik had een kamer op de 10de etage, met prachtig uitzicht over de stad, omringende bergen en het water. Internet is met een kabel & gratis. Alles in het hotel maakt een verzorgde indruk. 105 EUR.

Katoomba is de grootste plaats in de Blue Mountains. Het ligt 2 uur met de stoptrein landinwaarts vanaf Sydney. Zelfs het centrum, dat bestaat uit één lange straat, is bergachtig. Er zijn koffietenten en een stuk of 4 Thaise restaurants. Het meeste ziet er niet erg aantrekkelijk uit, het is veel vergane glorie.

Het Three Explorers Motel ligt ongeveer anderhalve kilometer van het centrum af, maar dan wel weer vlakbij Echo Point en Scenic World. Dat zijn de 2 startpunten voor wandelingen en treintjes door de Blue Mountains. Het is een gebouw in motelstijl (met je auto voor de deur), maar pas helemaal opgeknapt. Dus frisse en nette kamer en badkamer. Goed, snel internet tegen een lage prijs. 105 EUR

Sydney is Australië’s grootste stad, met 4 miljoen inwoners. Als je er aankomt met de trein lijkt het wel of je in Azië bent beland – er wonen veel Aziaten & je vindt er restaurants uit het hele spectrum van China tot Maleisië. Het is verder “gewoon” een grote, moderne stad met veel winkels en zo. Het havengebied is de trots van de stad, vooral vanwege zijn natuurlijke setting die is opgevrolijkt met de Harbour Bridge en het Opera House. Heel veel meer is er ook niet te zien hier.

Het Grace Hotel is een sjiek hotel in een historisch gebouw uit het begin van de 20e eeuw. Erg groot ook. Lekker bed, ligbad. Maar weer geen ontbijt en betalen voor het internet. 160 EUR!

Eten & drinken

Ook weer met uitzondering van Melbourne & Sydney: heel matig, weinig keuze. De Australiërs zelf lijken te leven op hamburgers, biefstuk en het bijzonder smerige bangers and mash (worstjes met aardappelpuree). Het best ben je nog af in Italiaanse of Thaise restaurants.

Kosten

Onwaarschijnlijk duur. Zo duur heb ik het nog nooit ergens meegemaakt. Je moet ook echt overal voor betalen, niks is er gratis. Uit de meeste geldautomaten krijg je maar 200 AUS dollar (140 EUR) per keer, maar dat ben je in een dag weer kwijt. De grote afstanden die je moet overbruggen betekent ook dat je hoge vervoerskosten moet maken. En hotels onder de 100 EUR zijn schaars.

Gemiddeld dagbudget Australië: 236 EUR

Leave a comment