World Heritage Traveller

Ghana 2010

Written by:

  1. Route
  2. Rondje Accra
  3. Op bezoek bij de koning van Ashanti
  4. De laatste tradities
  5. De grote markt van Kumasi
  6. Forten aan de kust
  7. Canopy Walk in Kakum
  8. Terugblik Ghana 2010
    1. Visum
    2. Vaccinaties
    3. Vervoer
    4. Kosten
    5. Accommodatie
    6. Eten en drinken

Route

Mijn dagprogramma voor een week in Ghana per openbaar vervoer.

Van dag tot dag
DatumGedaanVerblijf
20 februari6 uur en 13 minuten vliegen met vlucht KL0589 naar Accra.
De vlucht zit half vol met terugkerende Ghanezen, en voor de rest veel ontwikkelingswerkersachtige types uit Europa en Amerika.
Ik heb wel erg gezondigd deze vlucht: hoewel ik vooraf op Schiphol uitgebreid gegeten heb, neem ik toch ook nog de vegetarische pasta en de soesjes met chocoladesaus die de KLM
me voorschotelt. En cola…. Keurig op tijd komen we aan om 19.50 uur. De douane is een peuleschil, en ook het pinnen van mijn eerste Ghanese cedi’s gaat vlot.
Een shuttlebusje van het hotel zou me komen ophalen, maar ik vind hem niet. Er staan tientallen mensen met naambordjes, maar niet
met de mijne. Ik denk nog “ik bel het hotel even”, maar ik heb hun telefoonnummer niet bij me! Nou ja, dan maar een officiële taxi, ook geen probleem.
“Professor” (hij was leraar voordat hij taxichauffeur werd) levert me vakkundig in 10 minuten af bij het hotel.
Mahogany Lodge, Accra
21 februariOm kwart voor 10 op pad voor een rondje Accra. Met de taxi en soms te voet de belangrijkste
bezienswaardigheden van Ghana’s hoofdstad aangedaan. Ook al vast een kaartje gekocht voor de busreis morgen naar Kumasi. Om kwart voor 2 was ik weer terug in het hotel. Daar geluncht met een salade en vers ananassap, en lekker gezwommen en van de zon genoten. ’s Avonds ook in het hotel gegeten (buiten): jollof rijst met kip, met een Ghanees Star biertje.
Mahogany Lodge, Accra
22 februariMet de STC-bus naar Kumasi, 6 uur rijden. Hoewel het een goede asfaltweg is, gaat het niet erg vlot.
De bus heeft gelukkig airco en is niet helemaal vol. We stoppen halverwege één keer om de benen te strekken en andere nuttige dingen te doen.
Ik koop een ananas als aanvulling op mijn zelf meegebrachte lunch van water en müslirepen. Hoe verder je naar het noorden komt, hoe groener het wordt. Even na vijven zijn we dan eindelijk op het busstation van Kumasi. Ik koop er vast een kaartje voor de bus donderdag naar Cape Coast. En laat
me vervolgens door een taxi brengen naar mijn B&B, de Four Villages Inn. Na zessen komt er een tropische stortbui naar beneden. De eigenaar van de B&B brengt me met zijn auto naar een restaurantje in de buurt.
Daar goedkoop en lekker Ghanees gegeten. Terug gaan lopen – de ergste regen was wel voorbij, maar toch nog behoorlijk nat terug in het hotel.
Four Villages Inn, Kumasi
23 februariDoor Kumasi gebanjerd. Prempreh II Jubilee Museum in het Cultureel Centrum bezocht,
het Manhiya Paleis en Kumasi Fort. Overal goede rondleidingen gekregen. Tussendoor genoten van het drukke straatleven vol met handel. Om half 3 bezweet terug in het hotel. Even gedoucht en omgekleed. Daarna naar het SirMax Hotel om te zwemmen. Daar ook goed gegeten, een halve gegrilde
kip met groente en pitabroodjes (4,5 EUR).
Four Villages Inn, Kumasi
24 februariRondtocht door de omgeving van Kumasi met auto & chauffeur. We bezoeken enkele traditionele
dorpen (Ntonso en Adanmowase) en een heiligdom van de Ashanti in Besease (werelderfgoed #1). Een late lunch van pittige Afrikaanse kip met friet aan het kratermeer van Bosumtwi. Aan het eind van de middag de websites bijgewerkt en op de veranda van het hotel zitten lezen.
Four Villages Inn, Kumasi
25 februariAl om half 8 aan het ontbijt samen met een ouder Zwitsers stel, dat een reis van 6 weken door
West-Afrika aan het maken is. Samen gaan we daarna met een gids de markt van Kumasi verkennen, met recht de grootste van West-Afrika en een
wereld op zich. Om kwart over 11 word ik naar het busstation gebracht, waar ook B&B-eigenaar Chris naar toe komt met mijn rugzak. Zo kan ik direct doorreizen
naar Cape Coast. Die rit duurt 3 uur en 3 kwartier. Tegen vieren zijn we in Cape Coast na een weinig enerverende rit. Daar pak ik direct een taxi die me
naar het afgelegen Elmina Bay Hotel brengt. Om kwart voor 5 dobber ik in het zwembad aldaar, het zweet van de dag van me afspoelend.
Elmina Bay Resort, Elmina
26 februariNaar de forten uit de slaventijd in Elmina en Cape Coast (werelderfgoed #2). Lunch (Red Red) in Cape Coast. Om 4 uur terug in het hotel, daar
gezwommen en geinternet.
Elmina Bay Resort, Elmina
27 februariVertrek met taxi om 7.30 vanaf hotel naar Kakum Nationaal Park (mogelijk nieuw werelderfgoed). Ik kan er om 9 uur mee met de wandeling,
met als hoogtepunt de Canopy Walk. De taxi zet me op de terugweg af in Cape Coast, vanwaar ik per minibus doorreis naar Accra. Het duurt slechts iets meer dan 2 uur, deze busjes rijden
erg hard. Ik zit er heel comfortabel, beter nog dan in de bus. Met een taxi laat ik me vervolgens naar het luxe Golden Tulip Hotel brengen, alwaar ik voor
2 uur alweer in het zwembad lig. Verder beetje gelezen, gegeten en gedronken. Teruggevlogen naar Nederland van 22.00 – 5.45 uur met KL 0590). Keurig op tijd, slecht geslapen.

