- Route Tanzania 2008
- Op bezoek bij de Maasai
- Safari in de Serengeti
- Ngorongoro
- Wandelen op de hellingen van de Kilimanjaro
- Stone Town
- Met de dalla-dalla naar Jozani Forest
- Terugblik Tanzania 2008
Route Tanzania 2008
Route van een reis van 2 weken door Tanzania en Zanzibar.
| Van dag tot dag | ||
| Datum | Gedaan | Verblijf |
| 19 december | Vertrek met Swiss Air om 7 uur vanaf Schiphol. Bijna te laat door enorme rij voor de Lufthansa-balie (naast Swiss Air). Maar het vliegtuig wacht op mij en nog 40 man die nog later zijn. De vlucht naar Zürich duurt ruim een uur. Daar stappen we over op een vlucht naar Nairobi. Nog eens 7 uur onderweg, in een vliegtuig vol vakantievierenden uit heel Europa. Bij aankomst moeten we eerst bij de douane voor 20 dollar een transitvisum voor Kenya kopen. Dit gaat heeeel traag (ze hebben net nieuwe stickervisa gekregen). Pas om half 9 zitten we compleet in het busje dat ons door het drukke verkeer naar het hotel in Nairobi brengt. | Panafric Hotel, Nairobi |
| 20 december | Om kwart voor acht op pad voor de 238 kilometer lange rit van Nairobi (Kenia) naar Arusha (Tanzania). In Tanzania wordt het landschap iets bergachtiger, en zien we ook meer herders met kuddes koeien en geiten langs de weg lopen. Aankomst in Arusha om 13 uur. De rest van de middag bij het hotel geluierd en gelezen. | Jacaranda Hotel, Arusha |
| 21 december | Deze ochtend gaan we voor het eerst met de Landrovers op stap. Het is nog ruim 200 kilometer rijden naar de Ndutu Lodge diep in de Serengeti. Onderweg stoppen we bij het uitkijkpunt over de Ngorongoro-krater, alvast een voorproefje. De eerste dieren die we zien zijn een stel zebra’s. En even verderop: giraffes. Ook bezoeken we een (toeristisch) Masaai-dorp. Vlakbij de lodge zien we nog ontelbare hoeveelheden Thomson’s Gazelles op de vlakte. | Ndutu Lodge, Serengeti |
| 22 december | Eerste volle safaridag in de Serengeti, voor het eerst ook met het dak open zodat je het nog veel meer van dichterbij beleeft en beter foto’s kunt maken. We zien de eerste hyena’s, wrattenzwijnen, gnoes, nijlpaarden, cheetahs, impala’s, olifanten en leeuwen. Het hoogtepunt zit hem in de staart: een luipaard languit gestrekt in een boom. | Ndutu Lodge, Serengeti |
| 23 december | De game drive van vandaag gaat door de Ngorongoro Krater. Bovenaan de kraterrand komen we Masaai-herders tegen met hun grote kuddes, die ze in de meertjes op de kraterbodem laten drinken. We zien eerst veel dezelfde dieren als gisteren, tot de chauffeur opeens in de verte een neushoorn spot. Neushoorns zijn nog maar klein in aantal, en de kans er een te zien is dus gering. Hoogtepunten vandaag zijn verder de hyena-familie met kleintjes en de 2 jonge leeuwtjes die schattig vlak naast de weg liggen. | Crater Forest Tented Lodge, Karatu |
| 24 december | Rustdagje op de veranda voor de tented lodge. Rond het middaguur begint het erg te waaien en te regenen, en word ik de tent in gedwongen. | Crater Forest Tented Lodge, Karatu |
| 25 december | Naar Lake Manyara, een park dat voor een groot deel is bedekt met bos (en dus minder open is dan de Serengeti en Ngorongoro). We zien de blauwe meerkat (blauw-grijzige aapjes) en verder veel vogels (pelikanen, Egyptische ganzen, ijsvogeltjes). De grotere dieren laten zich nauwelijks zien vandaag. Wie er wel is in het park: de president van Tanzania (Kikwete)! Het hele bezoekerscentrum is speciaal voor hem mooi aangekleed en overal zie je Tanzaniaanse vlaggetjes. Een limousine met het kenteken E 1 staat voor de deur. | Crater Forest Tented Lodge, Karatu |
| 26 december | Reisdag vanaf Karatu naar Marangu. Tussenstop van een paar uur in Arusha, dus weer eens tijd om lekker te eten en wat te internetten. | Kibo Hotel, Marangu |
| 27 december | Wandeling naar de Mandara-hut op 2725 meter, de eerste stop op de beklimming van de Kilimanjaro. Met een groepje van 4 en twee lokale broers als gidsen de hele dag op stap. | Kibo Hotel, Marangu |
| 28 december | Om kwart over 7 in de ochtend met de openbare express-bus van Marangu naar Dar es Salaam. Er wordt maar 1 keer gestopt, in de ochtend bij een soort wegrestaurant. De bus zit prima, ook een bewijs dat reizen met openbaar vervoer hier goed mogelijk is. In de avond gaan we in Dar es Salaam naar Slipway. Dit is een winkelcentrumpje met restaurants waar veel rijke Tanzanianen en westerse expats graag verpozen. Ik koop er nog 2 extra boeken en eet er lekker Japans. | Royal Mirage Hotel, Dar es Salaam |
