- Dag 1: Tol en Tunnels
- Dag 2: Weer eens wat oude kerkjes
- Dag 3: Romeinse restanten
- Dag 4: Restaurante Tino in Gijon
- Dag 5: Las Medulas en Astorga
- Dag 6: Dinosauriërs aan de kust
- Dag 7: Grotschilderingen in Altamira en Monte Castillo
- Dag 8: Zweverig en twee kloosters
- Dag 9: Snel langs de laatste twee!
- Terugblik Noordwest Spanje
Dag 1: Tol en Tunnels
De eerste middag van dit verblijf in Spanje breng ik grotendeels door in de auto. Ik huur altijd de kleinst mogelijke (en goedkoopste) auto. Maar dit keer word ik op het vliegveld van Madrid verrast met een upgrade: een sportieve Peugeot 307 Cabrio!

Op de rit naar het uiterste noordwesten heb ik het open dak nog maar niet uitgeprobeerd. De route gaat over rustige en goede snelwegen. Tot twee keer toe moet ik zelfs tol betalen: een keer 9 EUR en een keer 10 EUR. De kosten van de weg voor die laatste 10 EUR zijn wel duidelijk: de ene na de andere tunnel moet ik door. Zo vlak en kaal het landschap in Midden-Spanje (rond Madrid en Salamanca) is, zo bergachtig en groen is het hier. Die verandering in landschap begint eigenlijk meteen zodra je bij León afslaat naar het noorden.
Aan het eind van de middag kom ik aan in mijn hotel in het plaatsje Riosa. Hier in de buurt is het allemaal nog veel groener. Niet voor niets zeggen ze dat deze regio (Asturië) op Engeland lijkt: het is er groen en nat. Maar daarover morgen meer. Ik installeer me vanavond lekker met een boek en de laptop in het hotel, en neem er een stokbrood met serranoham als ‘diner’. Dit gehucht heeft namelijk geen restaurants!
Dag 2: Weer eens wat oude kerkjes
Ik word wakker van het hanengekraai. Het is kwart over zes, en frisjes.
Wat zal ik eens gaan doen vandaag? Las Medulas staat op de planning, maar na het inprogrammeren van de TomTom blijkt dat een stuk verder weg te zijn dan ik had gedacht. Hemelsbreed is het niet ver, het ligt aan de andere kant van de bergen. Ik besluit het maar te combineren met de tocht naar Santiago de Compostela over een paar dagen, dan kom je er ook langs.
Vandaag blijf ik dicht in de buurt van mijn overnachtingsplaats Riosa: drie kerkjes in de omgeving en de stad Oviedo zijn mijn doel.
Na het voedzame maar eenvoudige ontbijt (die heerlijke Serranoham van gisteravond is vervangen door vierkante fabrieksham), stap ik de deur uit. De vallei waar je vanaf het hotel op uit kijkt ligt er prachtig bij vandaag.
De kerkjes en drie monumenten in Oviedo vormen samen één werelderfgoed. Ze zijn alle zes in de 9e eeuw gebouwd, toen Asturië een onafhankelijk christelijk koninkrijk was (de rest van Spanje was toen onder invloed van de Moren). Het Cantabrisch gebergte scheidt Asturië van de rest van het land, en maakt het ook zo uniek.
De eerste kerk die ik bezoek ligt een half uurtje naar het zuiden. Eerst weer over de slingerweg door de bergen, en aan het eind daarvan, pal aan de snelweg Léon – Oviedo, ligt Lena. Het kerkje Santa Cristina de Lena staat met borden aangegeven, en is ook al van verre te zien want het ligt op een heuvel. Aan de voet van die heuvel is een parkeerplaats. Het is een hele steile klim naar boven, en ik besluit nog maar even door te rijden naar de tweede parkeerplaats. Vandaar loopt een weg die ook voor kinderwagens geschikt zou zijn. Dus ook prima voor mij. Het is een lekker pad tussen de velden en boerderijen door. Lokale bewoners laten er hun hond uit, en er wordt driftig gejogd.
Tussen de bomen door heb je steeds uitzicht op de idyllisch gelegen kerk – midden tussen het groen. Ik blijf maar foto’s maken, terwijl het toch maar een vrij simpel, robuust kerkje is.
Op het bord aan de voet van de heuvel heb ik al gelezen dat het kerkje vandaag (=maandag) gesloten is. Ik loop dus alleen een rondje rondom het gebouw. Je hoort hier wel de hele tijd het geraas van de snelweg, zo jammer in deze omgeving.
