World Heritage Traveller

Argentinië 2008

Written by:

  1. Buenos Aires – De eerste indrukken
  2. Buenos Aires – Thanatoerisme
  3. Buenos Aires – Op de fiets
  4. Colonia – Een dagje Uruguay
  5. La Plata – Geplande stad
  6. Trinidad – Een dagje Paraguay
  7. Salta – Trein naar de wolken
  8. De Quebrada de Humahuaca
  9. Purmamarca – De hoogvlakte
  10. Vallei van Calchaqui
  11. La Rioja – 250 miljoen jaar geleden…
  12. Cordoba
  13. Puerto Madryn – In Patagonië
  14. Peninsula Valdes
  15. Tussen de pinguïns
  16. Terugblik route
  17. Praktische info

Buenos Aires – De eerste indrukken

De eerste uren in een ‘nieuw’ land ben ik altijd benieuwd naar het bijzondere, het opvallende: dat wat een land anders maakt dan andere landen. Nou is Argentinië op het eerste gezicht niet zo bijzonder: het lijkt een beetje op Italië, een beetje op Spanje en heel veel op Chili. De weg van het vliegveld naar het centrum is een doodgewone snelweg die in heel veel landen had kunnen liggen. Er zijn wat torenflats in de buitenwijken van Buenos Aires, de rest van de stad is voornamelijk laagbouw. Ik zie geen hutjes of sloppenwijken, maar echt goed in de verf zit het ook allemaal niet.

Buenos Aires

Na een dagje rondsjouwen kom ik tot de volgende Top 5 ‘Typisch Buenos Aires’:

  • Zoet gebak – er zijn hier veel cafés en veel terrassen, maar het blijft niet bij koffie alleen. Ze hebben ook vitrines vol koekjes, zoete broodjes, gebak en chocola. Ik bestel een simpele croissant maar zelfs daar zit een zoet laagje overheen.
  • Tralies voor de ramen – zelfs kiosken en kapperszaken hebben enorme hekken met tralies voor de ramen. De hekken gaan ook tijdens openingstijd maar half open.
  • Schone schijn – je ziet veel mensen in zeer chique pakken en jurkjes over straat lopen. Zijn dit de rijken van de stad, of houden mensen hier gewoon van mooie kleren? Is Argentinië nu wel of niet de economische crisis van 1999-2002 te boven? En hoe zit het met dat jongetje van een jaar of 10, dat in het restaurant pennen probeert te verkopen? Of al die papierverzamelaars en schoenpoetsers in de stad?
  • Hondenuitlaatservice – ook in Nederland wel van gehoord, maar hier zijn er veldjes waar tientallen honden tegelijk worden uitgelaten.
  • Protesteren – daar houden de inwoners van deze stad ook van. Op het Plazo de Mayo is het altijd raak. Als ik er ben is er net een demonstratie aan de gang voor de vrijlating van 6 Paraguayanen. Er zijn hekken geplaatst zodat de mensen zich maar beperkt kunnen bewegen. De mobiele eenheid kijkt van een afstandje toe. Even verder op warmt een groep vrouwen met spandoeken zich al op voor hun protest voor betere ziekenzorg.

Buenos Aires – Thanatoerisme

Vanmorgen, heel vroeg, leerde ik een nieuw woord: Thanatoerisme. Het betekent “reizen naar plekken die worden geassocieerd met de dood of lijden”. Bekende voorbeelden zijn Auschwitz in Polen en de Killing Fields in Cambodja. Ik kreeg links opgestuurd naar Britse wetenschappelijke studies over de achtergronden van dit fenomeen en vond zelf vreemde varianten als Goelagtoerisme.

Het toeval wil nu dat dé grootste toeristische bezienswaardigheid in Buenos Aires een begraafplaats is. Hij ligt in de wijk Recoleta. Het is natuurlijk weer een flink eind lopen vanaf het dichtstbijzijnde metrostation. Maar Recoleta is een mooie buurt, één van de rijkste. Wie gaat er nu naar een begraafplaats zou je denken, maar zoveel toeristen als hier heb ik de afgelopen dagen nog niet bij elkaar gezien. In de omliggende straten proberen ze er zelfs nog iets gezelligs van te maken, er zijn volop cafés en terrasjes. Het had me niets verbaasd als er entree zou worden geheven om de het terrein van de begraafplaats binnen te mogen, maar dat is niet het geval.

Begraafplaats La Recoleta

Je loopt de begraafplaats op via een poort met Grieks/Romeinse zuilen. Er is vooraan een plattegrond met waar de bekendste graven liggen – allemaal bekende Argentijnen die mij niets zeggen. Ik ga gewoon wat rondlopen en laat me verrassen.

Ik zou mezelf geen echte Thanatoerist willen noemen, de ergste dingen laat ik wel aan me voorbijgaan. Maar van begraafplaatsen heb ik er al wel een aantal gezien. Het meeste indruk heeft de grote Chinese begraafplaats in Manilla gemaakt. Ontzettend protserig, maar met veel unieke en creatieve monumenten.

Begraafplaats La Recoleta

Hier in Buenos Aires liggen de grafmonumenten, meestal uitgebreide familiegraven, aan keurige rechte straten. Het is net een kleine stad. Veel marmer, veel klassieke (Grieks/Romeinse) en katholieke thema’s. Een engeltje hier, Maria daar of toch een afbeelding van de overledene.

Een deel van de graven is in verval aan het raken: er groeien bloemetjes op het dak, de raampjes zijn kapot en er zijn muren beklad met graffiti. De vele spinnenwebben die je ook ziet hebben nog wel wat, vind ik: ze geven wat extra mystiek mee aan de grafsculpturen. Net als de katten die op het terrein wonen overigens…

Buenos Aires – Op de fiets

Om half 10 ben ik present bij het standbeeld van de Argentijnse vrijheidsstrijder José de San Martin. Vanaf daar vertrekken twee keer per dag begeleide fietstochten door Buenos Aires. Eigenlijk ben ik er al een kwartiertje eerder, maar zoals het goede Latijns-amerikanen betaamt laten de gidsen en de fietsen nog even op zich wachten.
Maar dan stopt er een busje waaruit in oranje T-shirts geklede jongeren lekkere stevige fietsen uit gaan laden. Er zijn inmiddels 7 mede-fietsers op komen dagen. We betalen en mogen een fiets uitzoeken. Er hoort ook een fles water en een helm bij.

De fietstocht gaat 3,5 tot 4 uur duren, en wordt begeleid door 2 gidsen. Eentje rijdt er helemaal voorop, de ander sluit de rij. Vooraf had ik me afgevraagd hoe het zou gaan om door het drukke verkeer van Buenos Aires te laveren. Maar het wordt al snel duidelijk: gewoon over de stoep! De trottoirs hier zijn breed genoeg, en niemand kijkt echt op van voorbijkomende fietsers.

Onze eerste stop is al na een paar minuten, bij weer een nationalistisch monument. Het is de gedenkplaats voor de overledenen tijdens de Falklandoorlog. Al hun namen staan erin gegraveerd en er brandt een eeuwige vlam. Saillant detail bij deze locatie is dat het precies tegenover de ‘kleine Big Ben’ ligt – een geschenk van de Britten toen de relatie tussen beide landen nog een stuk beter was.

Buenos Aires

Via allerlei smalle paadjes en door parken rijden we naar de haven, Puerto Madero. Dit deel van de stad had ik nog niet gezien, maar hier is het echt modern en nieuw. De oude pakhuizen zijn veranderd in restaurants en kantoren. Bijzonder is ook de witte brug (Puente de la Mujer), die stamt uit 2001. Hij is ontworpen door een Spaanse architect en stelt een tango-paar voor. Als hij open gaat voor schepen, draait hij 90 graden om zijn as.

We komen nu echt buiten de stad. Aan de rand van de rivier Rio de La Plata is een beschermd natuurgebied. Wij kunnen hier lekker ontspannen fietsen over de zandpaden, alhoewel onze gids flink doortrapt. Veel inwoners van Buenos Aires trekken op deze vrije zaterdag naar dit stukje natuur dicht bij huis. Sommigen liggen te relaxen aan het water (je mag hier niet zwemmen), anderen zijn aan het joggen in de felle zon.

Terug naar de bewoonde wereld maar weer. We fietsen overal tussendoor, dwars door gezellige woonwijken waar kinderen buiten aan het spelen zijn en over paadjes die je nooit zelf zou vinden (laat staan dat je ze zou durven uitproberen).

Volgende stop is in de wijk La Boca. Dit is één van de oudste en meest traditionele delen van de stad. Van oorsprong vestigden zich hier Italiaanse immigranten. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er steeds meer migranten uit andere landen bij, en werd het een arme volkswijk. Door reisgidsen wordt het afgeraden hier zelf rond te lopen, maar met de fiets is het allemaal geen probleem. Het ziet er nog steeds erg Italiaans uit, met veel Italiaanse restaurants en mannen die op straat zitten te drinken en roepen en fluiten naar wie voorbijkomt.

Buenos Aires, La Boca

Een klein stukje van La Boca, eigenlijk maar 2 of 3 straten, is wel toegankelijk voor ‘gewone’ toeristen. En daarvan zijn er deze zaterdag heel veel hier naar toe gekomen. Grote touringcars laden tientallen mensen uit die zich storten op de kleur en gezelligheid van Caminito (hét artistieke straatje). De huizen hier zijn van oorsprong gemaakt van plaatijzer afkomstig van schepen. Met restjes verf in allerlei kleuren werd het geheel wat opgevrolijkt.

De tango is één van de trekpleisters hier. Er wordt gedanst op straat en er zijn tango souvenirs te koop. Wel allemaal supertoeristisch, maar leuk om een half uurtje rond te kijken.

Grote held van La Boca is Maradona. Je ziet zijn kop overal. Je kunt hier zelfs op de foto met een dubbelganger: een dik mannetje met donkere krullen in een Argentijns voetbalshirt.

La Boca, Maradona

Onze laatste stop is ook geheel in de voetbaltraditie: het stadion van Boca Juniors, La Bombonera. De clubkleuren zijn geel-blauw en het stadion dus ook (zelfs de Coca Cola reclame is aangepast). Het verhaal wil dat deze kleuren afkomstig zijn van de Zweedse vlag, de vlag op het eerste schip dat de haven binnenvoer nadat Boca de traditionele zwart/witte clubkleuren aan een rivaliserend team had moeten laten.

Colonia – Een dagje Uruguay

Op de veerboot ‘Silvia Ana’ kunnen maar liefst 1200 passagiers. En die lijken er ook wel te zijn: het is zondag en veel Argentijnen hebben wel zin in een gezellig dagje Uruguay. Het krioelt van de mensen in de grote vertrekhal, die ingericht is alsof het een vliegveld betreft. Na inchecken en bagagecontrole kom je bij de douane. Dit is wel handig georganiseerd: de Argentijnse en Uruguayaanse beambten zitten gebroederlijk naast elkaar achter een loketje, en geven de paspoorten aan elkaar door. Er wordt weer driftig gestempeld in mijn paspoort.

Op de boot blijkt dat de Argentijnen vooral ook voor het belastingvrij winkelen aan boord zijn gekomen. De drank en de sieraden en handtassen gaan driftig over de toonbank. Het schip zelf lijkt trouwens een tweedhandsje: overal zitten nog stickers in het Noors. Vroeger vaarde het tussen Kristiansand en Hirtshals!

Het is maar een uurtje varen, dwars over de tientallen kilometers brede Rio de la Plata, de grensrivier die beide landen scheidt. Het water is hier bruin van het zand dat wordt meegevoerd. Er volgt nog een verrassende mededeling aan boord: in Uruguay is het een uur later dan in Argentinië. Een tijdelijke situatie, vanwege de zomertijd/wintertijd.

De eerste indruk van Colonia is niet best: ze zijn een nieuwe haventerminal aan het bouwen en nu is het één grote bouwput. Ik ga te voet naar het centrum van het oude stadje (de meeste mensen stappen in bussen). Het is een lekkere ontspannen wandeling, het lijkt hier wel uitgestorven. Ik kom al meteen zo’n mooie vervallen auto tegen waar de stad bekend om is.