| 29 december | Om half 11 met de catamaran naar Zanzibar. De boot is goed vol, vooral met westerse toeristen. De overtocht duurt 2,5 uur en veel is er onderweg niet te beleven. Na aankomst lunchen en alvast wat rondkijken in Stone Town (historische centrum van Zanzibar Stad). Daarna door naar de oostkust, naar het strandplaatsje Jambiani. | Sau Inn Hotel, Jambiani |
| 30 december | Relaxdag, lezen, dorpje bekijken. | Sau Inn Hotel, Jambiani |
| 31 december | De hele dag in mijn eentje in Stone Town rondgelopen. Heerlijke stad, doet erg Arabisch/Aziatisch aan met zijn vele smalle steegjes.’s Avonds Oud en Nieuw gevierd bij het hotel met een barbecue, opgeluisterd door lokale trommelaars en dansers. | Sau Inn Hotel, Jambiani |
| 1 januari | Nog een relaxdag, maar ik heb geen zin meer om te relaxen of te lezen. In het hotel of Jambiani is niets te beleven. | Sau Inn Hotel, Jambiani |
| 2 januari | Om 8 uur met de lokale dalla dalla naar Jozani Forest, om daar o.a. de rode franjeaapjes te bekijken. Vandaar weer verder naar Stone Town voor de lunch.Om half 5 gaan we met een kleine Cessna met 13 zitplaatsen van Zanzibar terug naar Dar es Salaam. Om 22.15 wacht daar de terugvlucht via Nairobi (tussenstop) en Zürich (overstap) naar Amsterdam. | Vliegtuig |
| 3 januari | Aankomst keurig op tijd om 8.55 in Amsterdam. | Nederland |
Op bezoek bij de Maasai
In het hele grensgebied tussen Kenia en Tanzania zijn ze een opvallende verschijning: de Maasai. Er leven zo’n 900.000 leden van deze stam in de buurt van de befaamde wildparken. Ze leven van hun vee: meest koeien en geiten. Sommigen hebben een enorme rijkdom aan vee vergaard en drijven kuddes van honderden dieren voort.
Van oorsprong zijn het nomadische herders maar tegenwoordig hebben ze meestal wel een vaste woonplaats. Ze vallen vooral op door hun kleurrijke kleding en hun lengte. Ook in de rest van Tanzania (tot aan Zanzibar) kom je wel eens een avontuurlijke Maasai tegen. Altijd met een stok (speer) in de hand. De mannen hebben buitenshuis altijd een stok bij zich. Dat is om zich te kunnen verweren tegen wilde dieren. In onze lodge nabij de Ngorongoro krater werd iedereen elke avond als het donker werd naar de tent vergezeld door een Maasai met stok!
Er bestaan veel mythes over hun huidige leefwijze. Wat er allemaal van waar is is moeilijk te verifiëren. In mijn reisgids stond bijvoorbeeld dat ze niet met het openbaar vervoer mogen reizen, maar ik heb er genoeg in bussen gezien. Ook zie je ze wel eens op de fiets.
Langs de kant van de weg zijn enkele Maasai-dorpen die tegen betaling van 10 US dollar per persoon toeristen verwelkomen. Eerst krijg je buiten de poort van hun kraal een welkomstdans te zien. De mannen en vrouwen staan gescheiden in groepjes. Alleen de mannen dansen en springen zo hoog mogelijk, de vrouwen zingen. De vrouwen hebben mooie grote zilveren sieraden om.
Op het binnenterrein laten de mannen vervolgens het bekende springen zien. Ze doen dit in competitie met elkaar. Binnen een kring proberen ze één voor één zo hoog mogelijk te komen. Ze springen met gestrekte benen en komen erg hoog (ze zijn ook al lang van zichzelf dus dat helpt). Aan hun voeten dragen ze sandalen gemaakt van autobanden.
Daarna gaan we in kleine groepjes een hutje binnen. Het is rond van vorm en grotendeels gemaakt van stro. Voor de isolatie en tegen de regen is het dak dichtgemetseld met koeienstront.
Je gaat eerst bukkend door een klein halletje. Het hutje heeft 2 slaapkamers: 1 voor man & vrouw en 1 voor de kinderen. De mannen hebben meerdere vrouwen, en slapen afwisselend in andere huizen. Als ze 15 zijn gaan de jongens het huis uit en trouwen ze met een meisje van 12 of 13 uit een ander dorp. In het hutje wordt gekookt op open vuur. De rook moet via de ingang van het huis naar buiten. Ook is er nog wat ruimte voor een watertank.
Tot slot bezoeken we de kleuterschool die bij dit dorpje van 170 inwoners hoort. Voor vervolgonderwijs moeten ze een eind verder lopen (of ze gaan in een internaat). De paar aanwezige kinderen zingen voor ons en laten zien dat ze in het Engels kunnen tellen.
Safari in de Serengeti
Om 8 uur vertrekken we voor de lange safari-dag door de Serengeti. Onze lodge, de Ndutu Lodge, ligt buiten de grenzen van het park en daarom moeten we eerst een eindje over de vlakte rijden tot we bij de Naabi Hill Gate aankomen. Onderweg zien we overigens al volop dieren, vooral heel veel gazelles en de eerste hyena.
