- Route
- De start in Tashkent
- Glanzend Samarkand
- Door de bergen naar Shahkrisabz
- Echt vakantie in Buchara!
- Zweten in een eeuwenoude Hammam
- Chor Bakr & het Naqshbandi-complex
- Totalitair Turkmenistan
- De historische stad Merv
- Kamelen takelen op de Tolkucha Bazaar
- Nisa en de paarden
- Konya Urgench
- Laatste stop in Khiva
- Terugblik Oezbekistan & Turkmenistan 2010
Route
Route van mijn rondreis van 2 weken door Oezbekistan en Turkmenistan.
| Van dag tot dag | ||
| Datum | Programma | Verblijf |
| 30 april | Vertrek van een druk Schiphol met Air Baltic naar Tashkent. Eerst twee uurtjes vliegen naar Riga, daar anderhalf uur wachten en dan nog 5 uur door naar de Oezbeekse hoofdstad Tashkent. Air Baltic is een echte low cost maatschappij: geen vertier aan boord en eten/drinken moet je betalen. Het wordt dus een lange zit. | Hotel Raddus JSS, Tashkent |
| 1 mei | Na een korte nacht Tashkent verkend: diverse Sovjet-achtige bouwwerken (de metro, hotel Uzbekistan, standbeelden) en de gezellige Chorsu bazaar. | Hotel Raddus JSS, Tashkent |
| 2 mei | Om 7 uur met de comfortabele Registan-trein naar Samarkand (4 uur door een saai landschap). Vanaf half 12 een rondwandeling door de stad. Natuurlijk meteen naar het imposante Registan. Maar ook naar de levendige “mausoleumstraat” Shakhi-Zinda, achteraf gezien hét hoogtepunt van de reis. Werelderfgoed #1. | Zarina, Samarkand |
| 3 mei | Dagtocht per taxi naar Shakhrisabz, twee uur rijden door de bergen vanuit Samarkand. Mooie route en leuke kennismaking met een minder door de Sovjet-stijl aangetast Oezbekistan. Hier het 2e werelderfgoed bezocht.Op de terugreis inmiddels in de regen nog naar het Afrosiab-museum in Samarkand. | Zarina, Samarkand |
| 4 mei | In de ochtend de Gur Emir-tombe bezocht, de graftombe van Timur Lenk die Samarkand (en Shakhrisabz) al die glanzende monumenten heeft geschonken. ’s Middags met de trein naar Buchara. Drie uur rijden. De enige opwinding komt als de strip rond mijn raam los gaat laten: het hele raam komt los te zitten en moet met de hand tegen worden gehouden. Twee man treinpersoneel moeten eraan te pas komen om het weer vast te zetten. In Buchara doen we tot half 7 de gebruikelijke stadswandeling. En passant komen we al langs de hoogtepunten van de stad. We eindigen op de banken van een theehuis. | Hotel Sultan, Buchara |
| 5 mei | Vanaf 8 uur alleen aan de wandel door Buchara (werelderfgoed #3). De grote Kalan-moskee wordt mijn favoriet: een grote binnenplaats, zo strak gebouwd. ’s Avonds gegeten op het dakterras van het “vegetarische” restaurant vlakbij het hotel. | Hotel Sultan, Buchara |
| 6 mei | Dagtocht naar het complex van Chor Bakr en het indrukwekkende soefi-complex van Naqhsbandi. Dit laatste is ook één van de hoogtepunten van de reis. Aan het eind van de middag met 3 andere vrouwen naar de 16e eeuwse hammam van Buchara. Zweten en geschrobd worden, heerlijk! | Hotel Sultan, Buchara |
| 7 mei | Om half 8 vertrek naar Turkmenistan. Bij de grensovergang hoort 2 kilometer wandelen met bagage door niemandsland. De Turkmeense grenspost, berucht om zijn chaos, blijkt helemaal te zijn vernieuwd en we kunnen zelfs in een koele ruimte wachten tot we visa hebben gekregen. In totaal zo’n anderhalf uur nodig gehad om langs de Uzbeekse en Turkmeense douaniers te komen.We rijden door voor lunch naar Turkmenabad, de eerste kennismaking met het georganiseerde, pompeuze en president Berdimuhammedow vererende Turkmenistan.Een lange rit door de woestijn levert ons om 6 uur af in Mary. | Margush Hotel, Mary |
| 8 mei | ?s Ochtends bezoek aan de archeologische vindplaatsen in de oase Merw (4e werelderfgoed). ?s Middags reizen we verder naar Ashgabat, via de misschien wel saaiste weg die ik ooit heb gezien. Het wegdek is ook erg slecht, dus veel sneller dan 50km per uur gaat het ook niet. | Ak Altyn, Ashgabat |
| 9 mei | Bezoek aan de Tolkucha Bazaar (zondagsmarkt) van Ashgabat. Valt wel wat tegen, maar de kamelenmarkt is wel fascinerend. ?s Middags stadstour door Ashgabat, deels te voet en deels met de bus. Je wordt gek van alle standbeelden hier! Standbeeld voor de president. Standbeeld voor de Turkmeense paarden. Standbeeld voor het boek van de oude president. Zelf daarna nog het mooie Nationale Museum bezocht met veel fraaie opgravingen uit Nisa en Merv. | Ak Altyn, Ashgabat |
| 10 mei | Tocht in de omgeving van Ashgabat. We gaan langs de recent gebouwde grootste moskee van Centraal-Azië, met daarnaast het mausoleum voor de oude president Turkmenbashi en zijn moeder. En de op-een-na- grootste moskee, die bij Geok-Tepe. Daarna bezoek aan een paardenboerderij, waar we exemplaren van het (dure) Turkmeense paardenras Akhal-Teke geshowd krijgen. Op de terugweg naar de opgravingen van de Parthische hoofdstad Nissa (werelderfgoed #5). | Ak Altyn, Ashgabat |
| 11 mei | In een uurtje vliegen we door naar de woestijnstad Dashovuz. In de middag doen we vanuit daar een excursie in de hitte naar Konya Urgench (werelderfgoed #6). | Uzboy Hotel, Dashovuz |
| 12 mei | Terug naar Oezbekistan. De grens is eigenlijk dicht vandaag, maar voor de toeristen valt wel wat te regelen. We rijden door naar Khiva waar we een hotel hebben binnen de stadsmuren van de oude stad, Itchan Kala. | Sobir Arkonchi, Khiva |
| 13 mei | Al om half 8 aan het rondzwerven door Khiva (werelderfgoed #7). Het wordt hier overdag bloedheet, ook al in mei. In de middag siësta en ’s avonds lekker buiten zitten eten en relaxen op de Uzbeekse “hangbanken” van een restaurant. | Sobir Arkonchi, Khiva |
| 14 mei | In de ochtend nog in Khiva. Om 2 uur rijden we naar de luchthaven van Urgench, vanwaar en een korte vlucht ons terug brengt naar Tashkent. Deze Sovjet-stad ziet er nu zoveel groener, drukker en gezelliger uit dan toen we hier 2 weken geleden aankwamen! Nog lekker gegeten bij het restaurant Dervish en gedoucht/gedommeld op de hotelkamer. | Hotel Raddus JSS, Tashkent |
| 15 mei | Vlucht Tashkent – Amsterdam, via Riga. 02.50 – 06.10 (BT 743) en 11.15 – 12.40 (BT 617). Redelijk kunnen slapen onderweg. Vijf uur wachten in Riga was wel erg lang, maar het is een prettig klein vliegveld waar ze lekkere cappucino hebben. Om kwart voor 2 ben ik weer thuis! | Amsterdam |
De start in Tashkent
Het oude Tashkent, de hoofdstad van Uzbekistan, is in 1966 helemaal verwoest door een aardbeving. Sindsdien is het in Sovjet-stijl heropgebouwd. Het heeft de typisch brede lanen met veel groen, en af en toe een pastelkleurig flatgebouw.