Colonia 009

Ik ga eerst op zoek naar een plek om geld te wisselen, ik wil ook wel eens wat Uruguayaans geld in handen houden. Maar die zoektocht heeft geen succes: alle banken zijn dicht en de enige geldautomaat die ik kan vinden wil mijn pasje niet. Dan maar verder met Argentijnse pesos, en dat blijkt geen probleem. Je krijgt het zelfs terug als wisselgeld.

Het is inmiddels al wel tijd geworden voor een uitgebreide lunch. Ook hier in Uruguay is dat met biefstuk. Ik zit in een rustig restaurant, totdat er opeens een groep van 40 man binnenkomt. Het verrast de bediening ook, en dus moet er heel wat geïmproviseerd worden om die mensen allemaal een plekje te geven. Maar ze houden hun hoofd koel en vergeten de andere eters niet.

Het valt hier sowieso wel op dat veel mensen hier in groepen rondlopen. En dat terwijl het zo’n kalm stadje / dorpje is. Colonia ligt op een schiereiland, en ik loop het een keertje rond. Het moet het helemaal hebben van (dagjes)toeristen uit Buenos Aires. Er staan nog veel huizen uit de Portugese en Spaanse koloniale tijd, allemaal netjes onderhouden. Heel vredig en lieflijk.

Colonia 029

La Plata – Geplande stad

La Plata is de hoofdstad van de provincie Buenos Aires. Het werd helemaal nieuw gesticht in 1882 toen Buenos Aires zelf de hoofdstad van Argentinië werd. De stad is vooral gemaakt om plaats te bieden aan overheidsgebouwen en een universiteit.

Vanaf het grote Retiro-station in Buenos Aires ging ik met de bus naar La Plata. Er vertrekken de hele dag om de paar minuten bussen. Het is een uurtje rijden, over de snelweg. Je komt dan langs een deel van Buenos Aires dat ik nog niet eerder gezien had: kilometerslange krottenwijken. De meeste huisjes zijn wel van steen of soms van golfplaat, maar het is helemaal volgebouwd.

Op het busstation van La Plata hangt een goede plattegrond waarop je mooi kunt zien hoe kunstmatig deze stad is aangelegd. Het is een vierkant, bestaande uit 40 blokken zowel horizontaal als verticaal. Dwars er door heen lopen nog een paar diagonalen om er een creatieve draai aan te geven. Verder is er veel groen en zelfs een ‘stadsbos’.

De gedachte erachter was vast mooi en goed, maar op deze maandagochtend zijn de armoedige straten geheel uitgestorven. Op wat honden na dan. Het is vandaag een nationale feestdag: Columbusdag. Blijkbaar blijft dan iedereen lang in bed.

De straten in La Plata hebben trouwens geen namen, maar alleen nummers. Dat maakt het wel makkelijk om de weg te vinden. Mijn eerste doel ligt op 53-3 (daar waar straat 53 straat 3 kruist). Het is de Casa Curutchet, een huis uit 1948 ontworpen door de befaamde Zwitsers-Franse architect Le Corbusier. De uitdaging was om op een heel kleine ruimte een woonhuis en een praktijk voor de arts die het heeft laten ontwerpen neer te zetten. Het pand voldoet verder aan de voor Le Corbusier kenmerkende eigenschappen, bijvoorbeeld het gebruik van pilaren als dragers van het gewicht van het huis. Casa Curutchet staat op de nominatie om volgend jaar te worden opgenomen op de werelderfgoedlijst, in combinatie met een aantal andere werken van Le Corbusier verspreid over zes landen (o.a. België, Frankrijk en India).

La Plata, Casa Curutchet

Je kunt rondleidingen krijgen door het huis, maar zoals ik al vreesde is het vandaag gesloten vanwege de feestdag. Ik bel nog wel even aan voor de zekerheid, maar niemand doet open. Jammer.

Ik loop dan maar verder naar het stadsbos, dat ligt aan de overkant van de straat. Brede lanen bieden toegang tot o.a. een dierentuin en een groot natuurhistorisch museum. Bij die laatste ga ik naar binnen, het schijnt in Argentinië één van de beste van zijn soort te zijn.

Net als zo vaak hier ziet het er allemaal wat ouderwets en vervallen uit. Het dak lijkt een stevige storm niet meer te kunnen weerstaan. In één van de eerste hallen kom ik mijn vrienden de Glyptodonten weer tegen. Ik had ook al zo’n fossiel schild van een Glyptodon gezien in een museumpje in Colonia. Het zijn kruisingen tussen een schildpad en een gordeldier. Ze leefden hier in deze streken totdat ze 10.000 jaar geleden uitstierven. Ergens las ik dat ze net zo groot waren als een Volkswagen Kever! Fascinerende beesten.

De bovenste verdiepingen van het museum herbergen interessante archeologische en etnologische tentoonstellingen over Argentinië en de verdere regio, met veel aandacht voor de Indianen.

Trinidad – Een dagje Paraguay

De ruïnes van de de Jezuïetenmissie van Trinidad maken deel uit van 30 missieposten die de Jezuïeten in de 17de eeuw in deze regio gesticht hebben. Ze liggen nu in Paraguay, Argentinië en Brazilië.

Tito, mijn privé-chauffeur voor vandaag, staat al te wachten als ik om negen uur de voordeur van het hotel verlaat. Ik ga voorin zitten in zijn Fiatje, en we kunnen op pad. Op naar Paraguay!
Nou ja, eerst nog even tanken natuurlijk. We sluiten toepasselijk aan achter een Paraguayaanse auto. De benzine is twee keer zo duur in Paraguay, dus veel mensen uit de grensstreek gaan in Argentinië tanken.

Paraguay

De stad Posadas ligt ongeveer óp de grens met Paraguay. De rivier de Parana scheidt beide landen. We rijden de brug over en komen eerst bij de Argentijnse douane. Ik krijg er weer een stempel bij, en we kunnen door. Zo’n honderd meter verderop zitten de Paraguayaanse collega’s. Hier moet ik uitstappen en bij een loketje binnen een stempel halen. Er zijn aparte loketten voor ‘in de buurt’ of heel Paraguay. Mijn bestemming van vandaag is maar zo’n 30 kilometer verderop, dus ik blijf in de buurt. De Paraguayaanse douane heeft de naam nogal corrupt te zijn en iedere kleine vergissing aan te grijpen voor een vraag om geld, maar daar merk ik hier verder niets van.

Tijdens de voorbereiding van mijn reis heb ik weinig goeds over Paraguay gelezen. Het is het op één na armste land van Zuid-Amerika. In de grensregio met Brazilië en Argentinië (waar ik nu ben dus) bloeit de criminele smokkelhandel. De straten van Encarnacion, de grensplaats, zijn echter niet veel anders dan die in elke andere stad – winkels, benzinestations, banken. De hoge benzineprijzen hebben nog de meeste impact: langs de weg staan mensen flessen met benzine te verkopen die ze voor een lage prijs in Argentinië hebben gekocht. “En dan lengen ze het ook nog aan met alcohol,” aldus Tito.

Via een goede asfaltweg rijden we verder richting het plaatsje Trinidad, waar ik het lokale werelderfgoed wil bezoeken. Onderweg vallen de Duitse namen op: een stadje genaamd ‘Hohenau’, en een ‘Hotel Tirol’. Er woont een redelijk grote groep Duitse immigranten in Paraguay. De meeste mensen zijn echter van gemengd Spaanse – inheemse (Guaraní indiaanse) afkomst. Tito vertelt dat er hier ook dorpen zijn waar veel Chinezen bij elkaar wonen. Zij verbouwen rijst en soja.

Na een half uurtje rijden zien we een groot bord langs de weg dat de afrit naar de ruïnes van de Jezuïetenmissie van Trinidad aangeeft.

Trinidad

De ruïnes hier in Trinidad maken deel uit van 30 missieposten die de Jezuïeten in de 17de eeuw in deze regio gesticht hebben. Ze liggen nu in Paraguay, Argentinië en Brazilië. Hemelsbreed liggen ze echter relatief dichtbij elkaar, en ze zijn vergelijkbaar qua opzet en uiterlijk. Gisteren ben ik bij één van de Argentijnse missies geweest (San Ignacio Mini), maar deze hier in Trinidad is nog een slag groter en indrukwekkender.

Het terrein ziet er goed onderhouden uit, en er is zelfs een loket waar een entreekaartje moet worden gekocht. De prijs is 5000 guarani, maar betalen in Argentijnse pesos mag ook (5 pesos, ca. 1 EUR). Er is nog één andere bezoeker. Tito de chauffeur loopt met me mee, en vindt het allemaal ook erg mooi (hij komt hier vaker met toeristen). Deze missiepost onderscheidt zich van de anderen doordat er nog veel ornamenten bewaard zijn gebleven: engeltjes, een complete doopvont. Wat hier ook opvalt is dat ze van alles twee hebben: twee kerkhoven, twee kerken, twee groepen huizen. Telkens één voor de Spaanse missionarissen en één voor de inheemse Indianen. De missieposten waren opgezet als een utopische, zelfvoorzienende leefgemeenschappen waarin de Indianen veilig en in voorspoed konden leven, en ondertussen het christelijk geloof kregen bijgebracht.

Trinidad

Het werelderfgoed hier bestaat uit twee locaties: de grote missiepost in Trinidad, en een kleinere in het plaatsje Jesus (zo’n 12 kilometer verderop). Naar die laatste moeten we natuurlijk ook nog toe. De weg is nu niet langer geasfalteerd. Hij bestaat uit losse scherpe stenen. We komen een (lokale) fietser tegen die maar is gaan lopen om een lekke band te vermijden. De missiepost blijkt weer in zo’n slaperig dorpje te liggen waar de regio hier er heel veel van heeft. Maar ik moet toch wel weer een entreekaartje kopen voor 5000 guarani. Veel meer dan de hoge muren en de restanten van een klokkentoren staat hier in Jesus niet meer overeind. Ik loop een rondje en maak nog meer foto’s van rode stenen, en dan gaan we huiswaarts richting Posadas en Argentinië.

Als we Jesus uitrijden ziet Tito een bekende op de bus staan wachten. Het is een man met wie hij in dienst heeft gezeten, een Argentijn van oorsprong die nu hier in Paraguay woont. We geven de man een lift totaan het volgende stadje (er komt hier maar eens in de twee uur een bus). De beide mannen kletsen er volop op los, waarbij de Paraguayaan met een accent spreekt dat voor mij totaal niet te verstaan is. Eén van de twee officiële talen in Paraguay is het inheemse Guaraní, wat voor buitenstaanders niet te volgen is.

Jesus

Om een uur of één zijn we weer bij de grens. De routine van het stempeltjes halen gaat weer van start, in omgekeerde volgorde van vanochtend maar nog steeds probleemloos. Een (half) dagje Paraguay zit erop.

Salta – Trein naar de wolken

Even voor zessen ben ik al op pad vandaag, om op tijd te zijn voor de ‘Trein naar de wolken’. Het station van Salta, dat alleen nog voor deze trein wordt gebruikt, ligt ruim een kwartier lopen vanaf mijn hotel. Voor het stationsgebouw wachten coca-verkopers: thee van coca-bladeren schijnt goed te zijn tegen hoogteziekte. En dat is wel nuttig voor een reis die boven de 4000 meter eindigt.

Op het station moet ik bij het loket mijn internetboekingsbewijs laten zien. Omdat de trein niet helemaal vol zit, krijg ik een andere plek toegewezen: rijtuig C, stoel 8. Om half 7 mogen we instappen. Er kunnen in totaal 180 passagiers mee met deze trein. Het is alleen voor toeristen, met bijbehorend hoge prijzen.

Deze (nieuwe) trein volgt het spoor dat aangelegd is tussen 1931 en 1958 om grondstoffen naar de Chileense havenstad Antofagasto te vervoeren. De spoorlijn werd economisch gezien nooit een succes – de tocht duurde veel te lang en de mijnbouw onderweg nam niet zo’n hoge vlucht als wel gehoopt.
Gedurende het eerste half uur van de rit moeten de rolluiken voor de raampjes dichtblijven. Ik denk eerst dat het is omdat de toeristen de arme wijken van Salta niet mogen zien. Het blijkt echter dat kinderen uit die wijken soms stenen naar de trein gooien. En dan kun je maar beter niet voor het raam zitten.