De Serengeti lijkt één grote droge vlakte te zijn, maar verstopt is er toch nog een kleine waterpoel. Daarin liggen dicht op elkaar een twintigtal nijlpaarden ondergedompeld. Het lijkt net een groep stenen omdat ze hun kop onder het water hebben. Maar heel af en toe komen ze even met hun neusvleugels boven het water uit.
De eerste echte roofdieren die we zien zijn de cheetahs. Eerst vier van veraf, en dan nog eens twee redelijk dichtbij. Ze zaten onder een boom maar als ze de jeeps zien lopen ze langzaam weg.
Er zitten ook heel veel verschillende soorten herten en antilopen in het park. Naast de alomtegenwoordige gazelles zijn dat impala’s, hartebeesten en de Bohor reebok. Ze staan allemaal in kleine groepjes langs de zandwegen die we met de jeeps moeten volgen. Als een jeep stopt kijken ze even op en trekken zich een beetje terug, maar echt schichtig zijn ze niet.
Dan is het tijd geworden voor de zoektocht naar leeuwen. Zoeken is hier een relatief begrip, want de jeepchauffeurs hebben allemaal een ‘bakkie’ waarmee ze elkaar op de hoogte houden. Ook tegemoetkomende jeeps wordt vaak om informatie gevraagd. Een groepje van vier leeuwen blijkt heerlijk in de schaduw onder een grote boom te liggen. Het zijn twee mannetjes en twee vrouwtjes, die niet op of om kijken hoewel er drie jeeps pal voor hun neus zijn gestopt. Het is onwaarschijnlijk hoe dichtbij je kunt komen, maar ze zijn voor niemand bang en ook gewend aan de vele jeeps.
Een eindje verderop ligt er nog een stel. Dit keer op hun favoriete uitkijkpost – een ‘kopje’ (uitstekende rotspartij in het vlakke land).
Na een lunch bij het bezoekerscentrum (daar kun je ook even de benen strekken want in het park mag je de jeep niet uit), spreken we uit dat we nog graag een luipaard zouden willen zien. “Als je geluk hebt, gaat dat lukken”, zegt onze chauffeur Mouni. En warempel, nog geen 10 minuten stuiten we op een hele file van jeeps.
In een boom hangt op een tak heel lui een luipaard. Hij zit vrij dichtbij, je kunt met het blote oog nog zijn gevlekte huid zien. We blijven er een hele tijd staan kijken, maar meer bewegen doet-ie niet dan alleen eens een poot verleggen. Toch het hoogtepunt van de dag, want luipaarden zijn vrij zeldzaam te zien.
Op de terugrit treffen we nog twee ruziemakende olifanten. Een jeep is er wat ongelukkig midden tussenin terecht gekomen, maar de grote beesten hebben alleen maar oog voor elkaar. Ze zijn alleen maar aan het dreigen: dan doet de een weer een paar stappen vooruit en trekt de ander zich ietsje terug. Even later is het weer andersom. Op een gegeven moment trapt de één van woede een boom omver alsof het een takje is. Tot een gevecht komt het niet, de reuzen houden het bij dreigen.
Ngorongoro
‘Ngoro Ngoro’ is het geluid dat koebellen maken. En die hoor je meteen als je de 600 meter afdaalt vanaf de kraterrand. Enkele Maasai-herders hebben hun kuddes mee naar beneden genomen voor water. Deze kuddes bestaan uit tientallen zo niet honderden koeien.
Op de kraterbodem treffen we eerst alleen wat vogels, zoals kraanvogels en de zwarte ibis. Bij het grote zoutmeer zitten ook ontelbare flamingo’s. Helaas kun je daar niet al te dicht bij komen, maar je ziet wel een roze gloed. Niet ver daarvandaan is een modderbad vol met nijlpaarden. Deze zijn iets beweeglijker dan die van gisteren in de Serengeti. Ze draaien met hun dikke lichaam helemaal een rondje zodat ze overal onder de modder komen te zitten.
Op de vlakte een stuk verderop spot onze chauffeur opeens een neushoorn. Hiervan zijn er maar 22 in de krater, dus het is een zeldzame verschijning. Je moet wel heel goed kijken om hem goed te kunnen zien. Hij sjokt tussen een groep van gnoes en buffels, en die zien er van een afstandje ongeveer hetzelfde uit. Met deze (zwarte) neushoorn hebben we in twee dagen de ‘Big Five’ van roofdieren die van niemand vrees hebben compleet (leeuw, olifant, buffel, luipaard, neushoorn).
Een volgend hoogtepunt komt van een familie hyena’s vlak langs de weg. We zien eerst al een mannetje en een zwanger vrouwtje in gezwinde pas voor onze jeep uitlopen. Even verderop blijkt dat ze op weg waren naar hun kleintjes, die half verscholen zitten in een kuil. Er zijn drie kleintjes in totaal. De hele familie kruipt lekker bij elkaar in de kuil die vol modder zit. Een paar meter verderop heeft ook een groot wrattenzwijn zich op dezelfde manier ingegraven.
Na de lunch rijden we door een deel van de 260 vierkante kilometer grote krater waar minder dieren lijken te zitten. Tegen de kraterwand aan zien we wel enorme kuddes gnoes, van deze afstand net mieren. Ook zijn er natuurlijk zebra’s, die lopen overal.