Op straat is het vrij rustig, en je voelt je klein als je er rondloopt. Dat geldt misschien nog wel meer als je met de metro gaat. De metrostations zijn gebouwd voor enorme mensenmassa’s, maar vandaag is er bijna niemand.
We komen weer boven de grond bij het Amir Temur museum en -standbeeld. Dit ligt echt aan zo’n megalomaan communistisch plein. Met aan één van de zijden het enorme Hotel Uzbekistan. En natuurlijk de nodige fonteinen en standbeelden.
We slenteren wat in deze omgeving rond. We komen door een sterk gekuisde straat, die tot een paar jaar geleden nog volstond met kraampjes, eetstalletjes en ander half-illegaal vertier. President Karimov houdt niet zo van rommel. Een groep vrouwen is nu zittend op krukjes bezig de straat te vegen. Erg veel gezelligheid straalt het allemaal niet uit.
Uiteindelijk komen we weer via de metro terecht aan de andere kant van de stad, bij de Chorsu Bazaar. Dit is waar alle inwoners van de stad zich verstoppen, lijkt het wel! De gewone Uzbeek doet hier zijn boodschappen, drinkt een kopje thee of neemt een ijsje. Heel leuk om die mensen allemaal aan je voorbij te zien trekken. Met name de vrouwen kleden zich zo bont mogelijk: liefst paars, groen en andere kleuren door elkaar. En ze lopen op superhoge hakken. Uzbekistan is weliswaar de grootste katoenexporteur ter wereld, alle kleding die de mensen dragen is glimmend synthetisch.
De bazaar zelf is in een koepelvormig gebouw. Op de eerste etage worden vooral noten en gedroogd fruit verkocht. Je mag van alles proeven en je snackt zo heel wat bij elkaar. In het centrum van de bazaar liggen de specerijen en de populaire schapenkaasbolletjes die de Uzbeken als snack eten.
We lunchen bij een stalletje voor de bazaar. Bijna niemand van mijn reisgenoten durft iets te eten te bestellen, bang voor hun maag zo op de eerste dag. Ik kies twee vleesspiezen van de grill. Met brood en thee erbij eet ik voor 1,5 EUR een prima maal (zonder gevolgen).
Glanzend Samarkand
Samarkand is net als Tashkent een stad met brede lanen en veel groen. Alleen staat er hier zo af en toe een schitterend monument tussen – de erfenis van Timoer Lenk die in de 14e eeuw Samarkand tot zijn hoofdstad maakte en de stad liet verfraaien door bouwmeesters vanuit zijn hele rijk.
Door de rustige straten die aangelegd zijn voor voetgangers lopen we eerst naar Shah-i-Zinda. Dit is een straat met allerlei mausolea op een rij. Het is er druk met Oezbeekse dagjesmensen. De mausolea zijn een soort mini-uitvoeringen van de blauwe moskeeën en medressahs elders in de stad. Samen met de bonte uitdossingen van de Oezbeken (en de zon die nu hard straalt) is het een prachtig gezicht. Ieder mausoleum is een kunstwerkje op zich met verschillende kleuren blauwe tegeltjes.
Langzamerhand willen steeds meer Oezbeken met ons op de foto of een praatje maken. Vooral de witte mensen met blond haar zijn populair.
Vervolgens loop ik naar het Registan, het icoon van Samarkand. Aan de zijdes van dit plein liggen drie medressahs uit de 15e en 17e eeuw. De vierde zijde is open en vanaf daar kun je op een bankje rustig de perfectie van deze compositie aanschouwen.
Ook hier is het vrij druk met Oezbeken. Voor 3,5 EUR mag je het terrein op. Achter de facades van de medressahs is het allemaal wat minder mooi dan de voorkant doet vermoeden. De meesten zitten vol met souvenirstalletjes met Oezbeekse hoedjes, tekeningen en tapijten. Dat is wel een tegenvaller, ik begrijp niet zo goed dat ze dat hier toelaten.
Eén mooie binnenkant is gelukkig nog wel bewaard gebleven. De middelste medressah, Tilla Kari, heeft een interieur vol gouden stenen en tegels.

De volgende ochtend wandel ik vroeg naar de Gur Emir-tombe. Hier ligt Timoer Lenk begraven. Het is weliswaar net na achten, maar het is al open en er zijn al groepjes oudere Oezbeekse mannen.