Als de luiken weer opengaan verschijnt het vlakke, groene landschap van de Lerma-vallei rondom Salta. Belangrijkste product dat hier geteeld wordt is tabak. Verder lopen er natuurlijk ook de nodige koeien om in de Argentijnse biefstukken te voorzien


De trein boemelt met een gemiddelde van 30 kilometer per uur verder. In de velden zie je regelmatig de ceibo, de nationale boom van Argentinië (‘koraalboom’ in het Nederlands).

Grappig is verder om te zien dat bij iedere spoorwegovergang een mannetje met vlaggen staat of een auto van de organisatie. Er komt maar 3x per week een trein langs, en alle overgangen zijn normaal onbewaakt. Ook rijdt er permanent een auto mee, parallel aan het spoor (voor zover dat kan, soms verdwijnt de weg een tijdje uit beeld). Het lijkt me een kostbare operatie voor Ecotren, het bedrijf dat pas sinds augustus van dit jaar deze treinreis nieuw leven in heeft geblazen. Vanaf 2005 heeft de lijn stilgelegen.

Na anderhalf uur zijn we uit het groen en rijden we de Quebrada del Toro in (de Stierenkloof). Dit was vroeger een doorgaansroute naar Peru. Het is er nu erg droog en stoffig. De hele rivierbedding is leeg. Het enige leven dat je zo af en toe ziet zijn ezeltjes. Heel eenzaam staat er een enkel huis.

Quebrada del Toro

De trein stijgt geleidelijk, van 1187 meter in Salta tot aan 4220 meter op het eindpunt La Polvorilla. Er zijn twee keer twee elementen ingebouwd om wat sneller hoogte te winnen. Het eerste dat we tegenkomen zijn de twee zigzags. De trein komt aan op één spoor, de wissels worden verzet, de trein steekt als het ware in op het andere spoor, weer worden wissels verzet en nog een keer duwt de locomotief ons schuin omhoog.

Behalve de zigzags zijn er ook nog twee rondes: daar rijdt de trein een klein rondje om net als een condor hoogte te winnen. Het traject heeft verder 29 bruggen en 21 tunnels.

De vegetatie wordt schaarser en schaarser naarmate we hoger komen. Er zijn alleen nog wat lage struiken over. Ook zien we de roestende overblijfselen van de mijn Concordia die in 1986 gesloten is. Er werd koper, goud, zilver en zink gewonnen. Ook de nabijgelegen heetwaterbronnen gingen in 1986 dicht.

Het voorbijkomen van de trein is al een toeristische attractie op zich. Bij gehuchtjes langs de weg staan kinderen te zwaaien. Ook zie je op de meest spannende plekken (de zigzags, de viaducten) toeristen geparkeerd staan met de camera in de aanslag. De ‘Trein naar de wolken’ (of misschien wel: in de wolken) dankt zijn naam uit de tijd dat het nog een stoomtrein was, en de stoom als een soort wolk over de trein hing.

Letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van deze treinreis is het Viaduct van La Polvorilla. Het is in 1929 ontworpen door ingenieur Maury (de verantwoordelijke voor de hele spoorlijn) en Gustave Eiffel (die van de toren). Als je het van dichtbij ziet denk je ‘zo’n oud bouwwerk dat zelden is gebruikt, dat gaat nooit goed, laat mij maar uitstappen’. Maar in de trein zetten ze extra dramatische muziek op en we gaan er vlekkeloos over heen. De hoogte is 4200 meter en er zit een bocht in, een mooi staaltje vakwerk. De spoorlijn eindigt net na het viaduct, dus we gaan er meteen nog een tweede keer overheen. Daarna kunnen we uitstappen en foto’s maken.

Tren a las Nubes

Op de terugweg maken we een tweede en laatste stop in het plaatsje San Antonio de Los Cobres. De gehele bevolking staat ons zo te zien al op te wachten, keurig georganiseerd op het plein voor het station. Je kunt er dikke gebreide truien kopen en allerhande souvenirs met lama-afbeeldingen. Ook zijn er wat eetstalletjes. Een broertje en zusje van (zo te zien) onder de 7 jaar bakken tortillas op een gloeiende plaat. Het meisje verkoopt en neemt het geld in ontvangst, het hele kleine jongetje wipt met zijn vingers de tortillas om zodat ze aan beide kanten gebakken worden. Eén peso per stuk (22 eurocent), en nog lekker ook.

Om 11 uur ’s avonds zijn we weer terug in Salta. Een lange zit van 16 uur. De laatste uren zijn opgevrolijkt door het personeel aan boord met het vieren van moederdag (dat was het vandaag) door alle moeders aan boord in het zonnetje te zetten, een quiz met prijzen en karaoke. Met dat laatste weten de Argentijnen, die de meerderheid van de aanwezige toeristen vormen, wel raad. Zingend en dansend gaan zij de late avond in, terwijl de Europese toeristen wat weggedoken zitten of slapen.

De Quebrada de Humahuaca

De Quebrada de Humahuaca is een kloof van ongeveer 150 kilometer lang in het noordelijkste puntje van Argentinië, in de provincie Jujuy. De rivier Rio Grande heeft hem uitgesleten, maar deze staat nu helemaal droog. Het gebied is een werelderfgoed omdat het al 11.000 jaar lang dé culturele en handelsroute is tussen het Andes-hoogland (Bolivia, Peru) en de achterliggende provincies (nu Argentinië).

Met de huurauto reed ik hier een paar dagen rond. Ik startte met twee overnachtingen in het schattige Purmamarca. Dit ligt precies aan de voet van de Zevenkleurige Heuvel, een geliefde fotospot.

Purmamarca

Het plaatsje zelf heeft maar ruim 300 inwoners. De straten zijn van zand, de meeste huizen van adobe. Het is er toeristisch maar gelukkig wel kleinschalig. ’s Ochtends vroeg kun je mooi zien hoe de halve bevolking zich klaarmaakt met grote karren om op de markt centraal in het dorpje te gaan staan.

Purmamarca

Purmamarca ligt eigenlijk in een zijvallei van de Quebrada de Humahuaca, maar behoort wel tot het werelderfgoedgebied. De eerste bezienswaardigheid die je op de echte route tegenkomt is La Posta de Hornillos. Dit historische gebouw werd geintroduceerd door de Spanjaarden in de 16e eeuw. Het was, naar oriëntaals voorbeeld, bedoeld als rustplaats voor karavanen, rijtuigen en paarden die deze route bereden.

Een ander overblijfsel van de Spaanse kolonisten is te vinden in het plaatsje Uquia. Daar staat de spierwitte Capilla de San Francisco de Paula. Deze kerk voor de heilige Franciscus, heeft een groot gouden altaar.

Nog verder naar het noorden op de route (het is nu een goed geasfalteerde tweebaansweg) ligt Humahuaca, het stadje waarnaar de kloof is genoemd. Dit heeft een heel andere sfeer dan de andere plaatsen in de omgeving. Het is feitelijk de eerste stad in Argentinië na de Boliviaanse grens. Het is erg gericht op rugzaktoeristen.

Humahuaca

Het is een leuk plaatsje om even rond te lopen, meer ook niet. Twee monumenten vlak naast elkaar trekken de aandacht: de restanten van de oude Torre de Santa Barbara en het ongelooflijk protserige en enorme monument voor de helden van de Onafhankelijkheid. In deze regio is ook erg gevochten tijdens de Argentijnse onafhankelijkheidsstrijd, en je ziet nog veel dingen die daaraan herinneren.

Weer terug, een 50-tal kilometers naar het zuiden, ligt het andere wat grotere stadje van deze vallei: Tilcara. Het ligt 2900 meter hoogte en heeft 3000 inwoners, en is gesticht in 1586.

Ik verbleef hier ook één nacht. Net als in Purmamarca zijn hier veel restaurants en (kleinschalige) hotels, maar het mist toch een beetje sfeer. Wat wel interessant is, is El Pucara. Dit fort stamt uit de tijd vóór de komst van de Spanjaarden, zelfs al voor de tijd van de Inca’s. Het is een soort vestingdorp, met verschillende huizen en gemeenschappelijke gebouwen. Ze hebben het grotendeels heropgebouwd – niet al te authentiek, maar wel goed voor het beeld. Vanaf Tilcara is het ook een leuke wandeling er naar toe (half uurtje).

Tilcara

Purmamarca – De hoogvlakte

Het plaatsje Purmamarca ligt aan de Ruta Nacional 52, een weg die over een aantal bergpassen naar Chili leidt. Aan die weg liggen ook een groot zoutmeer en het historische plaatsje Susques: en daar wil ik vandaag naar toe. Ik heb geen flauw idee hoe de weg zal zijn (hij staat als onverhard aangegeven op mijn wegenkaart). De hele rit naar Susques is 139 kilometer, maar ik spreek met mezelf af dat ik na het zoutmeer op 60 kilometer rechtsomkeert maak als het rijden te zwaar is.

De weg begint als een prachtige tweebaansasfaltweg, met volop ruimte aan beide kanten. Om bij mijn bestemmingen van vandaag te komen moet ik eerst een bergpas over: de Cuesta de Lipam. Ik ben benieuwd hoelang het asfalt aanhoudt maar voorlopig gaat het rijden prima. De pas slingert zich als een lint over de berghelling. Veel bochten, maar volop ruimte en verder nauwelijks verkeer. Er is één vrachtwagen die omhoog kruipt en een groepje motorrijders.

Net na de top kun je voor het eerst in de verte de witte vlek zien die het zoutmeer Salinas Grandes aankondigt. Eergisteren heb ik uit de trein ook al een glimp kunnen zien, maar dan vanuit een heel andere richting. Het (voormalige) meer ligt op een hoogvlakte en de weg is nu dan ook helemaal vlak en kaarsrecht.

Salinas Grandes

Je kunt vanaf hier ook de weg af naar allerlei dorpjes in de buurt. Je vraagt je af hoe mensen hier kunnen leven, maar nergens is het helemaal uitgestorven. Ik rijd lekker rechtdoor over de asfaltweg, net als het vrachtverkeer dat naar Chili gaat.

De weg doorkruist het zoutmeer. Er wordt stevig zout gewonnen, zeker hier dichtbij de weg lijkt het alsof er niet veel meer over is. Bij één van de zoutwinningsbedrijfjes maak ik een korte stop. Je kunt er naar de WC voor 1 peso en verder hebben ze wat souvenirs gemaakt van zout in de aanbieding.

Net voorbij het echt witte en zoute gedeelte van de vlakte zie ik opeens dieren dartelen langs de weg. Het zijn vicuñas – familie van de kameel en de lama, maar dan een stuk kleiner. Ze lijken een beetje op hertjes. Ik zet mijn auto langs de kant van de weg en kan heel dichtbij ze komen. Ze leven hier in het wild, en in de verte zie ik hele kuddes voorbij trekken.

Vicuña (Salinas Grandes, Noordwest Argentinië, 2008)

Naast vicuñas zie je hier ook veel ezeltjes. Wat er nog ontbreekt in mijn dierenverzameling is de lama. En jawel hoor, in het wat meer begroeide deel van de vallei staan er opeens een stel. De mensen hier houden ze als vee dus ze zijn heel tam. Ik parkeer vlak voor hun neus maar dat doet ze niets. Ze kijken me alleen een beetje dom en onverstoorbaar aan, net zoals koeien dat kunnen.

Omdat de weg nog steeds uitstekend is en het ook nog vroeg is, rijd ik verder naar Susques. Dit deel is bijna helemaal vlak en makkelijk te rijden. Susques is het laatste plaatsje van enige betekenis voor de Chileense grens. Je kunt er tanken en er is een bank. Vandaar waarschijnlijk dat de straten van het dorpje volstaan met vrachtauto’s – het lijkt wel een truckstop. Ik parkeer mijn Chevrolet Corsa er maar tussen en maak te voet een rondje door het dorp. Eén ding springt onmiddellijk in het oog: een schattig adobe kerkje met een rieten dak. Als dit inderdaad de kerk is die in mijn reisgids staat beschreven, dateert-ie al uit 1598. Ook zouden er binnen mooie oude schilderijen moeten hangen. Helaas is het gesloten.