Rondje Accra

Ghana’s hoofdstad is niet bepaald een Parijs of Barcelona: er zijn maar een paar bezienswaardigheden voor de doorsnee toerist. Ik heb een plattegrondje geprint, en kruis voor ik vandaag op pad ga de plaatsen aan die me wel interessant lijken: Independence Square, Fort Ussher, de Holy Trinity kathedraal, het Nationaal Museum en het Nkrumah mausoleum. Daarnaast moet ik ook nog langs het STC busstation in het noordwesten van de stad. Zes stipjes op de kaart, verspreid over het hele centrum.

Hoewel de afstanden niet heel groot zijn, is het toch allemaal te ver om te lopen. Daarom begin ik maar eens met een taxirit. Taxi’s zijn hier zo’n driekwart van al het verkeer, dus het kost geen moeite op de hoek van de straat waaraan het hotel ligt er eentje aan te houden. De chauffeur weet niet waar het Ussher Fort is, maar Independence Square kent-ie wel. We rijden er in een minuut of 10 naar toe. Ik ben blij dat ik niet ben gaan lopen, want het is een wat saaie weg van een kilometer of twee door (vrij luxe) woonwijken.

Het Onafhankelijkheidsplein (Independence Square) is een grote communistische vlakte met wat protserige monumenten. Het is er strikt verboden foto’s te maken.

Vanaf het Plein loop ik verder naar het zuidwesten, richting Fort Ussher. Iedereen loopt hier heel langzaam – niet gek, want het is net een hete oven buiten. Je zweet overal. Gelukkig zijn de wegen goed; er zijn zelfs trottoirs zonder gaten.

Halverwege word ik aangesproken door een jongen, Ismail genaamd. Hij vertelt dat-ie uit het noorden van Ghana komt. Hij wil me daar graag rondleiden: het is er zoveel mooier en groener dan in de grote steden. Het maakt niet uit dat ik hier maar een week ben, in 4 dagen kunnen we wel samen heen en weer naar zijn dorp. Nou, euh, doe toch maar niet. We nemen dus afscheid van elkaar, en hij laat me zien hoe je handen schudt op z’n Ghanees: op het moment dat je elkaars hand loslaat, maak je een soort knippende beweging met je vingers. Ik heb nog wel wat oefening nodig om dat goed te kunnen.

Na een minuut of 10 verder wandelen sta ik opeens voor Fort Ussher. Je denkt dat het een groot fort aan de kust is, maar vanaf de straatkant lijkt het een gewoon oud gebouw zoals vele anderen in de rij. Ik loop naar binnen en vraag de lui op een tuinstoel hangende bewaker of ik binnen rond mag kijken. Voor 5 cedi, die hij ongetwijfeld in zijn eigen zak steekt, kan ik doorlopen.

Fort Ussher is het overblijfsel van het door Nederlanders gebouwde Fort Crevecoer (1649). Het diende als handelspost, en later (tijdens de Britse koloniale tijd en de Onafhankelijkheid) als gevangenis. Het fort is nu half gerestaureerd. De andere helft is sterk vervallen maar des te fascinerender. Je ziet de kale cellen waarin de gevangenen vast werden gezet (en dat in deze hitte).

Accra, Fort Ussher

Zo’n honderd meter noordwaarts ligt de Holy Trinity Cathedral. Langs de kant van de weg zie ik vandaag (het is zondag) veel ‘openluchtkerken’. Groepjes mensen die bijeen zitten op tuinstoelen en zingen onder leiding van een voorganger. Ook de Jehova-getuigen en Pinkstergemeenschappen zijn hier goed aanwezig. Ik houd me bij de oude Engels-koloniale kathedraal. Ook daar is een dienst aan de gang. Je hoort buiten al het piepende geluid van versterkers en zware bassen van de live-muziek. Ook is er hard en vals gezang. Het is een Anglicaanse kerk, de priesters lopen er in paarse kledij.

Accra, Holy Trinity Cathedral

Na de kerk laat ik me door een taxi naar busstation brengen. Daar koop ik vast een kaartje voor morgen voor de bus naar Kumasi. Voor 12 cedi (6 EUR) ben ik verzekerd van een zitplaats in een airconditioned bus. De taxi heeft op me gewacht en rijdt me terug naar het centrum. Net als alle andere Ghanezen die ik tot nu toe heb ontmoet, is hij erg spraakzaam. Hij vindt het maar raar dat ik alleen reis, en geen husband heb. De taxirit gaat dit keer langs een spoorlijn, met een duidelijk armere wijk.