Diezelfde snelweg pak ik toch ook maar om weer een half uur naar het noorden te rijden. Daar, vlakbij de stad Oviedo, liggen nog twee kerken uit de 9e eeuw. Ook deze staan goed aangegeven, en er is een flinke parkeerplaats bij waar zelfs een bus staat. Ik moet weer een stukje naar boven lopen (goed om weer wat conditie op te bouwen). De kerken liggen een paar honderd meter van elkaar verwijderd, en in het midden is een bezoekerscentrum. Het heeft een tentoonstelling met informatie over de geschiedenis van deze zo specifieke Asturiaanse architectuur. Normaal moet je hier ook de toegangskaartjes voor de kerken kopen, maar op maandag is de entree grati
Ik sla eerst linksaf, naar de San Miguel de Lillo. Weer een klim! Deze kerk is een stuk groter dan de eerste van vanochtend. Hij heeft ook wat meer decoratie, met name in twee van de ramen. Binnen kun je op het plafond nog de resten van fresco’s zien. Verder is het interieur ruw en kaal. Het is natuurlijk ook erg oud. En het wordt al lang niet meer als kerk gebruikt.
De laatste kerk van vanochtend is de Santa Maria del Naranco, rechts van het bezoekerscentrum. Dit is blijkbaar ook de populairste, want er zijn zeker wel 40 andere bezoekers aanwezig. Maar dat kan ook met het tijdstip te maken hebben, het loopt inmiddels al tegen twaalven. De meeste bezoekers zijn Spanjaarden. Buitenlandse toeristen zie je in deze omgeving niet veel. Of toch wel: opeens word ik omgegeven door een groep kwebbelende Japanners.
Deze kerk was oorspronkelijk een paleis. Daar heeft het nu ook nog steeds veel van weg. Interessant is hier met name de bovenverdieping. Je komt er via een brede trap buitenom. De verdieping heeft aan de ene kant een balkon, en aan de andere kant een loggia. Het plafond wordt gedragen door rijk versierde zuilen.
In het centrum van Oviedo stal ik mijn auto in de eerste beste parkeergarage. Tijd om te eten. Een groot deel van het centrum is voetgangersgebied, met veel winkels en terrasjes. Er zijn meer cafés dan echte restaurants, maar ik vind toch een leuk plekje. Ik neem het dagmenu voor 9,50 EUR – het bestaat uit een stuk lasagne vooraf, friet met scherpe worstjes als hoofdgerecht en een vanille-ijsje toe. Mijn maag is in ieder geval weer goed gevuld. Zin om in de stad verder te zoeken naar de drie resterende gebouwen die bij het werelderfgoed horen, heb ik echter niet. Ik ben tevreden met de herinneringen van vanochtend aan de kerkjes op de prachtige locaties, en rijd na even wat boodschappen te hebben ingeslagen weer “huiswaarts”.
Dag 3: Romeinse restanten
Het is nog helemaal donker als ik vandaag wakker wordt. Toch wel raar, want het is toch ‘al’ kwart over zes. Als ik mijn hoofd uit het raam steek, blijkt er een grote dikke wolk boven het dal te hangen. Een uurtje later is die weer weggetrokken, en kan ik op pad voor wat weer een zonnige dag gaat worden.
Ik rijd vandaag nog verder westwaarts. Het is ongeveer 240 kilometer en de optimist in mij had vooraf bedacht dat dat maar 2 uurtjes rijden zou zijn. De TomTom geeft echter ruim 3 uur aan. Na drie kwartier rijden wordt wel duidelijk waarom het zo lang moet duren: maar een klein deel van deze route is snelweg, met de rest zijn ze nog druk bezig. In het landschap hier betekent dat enorme viaducten bouwen en tunnels blazen. De route gaat dus over gewone doorgaande wegen. Onderweg is er niet veel bijzonders te zien. Als je eenmaal buiten Asturië komt, wordt het landschap een stuk minder aantrekkelijk (en wordt het weer gewoon Spaans kaal en vlak).
Mijn eerste stop in de ochtend is Lugo. Het centrum van Lugo, een stad met 95.000 inwoners, is volledig omringd door een Romeinse stadsmuur. Omdat die muur een werelderfgoed is (het is de enige complete authentieke Romeinse stadsmuur) moet ik hier even langs.
Ik kan mijn auto gelukkig kwijt net voorbij een van de stadspoorten. Daar kun je ook een trap op naar boven, naar de muur. Het bijzondere van deze stadsmuur is dat hij helemaal compleet is – je kunt dus een rondje rond de stad lopen over de muur. En dat ben ik vanochtend ook van plan. Het is een wandeling van maar twee kilometer.
Het pad over de muur is behoorlijk breed, vier tot zeven meter. Ik moet meteen weer terug denken aan Xi’an in China, waar ze ook zo’n complete stadsmuur hebben. Die is nog breder, daar kun je zelfs over fietsen. Het is een lekkere wandeling. Het pad gaat lichtjes omhoog en omlaag, met hoogteverschillen van een paar meter. Voor inwoners van Lugo is dit de ideale plek om aan de conditie te werken. Ik kom tientallen joggers en hardlopers tegen. Zij doen meerdere rondjes om aan hun kilometers te komen.