In een hoek van de kraterbodem is wat hoger gras en zijn er meer bomen. Daar zien we weer leeuwen. Eerst zes languit in het gras. En daarna vier vrouwtjes met twee kleintjes. Deze zitten vlakbij de weg en kijken geïnteresseerd naar de bezoekers in de jeeps.
Hun moeders kijken echter helemaal de andere kant op: zijn hebben het oog gericht op twee zebra’s. Ze kunnen hun ogen er niet vanaf houden en eentje sluipt er door het hoge gras langzaam naar toe. Twee anderen lijken haar rugdekking te geven en blijven op de uitkijk staan. De vierde maakt een grote omtrekkende beweging om de zebra’s van de andere kant op te jagen. We blijven een hele tijd staan kijken, maar tot een aanval komt het niet. Leeuwen moeten wel heel dichtbij komen willen ze een prooi kunnen pakken: ze springen er dan bij verrassing bovenop. Hard lopen over langere afstanden kunnen ze niet zo goed, en dan vallen ze ook teveel op.
Wandelen op de hellingen van de Kilimanjaro
Om kwart over 8 sta ik met mijn drie medewandelaars klaar voor de tocht naar de Mandara-hut op de flanken van de Kilimanjaro. Deze hut is de eerste halte op de klim naar de top van de Kilimanjaro, een klim die in totaal 5 dagen kost (inclusief de wandeling naar beneden). We krijgen twee gidsen mee: Charles en Mister Case. Het zijn broers die al een hele tijd meelopen op deze berg. Eigenlijk is één gids per vier wandelaars voldoende, maar we vinden het zielig om er eentje naar huis te sturen. En bovendien kan er zo één helemaal voorop lopen en de andere achteraan bij de langzaamste loper.
Met een jeep worden we naar de poort van het nationaal park gebracht, zo’n 10 minuten bergopwaarts in de buitenwijken van Marangu. Halverwege krijgen we nog even prachtig helder zicht op de Kibo-piek van de Kilimanjaro, dus we stappen nog even uit voor een foto. De pieken van de Kilimanjaro gebergte (het zijn er twee) zijn het grootste deel van de tijd verscholen achter bewolking. En tijdens de wandeling zelf heb je er helemaal geen uitzicht op.
Bij de toegangspoort tot het Kilimanjaro Nationaal Park moeten we onze personalia in een groot boek noteren. Er zijn nog wat meer wandelaars, maar niet veel. De entree tot het park kost 60 Amerikaanse dollar, en kan alleen betaald worden met een VISA creditcard. Gelukkig heeft één van de medereizigers die mee. Voor de gidsen kost de entree 1 dollar (hun ‘salaris’ is 20 dollar voor de hele dag).
Zo tegen half 10 kunnen we dan echt op pad gaan. Er is een asfaltweg voor het eerste gedeelte die door de dragers van de grote groepen gebruikt wordt. Wij kiezen echter het smalle bospad links daarvan. Het is een echt aangelegd pad, met een zachte ondergrond. Wel moet je opletten niet te struikelen over de grote stenen en de boomstronken. De Mandara-hut, onze bestemming voor vandaag, ligt op 2700 meter hoogte. Dat betekent 900 meter in hoogte stijgen, verdeeld over 8,2 kilometer. Het pad is niet heel steil, het lijkt voornamelijk vals plat.
De gidsen staan af en toe stil bij bomen en bloemetjes om wat te vertellen (en ons te laten rusten). Dit laagste deel van de klim gaat door het regenwoud. Je loopt dus helemaal omringd door bomen, zelfs de lucht is niet te zien door de boomtoppen. Dit betekent gelukkig ook dat je vooral in de schaduw loopt. Dieren zien we onderweg niet, maar we horen wel veel vogels. Ook hoor je de bomen kraken, alsof er ergens oude deuren opengaan. Verder zijn er wat kleine watervalletjes. Veel kleuren anders dan groen zie je hier niet, afgezien van een enkel bloemetje zoals de inheemse Impatiens Kilimanjari.
Er komen ons regelmatig lopers met hun gidsen tegemoet. “Heb je de top gehaald?”, vragen onze gidsen dan steeds. Als het antwoord een “Ja” is, wordt er hartelijk gefeliciteerd. De één ziet er na 5 dagen wandelen wat beter uit dan de ander, een groepje Japanners loopt meer dood dan levend voorbij. Ook zien we veel lokale dragers lopen, deze jongens en mannen hebben zware tassen en halve keukens op hun nek om de toeristen nog van enig comfort te voorzien in hun klim naar de top. De gids vertelt dat een van de jonge dragers die we tegenkomen de wandeling naar de Mandara-hut in een half uur doet. Zij zelf doen 2,5 dag over de gehele klim inclusief terugweg. Dat is precies de helft van de tijd die het de toeristen kost. Ook hebben ze niet veel nodig onderweg, een paar kopjes thee en 6 sigaretten. Tsja…
Het pad staat goed aangegeven en er staan regelmatig bordjes hoe ver het nog is. Als er een paar venijnige klimmetjes in het parcours komen, raak ik achterop bij de andere drie. De oudste gids, Mister Case van 64, blijft bij me lopen. Hij is net als de meeste mensen in Marangu afkomstig van de Chagga-stam, en al zijn hele leven op de berg actief. Hij spreekt behoorlijk goed Engels en we kletsen wat. Hij is inmiddels ook mijn rugzak gaan dragen. Toch een handige investering geweest, zo’n tweede gids.