Ik word gedropt bij de volgende stop op mijn lijstje: Nkrumah mausoleum. Kwame Nkrumah was Ghana’s eerste president na de onafhankelijkheid. Zijn mausoleum, zijn standbeeld en een museum over zijn leven liggen in een verzorgd parkje. Naast mij zijn er slechts twee andere bezoekers. Ik ga eerst maar eens in het museum kijken. Een goede keus, want de airco staat er hoog. Zo kan mijn lichaam weer op een wat normale temperatuur komen. Ik loop dan ook heel langzaam langs het tentoongestelde. Dat zijn vooral foto’s van Nkrumah met vele prominenten. Hij lag vooral goed bij het communistische blok, en heeft ook China bezocht. Je ziet hem op foto’s met Fidel Castro, Mao en Khrushchev.

Accra, Nkrumah standbeeld

Mijn laatste doel voor vandaag is het Nationaal Museum. Ik houd weer een taxi aan. De chauffeur kijkt of-ie water ziet branden bij het woord ‘Museum’. Maar gelukkig stopt er een hulpvaardige voorbijganger die hem de weg wijst. We zijn er zo. Het museum doet nogal ouderwets aan, maar heeft wel mooie dingen. Houtsnijwerk, maar ook kleine bronzen beeldjes. Ook hier zijn er weer nauwelijks andere bezoekers. Alleen 3 Amerikaanse meisjes doen gelijk met mij hun ronde.

Ik wilde mijn tocht door Accra eigenlijk afsluiten met een lunch in het naast het museum gelegen restaurant. Maar dat blijkt dicht te zijn op zondag, dus ga ik maar terug naar mijn hotel.

En hoe bevalt Accra?
De sfeer is er zoals in Tanzania (Arusha, Zanzibar) – relaxed. De gebouwen zijn er soms erg vervallen, maar het doet ook weer niet straatarm aan. Het heeft ook het lome van de Cariben. Behalve door de noordeling Ismail word ik verder met rust gelaten terwijl ik rondwandel. Wel zwaaien er zo af en toe kinderen, of moet ik ‘handen schudden’ met wat Rasta-jongens. Dat betekent met de vuisten tegen elkaar en daarna op het hart. Het is maar goed dat ik gisteren in het vliegtuig een boekje heb zitten lezen over de Ghanese gebruiken en gewoontes.

Op bezoek bij de koning van Ashanti

Kumasi is de trotse hoofdstad van het voormalige Ashanti-rijk. Van hieruit heersten hun koningen over het grootste deel van Ghana, en delen van de buurlanden Togo en Ivoorkust. Het koninkrijk had zijn bloeiperiode van de 17e tot de 19e eeuw, waarna het door de Britten werd verslagen. Tot op de dag van vandaag is er overigens nog steeds een Ashanti-koning. Hij is een van de machtigste mensen van het land.

Veel in het 21e eeuwse Kumasi herinnert aan de Ashanti-koningen. Ik begin de dag bij het Prempreh II Jubilee museum (genoemd naar koning Prempreh II, 1931-1970). Dit ligt op het uitgestrekte terrein van het Cultureel Centrum. Het museum is gehuisvest in een nagemaakt traditioneel gebouw, met 3 ruimtes rondom een centrale binnenplaats. Voor 3 cedi entree krijg ik een rondleiding.

Er zijn veel foto’s van de oude koningen en koninginnen. Ik ga hen gedurende de dag steeds beter herkennen! Hoogtepunt van de collectie hier is de ‘bronzen kruk’. Voor de Ashanti is de ceremoniële gouden kruk het meest heilige voorwerp. Met deze bronzen kruk, bedekt met een laagje bladgoud, leidden ze de Britten om de tuin die dachten de echte gouden kruk in bezit te krijgen.

Kumasi, standbeeld Prempreh II

Te voet ga ik vervolgens verder richting het paleis van de koning. Net als in Accra kun je hier makkelijk wandelen, er zijn meestal brede trottoirs. Ik loop onder een grote kolonie vleermuizen door. Gelukkig laten ze me met rust. Het paleis moet ergens in het centrum liggen, bij de enorme markt die ik donderdag hoop te bezoeken met een gids.

Ook in de straten om de markt heen is het beredruk met straatverkopers. Je kunt je niet voorstellen welke dingen men probeert te slijten. En iedereen is wel ergens in gespecialiseerd: kleine tubes lijm, losse pootjes voor je bril, zakjes drinkwater. Al die bedrijvigheid maakt Kumasi een leuke stad om door rond te lopen.
Ik kom ook nog langs het immense busstation met trotro’s voor het regionale vervoer. Ze staan toch nog behoorlijk ordelijk geparkeerd.

Kumasi, Tro-tro station

Je zult denken dat je een paleis niet zomaar kunt mislopen. Maar hier in Ghana zijn er zelden borden om de enkele verdwaalde toerist de weg te wijzen. Ik moet het dus hier en daar vragen. Een oude man helpt me de goede kant op, en een stevige politieagente die het verkeer in de gaten houdt zorgt voor de laatste aanwijzingen.

Binnen de hekken van de paleistuin wandel ik eerst nog per ongeluk even het deel in waar de huidige koning woont. Niemand kijkt er van op, maar ikzelf vraag toch maar waar de ingang is voor bezoekers. Die blijkt aan de zijkant te zijn. In het door de Engelse kolonialen gebouwde paleis is nu een museum.

Ook hier krijg ik na het betalen van een paar cedi’s entree weer een gids mee. Dit keer een enthousiaste jongen, Johnny. Voor het begin van de tour krijg ik eerst een video te zien. Echt een goede aanvulling, want daarin kun je de huidige koning op levende beelden zien tijdens allerlei plechtigheden en festiviteiten. Hij is beladen met gouden sieraden, zo zwaar dat er helpers nodig zijn om hem overeind te houden.