Ik vind één rondje mooi genoeg. Onderweg kun je de stad Lugo van alle kanten bekijken. Met uitzondering van de kathedraal is er niet veel moois te zien. Net als bij spoorwegen lijken hier ook de meest armoedige huizen vlak tegen de muur aangebouwd te zijn.
Veel langer dan een half uur blijf ik niet in Lugo. Ik moet namelijk nog verder naar het noordwesten vandaag: naar La Coruña, nog een uur rijden. Het is een eenvoudig ritje.
In La Coruña is een ander werelderfgoed mijn hoofddoel, namelijk de vuurtoren Torre de Hercules. Het ding staat op een schiereiland iets ten noorden van het centrum. Ik wil hem eigenlijk gaan bezoeken na de lunch. Omdat de toren aan het water ligt en de haven vlakbij is, had ik vooraf allerlei visioenen van prachtige terrassen aan zee en geweldige visrestaurants. Nou – er is helemaal niks! Alleen een grote parkeerplaats. Die nog niet eens groot genoeg blijkt voor de honderden bezoekers, want ik kan geen plekje meer vinden.
Ik rijd dus maar door naar het centrum van de stad om daar wat te eten. Het parkeren (in een garage) gaat daar gelukkig wel een stuk makkelijker. Echt attractieve restaurants zie ik daar echter ook niet. Ik beland uiteindelijk op het terras van Copacabana, en neem daar gefrituurde inktvisringen met friet.
Met de maag gevuld is het tegen tweeën tijd voor een nieuwe poging om bij de vuurtoren te geraken. De bezoekerspiek lijkt voorbij (alle Spanjaarden zijn aan het lunchen waarschijnlijk), en het lukt me nu makkelijk een plekje voor de auto te vinden. Zoals gezegd ligt de vuurtoren op een schiereiland. Het is nog een eindje lopen om er te komen. Het waait hier hard: de vuurtoren ligt op het uiterste noordwestelijk puntje van Spanje en ‘bewaakt’ nog steeds de Galicische kust.
De eerste vuurtoren werd hier op dezelfde plek gebouwd door de Romeinen rond het jaar 200. Het huidige uiterlijk stamt uit de 18e eeuw, en is zo’n 21 meter hoger (55 meter in totaal) dan het origineel.
Je kunt de vuurtoren natuurlijk ook beklimmen. Het beklimmen van torens sla ik meestal over, en in mijn huidige conditie is dat waarschijnlijk maar beter ook. Maar dit is de enige manier om de vuurtoren van binnen te zien. En de binnenkant is ook de enige plek om nog wat van de Romeinse funderingen te zien. Dus ik koop maar een kaartje voor 2,5 EUR, en zie wel hoe ver ik ga klimmen.
Het eerste deel van de route gaat inderdaad langs de funderingen, waar de verschillende stadia van de constructie door de eeuwen heen staat uitgelegd. De klim die dan volgt is vrij eenvoudig, met brede traptreden en veel plekken om even uit te rusten. Ik klim tot ongeveer halverwege en houd het dan voor gezien. Hoe historisch het gebouw ook is, het is ook gewoon maar een toren. Je kunt gelukkig gemakkelijk omkeren, en dan op de eerste etage weer naar buiten.
Zo heb ik nog wat energie gespaard om de rest van het schiereiland te verkennen. Het is een soort park, met bankjes om te genieten van de zee en de voorbijvarende schepen. Her en der verspreid staan allerlei sculpturen die het maritieme thema en de mythologie rond deze vuurtoren weergeven.
Tegen half vier wordt het weer tijd om de lange rit huiswaarts aan te vangen.
Dag 4: Restaurante Tino in Gijon
Omdat ik de afgelopen dagen nogal moeite had een goed restaurant te vinden, wil ik op deze ‘rustdag’ eens lekker en uitgebreid gaan eten. En het liefst vis! Ik ga er voor naar Gijon, een grote havenstad zo’n 40 minuten rijden ten noorden van mijn overnachtingsplaats Riosa.
Vooraf heb ik op internet al goed gezocht naar adressen van aanbevolen restaurants in Gijon. Twee keer kom ik ‘Restaurante Tino’ tegen. Frommer’s reisgids schrijft: “Kwaliteit gecombineerd met kwantiteit… De plek is iedere avond afgeladen vol met eters, velen van hen zijn vaste gast.” En ook een tevreden Spaanse gast verhaalt over een restaurant zonder pretentie, net als 40 of 50 jaar geleden.
Dat lijkt me wel wat. Ik pluis vast de menukaart uit (zie hun website), en vertaal de Spaanse gerechten via Google naar het Nederlands. De openingstijden staan er ook bij: in de middag van 13.15 tot 15.30 uur. Ook programmeer ik het adres in de TomTom en neem vanuit mijn hotel nog een plattegrondje van Gijon mee voor de zekerheid (en met wat alternatieve eetadressen).
