World Heritage Traveller

China 2007

Written by:

  1. Sanxingdui – Eerste oriëntatie op het Chinese busverkeer
  2. Dujiangyan
  3. Emei Shan – De heilige berg
  4. Dazu – Chinees boeddhisme, tussen fotostop en devotie
  5. Lhasa – Iemand nog zuurstof?
  6. Sera – Het debatteren van de monniken
  7. Namtso – De hoogste en de goedkoopste
  8. De weg van Lhasa naar Kathmandu
  9. Kathmandu – Einde van de regentijd
  10. Guangzhou – Qingping-markt
  11. Jiuzhaigou
  12. Huanglong
  13. Xi’an – Na zonsondergang
  14. Terracottaleger
  15. Longmen Grotten
  16. #215: Kaiping Diaolou
  17. #221: Yin Xu
  18. Jinan – Tien traditionele Chinese dingen
  19. Yungang Grotten
  20. #223: Ping Yao
  21. Taishan
  22. De trein naar Suzhou
  23. Tuinen van Suzhou
  24. Hangzhou – West Meer
  25. #227: Xidi en Hongcun
  26. Hoeveel Chinezen passen er op één berg?
  27. Lushan
  28. Yangshuo – De Li-rivier vanaf Xingping
  29. Ping’an – Over de rug van de draak
  30. Dunhuang – Een glimp van de Zijderoute
  31. #230: Mogao grotten
  32. Chengdu – Het luizenleventje van een reuzenpanda
  33. Mount Qingcheng
  34. Praktische info

Sanxingdui – Eerste oriëntatie op het Chinese busverkeer

Gisteravond had ik het allemaal zo goed uitgezocht: welk busstation, waar overstappen, tot hoe laat gaan er bussen terug. Maar het heeft de hele nacht flink geregend, en als ik ’s ochtends naar buiten kijk ziet het er niet bemoedigend uit. Het lijkt me beter daarom het programma voor vandaag om te gooien: ik ga niet naar het werelderfgoed Dujiangyan waar je veel buiten moet lopen, maar naar het archeologisch museum in Sanxingdui. Dat betekent wel even opnieuw oriënteren, want: hoe kom je daar? Ik check mijn aantekeningen, de Lonely Planet en een Chinese reisgids op internet. Op de laatste lees ik dat er iedere dag om half negen een rechtstreekse bus van het zuidelijke busstation naar Sanxingdui gaat. Snel pak ik mijn spullen om deze buitenkans te grijpen en houd buiten de poort van het hotel de eerste de beste taxi aan. We hebben nog 20 minuten, maar het is niet ver.

De drukke ochtendspits van Chengdu werkt helaas niet mee. Het is hier eigenlijk altijd druk, met veel auto’s, bussen en fietsers. Om vijf over half negen sta ik voor het loket. De vriendelijke dame stuurt nog iemand naar buiten om te kijken of de bus er misschien nog staat. Maar helaas.
“Morgen om half negen vertrekt er weer een bus”, zegt de loketdame bemoedigend. Zo snel laat ik me echter niet uit het veld slaan. Plan B treedt in werking: op naar het noordoostelijke busstation, vanwaar iedere paar minuten bussen zouden vertrekken naar het stadje Guanghan. Daarvandaan moet je dan nog een paar kilometer met een lokale bus verder naar Sanxingdui. Iets ingewikkelder, maar ook best. Een taxi is weer snel gevonden, en we doorkruizen voor de tweede maal het hart van Chengdu./

Ook het noordoostelijke busstation ziet er georganiseerd uit. Een heel grote wandschildering laat de bestemmingen, vertrektijden en prijzen zien. Om het gedrang bij het kaartjesloket tegen te gaan zijn er hekken. Een kaartje kopen naar Guanghan is dan ook een fluitje van een cent. Even verderop staat een juffrouw die alle kaartjes bekijkt en de mensen naar de juiste bussen wijst. Er staat al een bus naar Guanghan, maar die is vol. Als deze wegrijdt komt er al weer een nieuwe aan, waar ik ook bij kan instappen.