De Ashanti hebben overigens altijd een koning en een koningin. De koningin is niet de vrouw van de koning, maar een vrouwelijk familielid (een zus, of zoals nu, zijn moeder). De troonsopvolging volgt ook de vrouwelijke lijn.

Het interieur van het paleis is vrij nieuw. Johnny showt mij enthousiast een Philips grammofoon en een Israëlische koelkast uit de jaren vijftig (die nog prima functioneert).

Kumasi, Manhyia paleis

Na het paleisbezoek moet ik weer naar de andere kant van het centrum, voor Fort Kumasi. Ik heb wel genoeg van het lopen en houd een taxi aan. ‘Fort’ kent-ie niet. Net zoals eerder in Accra moet een voorbijganger redding brengen. Die zegt eerst nog “Kun je niet gaan lopen?”. Nou, in deze hitte liever niet. Ik heb al genoeg gezweet vanochtend.

Met de uitleg weet de chauffeur het fort prima te vinden. Er is nu een militair museum in gevestigd. Dat betekent weer een privé-tour met een gids. Dat doen ze goed hier in Kumasi. Ze hebben allemaal wel een heel verhaal uit hun hoofd geleerd, en zijn niet altijd even goed te verstaan met hun Ghanees-Engels waarin de klemtonen op onverwachte plaatsen worden gelegd. Het museum heeft uiteraard veel wapens, maar de rondleiding voert ook over het terrein van het rood met blauw geschilderde fort. Je kunt de cellen bezoeken waarin de gevangenen zaten – helemaal in het duister, in de hitte met nauwelijks ventilatie. En dat met 10 gevangenen in een cel.

Tot slot van de dag in de koningsstad Kumasi neem ik een drankje in het Queen’s Gate restaurant. Daar kan ik vanaf het balkon de massa aan taxi’s, voorbijtrekkende handelaren en ander volk bespieden.

Kumasi, straathoek

De laatste tradities

Buiten Kumasi bezoek ik de dorpjes Ntonso, Adanwomase en Besease, en het meer van Bosumtwi.

Om 9 uur rijden we Kumasi uit. Dat duurt makkelijk een half uur, want het is een grote en drukke stad. De zon brandt al flink de auto in. Ik vermaak me prima met het leven langs de weg. Je ziet heel veel grote borden langs de weg staan. Die zijn van politici, kerken, mobiele telefoonmaatschappijen en .. iets wat ik buiten Ghana nog nooit eerder had gezien: overleden personen. Families zetten als een soort rouwadvertentie een groot reclamebord langs de weg, met daarop een grote foto van de overledene plus diens naam en leeftijd. Opvallend is dat er veel zijn met een heel hoge leeftijd: 105 jaar heb ik een paar keer gezien, en één keer meende ik zelfs 130 jaar te lezen. Dat lijkt me wat sterk, het moet dan wel de oudste mens ter wereld geweest zijn.

Billboard voor overledene

We rijden eerst noordwaarts, naar het dorpje Ntonso. Daar staat al iemand ons op te wachten. Hij is gebeld (leve de mobiele telefoon) over mijn komst. In Ntonso maken ze Adinkra-stoffen. Dat zijn met symbolen beschilderde kleden waarin een overledene wordt gewikkeld. Zo kan hij een boodschap doorgeven aan anderen die al in het hiernamaals zijn.

Een deel van het dorp beschildert de stoffen nog helemaal op traditionele wijze. Mijn gids laat me zien hoe boombast fijn wordt gestampt tot een soort touw. Dat wordt gekookt en steeds verder ingekookt, tot er een zwarte verf over blijft. Iemand anders in het dorp maakt van kalebassen stempels. Deze stempels en de verf samen zijn het materiaal om de stof te bewerken.

Aan het eind van de rondleiding kan ik het stempelen zelf proberen op een stuk katoen. De symbolen hebben allemaal een diepe betekenis, zoals ‘Wijsheid’ en ‘De koning heeft vele ogen en niets blijft voor hem verborgen’. Ik kies maar gewoon de mooiste uit, en kan mijn creatie mee naar huis nemen.

Ntonso, verf

Een paar kilometer verderop ligt het dorpje Adanwomase. Net als in Ntonso wonen er zo’n 5000 mensen. Ze hebben hier zelfs een heus bezoekerscentrum. De chauffeur zet me voor de deur af in zijn oranje-witte taxi. Hij zelf gaat liggen slapen, en ik ga een tour door het dorp doen. Het toerisme is hier helemaal georganiseerd, voor een vaste prijs krijg je een gids mee om de weverijen van het dorp te bekijken. Ze maken hier zogenaamde Kente-kleden. Dat zijn lange lappen geweven stof, gedragen door zowel mannen als vrouwen.

We starten onze rondgang door het dorp in een winkel waar garen wordt verkocht. Voor de kleden gebruiken ze soms katoen (uit Ghana zelf), maar ook wel synthetische garens uit China en India. Het plaatsje is zo gericht op het weven dat er maar liefst vijf garenwinkels zijn.

Een stukje verderop wordt het garen gesponnen. De garens uit China komen al kant en klaar, maar het katoen moet nog eerst op een rol gewikkeld worden. Onder een afdakje in de schaduw zit een jongen niets anders te doen dan dat. Ik mag het ook even proberen, het gaat redelijk goed maar niet zo snel.