Dit complex bevat onder een enorme blauwe tegelkoepel verschillende graftombes. Van binnen is het net of je in een Europese kathedraal bent: de graven van de belangrijke personen liggen centraal en aan de zijkanten zijn er bankjes voor de gelovigen.
Door de bergen naar Shahkrisabz
De op zich prima route van de reisorganisatie heeft één zwakte: hij gaat voorbij aan het 4de werelderfgoed van Uzbekistan, Shahkrisabz. Dus stap ik vanuit Samarkand samen met reisgenoot Henri om 8 uur in een taxi die ons naar deze geboorteplaats van Timoer Lenk gaat brengen.
De weg ernaar toe is 90 kilometer lang, een brede asfaltweg vol met gaten. We rijden dan weer links en dan weer rechts om de hobbels heen. Het landschap is vlak en groen. Er staan velden vol klaprozen.
Na een minuut of 20 worden we aangehouden door de politie. De agent heeft een primitief soort laserpistool in zijn handen – hebben we te hard gereden? De chauffeur moet zijn papieren laten zien aan de politiechef die in een auto langs de kant van de weg zit te wachten. Een heftige discussie volgt, maar hij krijgt toch een bon. Er is inmiddels ook al een andere auto aangehouden waarvan de chauffeur hetzelfde lot ondergaat. Onze chauffeur kruipt vloekend en tierend weer achter het stuur.
Met een kwartier vertraging rijden we verder, de bergen in. In de verte zijn de toppen nog met sneeuw bedekt. Het landschap blijft wel steeds heel lieflijk. Er wordt veel verkocht langs de kant van de weg. Eerst zijn het vooral de in Uzbekistan alomtegenwoordige ronde broden. Later zie je vlees en ook veel rabarber.
Na twee uur rijden arriveren we in Shahkrisabz. De chauffeur zet ons af voor het enorme standbeeld van Timur en zijn Ak-Sarai paleis. Van het paleis zijn alleen nog de twee 40 meter hoge torens van de toegangspoort over. Het origineel moet wel echt geweldig zijn geweest, nog imposanter dan de bouwwerken in Samarkand.
Door de benauwende hitte lopen we verder het stadje in. Het is hier veel levendiger op straat dan in Samarkand of Tashkent. Er zitten schoenmakers en eetstalletjes in de open lucht langs de straat. Oude monumenten zijn er in de vorm van een caravanserai en de bazaar.
Aan het eind van de hoofdstraat ligt het grootste complex. Het bestaat uit de Kok Gumbaz-moskee en Dorut Tilyovat. Voor 2000 sum (1 EUR) mag je hier naar binnen. Van buiten ziet het er nog vrij goed uit, van binnen is het nog niet helemaal gerestaureerd. Bijzonder is hier dat de muren niet bedekt zijn met mozaïeken maar met fresco’s. En ook de kleurstelling is heel anders: blauwe motieven tegen een witte achtergrond. De verf is flink aan het afbladderen, en delen lijken wel behang. Toch heel mooi. De motieven schijnen geïnspireerd te zijn door Chinees porselein.
Achter dit complex ligt nog een megagroot bouwwerk: de tombe van Jehangir. Opmerkelijk is het om te zien dat deze 14e/15e eeuwse gebouwen veel hoger zijn dan de eigentijdse gebouwen van Shahkrisabz. Het lijken wel wolkenkrabbers.
Na alle monumenten “gedaan” te hebben, gaan we zitten bij een shaslick-restaurantje in het centrum. Aan de kant van de weg staan mannen het vlees te grillen. Je kunt aanwijzen wat je wilt hebben en hoeveel. Dat wordt vervolgens aan je tafel gebracht. Ik kies weer voor 2 spiezen met gehakt. Verder krijg je er hier altijd een schaaltje gesneden uien en brood bij. En thee is de standaarddrank. Heel simpel, maar toch ook heel lekker.

Omdat we buiten willen eten, delen we het laatste tafeltje met een oude Oezbeek. Hij ziet er met zijn lange grijze baard, wijde kleding en belijnd gezicht prachtig uit. Hij is voor zijn lunch een kom met soep en veel schapenvet aan het leegslobberen. Hij probeert ook nog een gesprekje aan te knopen maar we vinden geen gemeenschappelijke taal.
Net als we weer terug bij de taxi zijn, begint het te regenen. En dat blijft het de hele terugrit van een uur en drie kwartier naar Samarkand ook doen.
Echt vakantie in Buchara!
Al bij de eerste verkenning van Buchara valt op dat de sfeer hier zo anders is dan in Tashkent of Samarkand: veel minder “Sovjet”. En ook veel meer toeristen. Sinds een aantal jaar hebben ze hier de oude binnenstad weer overgegeven aan particuliere bedrijfjes. Het wemelt er dus van markten, restaurants, theehuizen en souvenirwinkels. Toeristische trekpleister nummer één is het Lab-i Hauz, een vijver helemaal omringd door terrassen. Overdag zie er je de Oezbeken zelf een theetje drinken. Bij het avondeten is het helemaal overgenomen door buitenlandse toeristen die zich te goed doen aan de traditionele gerechten van de verschillende restaurants.
Buchara is sowieso wel een stad van heerlijke traditionele theehuizen, één van de weinige Oezbeekse tradities die wel naar Europa over mogen waaien. In de buurt van het fort (de Arc) zitten we ook een paar uur in een wat minder toeristische tent. Je zit er met een man of zes op een verhoogd plateau, lekker met je rug in kussens en je benen gestrekt (schoenen uit). In het midden staat een lage tafel waar het eten en drinken op wordt gebracht. Echt een lekker ontspannen setting, je kunt er uren zitten. De Oezbeken doen dat ook graag. We hebben veel heimelijk plezier om onze “buren”, een stel mannelijke en vrouwelijke artsen uit Buchara die het er na werktijd (half 5!) helemaal van nemen. Vele spiezen gegrild vlees en andere onderdelen van schapen gaan voorbij, de tafel lijkt wel een slagveld. De wodka vloeit rijkelijk – het is maar te hopen dat er ’s avonds geen spoedgevallen zijn in het ziekenhuis.