Na 3 uur en een kwartier kom ik eindelijk boven aan. De Mandara-hut blijkt een heel complex van hutten en bijgebouwen te zijn, inclusief barakken voor de dragers en een toiletgebouw. Ook hier moeten we weer onze personalia in een boek schrijven, zodat te zien is dat we zijn aangekomen. Op het terrein bij de hutten eten wij de inhoud van onze lunchbox op (eitje, vruchtensap, sandwich, banaantje). Verder genieten we van de atmosfeer die er hangt, van het komen en gaan van klimmers en van de dragen die in het gras liggen te wachten tot hun klanten eindelijk boven zijn. Wij gaan er ook nog even op zoek naar de apen die even verderop in de bomen zouden moeten zitten, maar die zijn blijkbaar niet thuis vandaag.
Na een uurtje rust vinden de gidsen om 2 uur dat we terug moeten gaan. Het is hier boven al wat frisser geworden (de hele dag is het stralend weer geweest). De wandeling naar beneden gaat over hetzelfde pad, maar dan een stuk sneller. Nu merk je pas hoe sterk je gestegen bent op de heenweg. Het is een constante daling, waarin ik dit keer de rest wel goed bij kan houden. We stoppen maar een paar keer in de 2,5 uur durende tocht naar beneden. Eén keer om het regenjack aan te trekken, want we voelen inmiddels de regendruppels door de bomen door.
Zonder kleerscheuren maar met moeie benen zijn we om half 5 weer op de plek waar we begonnen. Daar voor de laatste keer nog even aftekenen dat je weer beneden bent gekomen, en dan is het tijd voor een verfrissend drankje. We nemen de gidsen mee voor een biertje op een terras even buiten het park. Dat maakt ze erg spraakzaam, en ze vertellen van alles over zichzelf. Beiden zijn erg gelovig (Lutheraans), geen wonder in dit stadje Marangu dat barst van de kerkgemeenschappen. Er zijn maar liefst 3 Lutheraanse kerken, en verder onder andere nog twee katholieke, een van de pinkstergemeente en een moskee. De jongste broer denkt 53 jaar te zijn, maar hij weet het niet zeker. Hij kreeg eerst 3 dochters, en daarna (na heel veel bidden) nog 2 zoons. De oudste dochter is arts geworden .. “dat kostte heel veel geld”.
Met enige zorg ga ik terug in het hotel even op bed liggen, uit angst voor de spierpijn in rug en benen die wel eens heftig is als ik langere wandelingen maak. Maar gelukkig valt het dit keer behoorlijk mee. Alleen de trap af lopen is de eerste dagen nog wat pijnlijk. Een wandeling die goed is bevallen dus, maar ik zou het echt niet zien zitten om helemaal naar de top door te moeten lopen.
Stone Town
We reizen met de catamaran in 2,5 uur van Dar es Salaam naar Zanzibar-Stad. Een heel andere wereld dan het vasteland van Tanzania. Beide delen zijn ook nog maar sinds 1964 samen. Zanzibar heeft een heel eigen geschiedenis doorgemaakt, is geregeerd door sultans uit Oman en nam een strategische plek in in de specerijen- en slavenhandel.
Het oude centrum van Zanzibar-Stad heet Stone Town. De architectuur is hier een mix van Arabische, Perzische, Indiase, Europese en Afrikaanse elementen. De stad ligt op een schiereiland en je kijkt dus veelal uit over de zee. Naast vrachtschepen en veerboten zie je ook regelmatig traditionele dhows.
Aan de “boulevard” liggen de meest monumentale oude panden. Ze zijn voor Europese begrippen trouwens niet echt oud, pas vanaf circa 1830 werd hier in steen gebouwd. Ze staan nog wel fier overeind: het oude ziekenhuis, het paleis van de sultan, het House of Wonders en het fort. Overal kun je naar binnen, meestal na betaling van 3 US dollar.
Het paleis lijkt nog wel in de beste staat te zijn (de rest is een beetje op Indiase wijze vol gratie aan het vervallen). Ik krijg er een rondleiding van een gids. Het werd bewoond door de sultans van Zanzibar, die oorspronkelijk uit Oman stamden. Veel aandacht is er voor prinses Salme, een dochter van de sultan die met een Duitser trouwde en ook in Duitsland ging wonen. Het hele interieur doet trouwens erg Europees aan, met luxe zitkamers en eetzaal.
De oude huizen in de stad zijn nog meer in verval geraakt. Wel zijn de karakteristieke uit hout gesneden deuren vaak nog bewaard gebleven. Van binnen is er echter niets meer. Hele families lijken er nu tijdelijk onderdak te hebben gevonden. Krakers?
Het leukste deel van Stone Town is het gebied tussen de “boulevard” en de overdekte markt. Hier zijn ontelbare kronkelige steegjes waar geen auto’s kunnen komen. De markt zelf heeft veel grote vissen zoals barracuda’s en natuurlijk fruit.
In de straatjes zijn souvenirwinkels, ambachtslieden en praktische winkels voor de lokale bevolking. Het doet allemaal erg Arabisch / Aziatisch aan: ik moet regelmatig terugdenken aan Kathmandu of Jerusalem. Verstopt zitten ook moskeeën, twee kerken en badhuizen. Het heeft geen zin om je hier aan een route vast te houden, ronddwalen is leuk genoeg.