Verderop in het dorp zitten er overal mensen de kleden te weven. Sommigen in hun achtertuin, of gezellig drie-op-een-rij met de buren (zo heb je ook nog wat te kletsen). Achterin het dorp staan drie voormalige markthallen. Daar zitten de meeste wevers. Ze hebben de radio er bij aan, het lijkt wel gezellig werk. Ook hier wordt weer plaats gemaakt voor mij. Je moet met beide voeten, tussen de twee grootste tenen, de tol met het garen vasthouden. Dat is nogal moeilijk als je zoals ik in je rechtervoet niet zoveel gevoel en sturing hebt. Het weven blijkt een behoorlijk inspannende bezigheid te zijn. Het kost behoorlijk wat kracht vanuit je voeten/onderbenen, en je zit helemaal verkrampt op een krukje. Hier in Adanmowase weven alleen de mannen (de vrouwen zijn te zwak…).

Tot slot gaan we natuurlijk ook nog even langs de winkels waar je de kant-en-klare kleden kunt kopen. Ze begrijpen wel dat je die in Nederland niet gaat dragen, dus de gids prijst ze ook aan als tafelkleed. Desondanks is het aan mij niet besteed.

Adanwomase

We rijden verder over de grote weg Accra-Kumasi. Vanaf daar heb je een afslag naar Besease. Er staat zelfs een bord met ‘Werelderfgoed’ langs de weg. In het dorpje Besease staat een oud (maar gerenoveerd) heiligdom dat nog in de traditionele Ashanti-stijl is gebouwd. Dat wil zeggen: een steil dak bedekt met bladeren, en deels witte en deels oranje-rode muren die bedekt zijn met Adinkra-symbolen gemaakt van klei.

Een oude bewaker komt ons tegemoet. Hij lijkt geen Engels te spreken, maar verwelkomt ons wel enthousiast. De entree is 2 cedi (1 EUR). Het is maar een klein gebouw: vier ruimtes rondom een centrale binnenplaats. Eén van de ruimtes is afgesloten, daar mag alleen de fetish-priester naar binnen. De andere ruimtes zijn ingericht als een soort museum, met foto’s van andere traditionele gebouwen in de regio (die nu vaak verloren zijn gegaan).

Besease

We eindigen de tour aan het meer van Bosumtwi. Het ligt in een oude vulkaankrater. De omgeving is erg groen en bergachtig. Veel mensen lijken er niet te komen, hoewel er wel een aantal hotels zijn. Het dorpje kan de geschiedenis in als het ‘Vodafone-dorp’: ongeveer de helft van alle huizen is rood geschilderd en heeft reclame van deze telefoonmaatschappij op de muren. Ze zullen ook wel een zendmast hebben. Chauffeur Kwame en ik gaan lunchen in het Lake Paradise Resort. Het meer zit naar het schijnt vol met tilapia, maar dat blijkt het restaurant niet meer op voorraad te hebben. We beperken ons dus maar weer tot kip. Het smaakt desondanks prima en je krijgt er een mooi uitzicht over het meer bij: het einde van een geslaagde dag!

De grote markt van Kumasi

De grote markt is het hart van Kumasi. Eerder deze week was ik er al rond om heen gewandeld toen ik op zoek was naar het paleis. Hier is het altijd druk met mensen, heel druk. Ik krijg samen met een ouder Zwitsers stel deze ochtend een rondleiding van zo’n 2,5 uur over de markt door een lokale gids.

De markt van Kumasi staat bekend als de grootste van West-Afrika. Het zijn grotendeels overdekte kramen, met elkaar verbonden via steegjes. Het stadsbestuur is van plan op korte termijn hier een groot en modern winkelcentrum van te maken. Maar zoals onze gids zegt: het kan nooit groot genoeg zijn, er zullen altijd nog handelaren buiten staan.

De markt hier verkoopt niet alleen eindproducten, er zijn ook ambachtslieden en ateliers aan het werk. Hergebruik staat centraal. Oude kleren (uit Europa?) worden uit elkaar gehaald en omgenaaid tot hele nieuwe. Oude kranten (ik zag zelfs stapels van De Telegraaf) worden gebruikt als pakpapier. Oude dozen worden met hamer en ijzeren pinnen tot nieuwe omgeturnd. En van oude autobanden kun je prima slippers maken!

Kumasi markt

Dit is Comfort, onze gids. Ze werkt normaal voor de B&B waar ik overnachtte, maar leidt ook gasten rond over de markt. Iedereen lijkt haar hier te kennen. Ze stopt op iedere hoek om een praatje te maken, en doet ook zelf onderweg haar inkopen. Hier showt ze de traditionele zwart met rode kleding die wordt gedragen tijdens een begrafenis door de directe vrouwelijke nabestaanden.

Er zijn meerdere steegjes gewijd aan spullen voor begrafenissen. Behalve de stoffen & kleding, zijn dat ook de speciale kado’s die de genodigden meebrengen. Zo is het gebruikelijk dat de schoonfamilie van de overledene op de ochtend van de begrafenis een “zeeppakket” aan de nabestaanden geeft. Hier op de markt hebben ze hele luxe exemplaren, met niet alleen gewone zeep maar ook shampoo en eau de cologne etc., en feestelijk verpakt.

Kumasi markt

Meer naar het midden van de markt zie je de levensmiddelen en andere dagelijkse boodschappen. Levend gevogelte, hele dikke slakken, gedroogde vis en ander stinkend spul. Wij staan liever stil bij de zeep: deze wordt verkocht in bollen en is gemaakt van het omhulsel van de cacaoboon.

De verkopers op de markt vinden het prima als potentiële klanten overal aan zitten en van alles proeven. Onze gids Comfort laat ons dus ook kennis maken met diverse specerijen en nootjes met een soort citroensmaak. Veel van de verkopers willen ook even een handje schudden met de witte bezoekers of op de foto.