Het wordt een eenvoudig ritje van ongeveer drie kwartier. Voor de ritprijs van 13 Yuan (1,3 EUR) krijg je zelfs nog een flesje water van de charmante ‘stewardess’, wiens andere taak is het tolgeld te betalen. Onderweg is niet veel te zien, het is nog steeds erg heiig. De video in de bus staat aan met romantische muziekvideoclips. De andere passagiers bellen en kletsen luidkeels. Bij het busstation van Guanghan wil ik uitstappen, maar als ik zie dat er andere mensen blijven zitten vraag ik toch maar even of hij misschien doorrijdt naar Sanxingdui. En inderdaad, dat doet-ie. Per ongeluk toch een rechtstreekse bus getroffen.

Sanxingdui blijkt een enorm complex te zijn, groot genoeg om duizenden Chinese bezoekers tegelijk aan te kunnen. Het bestaat uit twee tentoonstellingshallen, en een soort park daaromheen. Veel publiek is er gelukkig niet, een paar ouders met kinderen en een enkele Chinese groep. De opgravingen in Sanxingdui haalden in 1996 de wereldpers toen in de velden honderden bronzen, gouden en aardewerken voorwerpen werden gevonden. Het gaat om ceremoniële graven van de Shu, een rijk dat van 3000 tot 800 voor onze jaartelling in deze regio heerste. Sanxingdui was het centrum van deze Shu staat. Het was een ommuurde stad van 12 vierkante kilometer.

Sanxingdui 005

De route door de tentoonstellingshallen is slim opgebouwd. Het begint met het historische verhaal en met de wat minder spectaculaire aardewerken vazen, potten en poppetjes. Fascinerend is de laatste ruimte van de eerste hal, die gewijd is aan ‘heilige bomen’. Bronzen bomen met veel vertakkingen en bladeren die mee werden begraven met de doden. Op de takken zitten vogeltjes voor de betere communicatie met de goden.

De tweede hal is een minuut of tien verderop, en bevat de prijsstukken van de collectie. Een graf lag bijvoorbeeld vol met olifantenslagtanden. Er is ook een 40 centimeter hoge vogelkop, een symbool dat steeds weer terugkeert in het rituele leven van de Shu. Verder zijn er tientallen bronzen hoofden gevonden, enkele daarvan met gouden maskers. De hoofden zien er niet echt menselijk uit. Het lijken wel buitenaardse wezens. Ze hebben in de hal zelfs de achtergrondmuziek daarop aangepast – mystieke bliep-bliep-bliep-geluiden.

Sanxingdui 017

Na een uur of twee genoten te hebben pak ik de bus terug. Ervaren als ik inmiddels ben, stap ik in de stadsbus van Guanghan om me naar het busstation te brengen voor de bus naar Chengdu. En zelfs op dit stationnetje is de organisatie prima in orde: een kaartje kopen, een meisje dat het kaartje bekijkt en de juiste bus wijst, en de bus zelf die alweer voorrijdt. Dat gaat wel lukken de komende maanden met het openbaar vervoer in China.

Dujiangyan

De avond voordat ik Dujiangyan bezocht, dineerde ik met een Australisch meisje dat ik eerder die dag had ontmoet. Ze was van plan om te gaan paardrijden in Songpan, een vierdaagse trektocht. “Morgen ga ik een irrigatiesysteem bezoeken”, vertelde ik haar. “Het is een oud systeem”, voegde ik toe. Maar ik had haar interesse al verloren. Soms is het moeilijk uit te leggen waarom je een werelderfgoedreiziger bent. Maar ik keek er echt naar uit om deze plek te bezoeken, en vroeg me af wat er te zien zou zijn. En ik hou sowieso niet van paarden.