Je loopt hier ook op je gemak in je eentje rond. Af en toe roept een verkoper dat je in zijn winkel moet kijken, maar als je voorbijloopt komen ze je echt niet achterna. Ook van “gidsen” die met je mee willen lopen en van alles willen laten zien heb ik geen last gehad. 99% van de bevolking van Zanzibar is islamitisch, en de meeste vrouwen gaan dan ook gesluierd (variërend van een vrolijke hoofddoek tot helemaal van top tot teen in het zwart).
In het labyrinth van het oude centrum staat ook de zeer Europees uitziende Anglicaanse kerk. Deze is gebouwd op het terrein waar vroeger slaven werden gevangen gehouden en verhandeld (door Arabieren en andere Afrikanen). Er is nu een monument ter nagedachtenis aan die slaventijd. Ook kun je twee kelders bezoeken waar respectievelijk 50 mannen en 75 vrouwen en kinderen gevangen werden gehouden voor ze verkocht werden. Het zijn lage en benauwde ruimtes, met nauwelijks daglicht of frisse lucht. En dat in die hitte die hier altijd is.
Met de dalla-dalla naar Jozani Forest
Op de laatste dag van de reis sta ik voor de poort van het hotel te wachten op de eerstvolgende dalla dalla. Na een minuut of 10 komt hij eraan gescheurd. Een dalla dalla is een half open bestelbusje waar in de bak aan de zijkanten banken zijn gemaakt. Als ik naar binnen klauter zitten de banken al helemaal vol. De busjongen gebaart iemand voor mij plaats te maken. Dan zit ik tussen twee vrouwen in, bijna klem en op het puntje van de bank. In het smalle gangpad liggen tassen, zakken en manden. De grotere handelswaar gaat bovenop het dak: planken, takkenbossen, fruit. De kinderen worden bij vreemden op schoot gezet en blijven daar heel kalm onder.
Verderop in Jambiani komen er nog meer mensen bij. De vrouwen gaan in het gangpad zitten, de mannen hangen aan de buitenkant van de dalla dalla. In Jambiani is de weg onverhard en dan is het flink schommelen en hobbelen. Het dak is ook heel laag, dus daar zit je zo tegenaan. Tegenover mij zit een lange Maasai, die moet ook lachen als mijn hoofd bijna het plafond raakt.
Eenmaal op de asfaltweg gaat het een stuk beter, en ook veel sneller. Er zitten nu 40 mensen binnen in het bakkie. Mijn voeten bewegen gaat dus niet meer. Het busje stopt waar je maar wilt en geregeld moeten er mensen in en uit klimmen. Er zitten drie politieposten langs deze weg waar de politie bij het verkeer op zoek gaat naar redenen om wat geld bij te verdienen. Zo’n 100 meter voor de eerste politiepost springen de mannen die aan de buitenkant hangen van de dalla dalla af. Dat hangen mag vast niet, en dan zou de chauffeur een boete krijgen. Nu zitten we bij de controle allemaal braaf te glimlachen op onze overvolle bank. Ondertussen hollen de jongens langs de politiepost en grijpen zich net zo vrolijk 50 meter verder weer vast aan het dak van de dalla dalla.
Na een minuut of 40 kom ik bij mijn bestemming, Jozani Forest. De hele bus weet inmiddels waar ik heen wil, dus we stoppen netjes voor de poort. Ik stap als enige uit en loop over het bospad naar de ingang. Het is 8.40 uur en ik weet niet of het park al open is. Gelukkig blijkt dat het geval als een bord openingstijden aangeeft van 7.30 tot 17 uur. Het bezoekerscentrum ziet er net als bij de andere parken in Tanzania keurig verzorgd uit.
Voor 8 US dollar koop ik een entreekaartje en krijg ik een gids mee, Casey. Jozani Park beschermt het laatste stukje inheemse bos op Zanzibar. De rest is allemaal gekapt. Er leven een paar duizend Kirk’s franjeapen. Deze soort komt alleen hier voor en nergens anders ter wereld.
Casey denkt even na over wat we in welke volgorde gaan doen. Dan regelt hij twee mountainbikes en gaan we op de fiets naar een mangrovebos. Het is maar een minuut of 10 fietsen, aan de overkant van de grote weg. De mangrovebomen groeien in zout water dat hier naar toe stroomt vanuit de zee. De bomen hebben dikke wortels, en met hun langwerpige vruchten die in het water vallen planten ze zich voort. In het bos leven verder vissen en krabben. We zien heel wat van de laatsten wegkruipen. De wandeling gaat over houten planken door het bos en over het water, erg leuk.
Na het mangrovebos pakken we de fiets terug naar de grote weg. Daar zitten de franjeaapjes waar dit park bekend om is. Met een busje zijn er inmiddels ook al wat andere toeristen gearriveerd. De aapjes zitten, hangen en spelen in de struiken. Ze hebben een roodbruine rug, zwart gezichtje en een witte kuif. Ze zijn duidelijk aan toeristen gewend. Je kunt foto’s maken van dichtbij en een jongetje kan ze zelfs aaien en een handje geven.