Het straatje waaraan het restaurant ligt had ik spontaan nooit gevonden. Het is wel redelijk in het centrum van Gijon, maar in een doodnormale zijstraat. Van buiten ziet het restaurant er ook niet bijzonder uit. Ik parkeer in de buurt onder een grote supermarkt. Het is inmiddels 13.20 uur. Laat voor mij om te eten, maar vroeg in Spanje.
Je gaat het restaurant binnen via het aangrenzende café, waar het ook al druk is. In het restaurant zelf ben ik één van de eerste gasten. Er staan zo’n 20 eenvoudige houten tafels. Bediend wordt er door een oudere vrouw (de eigenaresse?), die later nog versterking krijgt van een leeftijdgenote. Beiden dragen gewoon hun eigen bloemetjesjurken en zijn niet als “bediening” herkenbaar. Van de tweede vrouw dacht ik eerst dat ze een gaste was. Ze was een beetje met de tafels aan het schuiven om alles handig neer te zetten.
Van tevoren wist ik eigenlijk al wat ik wilde gaan eten. In ieder geval iets met vis, en natuurlijk ook mijn grote favoriet: inktvis. Vooraf neem ik rode paprika met ansjovis. Er zit een sausje van olie en ei over. Het is een koud gerecht, het smaakt bijna als een soort salade.

De zaak loopt ondertussen snel vol. Meer dan de helft van de tafels was gereserveerd voor gezinnen. Er lijken veel vaste gasten bij te zijn, af te lezen aan de hartelijke begroetingen. Vanaf 2 uur moeten ze nieuwe gasten de deur wijzen: het is gewoon vol. Er zitten zeker 50 man in het zaaltje, en er worden er ook nog wel 20 weggestuurd. Ook een oudere man (de eigenaar?) moet mee gaan helpen in de bediening. Een beetje tegen wil en dank van de vrouwen in: hij blijft steeds een beetje hangen bij de tafeltjes om te kletsen met bekenden. En dan wordt-ie door één van de vrouwen weer tot de les geroepen, en op pad gestuurd met klusjes als een nieuwe fles wijn halen of een tafeltje afruimen.
Mijn hoofdgerecht is Pulpo a la Gallega: octopus bereid op Galicische wijze, het streekgerecht van de naburige provincie Galicië. Het bestaat uit gekookte stukjes inktvis met paprikapoeder in een dressing van olie/limoen/zout. Heerlijk!

Na een uur stel ik ook mijn tafel ter beschikking aan andere hongerigen. Het eten is hier zeker niet goedkoop (28 EUR voor het totaal), maar gewoon helemaal prima.
Dag 5: Las Medulas en Astorga
Las Médulas is een landschap dat is ontstaan nadat de Romeinen hier goud hebben gewonnen. Met behulp van water, aangevoerd onder hoge druk via kanalen, sloegen ze delen van de rotsen weg om zo bij het goud te kunnen komen.
Vanaf de Mirador de Orellan had ik mijn eerste blik op dit rare landschap. Je komt bij het uitzichtpunt via een wandeling van ongeveer 800m omhoog, via een prachtige groene omgeving met veel kastanje bomen, bloemen en bessen. Er is nog niemand anders, het is nog vroeg in de ochtend. Vanaf het uitkijkpunt zie je het klassieke uitzicht over Las Médulas, met de rode pieken. Het gebied is kleiner dan ik had verwacht. Later lees ik dat het 10 vierkante kilometer is. Het lijkt veel op een landschap gemaakt door erosie (zoals Ischigualasto / Talampaya in Argentinië, of meerdere Amerikaanse Nationale Parken).
Een rit van ongeveer 10 minuten naar beneden brengt me bij het dorp van Las Medulas. Je moet je auto te laten staan aan de ingang van het dorp, alleen de lokale bevolking mag verder rijden.
Las Medulas is een rustiek dorp, dat vooral gericht is op het vrij grote aantal toeristen dat passeert, de meeste van hen Spaans. Borden wijzen op verschillende korte en langere wandelingen in het gebied. Ik kies voor een korte: de 3 km heen-en terugreis naar het meer Lago Somido.
Het kale landschap stelt je goed bloot aan de zon, niet te onderschatten op 30 graden. Mijn wandeling is echter maar kort. Het meer waar ik naar toe loop is ook een gevolg van de mijnbouw (de overstroming van een kanaal). Er schijnen verschillende soorten kikkers en salamanders te leven, maar ik zie of hoor helemaal niets. Ook geen andere toeristen op dit parcours trouwens, waardoor het bijna een beetje griezelig word hier alleen rond te lopen.
Ik loop dezelfde weg terug naar de uitgang van het dorp. Onderweg neem ik nog een cola op een terras om weer wat bij te tanken.