Susques

Een echt aantrekkelijke plek om te lunchen zie ik niet in Susques, dus ik rijd nog vier kilometer verder. Daar is een wegrestaurant annex motel annex benzinestation dat wordt aangeraden in mijn reisgids. Ik ben er de enige eter, maar wordt vriendelijk ontvangen. Als lunch neem ik een sandwich met rundvlees. “Verder niets?”, vraagt het meisje nog. Bijna wil ik nog een voorgerecht bestellen maar bedenk me dan weer dat alles wat je hier in Argentinië bestelt altijd groot en veel is. En ja, ook hier, want de sandwich komt in de vorm van twee grote broodjes hamburger, met tomaat, kaas, gebakken ei en ham.

De terugweg is dezelfde als de heenweg, dat heb je hier met al die valleien steeds. Ik kom ook weer langs één van de vele politie/douaneposten die je hier langs de weg ziet. Meestal wuiven ze je meteen door, maar dit keer moet ik stoppen. “Waar ga je naar toe?” Naar Purmamarca, zeg ik. “Wil je dan mijn collega meenemen? Hij heeft ‘een probleem’ in de familie.” Omdat er in deze richting hoogstens 10 auto’s per dag langskomen en er maar 3 keer per week een bus gaat, kan ik moeilijk weigeren. Gustavo (volledig in uniform inclusief pistool) stapt blij in en maakt zich nuttig door wat achtergrondinformatie te geven over waar we langsrijden. Zo blijkt dat het mooie gladde wegdek pas vorig jaar is aangelegd. Hij probeert te bellen met het thuisfront met zijn mobiele telefoon, maar hier is echt geen bereik. Pas als we vijf kilometer voor Purmamarca zijn begint het ding te piepen. En dan pas wordt mij ook duidelijk wat het ‘familieprobleem’ is: zijn vrouw is zojuist bevallen in het ziekenhuis van Jujuy! En daar moet hij natuurlijk als een razende naar toe. Ik zet hem af vooraan in het dorp. Vandaar kan hij verder met de bus naar de provinciehoofdstad Jujuy, een bus die gelukkig wel vaak gaat.

Vallei van Calchaqui

Eén voor één worden mijn mede-ontbijters in het hotel opgehaald. Tussen 7 en half 8 stoppen er minibusjes en taxi’s van allerlei reisbureautjes voor de deur. Ik kan rustig ontbijten, want ik ben pas om half 8 aan de beurt. Met een minibusje gevuld met 6 medereizigers ga ik vandaag de Vallei van Calchaqui verkennen.

We rijden eerst een kilometer of 50 over de vlakke weg. Salta ligt zelf op 1200 meter hoogte, maar wordt omringd door hoge bergen. Tussen die bergen is een aantal kloven uitgesleten. Deze valleien hebben elk hun eigen microklimaat, wat leidt tot bijzondere plantengroei. Door de afgelegen ligging is ook de cultuur van de inwoners redelijk onaangetast. De vallei van Calchaqui ligt ten westen van Salta en begint met een paar bruggen over vrijwel droge rivierbeddingen.

Valle de Calchaqui

Al meteen zodra we de vallei inrijden begint de zon te schijnen. Tegen de bergen kleven nog wel wat wolkjes, maar dat maakt het uitzicht er niet minder om. We klimmen geleidelijk de Piedra de Molino op, een berg van 3348 meter. De temperatuur daalt naar 8 graden, maar we doen gelukkig nog wel een aantal fotostops. Bij één daarvan kun je condors zien cirkelen. Deze grote roofvogels houden zich graag op grote hoogte op, dus echt van dichtbij bekijken zit er helaas niet in.

We zijn trouwens steeds het eerste busje bij de populaire uitzichtpunten. We worden op een kwartiertje gevolgd door nog twee minibusjes. Ook de reguliere bus volgt, rijdt voorbij als wij staan te fotograferen, en wordt even later zelf weer ingehaald omdat-ie niet zo hard rijdt.

Na de beklimming komen we uit op een hoogvlakte. Dit is het nationaal park Los Cardones. Cardones zijn kandelaarcactussen: 2 à 3 meter hoog en met enkele vertakkingen. Zoals je ze ook in tekenfilms ziet. Ze staan hier met duizenden bij elkaar op een grote open vlakte. Het is een soort bos, maar de individuele cactussen staan wel steeds een paar meter uit elkaar. Echt schitterend. Zeker ook met de strakblauwe lucht en de roodgrijze bergen op de achtergrond.

Los Cardones NP

Laatste stop is het dorpje Cachi. Hier mogen we twee uur rondkijken en lunchen. Het dorpje stelt niet zoveel voor, maar het is alleen al lekker om op het centrale plein in de stralende zon te zitten. Ik bezoek er verder nog een regionaal museumpje, en probeer wat inheemse gerechten uit tijdens de lunch.

Cachi

We rijden dezelfde weg terug als heen – dat heb je nou eenmaal in een vallei. Het is maar goed dat we vroeg waren, want nu hangt er dikke nevel over de bergen.

La Rioja – 250 miljoen jaar geleden…

Gisteren was het overdag 40 graden in La Rioja. Als ze in het hotel horen dat ik van plan ben naar de nationale parken Talampaya en Ischigualasto te gaan, krijg ik als waarschuwing mee “daar is het nog veel warmer!”. Dus in mijn meest zonnige kleren sta ik ’s ochtends om half 8 klaar voor de auto die me deze dag gaat rondrijden. De chauffeur is Alfredo – die een remis rijdt naast zijn bestaan als fotograaf. Een remis is een taxi die rijdt tegen een vooraf afgesproken prijs, meestal gebruikt voor langere afstanden.

Talampaya en Ischigualasto liggen nogal afgelegen. Hoewel La Rioja de dichtstbijzijnde grote stad is, moeten we toch nog eerst 150 kilometer rijden. Het is een lange rechte weg, zonder veel verkeer. Langs de route liggen plantages vol met olijfbomen.

De lucht begint gaandeweg steeds meer te betrekken, totdat het echt stevig gaat regenen. We hopen nog dat het een plaatselijke bui is. Maar het blijft bewolkt en regenachtig tot we bij het Ischigualasto park aankomen. Het plotselinge water kan hier moeilijk weg en er ontstaan al snel overal grote plassen.

Binnen krijgen we nog meer slecht nieuws: door de regen is een deel van het park afgesloten. We krijgen een aangepaste rondleiding. En of er vandaag excursies door het nabijgelegen park Talampaya gaan is maar de vraag.

Ischigualasto

De tocht door Ischigualasto (ook wel de Maanvallei genoemd) gebeurt in konvooi. Om 10 uur hebben zich een vijftal auto’s verzameld. Mijn chauffeur Alfredo kent de weg en mag voorop. Een gids van het park stapt ook bij ons in.

De route voert over een zandweg door het park. Dit en het buurpark Talampaya staan op de Werelderfgoedlijst vanwege hun belang voor de paleontologie: de studie van de ontwikkeling van het leven op aarde. Het landschap hier dateert uit het Trias, 250 miljoen jaar geleden. Toen was het hier tropisch, nu een woestijn.

Onze eerste stop is dan ook bij een rots waar je heel goed de duizenden lagen grond kunt zien die door de eeuwen heen zijn afgezet. Tussen al die lagen zijn planten en dieren geplet: en dat zijn nu fossielen. Vooral de blaadjes van de planten zijn goed te zien.

Ischigualasto

Gelukkig klaart het weer wat op tijdens de rit. Het is frisjes, maar wel droog. Op vragen van medereizigers of ik het niet koud heb antwoord ik maar dat ik uit Nederland kom en wel wat gewend ben.
We slingeren door het dorre landschap (vandaar de naam “Maanvallei”) waar alleen wat lage cactussen en struiken groeien. In de zomer wordt het hier 45 tot 50 graden.

Ondanks het klimaat leven hier nog dieren: ik zie mijn eerste guanaco’s. Dit is familie van de lama en de vicuña. Ze zijn wat groter dan de laatste, en minder schrikachtig. Ze leven hier in groepjes in het wild.

We stoppen nog een paar keer om de omgeving nader te bekijken. Vooral de vreemde vormen die de natuur hier heeft geboetseerd zijn de moeite waard. Zo is er een “bowlingbaan” waar allemaal stenen bij elkaar liggen die door wind en water mooi rond zijn geslepen.

Ischigualasto

Na 2,5 uur is het rondje Ischigualasto afgelopen. Ondanks dat het een verkorte route was hebben we veel van het park kunnen zien. Alfredo en ik rijden meteen door naar het andere park, Talampaya. De parken zijn geologisch gezien één geheel. Om bij de ingang te komen is het toch nog weer 80 kilometer rijden.

Talampaya is helemaal gesloten voor auto’s. Je kunt het alleen via een tour met een busje bezoeken. Deze tours gaan ongeveer elke 45 minuten. Gelukkig is het de hele ochtend droog gebleven en worden er toch excursies georganiseerd. Ik krijg een vertrektijd van 3 uur, en ga eerst maar even lunchen in het restaurant bij het park.

We komen met z’n negenen in het busje te zitten. Een aantal van de medepassagiers zat ook al in hetzelfde konvooi in het Ischigualasto park. Het zijn allemaal Argentijnen. De chauffeur racet eerst een kwartier het park in, en dan is het weer tijd om uit te stappen voor wat uitleg.

Onder begeleiding van een gids wandelen we langs groepen rotstekeningen die ruim 1000 jaar oud zijn. De afbeeldingen zijn van dieren (guanaco’s), mensen en wat algemene symbolen zoals pijlen.

Talampaya

Waar de rotsen van Ischigualasto wit en grijs zijn, voert hier in Talampaya de rode zandsteen de boventoon. We rijden door een canyon, een droogstaande rivier waarlangs de rotsen tot 150 meter steil omhoog reiken. Het is net alsof je midden door de Grand Canyon rijdt, heel indrukwekkend. We zien ook een paar grote hazen wegschieten.

Bij één van die hoge rotsen hebben we een volgende stop. Een deel is door wind en water in een soort halve cirkel uitgesleten. En dat levert een mooie echo op. Op aangeven van de gids moet ons groepje gelijktijdig wat roepen, en dan hoor je de echo zeker drie keer terug, weerkaatst tussen al deze wanden. Een klein jongetje in onze groep begrijpt eerst niet helemaal wat er gebeurt, maar als hij het eenmaal door heeft houdt hij niet meer op met schreeuwen om telkens zijn eigen echo te horen.

Talampaya

Veel van de rotsen zijn in bijzondere vormen uitgesleten. We zien onder andere De Schildpad, De Monnik, De Totem, De Toren en De Kathedraal.

Na een kleine 3 uur is ook deze tour voorbij. Om half 6 vangen we de terugreis aan naar La Rioja. Precies 12 uur na het vertrek, om half 8 ’s avonds, word ik weer afgeleverd bij mijn hotel. Waar de zon weer straalt.

Cordoba

Elke reis heeft zijn dag of plaats waarop je het gevoel hebt dat je de bodem hebt bereikt (althans, mijn reizen wel). Deze keer gaat de eer naar: Cordoba! Ik vond Cordoba helemaal niet leuk – het is een werkende stad die aan alle kanten afbrokkelt. Ik had het slechtste hotel van mijn verblijf en zelfs het slechtste eten (wat lastig is in Argentinië). En ik werd hier voor het eerst deze reis tekortgedaan door een taxichauffeur (maar was alert genoeg om zijn truc te zien).

Ik bracht een kort bezoek aan het Jezuïetenblok in het stadscentrum. Het bevindt zich in het voetgangersgebied, tussen andere kleurrijkere kerken. De als werelderfgoed aangewezen gebouwen hebben allemaal tentoonstellingen die iets over hun geschiedenis vertellen. Ze worden nu gebruikt als reguliere universiteit en kerk. Je kunt er een kijkje nemen, maar ik was er niet kapot van.

Cordoba

Om te ontsnappen aan de slechte sfeer van de stad nam ik een lokale bus naar Alta Gracia, een van de estancia’s die ook zijn inbegrepen in het werelderfgoed. De chauffeur zette me af bij wat ik eerst dacht dat een mooi stadspark met een meer was, maar het bleek de tajamar te zijn, het waterreservoir dat de Jezuïeten hadden aangelegd voor irrigatie. Aan de andere kant van het park staat de mooie barokke kerk. En daarnaast El Obraje: een voormalige molen die nu een school is (waar kinderen half in de open lucht les kregen).