De volgende dag nam ik de bus naar Dujiangyan, een stad ongeveer 60 km ten noordwesten van Chengdu. Bij de ingang van de stad is er een zeer verbazingwekkende bezienswaardigheid: een enorme rots (van minstens 150 x 30 meter) met een gouden paardenbeeld erop en een bord “Top Tourist City of China”. Nou, ik zou hier zeker geen vreemde bezoeker zijn. Er zijn directe toeristenbussen naar Mount Qincheng vanaf het moderne hoofdbusstation van de stad, maar ik koos voor stadsbus #4 naar het irrigatiesysteem.

Vooruitkijkend naar dit bezoek had ik visioenen van modderige velden, waar ik de enige bezoeker was die probeerde mijn weg te vinden om ten minste een deel van het verhaal op te pikken. De ingang van het Dujiangyan-irrigatiesysteem zag er echter uit als een attractiepark.

Een goed bewegwijzerde wandelroute leidt je door het park en de belangrijkste bezienswaardigheden. Het is een behoorlijke wandeling, maar je kunt ook op een van de golfkarretjes springen die passagiers vervoeren. De site heeft zelfs borden in het Duits! Hoewel ik moet zeggen dat de uitleg veel aan diepgang verloor in de meervoudige vertalingen, resulteerden 10 zinnen in het Engels meestal in 3 Duitse zinnen.

Dujiangyan 051


Het is nogal moeilijk om een ​​waterbeheersite aantrekkelijk te maken voor een niet-gespecialiseerde bezoeker. De Chinezen hebben er optimaal gebruik van gemaakt door een park met een waterthema op te nemen, grote uitlegborden bij de bezienswaardigheden en enkele heiligdommen te onderhouden. Die zijn gewijd aan de slachtoffers van de overstromingen en aan Erlang Shen, een Chinese god met een derde waarachtig ziende oog in het midden van zijn voorhoofd die Li Bing hielp met zijn werk. Hoogtepunten voor mij waren de Erwang-tempel en de Anlan-hangbrug.

Dujiangyan 072

Emei Shan – De heilige berg

Op de heilige berg Emei maken ze het smokkelen wel heel erg makkelijk: er zijn maar liefst twee kabelbanen. Eén naar de top, en één naar het Wannian klooster ongeveer halverwege. Deze laatste neem ik. Als de Chinezen in mijn gondeltje drie seconden hun mond hadden kunnen houden hadden we de vogeltjes boven in de bomen kunnen horen fluiten.

Kloosters kijken is meer mijn ding dan wandelen. Dus ik geniet eerst een uurtje van de levendigheid bij het Wannian klooster, een heilige plaats sinds in de 6e eeuw de Indiër Puxian hier op zijn olifant met zes slagtanden het boeddhisme kwam brengen.

Emei Shan

Alles in China gaat gepaard met eten. Gisteren zat ik in de bus naast een Chinees stel dat in 2,5 uur een half brood, een tros druiven, verschillende pakjes zeewierkoekjes, een lolly (zij), iets zoetigs verpakt in bladeren (hij) en een rol snoepjes naar binnen werkte. Ook op de paden tussen de verschillende heiligdommen op deze berg hoef je maar een paar honderd meter te lopen voor de volgende snack.

Emei Shan is een grote toeristische attractie. Dat zorgt natuurlijk voor veel werk voor de lokale bevolking. Baantjes die ik heb genoteerd: pasfoto-fotograaf bij de ingang om op ieder toegangskaartje een digitale foto in te scannen, reisleider met vlaggetje en microfoon of luidspreker, kaarsvetverwijderaar bij een klooster, paddenstoelenverkoper en gebedsvlaggetjesbedrukker (alleen voor monniken). En mensen dragen doen ze inderdaad ook: één drager voor en één achter, en daartussen een toerist in een hangmat.