En dan is de vraag: ga ik nog naar Santiago de Compostela? Eigenlijk zou dat de tweede bestemming van deze dag zijn, maar ik ben langer in Las Medulas gebleven dan vooraf bedacht. En het is nog dik twee uur verder rijden naar Santiago. Hoewel het me een werelderfgoedvinkje kost, besluit ik toch maar weer ‘huiswaarts’ te rijden en onderweg op een andere interessante plaats te stoppen waar ik ook kan lunchen.
De keus valt al snel op Astorga. Een mooie oude stad op de Route naar Santiago de Compostela. Het herbergt bovendien een van de weinige bouwwerken van Gaudí buiten Barcelona.
Het Gaudi Paleis ziet eruit als een kerk, en heeft nu een museum van binnen. De tentoonstelling is niet echt iets voor mij, maar het is wel een prima manier om de architectuur van het gebouw van binnen te bewonderen. Het is geïnspireerd door de kamers vol met bogen in de Mezquita van Cordoba. Het heeft dezelfde rood / wit gestreept pilaren, en glas-in-lood ramen.
Ik ben niet in de nastgelegen kathedraal geweest (gesloten), maar de gevel is in elk geval zeer de moeite waard.
Ik kom niet veel ‘pelgrims’ tegen in Astorga of op de weg daar naar toe, zeker niet te voet. Maar ik vraag me wel af hoe het is om deze route lopen. Het is erg heet in juli / augustus, en er lijken ook veel saaie delen te zijn door industriële gebieden. En het is ver, heel ver: 656 km van de Franse grens naar Santiago de Compostela.
Dag 6: Dinosauriërs aan de kust
De Jurassic Coast van Asturië heeft een hoge dichtheid aan ichnofossielen. Dit zijn afdrukken van (voet)sporen van dinosauriërs. In dit gebied vind je ze veel. De kust hier krijgt veel regen en lijdt onder erosie. Zo komen er steeds weer nieuwe lagen vrij. De eerste vondsten van dinosaurus sporen dateren uit 1975.
Dergelijke sporen zijn überhaupt niet heel zeldzaam. Er zijn veel meer sporen en afdrukken dan fossiele botten. Ook in Bolivia en Zuid-Korea zijn grote vindplaatsen. Die zijn nog belangrijker dan deze in Spanje.
Wetenschappers kunnen aan de hand van de afmetingen van de afdrukken beoordelen welk soort dinosaurus er rond liep, hoe zwaar die was en hoe hard hij kon lopen. Je ziet zowel grote als kleine afdrukken door elkaar.
Mijn eerste poging om zelf van die sporen te zien is aan het strand van Tazones. Een klein badplaatsje, waar toch wel ongeveer drie mensen van het strand genieten.
Ik zie al snel een bordje met daarop een pootafdruk en een pijltje dat de weg wijst naar de dinosaurussporen. De afdrukken zelf vind ik echter niet (en ik weet ook eigenlijk niet zo goed waar ik op moet letten). Misschien zijn de sporen tijdelijk even onder water verdwenen vanwege de vloed. Je kunt vanaf het dunne streepje zand nauwelijks bij de rotsen komen.
Een wat makkelijker kennismaking is het Dinosaurus Museum in Colunga, een minuut of 20 verderop. Het gebouw zelf is gemaakt in de vorm van een pootafdruk (3 kussentjes). Op zich vind ik de collectie niet zo interessant (vooral als je al wel eens vaker dinosaurusskeletten hebt gezien), maar helemaal in de kelder hebben ze een mooie selectie van lokaal uitgegraven dinosaurus pootafdrukken.
Tenslotte doe ik nog een poging om de sporen in hun oorspronkelijke context te zien. De kliffen van Tereñes nabij Ribadesella behoren tot de belangrijkste vindplaatsen. Ook hier vind ik het routebordje al snel. Je moet aan de straat parkeren, en dan is het nog ongeveer een kwartier naar beneden lopen. Eerst door een weide, en dan steeds verder afdalend naar de rotsen aan zee. Een uitdagende wandeling. Ik kom zelfs nog andere toeristen tegen op dit pad, wel een stuk of 10! Zo raar is het dus blijkbaar niet om voetsporen van dinosaurussen te zoeken.
Bij de rotsen beneden is een platform gemaakt waarvandaan je zicht hebt op de voormalige moddervlakte waar de sporen zijn achtergebleven. Ook al had ik ze in het museum gezien, zo in het echt vind ik het nog vreselijk moeilijk om ze te onderscheiden. Voor mij lijken het allemaal inkepingen in de rotsen, gevormd door erosie. Een echt spoor zie ik er niet in, hoogstens een enkele pootafdruk. Al met al wel een fascinerend onderwerp om eens een zonnige ochtend aan te besteden!
Dag 7: Grotschilderingen in Altamira en Monte Castillo
Toen ik me er voor het eerst van bewust werd dat er zoiets als ‘Werelderfgoed’ bestaat, steeg de Altamira Grot snel naar de top van mijn te bezoeken lijstje. Zo’n prachtige en ook exclusieve plek, vol met kleurrijke rotstekeningen die zo’n 15.000 jaar oud zijn. Je moest 3 jaar van tevoren een reservering maken om het te kunnen bezoeken! Ooit ga ik er heen, dacht ik. Maar wat is er intussen gebeurd? De grot werd geheel afgesloten voor het publiek in 2001!