Cordoba

Puerto Madryn – In Patagonië

Een uur en veertig minuten vliegen, en je bent weer in een heel andere wereld. Trelew is de grootste stad van de Argentijnse provincie Chubut, en dat ligt weer in het zuiden van Patagonië. Dit is het meest zuidelijke deel van Zuid Amerika, met veel ongerepte natuur en wilde verhalen. Het landschap bestaat uit steppe-achtige vlaktes.

Op het vliegveld huur ik een auto voor de komende 3 dagen. Het is wel een heel kleintje dit keer, een Ford Ka. Ik voel me net een oude oma. De man van het verhuurbedrijf waarschuwt me nadrukkelijk dat ik op de onverharde wegen niet harder mag rijden met dit karretje dan 50 kilometer per uur.

Ik rijd eerst een stukje zuidwaarts, over een prima asfaltweg trouwens, naar het park Bryn Gwyn. De plaatsen hebben hier allemaal wat rare namen, die komen uit het Welsh. Mensen uit Wales vestigden zich hier eind 19e, begin 20e eeuw om een kolonie te stichten.

In het paleontologisch park Bryn Gwyn is een wandelpad uitgezet van anderhalf uur, dat over verschillende hoogtes gaat en bijbehorende fossielen laat zien. Als ik er om elf uur arriveer, ben ik de enige bezoeker.

Bryn Gwyn

Het is een leuke wandeling met een stevige klim. Gelukkig is het hier niet zo heet: de zon schijnt flink, maar er waait ook een frisse wind. Om de paar honderd meter staan glazen piramides waaronder fossielen zijn tentoongesteld van dieren die hier gevonden zijn. Op het laatste stuk van de route liggen ontelbare schelpen. Je zou er zo eentje mee willen nemen, maar dat is uiteraard niet de bedoeling. Zo zijn er ook dikke lagen met fossielen van oesters.

Als ik na drie kwartier de top heb bereikt hoor ik opeens geroezemoes: er is een hele schoolklas onderweg naar boven. Snel vang ik dus maar weer de terugweg aan, wat nogal een lastige daling blijkt te zijn door de losse stenen en het losse zand. Ik glijd dan ook een keer aardig onderuit.

Licht gehavend ga ik weer de auto in. De volgende bestemming is Punta Loma. Dit is een natuurgebiedje iets buiten de stad Puerto Madryn. Met de auto rijd je tot bij een uitkijkpost vlakbij een baai waar zeeleeuwen hun thuisbasis hebben. Als ik uitstap hoor ik hun geschreeuw al (aangevuld met het gekrijs van de vele vogels hier).

Op het strand liggen vele honderden van deze beesten. De uitkijkpost is een soort tribune die schuin boven de baai hangt. Zo kun je alles mooi zien, zonder de dieren verder te storen. Het is er gelukkig niet druk. Er komen wel veel toeristen in deze regio, het vliegtuig van Buenos Aires naar Trelew zat vol met wel 50 Duitsers!

Punta Loma

De zeeleeuwen die van een afstandje erg op ‘onze’ zeehonden lijken, heten officieel manenrob of Patagonische zeeleeuw. Ze leven in grote kolonies met daarbinnen harems. Elke harem wordt geleid door een volwassen mannetje en bestaat uit gemiddeld tien wijfjes. Het mannetje heeft een enorme met manen bezette nek.

Ongeveer de helft van de zeeleeuwen ligt lekker onder de rand van de rotsen in de schaduw. De anderen liggen in de zon op het strand, zo af en toe over elkaar heen buitelend. Hun geschreeuw is wel het meest actieve wat ze doen. Zo af en toe komt er nog eentje vanaf zee aanzwemmen, en die kondigt zijn komst dan luidkeels aan. Het halve strand antwoord dan ook met veel getoeter.

Op een rand boven het zeeleeuwenstrand hebben ook honderden zwarte aalscholvers hun plekje gevonden. Zo af en toe vliegt er eentje naar zee om een visje te halen en bij de familie af te leveren.

Peninsula Valdes

Península Valdes is een uniek en beschermd natuurgebied vooral vanwege zijn fauna (en dan met name de walvissen). Het ligt een uurtje rijden ten noorden van Puerto Madryn. Het is een schiereiland dat maar met een klein haakje vastzit aan het vasteland van Patagonië. Ik bezocht het via een dagtour vanuit mijn hostel. We gingen met z’n 11-en (allerlei Europese nationaliteiten) in een minibusje.

Het eerste dier dat we zien is over komen lopen van het vasteland: een Patagonische haas, ofwel Mara. Dit is familie van de cavia. Het beestje hupt dan ook niet maar rent op 4 poten.

Ook een bekende verschijning in deze droge en dorre streken is de Nandoe. Een soort struisvogel, maar dan iets kleiner. We zien er een paar keer eentje met een groep kuikentjes om zich heen. Het zijn de mannetjes die de kleintjes grootbrengen.

Peninsula Valdes

Het landschap bestaat hier uit dezelfde stugge, lage struiken als in de rest van Patagonië. Deze zijn als beste bestand tegen de sterke wind die hier altijd raast. Ook vandaag, hoewel het ook warm en erg zonnig is.

De kustlijn van het schiereiland is grillig. Er zijn baaien, rotsen en dynamische zandduinen die (tijdelijke) eilandjes vormen. De lokale zeeolifanten vinden dat wel lekker om op uit te rusten. De menselijke bezoekers mogen niet op de stranden komen en moeten van een afstandje vanaf de duinen toekijken.

En uitrusten kunnen zeeolifanten. Er is geen beweging te zien, terwijl er toch minstens 100 op het strand liggen. Ze lijken wel dood. De meeste die we zien zijn vrouwtjes (licht van kleur). Zij leven in een harem van 20 bij een veel groter mannetje. De mannetjes hebben een soort slurfje vooraan hun kop, vandaar dus de naam ‘zeeolifant’.

Zuidelijke zeeolifant (Peninsula Valdes, Argentinië, 2008)

De enige actie die we mogen aanschouwen bij dit strand komt van een jong mannetje. Hij glijdt langzaam door het water langs de kust op zoek naar een vrouwtje om mee te paren.

Als hij er twee vlakbij de waterlijn heeft ontdekt, sleept hij zichzelf snel het water uit en het strand op.

Het volwassen mannetje waar de vrouwen vast bij horen vindt dit maar niks, en laat een luide brul horen. Dat is genoeg: het jonge mannetje keert snel terug het water in. De oudere heeft geen poot uit te hoeven steken om hem te verjagen. De mannetjes zijn nogal berucht om hun zware gevechten die tot bloedens (of de dood) toe worden gevoerd.

De dood kwam wel bij hen op een heel andere manier deze ochtend: onze gids hoorde van een aanwezige fotograaf dat in de vroege morgen een vrouwtjeszeeolifant gegrepen was door een orka. Deze dodelijke zwaardwalvissen hebben lokaal de tactiek ontwikkeld om hun prooi door het water op te jagen en zich met de golven op het strand te laten aanspoelen om toe te slaan.

Vijf minuten ten noorden van de zeeolifanten leeft een groepje Magelhaen-pinguïns. Het zijn er hier maar weinig.

In de middag wordt het dan eindelijk tijd voor waar we eigenlijk voor gekomen zijn: de Walvissen. Je kunt ze hier vanaf de kust al wel zien. Maar vanaf een boot natuurlijk veel beter. Het waait echter zo hard dat de haven van Puerto Piramides, waar de bootjes uitvaren, gesloten is. We moeten wachten op goed nieuws. Dat wachten is niet zo’n probleem in dit havenplaatsje: er zijn lekkere terrassen en we zitten heerlijk met wat snacks in de zon.

Pas om half 5 krijgen de boten het groene licht. Er zijn inmiddels tientallen toeristen gearriveerd. De restaurantjes hebben goede zaken gedaan de afgelopen uren. Er zijn een stuk of 6 boten die het water op gaan, van heel klein tot iets groter. We krijgen allemaal een dik oranje reddingsvest aan en kunnen aan boord.

Het is erg vol op de boot, iedereen heeft net genoeg ruimte om te zitten. Je mag ook niet heen en weer lopen want dan schommelt de boot teveel. Dat doet hij sowieso al wel – de wind is wel gaan liggen maar er zijn nog genoeg golven. Toch heb ik geen enkele last van zeeziekte. Maar één vrouw op ‘mijn’ boot werd ziek. Ze moest van de kapitein als remedie maar niet meer naar de walvissen zoeken maar naar de horizon gaan staren.

Het is maar een paar minuten varen de baai in, en we zien de eerste walvis. Deze springt zelfs op en neer voor een ander schip. Het lijkt wel een dolfijn maar dan veel groter en logger. Foto’s maken is wel erg lastig: de spectaculaire momenten zijn binnen een paar seconden voorbij, en het helpt ook niet dat de boot zo schommelt en zo vol is.

Zuidkaper (Argentinie, Peninsula Valdes, 2008)

We zien ook al snel een witte (albino) walvis. Dit is een jonkie, maar ook al meters lang. Hij is op zoek naar zijn moeder, en als ze elkaar gevonden hebben zwemmen ze samen op. Ze blijven meestal net onder het wateroppervlak, maar daar zijn ze nog wel goed te zien, net onderzeeboten. Af en toe komen ze even met hun kop boven water om adem te halen. Of slaan ze met hun flippers op het water.

Na twee uur is de boottocht voorbij – de tijd is voorbij gevlogen en ik zou zo nog een keertje willen!

Tussen de pinguïns

Het is een kleine drie uur rijden vanuit Puerto Madryn. Zuidwaarts. De laatste 22 kilometer daarvan gaan over een slechte onverharde weg met allemaal losse stenen.

In Punta Tombo, een provinciaal park, leven het grootste deel van het jaar 175.000 pinguïnpaartjes. Ik was al vroeg weg gegaan omdat ik gehoord had dat de toeristenbusjes hier om 11 uur zouden arriveren. Als ik het parkeerterrein op hobbel om 10 uur ben ik echter ook lang niet de eerste. Er is zowaar weer een schoolklas.

Ik betaal de 35 pesos (8 EUR) entree voor buitenlanders en ga te voet het park in. Eten, drinken en roken is er verboden. Al vrij aan het begin zijn de eerste pinguïns te zien. De meesten lijken net wakker, en staan zich uit te rekken voor hun nest of zich een beetje op te warmen aan de zonnestralen.

Punta Tombo

Je moet als bezoeker binnen de afgezette paden blijven, en mag de pinguïns op maar anderhalve meter benaderen. Andersom geldt dat niet: een aantal van de beestje heeft een nest gemaakt op of net naast het pad, of kuiert daar wat rond.

Het is het broedseizoen, dus de meesten zitten in hun holletje op een ei (of twee). De mannetjes en vrouwtjes wisselen elkaar af tijdens het broeden.

Punta Tombo

Het hele terrein is vol met kuilen waarin ze hun eieren hebben gelegd. Sommigen liggen beschut onder een struik, maar velen ook helemaal in de open vlakte.

Een wat actiever stel is aan de wandeling. Doel is de zee, voor wat verse visjes. Dit soort pinguïn (Magelhaenpinguïn) komt voor in Brazilië, Chili, Argentinië en de Falkland Eilanden. Ze zien nooit het ijs.

Terugblik route

In oktober 2008 reisde ik 3,5 week door Argentinië. Met name de noordelijke helft, met een uitstapje van een paar dagen naar Patagonië. Het werd een hele afwisselende reis, vooral wat betreft de natuur. Ik heb een heel aantal ‘nieuwe’ dieren aan mijn lijstje kunnen toevoegen: lama’s, walvissen en pinguïns onder andere.

Zoals ik van tevoren al een beetje had verwacht vond ik het uiterste noordwesten, de provincie Jujuy in de Andes, het mooist. Elke vallei heeft hier zijn eigen microklimaat en verpletterende uitzichten. Ook wat betreft eten en slapen zijn er veel leuke zaken in deze regio, die met name bij Argentijnse vakantiegangers populair is.