Tussen de dagelijkse bedrijvigheid door kent Buchara zeker ook een paar prachtige bezienswaardigheden. Zo zit ik een hele tijd op een muurtje bij de Kalan Minaret uit 1127. Dit heeft zo’n gave structuur: 47 meter hoog, en met het eerste gebruik van blauw geglazuurde tegels in Centraal-Azië. Je raakt er niet op uitgekeken, zo perfect, met een reeks aan verschillende motieven en gekleurde banden om zijn middel.
Ernaast ligt de grote Kalan-moskee. Er kunnen 10.000 gelovigen in, er is een enorme binnenplaats. Iedere boog om die binnenplaats heeft andere motieven en er is een perfecte turquoise koepel. Zelfs de boom op het middenterrein lijkt deel uit te maken van de compositie. Alles is heel mooi strak uitgevoerd, een plaatje.
Aan de andere kant van de stad ga ik in een woonwijk op zoek naar de Chor Minar. Ik moet een keer of drie de weg vragen, maar zie dan de vier blauwe koepeltjes boven de daken uitsteken. Chor Minar (“4 minaretten”) is een schattig gebouwtje met vier turquoise koepels. Het doet nogal Indiaas / oosters aan. Van binnen is er niets meer.
Zweten in een eeuwenoude Hammam
In een stoffig straatje achter de Kalan-moskee van Buchara (“de mooiste moskee ter wereld”) ligt Hammam Kunjak. “Hier kan het toch niet zijn?” roepen mijn drie reisgenotes uit. Jawel hoor, kijk maar op het bordje. Ik was gisteren al even op verkenningstocht uitgegaan en leid de anderen nu mee naar het oude badhuis dat hier al sinds de 16e eeuw in bedrijf is.
We staan nog even te dralen in de deuropening. Het lijkt wel of je een grot binnen stapt. Maar er is een gang naar rechts. Die mondt uit in een grote open ruimte. We zien kluisjes en worden door twee vrouwen verwelkomd. Hier moeten we betalen – 10 US dollar, voor het gebruik van de hammam, wassen & scrubben.
We kleden ons uit en stoppen de kleren in de kluisjes. Onze meegebrachte grote witte hotelhanddoeken slaan we om en we houden in ieder geval nog onze onderbroek aan. De locale vrouwen blijken minder preuts, zo constateren we in het voorbijgaan. Een medewerkster sommeert ons om mee te komen verder het grottenstelsel in. Het Engels van haar en haar collega’s is beperkt tot bevelen. “You come!”.
Het binnenste deel van het badhuis bestaat uit een aantal kleinere ruimtes. Donkere, grote grijze blokken steen bedekken plafond, muur en grond. De vloeren zijn nat, glibberig. Het lijkt wel of al het zweet en zeep van alle eeuwen hier door de gangen stroomt. Ik heb mijn slippers gelukkig nog aan. We worden naar de achterste ruimte geleid, maar niet zonder dat we eerst onze veilige grote handdoek moeten achterlaten. “You sit!”
Daar gaan we een flinke tijd zitten zweten op stenen banken, het druipt echt van mijn lichaam af. Dit is de warmste kamer die lijkt op een soort sauna. Er zit ook nog een Engelse vrouw binnen die vriendelijk een praatje begint aan te knopen. De andere aanwezigen zijn Oezbeeks. Ook is er personeel: twee heel dikke vrouwen, en een kleintje van minstens 65 jaar. Zij doen niets anders dan mensen inzepen en schrobben. Naakt.
Na een minuut of 20 worden we één voor één naar een andere ruimte geroepen waar het iets koeler is. Eén van de drie anderen voelt zich inmiddels niet zo lekker en is naar de uitgang verdwenen. Ik blijf en vermaak me opperbest. Het is zo’n bijzondere plek: een monument dat al eeuwenlang op dezelfde manier gebruikt wordt. En dan die aanblik van al die naakte, dikke Oezbeekse vrouwen. Ik wist niet dat je zoveel buiken tegelijk kon hebben.
De oude vrouw neemt mij onder handen. De behandeling begint met het afschrapen van vuil en droge huid met een soort stevige washand. Bij de anderen hangen de vellen er los bij, bij mij lijkt het nog wel mee te vallen. Dan volgt er een wasbeurt met veel schuim van het hele lichaam. Ze zeept me helemaal in, mijn onderbroek is me inmiddels ook al ontnomen, en gooit dan halve emmers water over me leeg. Het is maar een klein vrouwtje dus ik moet af en toe voor haar bukken. “Haar ook wassen?” Ach ja, doe maar. “Net een baby”, lachen ze. Maar het is heerlijk ontspannend en je voelt je zo schoon.
Na een uur of anderhalf ben ik klaar, kan ik me afdrogen en weer aankleden. We krijgen nog een kopje thee als afscheid. Een heerlijke ervaring, dit lijkt me wel iets voor elke vrijdag na een drukke werkweek.
Chor Bakr & het Naqshbandi-complex
Chor Bakr ligt maar een kilometer of zes buiten Buchara. Het is een 16e eeuwse dodenstad. Volgens mijn Lonely Planet reisgids uit 1996 is het erg vervallen. Maar net als bij zoveel in Buchara is het complex niet al te lang geleden gerestaureerd met verse bakstenen.
Meest in het oog springend hier is het 19e eeuwse deel rondom de moskee: al heel imposant verschijnt dit in beeld als je komt aanrijden. Het is er nog uitgestorven als we er tegen half 10 aankomen. Heel stil ook, op het geschreeuw van een paar pauwen na.
Alles hier is uitgevoerd in zandkleurige baksteen: de vele (resten van graven), de officiële gebouwen, de schattige minaret. Dit steekt schitterend af tegen de hardblauwe lucht van de ochtend.