Tegenwoordig is er alleen nog maar een bezoek aan een replica mogelijk. En het werelderfgoed is uitgebreid met andere grotten met rotstekeningen in de buurt. Dus de Altamira Grot is niet zo uniek meer. Toch zag ik op de officiële website van Altamira dat is het zelfs mogelijk danwel aanbevolen is om ook een bezoek aan de replica grot vooraf te reserveren!
Op een zaterdag in augustus waag ik het er maar op zonder reservering. Ik ben er om 9.50 uur, vroeg genoeg te winnen van de meeste van de Spaanse toeristen die vóór 11 uur niet actief lijken te worden. Het kopen van een ticket is dus geen probleem. De toegang tot het bijbehorende museum is gratis, je betaalt 3 EUR voor een bezoek aan de replica van de grot.

Je mag alleen binnen in de zogenaamde ‘Nieuwe Grot’ op een vast tijdstip (dat op je kaartje staat), en in groepen van ongeveer 40-50 man. Aan het begin worden hoge verwachtingen gewekt: een grote deur opent zich, en je krijgt eerst een video te zien. Maar wat een teleurstelling is de rest! Het is nep en zo lijkt het ook. De beroemde Kamer van de schilderijen (“de Sixtijnse Kapel van de Prehistorie”) is teruggebracht tot een hoek in een museum. Ik dacht serieus dat de ‘replica grot’ nog moest komen, tot ik alweer bij het bordje Salida (Uitgang) kwam.
Om deze teleurstelling teniet te doen, besluit ik ook nog een andere grot in deze streek te bezoeken. Ook veel van de andere grotten zijn ofwel gesloten voor het publiek, danwel hebben strikte beperkingen op de bezoekersaantallen. Op voorhand had ik al wat onderzoek gedaan, en gekozen voor Monte Castillo, dat geen last lijkt te hebben deze beperkingen. Het Monte Castillo grottensysteem ligt net buiten het toeristische plaatsje Puente Viesgo (20 min van Altamira).
En gelukkig: dit is een grot zoals het zou moeten zijn. Het is er binnen koud, donker en glibberig. Het grottenstelsel is vrij groot, en heeft ook veel druipsteen. Voor 3 euro krijg je hier een 45 minuten durende rondleiding door een gids. Het gaat in een kleine groep van ongeveer 15 mensen. Voertaal is Spaans, maar er zitten ook wat “buitenlandse” toeristen bij (Australiërs?). De gids licht de rotsschilderingen uit met zijn zaklantaarn. We zien vooral veel bizons in verschillende maten en houdingen. En allerlei symbolen waarvan de betekenis niet duidelijk is.
En handafdrukken, van veel handen. Ik dacht dat deze alleen voorkwamen in de Cueva de los Manos (Grot van de Handen) in Argentinië, maar ze blijken overal ter wereld voor te komen in paleolithische grotschilderingen. Ze werden gemaakt door een hand op de rotswand te leggen en er met een soort rietje kleurstof overheen te blazen. Leuk dit eens gezien te hebben!
Dag 8: Zweverig en twee kloosters
Vandaag staat de verplaatsing naar San Millan gepland, waar ik in een tot hotel omgetoverde vleugel van een klooster zal overnachten. Bij het bekijken van de snelste route ontdek ik dat die via Bilbao gaat – en dat geeft me de kans op nog een extra werelderfgoed!
In Portugalete, een voorstad van Bilbao, ligt de Vizcaya Brug. Het is de oudste zweefbrug ter wereld (1893), en nog steeds volop in gebruik. Portugalete blijkt makkelijk te bereiken vanaf de snelweg. Dan is het nog even goed zoeken naar de brug, want het centrum van het plaatsje blijkt afgesloten te zijn vanwege festiviteiten. Ik rijd er met een grote boog omheen, en kom uiteindelijk pal voor de brug uit. Er is geen geschikte plek om te parkeren, en ik moet een eindje doorrijden tot een sportpark. Daar is gratis plek genoeg. Er is een boulevard langs de rivier vanwaar ik terug kan lopen naar de brug.
Ik wist vantevoren niet goed wat ik me bij een ‘zweefbrug’ moest voorstellen, maar het blijkt een ijzeren stellage te zijn waar een gondeltje onderdoor wordt getrokken. Dit op zodanige hoogte dat de schepen er nog ongestoord onderdoor kunnen varen.
Hier in Portugalete passen er zes auto’s en heel wat voetgangers in de gondel. In anderhalve minuut is het ding aan de overkant.