Route

Van dag tot dag
DatumProgrammaVerblijf
8 oktoberHeenvlucht naar Buenos Aires. Vertrek vanaf Schiphol om 20.50. Dan na 3 kwartier overstappen in Parijs. Daar een eindje over het vliegveld gelopen en weer door de douane, en zo keurig op tijd bij de gate om in de rij te gaan staan voor de vlucht van 23.15 uur. Het vliegtuig zit helemaal vol, vooral met terugkerende Argentijnen.Air France vlucht AF0418
9 oktoberAankomst in Buenos Aires om 7.15 in de ochtend. Het is in Argentinië momenteel 5 uur vroeger dan in Nederland. De vlucht heeft dus 13 uur geduurd, waarvan ik er 6 heb kunnen slapen en de rest wat gesluimerd en gelezen. De eerste dag op Argentijnse grond vooral gelopen en gelopen. Eerst door de wijk Palermo, en later door het centrum rondom het Plaza de Mayo.Buenos Aires
10 oktoberBij het ontbijt ontmoet ik maar liefst 3 andere Nederlanders – er schijnen er 6 in de paar kamers van de B&B te zitten. Het begin van de ochtend is verder voor praktische dingen: ik ga langs het kantoor van LAN om wat aan mijn binnenlandse vlucht te laten veranderen, en naar het busstation om een kaartje te kopen voor de nachtbus naar Posadas aanstaande maandag. Dat laatste is een hele expeditie, het busstation is enorm en ik moet helemaal achteraan bij loket 120 zijn. Met de zakelijke dingen achter de rug ga ik weer de metro in. Nu naar de wijk San Telmo. Dit is nog het meest authentiek koloniale deel van de stad. Ik kijk er even rond in het kleine historisch museum. Verder zijn er vooral antiekzaken en restaurants in de buurt. Ongemerkt (nou ja) loop ik toch ook nu weer heel wat af. Rond lunchtijd stop ik bij een leuk terras voor mijn eerste sappige biefstuk van deze reis! Aan het eind van de middag ga ik nog naar de begraafplaats in Recoleta. Mijn voeten willen me haast niet meer dragen, maar het was de moeite waard. ’s Avonds eet ik een gemakkelijk broodje op een terras vlakbij mijn hotel (het “broodje” is net zo duur als de biefstuk van vanmiddag, en bestaat naast een half stokbrood ook nog uit een enorm stuk gegrilde kipfilet met bacon, sla en zongedroogde tomaten).Buenos Aires
11 oktoberIn de ochtend een fietstocht gemaakt via Bike Tours Buenos Aires. Erg leuk, je ziet zo in relatief korte tijd (3,5 uur) heel veel van de stad. Na de siësta naar het MALBA – het museum voor moderne kunst. Mooie, felle 20e eeuwse schilderijen van Latijnsamerikanen als Kahlo en Rivera. En ook tentoonstellingen met wel heel moderne dingen, zoals een berg met 100 kilo aan lolly’s in rode, blauwe en witte verpakkingen (van de hand van Félix González-Torres). Een klein meisje dat met haar vader op bezoek is in het museum kan er maar met moeite van afblijven. Op de terugweg gegeten in een niet al te authentiek Japans restaurant.Buenos Aires
12 oktoberDagje uit naar een “nieuw” land: Uruguay. Dat betekent vanaf Buenos Aires met de veerboot om 11.30 uur naar de andere kant van de rivier, naar Colonia del Sacramento. Daar is tevens het 1e werelderfgoed van deze reis. Het regent in Buenos Aires bij het vertek, maar halverwege de Rio de la Plata komt er een waterig zonnetje door. Op de Uruguayaanse wal is het helemaal mooi zonnig, en dat blijft de rest van de dag zo. In Colonia heb ik weer lekker biefstuk gegeten en een uur of twee rondgewandeld. Om 18.30 uur (Uruguayaanse tijd, 1 uur vroeger dan in Argentinië) met de boot weer terug.Buenos Aires
13 oktoberEen korte tocht naar de stad La Plata, 1 uur (56 km) met de bus vanaf Buenos Aires. Niet teveel te zien, en dus maar kort gebleven. Er zijn 2 potentiële werelderfgoederen in deze stad, waarvan er één (Casa Curutchet) gesloten was. Nog wel een tijdje in het grote natuurhistorisch museum rondgekeken en koffie gedronken.
Om 20.30 uur met de superluxe slaapbus naar Posadas. Het is de duurste klasse, ‘Tutto Letto’, d.w.z. helemaal gestrekt. Je ligt inderdaad heerlijk, zacht, breed, dekentje en kussen erbij. We krijgen om een uur of half 10 nog een vliegtuigmaaltijd en wat te drinken. Verder vermaak ik me met het draadloos internet aan boord.
Nachtbus ‘Tuto Letto’
14 oktoberDe nacht was toch minder dan ik gehoopt had. Ik lag weliswaar heerlijk, maar de bus schommelt nogal. En bovendien heeft het de hele nacht gestortregend, met af en toe een onweersflits. We komen desondanks keurig op tijd aan in Posadas, even na negenen. En hier is het zelfs droog! Het busstation ligt te ver van het centrum om te lopen, en mijn buurman uit de bus biedt me een lift aan want hij wordt zelf met de auto opgehaald. Het ziet er hier heel anders uit dan in Buenos Aires en omgeving: subtropisch, veel groen, lage huizen. Straatverkopers bieden cassavebroodjes aan die op baguettes lijken. Lekker geluncht in de stad (gegrilde kipfilet), en vast het buskaartje gekocht voor de rit naar Salta a.s. donderdag. In de middag verder naar het slaperige dorpje San Ignacio, weer een uur met de bus. Daar het 2e werelderfgoed van mijn reis bekeken: de ruïnes van de Jezuïetenmissies in de Guaraní. Het werelderfgoed bestaat uit 5 van deze gemeenschappen in Argentinië en in Brazilië waar Jezuïeten en Guarani-indianen in de 17e en 18e eeuw samenleefden. San Ignacio Mini is de grootste en de meest toeristische, er was zelfs een hele groep Nederlanders en Belgen. Stralend weer, echt heet in de zon, heerlijk om buiten te lopen. Op de terugweg weer een taxichauffeur aan de haak geslagen, die me zijn kaartje gaf (“internationaal taxichauffeur”) en me heel graag morgen in Paraguay wilde rondrijden. Dat kwam me goed uit (met de bus is het nogal een gedoe van overstappen), dus heb ik morgenochtend om 9 uur met hem afgesproken.Posadas
15 oktoberNa een uitgebreid ontbijt met o.a. fruitsalade om 9 uur op pad voor alweer het 3e werelderfgoed. Mijn chauffeur staat al klaar, en we rijden naar de grens met Paraguay, aan de rand van Posadas. Vandaar is het nog 30 kilometer naar Trinidad en nog eens 11 naar Jesus. Om 1 uur zijn we weer terug in Posadas. Ik ga nogmaals lekker eten in de stad. Daarna de rest van de middag relaxen.Posadas
16 oktoberOm 13 uur vertrokken met de bus van Posadas richting Salta. Het eerste deel van de tocht gaat naar Resistencia. Het is een saaie tocht over het vlakke land en langs grote landbouwbedrijven. We worden drie keer door de politie aangehouden om de bagage te checken en soms ook de paspoorten van passagiers. Het zal wel vanwege de drugshandel in dit gebied zijn, maar echt grondig zoeken ze niet. De reis duurt vijf uur. Bij een terminal van deze busmaatschappij even buiten Resistencia moeten we van bus wisselen. Ik had gehoopt dat er nog tijd zou zijn om wat te eten, maar we zijn te laat. Nu moet ik het voorlopig stellen met de vier cassavebroodjes die ik bij een straatverkoper onderweg heb gekocht. Ze smaken een beetje kaasachtig, en liggen als een baksteen op je maag. Voor het lange tweede deel van de tocht zijn er nog maar weinig passagiers over. Ik heb twee plaatsen voor mezelf, en kan dus breeduit gaan zitten. Dit is wel een veel minder luxe bus dan die ik vanuit Buenos Aires had. Hoe later op de avond het wordt, hoe meer ik begin te betwijfelen of we nog eten krijgen. En dan stoppen we plotseling voor een lokaal restaurant. Daar staan zakken verpakte maaltijden klaar zoals bij ons bij de Chinees. We krijgen rijst met een kippenbout, plus broodjes en koekjes. Ook gaat de chauffeur met een familiefles cola rond.
Na het eten gaan de lichten uit, en val ik al aardig snel in slaap.
Nachtbus van Nueva Estrela
17 oktoberIk slaap met wat horten en stoten, maar zeker niet slechter dan in de luxe bus. Om kwart voor 7 in de ochtend komen we aan in Salta. Het is vanaf 6 uur al licht, dus ik wandel op mijn gemakje naar het hotel in het centrum. Aan het eind van de ochtend doe ik mijn eerste ronde Salta. Hier schijnt 360 dagen per jaar de zon, maar vandaag niet! Het regent gelukkig ook niet, en de temperatuur is aangenaam, dus het maakt niet zoveel uit. Ik bezoek eerst het MAAM, een museum over de Inca’s wier leefgebied tot in dit deel van Argentinië uitstrekte. Blikvangers zijn hier de twee mummies van kinderen die hoog in de bergen op voor Inca’s heilige plekken gevonden zijn. In het winkeltje van het museum koop ik nog een nieuw portemonneetje geheel in indiaanse stijl (mijn Chinese exemplaar heeft vandaag precies na een jaar de geest gegeven). Later op de dag nog een keer op pad. Nog meer nuttige dingen gedaan: toertje voor morgen geboekt, twee extra engelstalige boeken gekocht, gezond gegeten met fruitsalade en vers sinaasappelsap. Om zeven uur begint er op het centrale plein nog een hele ceremonie, met een fanfare en mannen in klassieke gaucho outfit te paard, waar ik een tijdje bij heb staan kijken.Salta
18 oktoberTourtje gedaan naar de Valle Calchaqui (mogelijk werelderfgoed) met reuzencactussen en het dorpje Cachi. Vertrek om 7.30 uur, en om 18 uur weer in mijn hotel afgeleverd. Schitterende vergezichten, en vooral ook geïmponeerd door een ‘bos’ van cactussen. ’s Avonds in Salta voor de verandering eens Italiaans & vegetarisch gegeten. Wat opviel is dat er veel Europese toeristen in de stad zijn vanavond, dat zal wel voor de trein van morgen zijn.Salta
19 oktoberDe hele dag (van ’s ochtend 7 tot ’s avonds 11) met de “Trein naar de wolken”: Tren a las Nubes, lange dagtocht per trein van 217 km, over 29 bruggen, 21 tunnels, 13 viaducten, 2 spiralen en 2 zigzag-bochten.Salta
20 oktoberRustig aan begonnen vandaag, na de twee lange dagtochten van het afgelopen weekend. In de ochtend een auto gehuurd voor 4 dagen, en om half 11 op pad verder naar het noorden. Het is een goede, rustige weg die voert naar de Quebrada de Humahuaca (kloof van Huamahuaca, Werelderfgoed). Je hebt echt niet meer het idee dat je in Argentinië bent, het lijkt erg op de Verenigde Staten (Arizona of zo). Om kwart over één kom ik aan op mijn bestemming voor de komende dagen, Purmamarca. Het is een dorpje in een dal midden tussen de bergen, en aan de voet van de ‘Zevenkleurige heuvel’. In de middag lekker in de zon gezeten met een boek. Het is hier 28 graden! Daarna voor de nodige beweging de ‘Paseo de Los Colorados’ gewandeld, een pad van 3 kilometer om de heuvel heen. De dag afgesloten met mijn eeste lama-biefstuk – ik geloof niet dat er veel smaak aan een lama zit maar het was toch lekker door het laagje kruiden dat erop zat.Purmamarca
21 oktoberDe mooiste dag van deze reis tot nu toe! Met de auto naar Salinas Grandes (zoutmeren) en Susques (een inheems dorpje). Een heerlijke rustige rit van 139km, dwars over de hoogvlakte. Voor het eerst vicuñas en lama’s gezien, pal langs de weg.Purmamarca
22 oktoberVroeg opgestaan om Purmamarca bij het ochtendlicht te fotograferen – is het bewolkt! Het waait ook hard en het is fris. Ik loop toch maar een rondje en zie hoe alle souvenirverkopers op het plein hun kraampjes aan het volstouwen zijn. In de ochtend naar het 4e werelderfgoed van deze reis: de Quebrada de Humahuaca. Weer een vallei, van oudsher strategisch belangrijk op de route vanuit de hooglanden van Peru en Bolivia naar de lagere regio’s. In de dorpjes onderweg zijn wat kleine bezienswaardigheden uit de Spaans koloniale tijd. Ik lunch in het zeer toeristische plaatsje Humahuaca. Van alle valleien hier vind ik dit wel de minste. Ik ben dan al ook om 3 uur bij mijn nieuwe overnachtingsadres, en vermaak me daar de rest van de middag met lezen en internetten.Tilcara
23 oktoberEerst nog heerlijk in de zon op het terras mijn boek uitgelezen. Dan de bezienswaardigheden van Tilcara bezocht: eerst het sympathieke archeologisch museum en daarna de Pucara. Dat laatste zijn de ruïnes van een gefortificeerde stad uit de tijd van voor de Spanjaarden (van de Inca-tijd en nog daarvoor).
Lekker naar toe gewandeld (half uurtje), en erg leuk om rond te kijken. Het was er zelfs druk met toeristen: een hele schoolklas en nog wel 30 anderen.Daarna de auto in voor de terugrit. Nog even een foto gemaakt in Purmamarca, en daar ook geluncht.Rit van een uur of 3 naar Salta zonder problemen. Daar de auto ingeleverd en in een cafeetje gaan zitten internetten. In de avond met de bus van Salta naar La Rioja (luxe nachtbus 21.00 – 7.30)
Nachtbus van Andesmar
24 oktoberHet slapen in de bus gaat steeds beter, dit keer vrijwel onafgebroken tussen 11 en 5. Aankomst in La Rioja om 7.15 uur. Op het mooie nieuwe busstation daar alvast een kaartje gekocht voor de bus naar Cordoba over twee dagen.
Dan met de taxi naar het centrum. Gelukkig is het hier ook heel mooi weer. Ik ga eerst even lekker traditioneel Argentijns ontbijten, en meld me dan om 9 uur bij het Plaza Hotel.De rest van de dag rustig aan gedaan. Er is hier werkelijk niets te beleven, en het is bloedheet. Tussen 12 en 17 uur is het doodstil op straat. Nog even binnen geweest bij het Folklore Museum, en vooral bij de Carrefour supermarkt waar goede airco is en ze lekkere dingen hebben.
La Rioja
25 oktoberDagtocht gemaakt naar Ischigualasto en Talampaya (Werelderfgoed #5) – rotsformaties, petroglyphen en fossielen. Vertrek om 7.30, terug precies 12 uur later.La Rioja
26 oktoberRustige ochtend, met wat praktische dingen en het bijwerken van de websites en de foto’s. In de middag met de bus van La Rioja naar Cordoba (453 km). De bus van 13.30 wordt samengevoegd met de bus van 14 uur, zodat ik ook later in Cordoba ben (20 uur). En omdat Cordoba een van de weinige provincies is met zomertijd, is het er al 21 uur.Cordoba
27 oktoberHistorisch centrum van Cordoba (Werelderfgoed nummertje 6), plus het plaatsje Alta Gracia bezocht (uurtje met de locale bus). Allebei niet meer dan een uurtje waard. Avondvlucht naar Buenos Aires. Duurt maar 50 minuten, en ik kom aan om 18.30 uur op het stadsvliegveld. Wel een heel ander publiek zo in het vliegtuig dan met de bus, daar wagen de rijke Argentijnen zich blijkbaar niet aan.Buenos Aires
28 oktoberWeer een mooie lange dag. Opgestaan om 6 uur, en dan de vlucht naar Trelew in Patagonië. De vluchtduur was 1 uur en 40 minuten, en omdat deze provincie ook niet meedoet aan de zomertijd, is het hier nog een uur vroeger. Dus ik was om kwart voor 10 al present bij de autoverhuur op het vliegveld van Trelew. Eerst naar Bryn Gwyn gereden, een park met fossielen van dieren. Daar een anderhalf uur durende wandeling gemaakt. Verder 65km naar Puerto Madryn. Daar lekker vis gegeten aan het strand. Vervolgens een uur gekeken bij de zeeleeuwen in Punta Loma.Puerto Madryn
29 oktoberLange dagtocht naar Peninsula Valdes (werelderfgoed nummer 7). O.a. zeeolifanten, pinguïns en heel veel walvissen gezien.
De laatste ook van dichtbij vanaf een boot, een heel spektakel want wat zijn die beesten groot!
Puerto Madryn
30 oktoberAl om 7 uur op om op tijd bij de pinguinkolonie Punta Tombo te zijn. Ik was er om 10 uur – zeker niet als eerste, maar vanaf 11 uur kwamen de echte hordes binnen. Dit is duidelijk een populaire plek. Via een onverharde weg doorgereden naar Camarones. Het zou een pittoresk havenplaatsje moeten zijn, maar toen ik er binnenreed was het hele dorp verzonken in een diepe siësta. Gelukkig was het benzinestation nog wel open. En vandaar weer via de grote weg terug naar de omgeving van Trelew. Overnacht in het plaatsje Gaiman, een van de dorpjes van kolonisten uit Wales. Lokale museumpje bekeken. Verder niet veel te zien, heel toeristisch. De mensen komen vooral voor de (Welshe / Engelse) theehuizen.Gaiman
31 oktober’s Ochtends nog rustig ontbeten in een leuk tentje in Gaiman. Daarna nog 20 minuten rijden naar het vliegveld van Trelew om de auto in te leveren. De vlucht van Trelew naar Buenos Aires (12.05-14.53) was gelukkig op tijd. In Buenos Aires nog luxe met de taxi de halve stad doorkruist om van het binnenlandse vliegveld naar het internationale te komen. Daar nog even gegeten en vervolgens de terugvlucht naar Nederland (via Parijs), vertrek 19.05.Vliegtuig Air France
1 novemberAankomst in een druilerig Parijs om kwart voor 11. Even een uurtje wachten en dan door naar Amsterdam (aankomst 14.00)Nederland