Laatste stop van de anderhalf uur durende rondleiding is het echte bos. Daar gaan we te voet doorheen. Er staan eucalyptussen en mahoniebomen. Er leven ook wilde dieren maar die laten zich niet zien in het dichte struikgewas. De gids laat de zaadbolletjes van de bomen zien die graag door apen gegeten worden. We zien verder alleen wat spinnen, mini-kikkertjes (het is erg vochtig hier) en hagedissen.
Terugblik Tanzania 2008
Met Kerst en Oud&Nieuw van 2008 maakte ik een rondreis van twee weken door Tanzania. Mijn eerste safari: zeker geslaagd, zoveel dieren, zo dichtbij. Ik ben ook blij dat ik nog wat andere aspecten van het land heb leren kennen: de fiere Maasai, de beklimming van de Kilimanjaro (een klein stukje weliswaar) en Stone Town op Zanzibar waar je uren met plezier kunt ronddwalen.
Het was een heel ontspannen reis, mede door de zeer gemoedelijke Tanzanianen. De Obama-mania heeft ook bij hen (net als op andere plaatsen in Afrika) hevig toegeslagen: overal zie je zijn naam en zijn foto, alsof het een lokale volksheld of een beroemde voetballer is.

De reis die ik heb gemaakt was georganiseerd door Summum Reizen. In grote lijnen is dit goed bevallen. Het was een vrij dure reis, en de prijs-kwaliteit verhouding was niet helemaal in balans. Dit ligt waarschijnlijk meer aan Tanzania dan aan de reisorganisatie. In Argentinië bijvoorbeeld kreeg ik veel meer waar voor mijn geld, om over Azië nog maar niet te spreken.
Als je zoals ik meestal alleen reist, vallen je wel een aantal dingen op aan zo’n groepsreis. De Nederlandse organisatie huurt weer een lokale organisatie in om het allemaal te regelen. Dat is natuurlijk omslachtig en kostenverhogend. Ook de vluchten waren zo goedkoop mogelijk ingekocht: hoewel KLM dagelijks naar Arusha (Kilimanjaro Airport) vliegt, gingen wij met Swiss Air. Dat betekent een extra overstap in Zürich, en een dag extra reizen overland van Nairobi naar Arusha (NB: ik zie op de Summum-website dat ze volgend jaar wel de KLM-vlucht gaan gebruiken). Ook staan hotels vaak buiten het centrum van de stad, waardoor je weinig keuze hebt waar je ’s avonds gaat eten.
Geld en kosten
Je kunt pinnen met een Nederlandse bankpas in Arusha, Dar es Salaam en Stone Town (Zanzibar). Dan krijg je ook de beste koers. Geld wisselen is in dezelfde plaatsen ook mogelijk bij wisselkantoortjes (zowel Euro’s als Dollars). Ten tijde van deze reis (december 2008) was 1 EUR ongeveer 1700 Tanziaanse shilling waard, en 1 US dollar 1200 shilling. Met dollars (als ze tenminste niet ouder zijn dan van het jaar 2000) kun je ook bijna overal cash betalen.
De kosten van deze reis waren behoorlijk hoog. Dat komt vooral door alle georganiseerde safaridagen en andere excursies. Hier moeten nogal veel mensen van eten, variërend van de Nederlandse reisorganisatie tot de locale reisorganisatie, de chauffeurs, de hotels en de parken.
De overige uitgaven voor eten en drinken zijn maar beperkt. Voor een cola betaal je ca. 0,60 EUR, voor een halve liter bier 1,20 en voor een hoofdgerecht in een leuk restaurant ongeveer 4 EUR. Een half uurtje internetten kost standaard 1000 shilling (0,60 EUR).
Eten en drinken
Voor het eten hoef je niet naar Tanzania af te reizen. Het eten in de lodges is vaak smakeloos Europees (ik geloof dat ik zelfs een keer andijvie heb gezien). Ook zijn er Indiase invloeden, maar veel verder dan invloeden komt het niet. Het ontbijt bestaat uit thee of koffie, toast, een beetje zoete jam en een ei. Ik heb nog nooit zoveel gebakken eieren achter elkaar gegeten. Alleen op Zanzibar was het duidelijk beter: heerlijke grote vissen (gegrilde tonijn), echt Italiaans en echt Indiaas.
Er zijn diverse lokale biermerken. Kilimanjaro is het populairst maar smaakt nogal naar water. Tusker vond ik het best. Op het islamitische Zanzibar schenken sommige hotels en restaurants geen alcohol.
Vervoer
We reisden deels met eigen bus en landrovers, en een paar stukjes met openbaar vervoer. Van Marangu naar Dar es Salaam gebruikte we de expresbus van “Dar Express”. Het is een luxe touringcar met gereserveerde zitplaatsen. Hij stopt maar één keer op de rit van ca. 8 uur.
Van Dar es Salaam naar Zanzibar gingen we op de heenreis met de catamaran. Niet erg spectaculair en erg vol (wel vaste zitplaatsen). Zeker niet geschikt voor mensen die gevoelig zijn voor zeeziekte want hij schommelde regelmatig.
Terug gingen we met een schattig privé-vliegtuigje van Tropical Air. Het was een Cessna met maar 13 zitplaatsen, waarvan één naast de piloot.
Per overnachtingsplaats
Nairobi
We waren maar een nachtje hier, en van de Keniaanse hoofdstad Nairobi zelf heb ik niets gezien.