Na een uurtje wordt de sfeer verstoord door de komst van een groep Fransen. Wij gaan door naar een andere plek op de Zijderoute: het mausoleum van Naqshaband. Bahoutdin Naqshaband was een Sufi-heilige uit de 14e eeuw. Zijn mausoleum is een groot nog in gebruik zijnd religieus complex. Er staan al twee bussen voor de deur, en het is er ook druk met Oezbeken. We zijn voorbereid dat we hier armen, benen en hoofd moeten bedekken. Maar ook hier blijkt de tijd niet te hebben stilgestaan: veel van de Oezbeekse vrouwen lopen ook met korte mouwen en zonder hoofddoek rond.
Het terrein rond het mausoleum is flink groot. Eerst kom je langs rijen en rijen graftombes. Op het binnenterrein ligt dan de grote grijze marmeren tombe van Naqshaband zelf. Gelovigen zitten ervoor te bidden. Ook lopen ze rondjes om een schitterend klein paviljoen. Verder op het terrein is er ook een oude moerbei-boomstronk waar mensen driemaal onder door kruipen voor geluk.
Als ik met een paar anderen even ergens ga zitten, worden we opeens bestormd door een schoolklas van 17/18-jarigen. Eerst spreekt één meisje, dat behoorlijk Engels spreekt, me aan. Voor we het weten staat de hele klas inclusief leraar om ons te dringen. Ze willen weten waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. Ze komen zelf uit Buchara.
De meeste structuren op het terrein zijn van baksteen, met houten pilaren en houten plafonds. Doordat er ook veel Oezbeken zijn, heeft het echt sfeer. Velen van hen zijn zo te zien ook gewoon een half dagje uit, de ijscoman doet goede zaken.
Totalitair Turkmenistan
Turkmenistan is een land zo groot als Zweden en er wonen een kleine 5 miljoen mensen. Het is rijk aan aardgas. Sinds de val van de Sovjet-Unie is het rechtstreeks overgestapt van het stalinisme naar een nationalistische dictatuur. Tot en met 2006 werd het geregeerd door Türkmenbashi, “Leider der Turkmenen”, die het land volstopte met allerlei buitenissigheden ter ere van hemzelf en zijn familie. Zijn opvolger, Berdymukhammedov, doet hard zijn best om deze lijn voort te zetten. Roken in het openbaar is hier verboden, dus ook op straat mag het niet. Foto’s maken van overheidsgebouwen mag ook niet.
Dat dit een erg vreemd land is, merk je al direct na de grens. We rijden door een stuk woestijn naar Türkmenabat, de tweede stad van het land. Bij een hotel stoppen we om te lunchen. Je kijkt je ogen uit in de straat waar het hotel ligt: een brede tweebaansweg met veel groen, gelardeerd met wit marmeren gebouwen. Boven de ingang van elk gebouw hangt een enorm portret van de president. Sommige gebouwen hebben een groot videoscherm waarop nationalistische filmpjes worden afgespeeld – volksdansende kinderen en zo. Het hotel waar we lunchen is heel standaard voor Turkmenistan, met een soort bordes, lange gangen, veel airco en blinkend schoon. Wat een verschil met het wat chaotische Uzbekistan!
Het toppunt van de gekte vind je in en om de hoofdstad Ashgabat. We krijgen een middag een stadstour met de bus. Het ene na het andere vreemde monument komt voorbij. Er is nog een standbeeld voor Lenin, een standbeeld voor de Turkmeense paarden, een Onafhankelijkheidsbeeld, een Herdenkingsmonument voor de aardbeving van 1948 die de hele stad heeft platgegooid, de Neutraliteitsark (waar je met de lift omhoog kunt), veel standbeelden van mythische Turkmenen en van Türkmenbashi natuurlijk.
En ja, ook een standbeeld van een boek: de Ruhnama. Dit boek is door Türkmenbashi zelf geschreven en nog steeds een soort heilig boek voor de Turkmenen. Kennis van de Ruhnama is verplicht, en het wordt op alle scholen ruimschoots onderwezen.
In de stad zie je nog wel meer kleine opvallende zaken. Zo heeft ieder huis in het centrum een heel groot huisnummer bij de deur, een huisnummer waar blijkbaar een lampje in zit want ’s avonds zijn ze allemaal rood verlicht. Naar een adres hoef je hier in ieder geval niet lang te zoeken. In de straten van Dashovuz, een woestijnstad in het noorden, viel me op dat alle stadsbussen een portret van de president van ruim een meter hoog voor het voorraam hebben. En als we een paar kilometer door een bos rijden, zien we om de paar honderd meter 2 politiemannen tussen de bomen staan (ze staan trouwens ook op iedere straathoek in Ashgabat).
Een paar kilometer buiten Ashgabat heeft Türkmenbashi in zijn geboorteplaats Gypjak een mausoleum laten bouwen voor zijn moeder, die tijdens de aardbeving van 1948 stierf. Helemaal van marmer, deels origineel Carrara-marmer uit Italië. Ernaast heeft hij een enorme moskee met gouden koepels neergezet. Dat was alvast ter nagedachtenis van hemzelf. Het is de grootste moskee van Centraal-Azië. Er is een heel legertje schoonmaakpersoneel aan het werk, maar het ziet er niet naar uit dat de moskee ooit gebruikt wordt.
We hebben een Turkmeense gids aan boord die graag vertelt over het dagelijks leven hier. Ambtenaar zijn is hier bijvoorbeeld heel aanlokkelijk: je komt in aanmerking voor een mooie nieuwe flat vlakbij je werk, samen met al je collega-ambtenaren van hetzelfde ministerie. De kosten worden deels door de staat gedragen, en voor een ander deel bestaat het uit een lage hypotheek.
De huidige president is druk aan het bouwen geslagen om ook zijn naam te vestigen. Zo verrijzen er aan de rand van de stad nieuwe ministeriegebouwen en flats. Er komt zelfs een nieuwe Neutraliteitsark, een miljoenen kostend monument met gouden top. De oude ark die door zijn voorganger in het centrum is neergezet wordt dan afgebroken.
De historische stad Merv
Zo’n 3 kwartier rijden van de moderne stad Mary ligt de oude oasestad Merv. Het is de historische plek voor 5 opeenvolgende steden, die niet over elkaar heen maar naast elkaar zijn gebouwd.