Praktische info

Argentinië is een gemakkelijk te bereizen land. De voorzieningen zijn vaak van eerstewereld-niveau, terwijl een groot deel van de bevolking ergens tegen de derde wereld aanhangt. De armoede en het verval is vooral in de grote steden als Buenos Aires, Cordoba en La Plata voelbaar en zichtbaar. Veel bedelaars, vaak kleine kinderen, en eindeloze sloppenwijken aan de randen van de stad.

Tijd
Het is in Argentinië 5 uur vroeger dan in Nederland (of soms 3 uur, of 4 uur, afhankelijk van de zomertijd). In 2008 deden de centrale provincies van Argentinië wel aan zomertijd, en die in het noorden en zuiden niet. “Eén land, twee tijden” kopten de kranten.

Geld
100 Argentijnse peso is ongeveer 22 EUR (2008). Pinnen met een Nederlandse bankpas kan niet bij alle banken, maar wel bij bijvoorbeeld Banco de la Nacion, Citibank, Banco Frances, HSBC. Vooraf had ik op internet verhalen gelezen dat je niet meer dan 300 pesos per keer kunt pinnen (en dat is vrij weinig), maar daar heb ik helemaal geen last van gehad. 900 pesos is zeker geen probleem.

Het is er niet duur, zeker het eten niet – meestal betaalde ik rond de 7 EUR voor een maaltijd. De entreeprijzen (als ze worden geheven, vaak is het ook gratis) zijn bijna altijd flink hoger voor buitenlanders dan voor de Argentijnen zelf. Toegang tot de nationale parken kost dan ook zo’n 7 – 8 EUR.

Taal
Spaans is vaak het enige dat de mensen spreken, zeker in het noorden van het land. In Patagonië kun je ook wel goed met Engels terecht.

Vervoer
Ik vloog met Air France, met een overstap in Parijs. Het is 12 à 13 uur vliegen. Beide waren nachtvluchten. Air France is me goed bevallen, erg goed eten vooral. Vluchten zaten wel behoorlijk vol.
De andere maatschappij die (via Madrid) op Buenos Aires reist is Iberia. Ik kwam een aantal Nederlanders tegen die daarvoor hadden gekozen en ook dat was goed.

De meeste trajecten in Argentinië heb ik met de (nacht)bus gedaan, dat is uitstekend te doen. De bussen kunnen onvoorstelbaar luxe zijn (wifi, champagne), en zitten vaak lang niet vol. Daarnaast heb ik twee keer een binnenlandse vlucht geboekt voor de echt lange afstanden. Eén keer met LAN Argentina, en van en naar Trelew met Aerolineas Argentinas. Beide vluchten had ik een paar weken van tevoren via internet gekocht. De vertrektijden wijzigden nog wel een paar keer (licht), daarover kreeg ik steeds bericht per mail. Op de vluchten zelf was ook niets aan te merken, allemaal keurig op tijd.

Buenos Aires
Buenos Aires is een sfeervolle stad, die mij toch wat tegenviel. Het ontbreekt er aan echte bezienswaardigheden. De fietstour via Bike Tours Buenos Aires is wel erg aan te raden omdat je zo de verschillende wijken met hun eigen karakter leert kennen.

Vervoer
Vanaf het internationale vliegveld zijn er eigenlijk 2 mogelijkheden: met een taxi of met de shuttlebus. Ik nam voor 98 pesos (20 EUR) de pre-paid taxi van Taxi Ezeiza, de officiële taxistand op het vliegveld. Het is ongeveer 40 minuten rijden van het vliegveld naar het centrum van de stad.

Binnen de stad zelf is de metro het handigst. Het metrosysteem hier is al oud: het oudste van het hele continent (1913). Dat zie je er ook wel aan af. De treinen zijn vol en druk, de stations ouderwets. Hier en daar vrolijken grote mozaïeken het een beetje op. Een ritje kost 0,90 peso (circa 0,20 EUR).

Hotel
Mansilla3935 Bed & Breakfast is een statig woonhuis in de wijk Palermo Viejo. Het ligt in een rustige buurt met voldoende winkels, café’s en restaurants in de omgeving. Je woont echt bij de mensen in huis: van de buitenkant is aan niets te zien dat dit een bed & breakfast / pension is.

De kamers zijn netjes en eenvoudig. Mijn kamer heeft 2 bedden, een grote kast en een eigen badkamer met douche. Ook is er draadloos internet.

Weblink: Mansilla3935 Bed & Breakfast
Prijs: 26 EUR

Het Ribera Sur Hotel is een modieus en nieuw hotel waar ik ook een nachtje geslapen heb omdat het op de uitvalsweg naar het vliegveld ligt. Het is niet geschikt voor een langer verblijf omdat je niet makkelijk te voet naar restaurants en dergelijke kunt: het ligt in een buurt waar massa’s daklozen hun onderdak hebben gevonden.
De kamers zijn luxe en er is snel draadloos internet.

Weblink: Ribera Sur Hotel
Prijs: 79 EUR

Eten
Aan plekken om te eten is hier geen gebrek. Er zijn veel Italiaanse restaurants en pizzeria’s, en verder natuurlijk de gewone Argentijnse. Daar hebben ze vooral biefstuk en kip op het menu. Een hoofdgerecht kost 20-30 pesos (5-6 EUR). Dit hieronder is een HALVE biefstuk, van 15 pesos.

Posadas
Posadas is een gezellige provinciehoofdstad met zo’n 240.000 inwoners. Het ligt helemaal in het noordoostelijke puntje van Argentinië, vlakbij Brazilië en Paraguay. De stad heeft zelf geen echte bezienswaardigheden, maar wel een leuk centrum om wat te eten, drinken of winkelen. Vanaf hier kun je de verschillende ruïnes van Jezuïetenmissies in de omgeving bezoeken, en ook de Iguazu-watervallen.

Vervoer
Het busstation van Posadas ligt meer dan 5 kilometer (40 blokken) van het centrum. Een taxiritje er naar toe kost 15 pesos.
Vanaf datzelfde busstation reisde ik door naar Salta. O.a. Nueva Estrela en Flechabus verkopen kaartje naar Salta. Bij beide moet je wel overstappen in Resistencia. Kosten: 145 pesos (30 EUR). De busmaatschappij Oro Verde rijdt naar San Ignacio (voor de ruïnes van San Ignacio Mini), een ritje hiermee kost 6,5 pesos (1,40 EUR) en duurt ruim een uur.