Sinds 1999 kunnen bezoekers de brug van bovenaf bekijken. In beide pijlers zijn liften geïnstalleerd, en bovenin de brug zelf is een platform waar je overheen kunt lopen. Dat lijkt me wel wat, dus ik koop een kaartje voor 5 EUR.
Als ik aan de voet van de pijler sta, vraag ik me af of het wel zo’n goed idee is. Het is heel hoog (50 meter), en vooral ook heel open. Het lijkt of je overal doorheen en tussendoor kunt kijken (vallen?). Als ik in de lift stap, neem ik me voor rechtstreeks weer met de lift terug naar beneden te gaan als ik boven ben. De lift gaat niet heel hard, maar heeft naar mijn smaak nog steeds iets teveel open uitzicht.
Eenmaal boven valt het toch nog mee. Het platform, dat de hele brug bestrijkt, is omspannen met een ijzeren kooi. En je kunt niet of nauwelijks naar beneden kijken, de vloer is bedekt met houten planken. Op die manier is het toch wel een leuke plek om wat rond te wandelen. Je kunt zo van Portugalete naar de overkant lopen. Als er een gondeltje aankomt, voel je de brug trillen en zie je de kabels onder je langs bewegen.
Aan het eind van de ochtend rijd ik door naar de kloosters van San Millan, nog 1,5 uur verderop. De weg is bijna helemaal snelweg.
San Millan heeft twee kloosters, Yuso en Suso. Yuso is het meest recente (16e eeuw), en daar overnacht ik ook vandaag. Er is een groot parkeerterrein bij, en diverse restaurants en winkeltjes. Het is er ook flink druk met bezoekers. Ik ga er eerst maar eens eten.
De kloosters zijn ’s middags geopend vanaf vier uur. Voor elk moet je een apart kaartje kopen, ook op een andere plaats. De toegang tot Suso is beperkt, je wordt daarvoor met een busje opgehaald. Ik krijg een ticket voor 17.55 uur naar Suso, dus heb eerst nog anderhalf uur de tijd voor Yuso.
Ook hier is het bezoek erg gereguleerd: je mag alleen binnen met een gids. De groep bestaat wel uit zo’n 40 man. Het wordt een nogal vermoeiende tour omdat de gids regelmatig stilstaat om heel lange verhalen te vertellen. De mooiste ruimte waar we langskomen is de Sacristie, een bont Barok / Roccoco geheel.
Door het lange geklets van de gids moet ik me nog haasten voor het busje naar Suso. Ongeveer de helft van de groep uit Yuso gaat ook hier mee naar boven. De busrit duurt een minuut of 5.
Het Suso-klooster ligt tegen een berghelling. Van een afstandje lijkt het erg schattig, van dichtbij heeft het een wat rare vorm. Ook hier mogen we met een gids naar binnen. Van het klooster is eigenlijk alleen nog maar een kerkje over, en dat is van binnen ook nog eens voornamelijk leeg. Wel teleurstellend.
Het prettigst aan het verblijf in San Millan blijkt mijn hotel te zijn, een kamer in het klooster met prachtig uitzicht over de omringende velden en bergen. En als de meeste toeristen om 7 uur weg zijn, vooral ook heel veel rust.
Dag 9: Snel langs de laatste twee!
Helaas al weer de laatste ochtend. Heerlijk stil is het hier ’s ochtends in het klooster. Er zijn wel meer gasten, maar het is zo groot dat je niemand hoort. Ontbijt is hier niet inbegrepen, dus ik ga er om kwart over 8 maar zonder vandoor.
Doel vandaag is om nog twee werelderfgoederen te bezoeken vóór de terugvlucht van half 5 vanuit Madrid. De eerste is de archeologische vindplaats Atapuerca. Daar zijn de oudste menselijke resten in Europa gevonden: ca. 1,2 miljoen jaar oud. Het is een uur en een kwartier rijden vanuit het klooster in San Millan. Onderweg kom ik grote aantallen pelgrims tegen die de route naar Santiago de Compostela aan het lopen zijn. Eigenlijk voor het eerst dat ik er zo veel zie tijdens deze reis, misschien is het het vroege tijdstip. Of dat de route door allerlei mooie oude dorpjes gaat waar ik vandaag ook door moet.
Atapuerca is ook zo’n klein slaperig plaatsje. Ze hebben wel een groot bord over hun belangrijkste trekpleister neergezet bij het begin van het dorp. Omdat ik er al om half 10 ben, en de bezienswaardigheden niet voor 10 uur open zijn, neem ik eerst als verlaat ontbijt een café con leche en een pain au chocolat in een cafeetje.
Om het gebied goed te bezoeken heb je wel een paar uur nodig. Zo kun je bijvoorbeeld met een georganiseerde tour mee van twee uur naar de grotten waar de oudste Europese mensen leefden. Zoveel tijd heb ik vandaag niet. Ik houd het dus maar bij het Archeologisch Park. Hier doe ik een rondleiding van een uur.