Na 2 dollar betaald te hebben om foto’s te mogen maken, starten we in het museumpje vlak na één van de lemen stadsmuren. Veel bijzonders ligt er niet, maar er is wel een maquette waarop je kunt zie hoe de 5 steden zich geografisch ten opzichte van elkaar verhouden.
De eerste echte bezienswaardigheid is het mausoleum van Sultan Sanjar. We rijden er met het busje naar toe, want de afstanden op het terrein zijn enorm. En tussen de monumenten is er ook heel veel leegte. Het mausoleum is helemaal gerestaureerd met hulp van Turkse donaties. Het is vrijwel het enige gebouw dat hier in Merv nog (of weer) volledig overeind staat.
De volgende stop is de Verboden Stad. We klauteren op de restanten van de lemen gebouwen en muren. Overal op de grond zie je potscherven en stukjes gekleurde tegel liggen. Aan gestructureerde opgravingen zijn ze hier nog niet begonnen.
Daarna volgt, in een groot gat in de grond, een moskee die vroeger ook als kerk gebruikt is.
We klimmen vervolgens op de Erk-Kala. Dit is de oudste stadsmuur, nu feitelijk een grote heuvel. Vanaf hier heb je een prima uitzicht over het hele gebied. Er is zelfs een watertje en veel groen.
Gyaur Kala is de volgende stad. Hiervan staan vooral nog de muren overeind. Onze aandacht wordt echter vooral getrokken door de kamelen die hier vrolijk ronddartelen.
De laatste stop is Kiz Kala – het zijn 2 paleisforten die nog redelijk herkenbaar zijn.
Kamelen takelen op de Tolkucha Bazaar
Iedere zondag is er een markt even buiten Ashgabat waar iedereen op afkomt: de Tolkucha Bazaar. De markt wordt gehouden op een uitgestrekt terrein, waarvan het middengedeelte is toebedeeld aan de autoverkoop. Veel glimmende Mercedessen en BMW’s staan hier te wachten. Ik zie echter maar weinig geïnteresseerden.
Het meer reguliere marktgedeelte vind je achter een toegangspoort. Er zijn vooral dagelijkse boodschappen te koop.
De markt is een soort supermarkt, rommelmarkt, warenhuis en bouwmarkt in één. Hele gangen zijn gewijd aan schroefjes en andere onderdelen die je maar net nodig kunt hebben voor het klussen.
Vlak voor de toegangspoort lijkt de markt het domein van de vrouwen te zijn, zowel in de verkoop als als klant. Je vindt hier fruit en groente, en de o zo handige Uzbeekse bezempjes die zo kort zijn dat je altijd gebukt de straat moet vegen.
Aan de andere kant van het terrein, achter de auto’s, is de beestenmarkt. Dit is het meest authentieke deel van de bazaar. Je ziet hier vooral mannen, vaak ook in traditionele uitdossing met muts van schapenwol.
Koeien, schapen en geiten vormen de bulk van de verhandelde dieren. De schapen zijn gesorteerd op de verschillende kleuren van hun wol.
Het leukst om te bekijken zijn echter de kamelen. En hoe neem je een kameel mee naar huis die je zojuist gekocht hebt? Daar hebben ze hier een speciale takelwagen voor. Riemen om het beest, en ze tillen het onder luid gemor zo in de laadbak van je truck. De vraag is alleen hoe ze de kameel er thuis weer uit krijgen.
Nisa en de paarden
Vandaag doen we een aantal excursies rondom Ashgabat. Eerst rijden we naar Gök-Tepe. Daar vond in de 19de eeuw een belangrijke veldslag plaats tussen de Russen en de Engelsen om de hegemonie in deze streek. Nu is er feitelijk niets meer van te zien. Er is een museumpje én de op 1-na grootste moskee van Centraal-Azië. Gebouwd nadat Türkmenbashi naar Mekka was geweest.
Dan staat een bezoek aan een paardenboerderij op het programma. Het is een flink eind rijden, maar wel door de prachtige Firunz-vallei op de grens met Iran. Het is het mooiste stukje natuur dat ik op deze reis ben tegengekomen.
Turkmenistan heeft een bijzonder eigen paardenras: het Gouden Akhal-Teke paard. Onder het genot van een kopje thee (voor de toeristen) laat de eigenaresse een aantal exemplaren voorbij paraderen. Ze zijn allemaal heel slank en hebben een zijdeachtige vacht.
Tot slot van de excursiedag gaan we eindelijk naar waar ik het meest heb uitgekeken: het werelderfgoed van Nisa. Dit was een belangrijke stad in het Parthische Rijk, van de 3de eeuw voor tot de 3de eeuw na Christus. Nu is het een archeologische opgraving.
Oud Nisa (de citadel) ligt in een soort kom tegen de bergen geplakt. Heel strategisch. De muren zijn grotendeels gerestaureerd zodat je je nog goed kunt voorstellen wat voor labyrint het was. Er zijn veel mooie voorwerpen gevonden, maar die liggen nu in de Hermitage en in het museum van Ashgabat. De originele structuren die nog overeind staan, liggen half ondergronds.
Konya Urgench
Dasoguz is een stad in het noorden van Turkmenistan, vlakbij de grens met Oezbekistan. We vliegen erheen vanaf Ashgabat – onderweg zie je niets anders dan woestijn. Vanaf de stad is het dan nog anderhalf uur rijden naar de bestemming van vandaag: Konya Urgench. We passeren lokale bussen met het portret van de Grote Leider links op de voorruit, een staaltje patriottisme wat we nog niet eerder hadden gezien.
Alles is hier droog en stoffig. De enige afleiding brengt een schooltje met de kinderen in traditioneel uniform. Voor de meisjes lange groene jurken, voor de jongens een zwart pak met wit overhemd plus zwarte stropdas en een hoedje.
Konya Urgench was de oude hoofdstad van het rijk Chorasmië, een landstreek en grote oase die nu deels in Turkmenistan en deels in Oezbekistan ligt. Net zoals bij Merv bestrijkt het een fikse oppervlakte. Hier zijn wandelpaden aangelegd om je langs de monumenten te voeren. Het is een grote open vlakte en bloedheet. Het eerste, het Torebeg Khanum mausoleum, heeft van binnen de mooiste mozaïeken. De binnenkant van de koepel is opgebouwd als een kalender.