Hotel
Het Julio Cesar Hotel is het beste hotel van de stad: volgens mijn reisgids én volgens de man die mij een lift naar het centrum gaf. Het is er niet helemaal aan af te zien (wel wat verouderd), maar het is zeker netjes en ligt heel centraal.

Dit keer heb ik zelfs drie bedden op de kamer. Ruimte genoeg dus. Verder is er satelliet TV, minibar, een badkamer met ligbad en draadloos internet. Het ontbijtbuffet is ook uitgebreider dan alleen de zoete Argentijnse broodjes – lekkere fruitsalade bijvoorbeeld.

Weblink: Julio Cesar Hotel
Prijs: 39 EUR

Eten
Lekker gegeten in La Querencia aan het grote plein. Het is een grote maar sfeervolle eetzaal waar voldoende ruimte is voor 140 eters. Het typisch Argentijnse menu van gegrild vlees (rundvlees of kip), met wat salades en pasta’s. Even verderop aan dezelfde weg ligt een nog chiquer restaurant (Cavas), waar ik een heerlijke salade en pasta (canneloni) heb gegeten.

Salta
Salta is weer een heel ander soort stad dan Buenos Aires of Posadas. Het heeft een klassiek Spaans-koloniaal centrum, met een groot centraal plein, kleurige kerken en imposante overheidsgebouwen. Ook zien de mensen er hier anders uit: kleiner, donkerder, minder Europees en meer inheems. Zo te zien komen er wel veel toeristen, er zijn veel souvenirwinkels, reisburootjes en hotels.

Vervoer
Het busstation van Salta is nieuw en ligt op zo’n 20 minuten lopen vanaf het centrale plein. Het is behoorlijk groot en je kunt dus ook overal naar toe. Ik reisde er met Andesmar van Salta naar La Rioja – 135 pesos (30 EUR) voor een rit van 10 uur in de klasse Cama Executivo. Dat is luxe, met beensteunen en stoelen die zo ver naar achteren kunnen dat je je helemaal kunt strekken. Wel iets minder dan de Tuto Letto die ik van Buenos Aires naar Posadas had, daar had je echt een soort bed.

Hotel
Hotel del Antiguo Convento is een ruim hotel met een tuin en een zwembad in het centrum van Salta. De openbare ruimtes en kamers zijn met zorg aangekleed. Het is net allemaal iets chiquer dan in mijn vorige hotels van deze reis.

Mijn kamer hier heeft een dubbel bed, een grote kast met een kluisje voor de laptop en een eigen badkamer met douche. Ook draadloos internet, TV en ontbijt zijn aanwezig.

Weblink: Hotel del Antiguo Convento
Prijs: 41 EUR

Eten
Op internet had ik een adresje gevonden waar je hier lekker en veel kunt eten (dat kun je overal in Argentinië, geloof ik, maar goed). Parillia la Monumental is een groot buurtrestaurant waar voor de lunch toch al zeker 60 man aanwezig zijn. Oudjes, kinderen, zakenmensen, allerlei soorten mensen door elkaar. Er zit zelfs een echte Argentijnse cowboy bij! Die hebben hier geen hoed op maar een soort baret, en verder een zakdoek om de nek en laarzen aan. Gisteren vanuit de bus zag ik er ook een paar.

Dit is een echt grillrestaurant. Een oud mannetje staat in de hoek van de eetzaal hele koeien te grillen. Bergen met vlees worden rondgebracht. Je krijgt als voorafje ook al lekker vers stokbrood met 6 (!) bijgerechten. Ik houd het verder bij een Matambre a la Napolitano. Een matambre is heel dun gesneden rundvlees, een soort schnitzel. Daarbovenop gaat dan nog een laag kaas en een laag ham. Een berg calorieën weer. De ober wijst aan dat de gewone matambre wel een meter lang is, dus doe dan maar een halve. En zelfs die halve krijg ik niet op. Het is wel heerlijk zacht vlees.

Purmamarca
Purmamarca is een klein plaatsje (339 inwoners), precies aan de voet van de ‘Zevenkleurige heuvel’ en midden tussen allerlei andere pieken. Het heeft maar een paar honderd inwoners. De straten zijn onverhard, de huizen van adobe. Het toerisme heeft er echter wel goed toegeslagen, want er zijn toch wel een stuk of 10 hotels en restaurants. En er wordt nog volop gebouwd. Het dorpje zelf is wel ongeveer vol, maar wat verderop langs de grote weg worden de mooiste (kleinschalige) hotels en appartementen gebouwd.

Vervoer
In deze regio (provincie Jujuy) is het handig om een eigen auto te hebben. Ik heb daarom in Salta een auto gehuurd voor 4 dagen bij Hertz, voor de vrij Europese prijs van 40 EUR per dag. Maar de benzine is goedkoop en de afstanden zijn niet te lang. Het is erg rustig op de weg, en de kwaliteit van de hoofdwegen is goed (allemaal geasfalteerde tweebaanswegen).

Hotel
Posta de Purmamarca is zo’n nieuw hotel in adobe-stijl. Het bestaat uit een aantal huisjes en een centraal gebouw met receptie en ontbijtruimte. Het ligt aan de rand van het dorpje, met restaurants en winkels binnen een paar minuten lopen. Het hele complex ziet er heel mooi uit, ik mis alleen wat lekkere zitjes buiten. Er is wel een grote parkeerplaats en een cactustuin – die ruimte hadden ze van mij wel mogen gebruiken voor een tuin waarin je echt lekker kunt zitten.

Ik heb kamer 1 in het eerste huis. Het heeft een dubbel bed en een enkel bed, en een grote badkamer met douche. Er is draadloos internet (wel een beetje instabiel), en ook ontbijt is inbegrepen.

Weblink: Posta de Purmamarca
Prijs: 41 EUR

Eten
Geen gebrek aan restaurants in Purmamarca, ondanks dat het maar een klein dorpje is. Twee keer heb ik ’s avonds gegeten bij La Sombra del Sauce. Het ligt een paar huizen verderop van het pension waar ik verbleef, en dat is in de avond wel handig in een plaatsje zonder straatverlichting. De kaart is niet groot, maar je zit er heel gezellig en de vrouw die bedient is supervriendelijk. Beide avonden heb ik de lama biefstuk gegeten, lekker gekruid en met een salade erbij helemaal prima.

Op de terugweg naar Salta heb ik geluncht bij Los Morteros. Dat is het restaurant in Purmamarca met de meeste pretentie. Maar het eten is daar ook niet echt duur. Ze hebben er (varianten van) inheemse gerechten uit de Andes-regio. Ik had er kip in een soort kerriesaus (in ieder geval geel en scherp gekruid), met zoute aardappeltjes, rode uitjes en rijst.

Tilcara
Tilcara is een plaatsje met 3000 inwoners. Het ligt op 2900 meter hoogte, aan het begin van de Humahuaca-vallei.

Hotel
Posada de Luz is een nieuw hotel aan de rand van Tilcara. Het complex bestaat uit een zestal huisjes, een grote tuin en er is een zwembad en speeltuintje.

Dit keer heb ik een echt luxe kamer (de goedkopere waren vol): een suite met een slaapkamer met groot bed en breedbeeld TV, een luxe badkamer inclusief ligbad, een gezellige woonkamer en zelfs een tuintje met twee ligstoelen! Internet en ontbijt zit er uiteraard ook bij inbegrepen.

Weblink: Posada de Luz
Prijs: 58 EUR

Eten
Hier in het centrum gegeten bij La Chacana. Na eerst anderhalf rondje door de stad te hebben gelopen op zoek naar een restaurant dat én open én een beetje gezellig is, liep ik hier tegenaan. Het is geweldig. Wel iets duurder dan gemiddeld (11 EUR totaal), maar weer eens wat anders en heel creatief. Ik at er gegrilde geit in rode bessensaus, met gebakken aardappeltjes en inheemse groene bonen. Twee bolletjes ijs (soort stracciatella) met verse aardbeien en aardbeiensaus na.

La Rioja
La Rioja is de hoofdstad van de gelijknamige provincie. De stad heeft zo’n 140.000 inwoners. Er is niet veel te zien. Voor mij is het echter de uitvalsbasis naar de nationale parken van Talampaya en Ischigualasto.

Vervoer
Het grote busstation ligt hier zoals wel vaker een eind buiten de stad. Het is wel gloednieuw, en heel netjes. Een taxi naar het centrum kost 10 pesos (2,20 EUR).
De nodige busmaatschappijen bieden zich aan op het station. Ik ging van hier naar Cordoba: met de gewone bus (semi-cama) kost dat 66 pesos (14 EUR).

Hotel
Het Plaza Hotel is een wat standaard hotel pal aan het centrale plein van La Rioja.

De kamer heeft een dubbel bed en een luxe badkamer. Ook is er een balkonnetje met uitzicht op het plein. Wel TV en ontbijt inbegrepen, maar geen internet.

Weblink: Plaza Hotel
Prijs: 64 EUR

Eten
Zoals overal in Argentinië zijn hier ook veel cafés die vooral tijdens het ontbijt druk bezet zijn. Je kunt er voor 7 pesos (1,50 EUR) een standaardontbijt krijgen met café con leche (koffie met veel melk, neigt naar cappuccino), sinaasappelsap (meestal vers), water en twee medialunas (‘halve maantjes’, zoete croissants).

Cordoba
Cordoba is na Buenos Aires de grootste stad van Argentinië, met 1,4 miljoen inwoners. Ik vond het helemaal geen prettige stad, het is erg vervallen hoewel ze van het centrum nog wel iets proberen te maken door het aanleggen van een voetgangerszone. Het heeft ook nog wat koloniale kerken en universiteitsgebouwen.

Vervoer
Het busstation hier is vrij modern en ligt op loopafstand van het centrum.

Hotel
Gran Hotel Victoria is wat minder Grand dan zijn naam doet vermoeden. Het is een oud hotel met houten vloeren en hoge plafonds. Het ligt pal in het centrum van de stad, in een winkel/voetgangersgebied.

Hier ongetwijfeld de minste kamer van mijn reis. Een eenvoudige eenpersoonskamer, die wel wat weg heeft van een gevangenis. Er is wel een (nette) badkamer en een TV met ongelooflijk veel kanalen.

Weblink: Gran Hotel Victoria
Prijs: 26 EUR

Puerto Madryn
Puerto Madryn is een badplaats met ruim 100.000 inwoners. Ook is het de uitvalsbasis voor het populaire schiereiland Peninsula Valdes. Er zijn veel hotels en restaurants.

Vervoer
Ik heb hier rondgereden met een auto, die ik op het vliegveld van Trelew had gehuurd. De kosten van de auto en de benzine zijn hier lager dan in het noorden van Argentinië. Het rijden is hier ook behoorlijk rustig, maar de bewegwijzering was vaak erg slecht.

Hotel
El Gualicho Hostel is een populair hostel / jeugdherberg. Het ligt in het centrum van Puerto Madryn, op loopafstand van banken, supermarkt en restaurants. Ze organiseren ook goede tours.

Het is een echt hostel, dus de meeste kamers zijn gedeeld. Ik had een redelijk luxe eigen kamer. De Wifi-verbinding haalde soms net wel, soms net niet de kamer zodat de internetverbinding instabiel was. Ontbijt is inbegrepen maar niet de moeite.

Weblink: El Gualicho
Prijs: 44 EUR

Gaiman
Gaiman is een plaatsje dat helemaal teert op zijn Welshe erfgoed. Er is een museum over de kolonisten uit Wales (pas eind 19e eeuw werd deze regio ‘ontgonnen’), en er zijn diverse theehuizen waar je je vol kunt eten aan een echte Engelse high tea.

Vervoer
Ik was hier met de huurauto. Parkeren is makkelijk, en het plaatsje ligt maar zo’n 20 minuten rijden vanaf het vliegveld van Trelew.

Hotel
Hosteria Dyffryn Gwyrdd is een vriendelijk familiehotelletje aan het eind van de hoofdweg van Gaiman.

Op de laatste dag van de reis nog een record: de goedkoopste kamer. En zeker niet de slechtste. Met badkamer, eenvoudig maar netjes. Zonder ontbijt, TV of andere luxe voorzieningen. Wel een kamer met uitzicht.

Prijs: 19 EUR

Eten
Echt veel aantrekkelijke plekken om te eten zijn er hier niet. Ik at mijn laatste biefstuk bij Cornel Wini.

Leave a comment