Kumasi markt

Forten aan de kust

Bij de receptie van mijn nogal afgelegen liggende hotel bestel ik een taxi om me de 3 kilometer naar Elmina te laten brengen. Dat betekent eerst 20 minuten wachten. Hij moet ook helemaal uit Elmina komen, via een onverharde weg langs de 18 holes golfbaan van het Coconut Grove Resort en door het onontgonnen gebied waar de Ghanees/Engelse hoteleigenaren hun overigens prima strandhotel hebben gebouwd. De taxichauffeur is een vriendelijke man, die me al snel weet over te halen hem ook morgen in te huren voor de tocht naar het Kakum Nationaal Park. Dat is dan maar weer mooi geregeld, zowel voor hem als voor mij.

Nu zet hij me af voor het fort van het kustplaatsje Elmina. Het werd gebouwd door de Portugezen in 1482, en is daarmee het oudst overgebleven gebouw van Europese oorsprong in Afrika ten zuiden van de Sahara. Van de buitenkant ziet het er nog prima uit. Het is ook zo groot, dat het het hele vissersplaatsje overheerst.

Elmina Castle

Na het betalen van 9 cedi entree word ik de binnenplaats opgelaten. Oogverblindend wit is het hier allemaal, het zit goed in de verf. In het centrum staat een oud Portugees kerkje. Daaromheen zijn de gebouwen voor de gouverneur, de soldaten, de gevangenen en de handelswaar (inclusief slaven). Ik had niet verwacht dat het zo groot en zo compleet zou zijn – meestal zijn forten toch niet veel meer dan wat ruïnes van steen of beton.

Hier is het voor het eerst in Ghana dat ik een flink aantal andere toeristen zie. We krijgen in een groep van 10 een rondleiding. Verder zijn er nog diverse schoolklassen op het terrein. De kinderen dragen allemaal uniformen, en zijn goed gedresseerd.

Elmina is voor de Nederlanders speciaal interessant, aangezien het tussen 1637 en 1871 in Nederlandse handen is geweest. Er hangt ook nog een gedenksteen in het Nederlands ter ere van de laatste gouverneur. Deze man woonde overigens zeer riant in dit complex. Dat kan niet worden gezegd van de gevangenen en slaven. Kelders zonder veel licht of frisse lucht herbergden groepen mannen en vrouwen voordat ze per schip op transport werden gesteld naar Amerika.

Vanaf de top van het fort heb je ook een goed uitzicht op het tweede fort van Elmina. Dat ligt op een heuvel een paar honderd meter van dit Fort St. George. Het tweede fort is gebouwd door de Nederlanders – ze gebruikten de heuvel als strategisch punt om de Portugezen aan te vallen, en bouwden er later ter verdediging een eigen fort om te voorkomen dat hen hetzelfde zou overkomen.

Elmina, van Elmina Castle naar Fort St. Jago

Elmina is maar een kleine plaats waar verder niet veel te zien is. Wel opvallend zijn de posuban. Dat zijn een soort naïeve sculpturen gemaakt door religieuze broederschappen. Mooi zijn ze niet, wel heel apart. Ik heb er geen foto van kunnen maken want ze worden nogal goed ‘bewaakt’ door omstanders.

Met weer een taxi ga ik naar de volgende plaats aan de kust: Cape Coast. Ook daar hebben ze een oud Europees fort / kasteel dat werelderfgoed is. Het is bloedheet vandaag, en ik ga eerst maar even wat eten in het naast het kasteel gelegen restaurant.

Daarna is het weer tijd om 9 cedi te betalen en me aan te sluiten bij een tour door het kasteel. Cape Coast Castle is gebouwd door de Engelsen. Ik vind het minder mooi dan dat in Elmina, maar het is net zo wit en net zo compleet. Hier is de link met het slavernijverleden nog schrijnender: er zijn muffe kelders waar 100 – 200 man maanden in werden vastgehouden. Daarna werden ze via een tunnel weggevoerd naar het klaarliggende schip via de ‘Door of No Return’.

Cape Coast Castle

Na de rondleiding had ik eigenlijk gepland om nog wat in het aardige plaatsje Cape Coast rond te wandelen. Maar het is zo heet, dat ik er na anderhalve straat al de brui aan geef. Behalve wat gebouwen uit de Engelse koloniale tijd, zie je hier net als elders in Ghana veel moderne bouwwerken die volledig geschilderd zijn als een soort reclamezuil. Met name het rood van Vodafone is heel populair.

Canopy Walk in Kakum

Kakum National Park ligt gunstig op ongeveer een half uur van Cape Coast, het belangrijkste toeristencentrum langs de Ghanese kust. Ik arriveer er om 8.30 uur en tref er ongeveer 10 andere westerse toeristen aan, plus een groep van ca. 100 schoolkinderen. Ze zijn allemaal op dezelfde tour als ik aan het wachten – rondleidingen beginnen op het uur vanaf 8 uur en de kosten bedragen 9 cedi (4,5 EUR) voor buitenlandse volwassenen.

Het park staat op de voorlopige lijst van werelderfgoed vanwege zijn tropisch regenwoud met een verscheidenheid aan planten en zoogdieren. Het omvat niet minder dan 360 vierkante km. Alle bezoekers echter zijn gekomen voor iets anders: de Canopy Walkway. De Ghanezen zijn hier erg trots op, het was de eerste op het Afrikaanse continent. Het bestaat uit een 350 meter lange hangbrug van touwen en planken, die 7 uitkijkplatforms met elkaar verbindt.