De Kutlug-Timur minaret staat aan de overkant. Het is één van Centraal Azië’s hoogste en oudste minaretten, uit de 11de eeuw. Hij helt een beetje tegenwoordig. Na de Minaret van Jam in Afghanistan moet dit de mooiste/belangrijkste zijn voor de regio.
Het Sultan Tekesh Mausoleum met zijn conische koepel staat er naast. Dit is hét icoon van Konya Urgench, maar hij staat nu grotendeels in de steigers. Je kunt er niet naar binnen, net als bij de andere monumenten. In de recente geschiedenis is dit hele terrein als begraafplaats gebruikt. Je ziet overal graven, maar ook stukken bot en schedel liggen aan de oppervlakte. Dat is ook de reden dat er hier verder geen opgravingen meer worden gedaan.
In een hoek van het terrein ligt een plek waar vrouwen komen die kinderen willen krijgen. Ze leggen er miniatuur-wiegen neer, soms met poppetjes er in, en hopen dat hun kinderwens vervuld wordt. Er zijn ook (Sjiitische?) graven met laddertjes, heel specifiek voor deze streek.
Laatste stop in Khiva
Eenmaal weer terug in Uzbekistan is Khiva onze laatste halteplaats. Het is een oasestad in de Karakum-woestijn. Veel meer afgelegen kun je het niet krijgen. Des te opvallender is het dat we hier opeens midden tussen de toeristen lijken te zitten. De ommuurde oude binnenstad van Khiva, Itchan Kala, is niet al te groot. Er trekken meerdere grote groepen toeristen door de stad, vooral veel Fransen. Het kost daarom wel wat aanpassingsvermogen om aan deze plaats te wennen.
Bijkomende hindernis is ook dat het hier overdag bloedheet is. Zeker 35 graden, heel droog, felle zon. De beste momenten om de stad te verkennen zijn dan ook de vroege ochtend en de avond. De rest van de dag hang ik lekker op zo’n bank in een theehuis.
Voor het centrum betaal je een eenmalige entree van 20.000 sum (9 EUR). Daarmee mag je voor onbeperkte tijd overal binnen kijken. En dat is ook het leukste om hier te doen. Achter de deuren van vrijwel alle gebouwen zit wel iets verborgen: een fotomuseumpje, een moskee met 218 houten pilaren, het fort met zijn openlucht zomermoskee, de voormalige caravanserai die nu een warenhuis is, het verbluffende tegelwerk in het Pahlavon Mahmud mausoleum.
’s Avonds zijn de fraaiste monumenten verlicht, terwijl het schemerduister is in de straten. Een heerlijk tijdstip om een laatste keer door de stad te slenteren en toch maar weer te genieten van de mooiste blauwe mozaïeken die het handelsmerk van Uzbekistan zijn.
Terugblik Oezbekistan & Turkmenistan 2010
Oezbekistan is het land van de blauwe tegeltjes, de klaprozen, de theetuinen en vooral ook de alomtegenwoordige ronde broden. Turkmenistan is het land van de megalomane dictator Türkmenbashi en zijn opvolger: overal zie je hun portretten en standbeelden. Verder veel goud, marmer en politie op iedere straathoek.
Gedurende de eerste twee weken van mei 2010 maakte ik een rondreis door beide landen. Veel van de steden en bezienswaardigheden zijn wat doods en er hangt nog een duidelijke Sovjet-sfeer in de straten. Voor het eten of het landschap hoef je er ook al niet naar toe. Maar ik bezocht wel alle culturele hoogtepunten die uniek zijn in de wereld, genoot van het buiten “hangen” in de theehuizen en de gekte van Turkmenistan.
Deze reis is georganiseerd door Dim Sum Reizen. Hij werd voor het eerst uitgevoerd, en er waren slechts 6 medereizigers. Ik had deze reis uitgekozen vanwege de uitgebalanceerde route en de bijzondere combinatie Oezbekistan – Turkmenistan. Achteraf gezien heeft de reis aan alle verwachtingen voldaan: veel rust en comfort en alle grote bezienswaardigheden gezien.
Ik heb de reis echter wel veel minder intens beleefd dan wanneer ik alleen reis: alle contact met de lokale bevolking (al is het alleen maar op busstations, in hotels) is al door een ander gedaan. Ook word je steeds zonder moeite voor een monument of een hotel afgezet, zonder dat je je hebt moeten oriënteren waar je bent. In Oezbekistan kun je volgens mij prima alleen reizen, het is op zijn geheel eigen manier vrij toeristisch (vooral veel Fransen). In Turkmenistan moet je verplicht met een lokale gids op stap.
Visa
Voor zowel Oezbekistan als Turkmenistan is een visum nodig. Dat voor Oezbekistan heb ik geregeld via een visumburo vanuit Nederland. Je moet allerlei formulieren invullen, een (zelf gefabriceerde) werkgeversverklaring overleggen en een uitnodigingsbrief hebben. En ook nog eens 80 EUR neertellen. Ook aan de grens zijn de Oezbeken echte ambtenaren, je moet steeds 2 identieke papiertjes invullen met al je gegevens. En dan hebben ze vaak alleen maar de formulieren in het Russisch, zodat je van een voorbeeld moet aflezen wat je waar neer moet zetten.
De Turkmenen hebben een nog slechtere naam op het gebied van bureaucratie dan hun buurland, maar dat blijkt in de praktijk alleszins mee te vallen. Het visum kun je hier aan de grens kopen, en kost 55 dollar plus 10 dollar voor nog een soort reisvergunning. De grensovergang bij Türkmenabad is helemaal vernieuwd en goed georganiseerd. Je bagage gaat wel door de scanner maar ze zijn niet meer vervelend met alles uit laten pakken en doorzoeken of zo.
Geld
Vooral in Oezbekistan verlies je de waarde van geld wel uit het oog. Voor 50 EUR krijg je een paar stapels sum, bijeengehouden door elastiekjes. Je kunt overal wisselen, dollars of euro’s maakt niet uit. Je kunt souvenirs ook wel met dollars betalen. Voor eten in een straattentje betaal je 1,5-2 EUR inclusief thee en brood. In een restaurantje is dat ca. 3-4 EUR.