Het hotel waar we verbleven: Panafric. Ik had er kamer 333, een moderne tweepersoonskamer met TV, balkon en eigen badkamer.
Bij het hotel hoort een zeer leuk restaurant dat je meteen in Afrikaanse sferen brengt. Eten is voornamelijk westers en goed.
Arusha
Dit is de belangrijkste stad in de “safariregio” van Tanzania. Er zijn veel hotels, een grote westerse supermarkt (Shoprite) en andere voorzieningen als internetcafé en postkantoor. Hoewel er 270.000 mensen wonen, is het centrum goed te belopen.
Het Jacaranda Hotel ligt iets buiten het centrum, en heeft een mooie tuin met bloemen. Het hotel heeft ook (traag) internet. De kamer heeft een dubbel bed met een klamboe en een badkamer. Het is klein en eenvoudig, maar niet verkeerd.
In het hotel zelf kun je redelijk eten. Er liggen nog meer hotels in de buurt, waaronder het luxere Impala Hotel. Daar hebben ze een prima Italiaans restaurant (met lekker ijs!) aan het zwembad.
Serengeti
We logeerden niet in het Serengeti park zelf, maar iets daarbuiten aan het Ndutu meer.
De Ndutu Lodge was toch wel het leukste hotel van de reis. Het bestaat uit een dertigtal kamers in huisjes, helemaal midden in de natuur en ver van andere lodges. De kamers zijn verzorgd ingericht, met ruime badkamer, een lekkere stoel, nachtkastje en een terrasje voor de deur.
Het diner is hier inbegrepen bij de kamerprijs. Het wordt aan tafel uitgeserveerd en beslaat meerdere gangen. Het is wat Italiaans / Europees van aard, met heerlijke soep.
Ngorongoro
Deze was ook erg leuk: de Crater Forest Tented Lodge. Een heel grote tent onder een rieten dak. Achter een rieten wand zelfs met een heuse badkamer met westers toilet, douche en wastafel. En met een open haard! ’s Avonds loopt er zo’n leuke Masaai met je mee over het terrein om je te beschermen tegen wilde dieren. En ze maken ook je haard aan.
Deze lodge ligt zo afgelegen (half uur van de doorgaande weg) dat je er wel moet blijven eten. We hebben hier ook het kerstdiner gehad waar ze erg hun best op hadden gedaan. Ook dit keer was de soep weer het best gelukt van alle gerechten!
Marangu
Het Kibo Hotel ligt tegen de berghellingen iets buiten Marangu. Het is in Afrikaans-koloniale stijl gebouwd, en heeft duidelijk betere tijden gekend. Toch vond ik de sfeer er wel leuk. Mijn kamer (nummer 17) is ruim en licht en heeft een balkon. Er zijn 2 eenpersoonsbedden, waarvan er één heel erg doorzakt. Maar op de andere heb ik prima geslapen. Er hangt ook een klamboe, er is een wastafel in de kamer en een afgeschermde WC en douche.
Ze zijn hier nogal langzaam in de bediening, dus het eten moet uren vantevoren besteld worden. Het eten zelf is standaard.
Dar es Salaam
Dar es Salaam is de grootste stad van Tanzania. Het is al sinds 1964 niet langer de officiële hoofdstad, dat is Dodoma geworden dat meer centraal in het land ligt. We zijn er maar één nacht geweest dus ik heb er maar weinig anders gezien dan een winkelcentrum en de haven voor de veerboot naar Zanzibar.
We verbleven hier in het Royal Mirage, een door Indiërs gerund klein maar modern hotel in een buitenwijk. De kamer is een echte eenpersoonskamer met TV en badkamer. Het is er bloedheet, maar fan en airco brengen verlichting.
Gegeten die avond in het winkelcentrum Slipway, bij een behoorlijk authentieke Japanner waar je leuk kunt zitten. Wel het duurste eten van de hele reis: 18.000 shilling (10,50 EUR) voor een tempura menu.
Jambiani
Jambiani is een dorpje aan de oostkust van Zanzibar. Het ligt op ruim een uur rijden van Zanzibar-Stad. Het dorpje zelf bestaat uit niet veel meer dan wat koraalstenen huisjes. Er staan een paar hotels. Verder is er niets te beleven.
De Sau Inn is een vrij groot hotel, met de kamers verdeeld over huisjes op het terrein. Dit hotel heeft het allemaal “net niet”. De huisjes zijn krap, somber en staan dicht op elkaar en op de weggetjes. De ontbijtzaal is saai en het ontbijt zelf mager. Wel heerlijk zijn de ligbedden op het privéstrandje.
Het eten moet hier ook uren van tevoren worden besteld om lang wachten aan tafel te voorkomen. Dat geldt ook voor twee andere restaurants in de buurt, Casa del Mar (beste eten en vaak druk) en Blue Oyster (wat ver lopen in de avond).
Vanaf Jambiani ben ik met het openbaar vervoer naar Stone Town gereisd. Het ritje met de dalla dalla naar Jozani kostte 1000 shilling (0,60 EUR). Hetzelfde betaalde ik voor de vervolgrit van ca. 1 uur van Jozani naar Stone Town. En toen zat ik niet opgesloten in de dalla dalla maar had een prima zitplaats in een minibus












Leave a comment