Kakum Nationaal Park

Tegenwoordig zijn er een behoorlijk aantal van deze Canopy Walkways (“voetgangersbruggen tussen de boomtoppen”) over de hele wereld. Dit was echter mijn eerste keer. De tour onder leiding van gids William begint met 15 minuten bergop lopen door het bos. Er zijn zeldzame dieren in het park, maar ze leven meestal ’s nachts of blijven wijselijk weg van het veel betreden pad naar de Canopy Walkway. Met 100 kinderen van een jaar of 8-14 op het pad, kun je je voorstellen dat zelfs de laatste vogel of vlinder weg zal vliegen naar een rustig plekje.

Eenmaal bij de brug aangekomen laat de gids de kinderen gelukkig wachten, en stuurt ons volwassenen als eersten de brug op. Omdat we omhoog zijn gelopen, lijkt het op het eerste gezicht niet dat we hoog boven de grond zijn. Het enige beetje enge aspect is het heen en weer wiebelen van de touwen van de brug. En halverwege stoppen om naar beneden te kijken is ook niet zo’n goed idee. Als je echt hoogtevrees hebt moet je hier niet aan beginnen.

Kakum Nationaal Park

Na het tweede bezichtigingsplatform word ik me echt bewust dat we bijna op gelijke hoogte zijn met de toppen van de bomen (30 meter boven de grond). Ik blijf een tijdje rondkijken vanaf één van de platforms, en zie opeens een paar apen. In eerste instantie zie ik alleen wat bomen bewegen, maar na enige tijd tonen de apen hun gezichten. Ik denk dat het Black-and-white Colobus Monkeys zijn (Franjeapen schijnt het Nederlandse woord te zijn). Ze zijn te ver weg om te fotograferen (het vergt ook wel enige oefening om foto’s te nemen vanaf de slingerende loopbrug). Ik wijs ze aan voor een Amerikaans stel dat achter me loopt. Hetzelfde stel dat ook gisteren al op dezelfde Cape Coast Castle tour was als ik. Het Ghanese toerisme is een kleine wereld.

De meesten van de andere bezoekers zijn teveel gericht op het lopen om van het landschap te kunnen genieten. Het is een dicht woud daar beneden, bij sommige delen lijkt het alsof je van boven op een broccoli neerkijkt.

Na ongeveer een half uur bereik ik het einde van de hangbrug. Het is een ervaring geweest die ik zeker nog eens wil herhalen ergens anders in de wereld. De schoolkinderen zijn inmiddels al krijsend op de brug verschenen. Ik ben klaar met dit bezoek en wandel terug naar de ingang door het dichte bos.

Terugblik Ghana 2010

Eind februari 2010 reisde ik 8 dagen op eigen gelegenheid met het openbaar vervoer door Ghana. Het meest heb ik er genoten van de specifieke eigenaardigheden van dit land: de begrafenisrituelen, de dorpjes vol handwerkers, de bedrijvigheid op de grote markt van Kumasi. Andere toeristen zie je nauwelijks in Ghana – met recht dus nog een onontdekte bestemming waar je wel wat doorzettingsvermogen en zo af en toe hulp van een lokale gids moet hebben om alles te zien.

Vanwege de beperkte tijd moest ik me beperken tot de driehoek Accra, Kumasi, Cape Coast. Er zijn ook nog wel een paar bezienswaardigheden in de rest van het land, maar langer dan 2 weken zou ik er toch niet voor over hebben. En nog een pluspunt: het is er altijd lekker warm, overdag zo’n 35 graden toen ik er was. Ik heb nog nooit zoveel gezwommen tijdens een vakantie als dit keer.

Ghana is een makkelijk te bereizen land hoewel het toerisme er nog maar in de kinderschoenen staat. De voertaal is Engels, openbaar vervoer gaat altijd overal naar toe, en de Ghanezen zelf zijn altijd bereid je op weg te helpen.

Visum

Om Ghana binnen te komen moet je vooraf in Nederland een visum aanschaffen. Het verkrijgen daarvan vergt een hele papierwinkel: een invulformulier, 4 gelijke pasfoto’s, bewijzen vlucht, hotels en gele koorts vaccinatie. Plus 50 EUR te betalen. Ik heb het laten regelen door de visumdienst Visum.nl, en had mijn paspoort (mét stickervisum) na ongeveer anderhalve week per post weer thuis.

Vaccinaties

Meer voorbereiding: voor reizen naar Ghana worden vaccinaties voor DTP en Hepatitis A geadviseerd, en is die voor gele koorts zelfs verplicht. Daar komen nog eens malariatabletten bij: 15 tabletten voor een bezoek van 7 dagen. Ondanks dat ik al een aardig boekje vol met vaccinaties heb, ben ik voor consult, recept, gele koorts prik en malariatabletten toch meer dan 100 EUR kwijt aan de GGD en apotheek.

Vervoer

STC is de staatsbusmaatschappij die met redelijk comfortabele airconditioned bussen voor het lange afstandsvervoer zorgt. Een kaartje Accra-Kumasi kost 12 cedi (6 EUR voor 6 uur in de bus), van Kumasi naar Cape Coast was het 10 cedi voor 3 uur en 3 kwartier. De bussen vertrekken niet echt stipt op tijd, beide keren was het ruim een kwartier te laat. Op de lange rit naar Kumasi werd er onderweg een keer gestopt om wat te eten of naar de WC te gaan.