Ook nu zijn er al een stuk of 30 andere (Spaanse) toeristen present. Ik had niet gedacht dat het hier zo druk zou zijn. Voor de toer naar de grotten moet je echt wel vooraf reserveren. Het Archeologisch Park is een klein openluchtmuseum. De gids vertelt (lang) over het leven van de eerste mensen hier. Ook doet hij voor hoe zij uit stenen gereedschappen hakten, en vuur maakten. Best interessant, maar ik denk dat ik toch liever naar de grotten was gegaan.
Om 11 uur stap ik weer in mijn auto, voor de rit van 20 minuten naar Burgos. Daar staat het tweede werelderfgoed van vandaag: de 13e eeuwse kathedraal. Burgos is met 178.000 inwoners een vrij grote stad. Gelukkig vind ik een parkeergarage pal voor de kathedraal.
Het eerste wat je van het centrum ziet is de prachtige stadspoort.
Daarachter ligt de grote kathedraal verscholen. Het is één van de belangrijkste gotische bouwwerken ter wereld. Hij is in verschillende fasen ontwikkeld, en dat zie je ook nog wel want het is eigenlijk één groot complex met allerlei torens, kapellen en andere ornamenten.
Ik heb hier maar een uurtje de tijd, en zie dat er een lange rij voor de kaartjesverkoop staat. Dat gaat me nooit lukken: dan maar niet naar binnen. In plaats daarvan loop ik een volledige ronde om het gebouw. Ook op die wandeling is al genoeg fraais te zien.
Als ik weer bij de ingang uitkom, is de rij voor de kaartjes helemaal weg. Snel koop ik er toch ook nog maar eentje, voor 5 EUR. Ook van binnen blijkt de kathedraal bont en vol. Kapelletje hier, kapelletje daar. Veel glas-in-lood ramen. Het mooiste vind ik nog wel de Gouden Trap (een toevoeging uit de Renaissance).
Op het laatst kom ik wel in tijdnood: ik wil echt voor half 1 weer uit Burgos weg. Het is nog 2,5 uur rijden naar Madrid. De laatste ruimtes van de kathedraal loop ik dus maar snel door
Terugblik Noordwest Spanje
Het Noordwesten van Spanje is een echte aanrader: niet té heet in de zomer, mooie groene natuur, veel bezienswaardigheden, niet veel toeristen behalve Spaanse. Ik was er in totaal negen dagen, en dan heb ik zelfs nog de hoogtepunten Santiago de Compostela en Nationaal Park Picos de Europe aan me voorbij moeten laten gaan.
Noordwest Spanje, met name Asturië, is een mooie groene vakantiebestemming met volop (oude) bezienswaardigheden. Buitenlandse toeristen zie je er niet veel, hooguit wat Fransen. Verder volop Spanjaarden die de hitte van de rest van het land aan het ontvluchten zijn.
Vervoer
Gevlogen van Amsterdam naar Madrid. Het is ook mogelijk om via een overstap in Parijs rechtstreeks naar Oviedo te vliegen, de hoofdstad van Asturië. De vlucht naar Madrid is goedkoper, gaat een paar keer per dag én je hoeft niet op Parijs Charles de Gaulle rond te hangen. Wel moet je dan ca. 3 uur extra rijden naar het noorden.
Accommodatie
In de volgende drie hotels heb ik overnacht:
Hotel Sierra del Aramo in La Vega de Riosa. Rustig hotel, midden tussen de bergen en op een kwartiertje afstand van de snelweg. Het is erg nieuw, alles ziet er keurig en modern uit. Toch niet helemaal tevreden: op het ontbijt wordt erg bezuinigd (er is genoeg, maar niets echt lekker vers) en er zijn geen restaurants in de omgeving.
Prijs: 50 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.hotelsierradelaramo.com/
La Quintana de Pancar in Pancar, vlakbij Llanes. Ruim hotel met een soort semi-balkon. Alles net een slagje beter dan in het vorige hotel. Draadloos internet alleen in de hal (daar zijn wel zitjes).
Prijs: 106 EUR inclusief ontbijt
Link: http://www.booking.com/hotels/hotel/es/la-quintana-de-pancar.nl.html
Hosteria del Monasterio de San Millan in San Millan is een behoorlijk luxe hotel in een vleugel van het Yuso-klooster. Met Wifi, minibar en een heerlijk bad. En niet te vergeten het prachtige uitzicht vanuit het raam (meer een luikje) over de bergen en weilanden.
Prijs: 60 EUR exclusief ontbijt
Link: http://www.sanmillan.com/e_hotelsm.asp
Eten
Je moet hier wel van vis houden! De menukaarten van de restaurants zijn vrijwel allemaal traditioneel regionaal. En alleen in het Spaans. Mijn favoriet zoals altijd is de inktvis: pulpo.





























Leave a comment