In Turkmenistan hebben ze onlangs de New Manat ingevoerd. Deze is 0,30 EUR waard. Het is hier ook iets duurder dan in Uzbekistan. Voor het eten betaal je tussen de 5 en 8 EUR. Wisselen is hier moeilijker, er wordt streng opgetreden tegen de zwarte markt. Je moet dus naar een bank. Ze willen hier eigenlijk alleen dollars, ook entreeprijzen zijn meestal alleen in dollars. Zo kost het Nationaal Museum 10 dollar entree, en een fototicket voor Merv of Konya Urgench 2 dollar.
Vervoer
We hebben bus, trein en vliegtuig als vervoermiddelen gehad – allemaal behoorlijk comfortabel en geen erg lange reisdagen. Vliegtickets zijn hier spotgoedkoop: slechts 17 dollar bijvoorbeeld voor de vlucht van Ashgabat naar Dashovuz.
De intercontinentale vlucht van en naar Tashkent hebben we gedaan met Air Baltic. Je vliegt eerst in een uur of 2 naar Riga, dan is het even wachten op het overigens prettige en moderne vliegveld aldaar, en dan nog 5 uur doorvliegen naar Uzbekistan. Air Baltic is wel een echte lowcost maatschappij, dus geen vertier aan boord en eten / drinken moet je betalen. Verder wel een rustige vlucht in een eigentijds toestel.
In Oezbekistan hebben we de trajecten Tashkent – Samarkand en Samarkand – Buchara afgelegd met luxe treinen: de Registan en de Sharq. In de eerste hadden we coupées voor 6 personen, in de laatste eerste klas zitplaatsen in brede nepleren stoelen met veel beenruimte.
Hotels
Hotel Raddus JSS in Tashkent heeft wel een heel apart interieur. Je kunt “buiten” ontbijten in een ruimte met zwembad en biljarttafel die er uit ziet alsof het ook wel eens als disco gebruikt wordt. De kamers zijn oud en alles zit een beetje los. Het ontbijt is mager. Het hotel ligt in een wat rijkere buurt, en er zit een prima restaurant (“Dervish”) net even verderop.
Zarina, in Samarkand, ligt in een Russisch aandoend woonwijkje vlakbij het Registan. Kamers liggen aan een binnenplaats met lekkere hangbanken om ’s avonds te zitten. De kamer zelf is vrij klein en er is niet veel licht. Verder wel in orde.
Hotel Sultan in Buchara was het beste hotel van deze reis. Het ligt perfect, pal tegenover de vijver van Lyabi-hauz, naast een internetcafé en supermarktje. Brede, lekkere bedden. Hotel is pas 4 jaar oud. Ontbijt is in de kelder, ze hadden er o.a. pannenkoeken. Voor een paar EUR hebben ze ook mijn was gedaan.
Margush in Mary. Lekker schoon, modern, protserig hotel in Turkmeense stijl. We slapen met uitzicht op de moskee en horen voor het eerst deze reis (zachtjes) de oproep tot gebed. Goed ontbijt met o.a. mijn favoriete schapenkaas.
Ak-Altyn Plaza in Ashgabat is een echt groot, luxe zakenhotel. Het ligt wel ver van het centrum, voor zover Ashgabat überhaupt een centrum heeft. Heerlijk continentaal ontbijtbuffet met o.a. muesli en yoghurt. Je kunt er ’s avonds ook lekker eten, en ook eens wat anders dan shaslick. Wel prijzig uiteraard (8-10 EUR).
Uzboy Hotel in Dashovuz: maar voor één nacht. Saaie plaats die als uitvalsbasis dient voor Konya Urgench. Het bed was kei- en keihard, je kreeg blauwe plekken als je op je zij ging liggen. Hier ’s avonds ook gegeten, bij gebrek aan andere restaurants in de buurt. Was wel behoorlijk, net als het ontbijt.
Sobir Arkonchi in Khiva is een middelgroot hotel net binnen de poorten van de Itchan Kala, de oude stad. Vriendelijke sfeer, populair bij groepen. We sliepen hier in een ruime hoekkamer met uitzicht. Het ontbijt wordt aan tafel geserveerd en komt o.a. met warme gerechten zoals pannenkoeken en gebakken ei. Eigenlijk het enige minpunt zijn de bedden, waar grote veren in zitten die in je rug prikken.
Eten
Voor de gevarieerde keuken hoef je hier niet naar toe: het standaardeten bestaat uit gegrild schapen- of rundvlees, met brood en soms een salade van tomaten en komkommer. Daarbij drink je groene of zwarte thee. In de grote steden kun je naast de handvol traditionele Oezbeekse/Turkmeense gerechten ook wel een pizza of meer uitgebreide salades krijgen. Ondanks dat beide landen in essentie islamitisch zijn, wordt er volop bier en wodka gedronken.
Shaslick: hét nationale gerecht. Je kunt meestal kiezen tussen lam, rund of gehakt aan de spies. En dan aangeven hoeveel spiezen je wilt hebben. Erbij komt een schaaltje uien en brood.
Manti, deegflapjes gevuld met (schapen)vlees en ui. Met een yoghurtsausje en wat koriander of peterselie. Je ziet het vooral in Oezbekistan. In Turkmenistan kun je “ravioli” krijgen, dat is net zoiets maar dan met kleinere flapjes.
Dimlama, een gerecht met veel groenten. Hier: pompoen, aardappel, wortel en kool. Samen met wat rundvlees gestoofd.

Plov, rijst gestoofd met wortelen, rozijnen, ui en schapen- of rundvlees. Het moet redelijk lang vantevoren bereid worden, dus ze hebben het alleen op bestelling of op voorraad.
Ontbijt in het hotel in Khiva. De grote ronde broden zie je overal in Uzbekistan. Als ze vers zijn, zijn ze heerlijk. Erbij krijg je meestal schapenkaas, honing, pruimenjam en ei.



































Leave a comment