Binnen de steden is het heel makkelijk een taxi te nemen. Ze zijn te herkennen aan de oranje voor- en achterkant van de auto. Er zijn er ontzettend veel, het lijkt wel dat driekwart van alle auto’s taxi’s zijn. Je hoeft dan ook niet lang te wachten tot er eentje stopt. Ze nemen ook meer mensen mee die dezelfde richting op moeten. Ik betaalde meestal tussen de 3 en 7 cedi (1,50 – 3,50 EUR) per rit. De taxichauffeurs hebben over het algemeen geen idee waar dingen liggen, dus het is wel handig zelf een kaart mee te nemen. Ook voorbijgangers willen nog wel een stoppen om de chauffeur uit te leggen waar je heen wilt.

Een andere gangbare vorm van vervoer is de Tro-Tro. Dat zijn minibusjes waarin een stuk of 14 passagiers mee kunnen. Ze vertrekken als ze vol zitten. Sommige van deze busjes zijn erg aftands, maar het kan ook meevallen: voor mijn rit van Cape Coast naar Accra had ik een behoorlijk modern busje met airco en comfortabele zitplaatsen. De rit van iets meer dan 2 uur kostte 5,5 cedi (iets goedkoper dan de bus, maar ook sneller).

Kumasi, tro-tro

Het vliegveld van Accra tenslotte. Het is niet zo groot en behoorlijk goed georganiseerd. Bij aankomst gaat alles vlot – je staat zo buiten, waar mensen met bordjes van verschillende hotels staan te wachten. Er zijn ook officiële airport taxi’s. Voor het vertrek wordt aangeraden om heel vroeg op het vliegveld te zijn (3-4 uur). Waarom is een raadsel. Je moet wel heel vaak aan allerlei mannen en vrouwen je paspoort en boarding pass laten zien, maar de douane en bagagecontrole gaan probleemloos.

Kosten

1 Ghanese cedi is ongeveer 0,50 EUR waard. De entreeprijzen zijn voor buitenlanders hoger dan voor Ghanezen. Meestal betaalde ik zo’n 5 cedi (2,5 EUR), de kastelen aan de kust kostten elk 9 cedi. De prijs van eten in een restaurant varieert zo tussen de 7 en 15 cedi (3,5 – 7,5 EUR).
Pinnen met een VISA creditcard kan op het vliegveld en bij enkele banken in Accra, Kumasi en Cape Coast. Verder is het wel handig dollars bij je te hebben, ik moest alle hotels cash betalen.

Accommodatie

Alledrie hotels heb ik vooraf vanuit Nederland via internet geboekt. Er is niet zo heel veel keus. Deze drie kwamen gunstig tevoorschijn uit de beoordelingssite Tripadvisor en andere reisverslagen/boeken. Ze hebben elk een eigen website waarop je kunt boeken, maar vaak gingen er wel een paar dagen overheen voordat ik reactie kreeg.

Mahogany Lodge in Accra. Sfeervol hotel met maar 14 kamers rondom een centrale binnenplaats met zwembad en zitjes. Goed restaurant, vriendelijke mensen. Mijn kamer (122) heeft een ruime badkamer met ligbad, een hard tweepersoonsbed, een grote TV, draadloos internet, airco, minibar, een lekkere stoel en een bureau. Voor het ontbijt kun je kiezen uit verschillende soorten brood, ei, fruit etc. Het hotel ligt in een rustige wijk niet ver van het vliegveld en vlakbij de zwaar beveiligde Amerikaanse ambassade.

Prijs: 98 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.mahoganylodge.com/

Four Villages Inn in Kumasi.

Bed & Breakfast met maar 4 kamers, iets ten zuiden van het centrum. Goed ontbijt, met zelf gemaakte worstjes, gebakken ei & tomaat en een lekkere fruitsalade. Draadloos internet is er erg traag, en ook de stroom valt nog wel eens uit. Je kunt buiten zitten op de veranda. De Canadees Chris is hier de vriendelijke eigenaar, die je van allerlei tips kan voorzien.

Prijs: 49 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.fourvillages.com/

Elmina Bay Resort in Elmina. Hotel pal aan zee, behoorlijk ver van de stad Elmina of andere hotels. Het ziet er van buiten allemaal een beetje saai uit, maar de kamers zijn modern ingericht, ruim en hebben een balkon. Er is ook draadloos internet en airco. Het hotel heeft verder een groot zwembad en een restaurant. Het ontbijt en het avondeten zijn redelijk, maar niet echt bijzonder. Langer dan 2 nachten zou ik hier niet willen zitten.

Prijs: 74 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.elminabayresort.com/

Eten en drinken

Het eten dat in restaurants op de menukaart staat is meestal een combinatie van Ghanees, Westers en Chinees. Een aantal Ghanese gerechten dat ik heb uitgeprobeerd staat hieronder. Ik heb er steeds kip of vis gegeten. De kwaliteit was zonder uitzondering prima.

Jollof rice: bekend over heel West-Afrika, en dus ook in Ghana populair. Het is rijst gekookt met kruiden, tomaten, uien, paprika, wortelen en in dit geval ook kip.

Palava saus, vis, gebakken plantaan, rijst: de Palava is een soort spinazie. Onverwacht zit er ook een vis bij dit gerecht, ik zag ze vanuit de bus wel liggen in de zon en dacht “dat eet ik hier nooit!”. Maar hij is mooi wit van binnen en smaakt prima. Kosten van dit maal: 3,75 EUR inclusief flesje water.

Red Red: gebakken banaan met bonen. Die laatsten komen in een pittig soort tomatensaus. Heeft wel wat weg van Chili con carne (zonder gehakt). Het is erg goedkoop (3 EUR) en vult goed. Erbij drink ik een glas vers ananassap (het meest gangbare vruchtensap hier).

Leave a comment