Emei Shan

Het echte lopen kan nu niet langer worden uitgesteld. Ik had het vooraf wel zo bekeken dat ik van 1000 meter naar 700 meter loop. Naar beneden dus, dacht ik. Maar ik blijk nog twee heuvelruggetjes over te moeten en klim dus bijna evenveel als ik daal. Weg van de tempels is het rustig op de paden, alleen nog een enkele monnik en wat aanwonenden kom ik tegen. Na vijf uur bereik ik de eindstreep. Weer een vinkje gezet.

Dazu – Chinees boeddhisme, tussen fotostop en devotie

Sun Shuyun’s Ten thousand miles without a cloud doet me nadenken over het Chinees boeddhisme zoals ik dat tijdens mijn reis ervaar. Het boek gaat over de monnik Xuanzang die in de 7e eeuw via de Zijderoute naar India trok om diepere kennis over het boeddhisme te vergaren. Het is een reisgids langs de grote plaatsen uit China’s verleden en een lofzang op de openstelling voor het vreemde.

Dazu

Het boeddhisme kwam vanuit India naar China in de eerste eeuw van onze jaartelling. Het bleek te passen bij de Chinezen. Voorafgaand aan de Chinese revolutie van 1949 waren er maar liefst 200.000 boeddhistische kloosters verspreid over heel China. Negen jaar later had 90% van de Chinese nonnen en monniken hun klooster verlaten of was gestorven van de honger. Religie, bijgeloof, was niet te vereenbaren met communisme.

Sinds het begin van de jaren tachtig is het boeddhisme met goedkeuring van de communistische overheid bezig aan een come-back. Veel van wat tijdens de Culturele Revolutie was vernietigd wordt gerestaureerd of herbouwd. De boeddhistische kloosters en heiligdommen die ik bezocht in Chengdu, Emei Shan, Leshan en Dazu trekken veel Chinees publiek. Voor het merendeel van hen is het slechts fotostop nummer zoveel op hun volgeplande groepsreis, Chinezen die na 1949 zijn geboren zijn grootgebracht als atheïst. Enkelen branden wierook en doen een stil gebed. Anderen beroeren geluksbrengers: een heilige ram, het achterste van een witte olifant. Het lijkt een baat-het-niet-schaadt-het-niet opstelling.

Dazu 077

Alleen de oude omaatjes gaan er echt voor. Doelgericht lopen ze naar de offerplaatsen, zonder tijd te verdoen aan het bekijken van de schilderingen of het houtsnijwerk van de tempels. Uit hun zelf meegebrachte plastic zakken halen ze bundels kaarsen en wierook. Het aansteken en op de juiste plek neerzetten is geen mystieke actie, maar gebeurt vakkundig alsof er rijstplantjes worden gepoot. Dan is het tijd om stil te staan. Net als de grootmoeder uit Sun Shuyun’s boek hebben deze oma’s hun religie lang achter gesloten deuren moeten beleven, verborgen voor partijleden maar ook niet serieus genomen door hun echtgenoten. Nu is hun moment, en ze zijn er.

Lhasa – Iemand nog zuurstof?

Lhasa, de hoofdstad van Tibet, ligt op 3650 meter hoogte. Als je zoals ik aan komt vliegen vanaf Chengdu is dat een stijging van ruim 2600 meter in 1 uur en 50 minuten. Je merkt het als je uit het vliegtuig stapt meteen: ademen kost veel meer moeite dan normaal, je moet het echt bewust doen.

Het eerste uur op Tibetaanse bodem breng ik door in een bus vol Chinezen, die deze hoogte niets lijkt te doen. Men belt en kletst wat, en eentje steekt er zelfs een sigaret op. Boven de 3000 meter schijnt de kritische grens te liggen waarop acclimatiseren aan de hoogte nodig is. Iedereen krijgt er wel een beetje last van, sommige mensen zo erg dat ze geëvacueerd moeten worden.

Lhasa 055

Na een dagje Lhasa constateer ik bij mezelf de volgende symptomen:
Zeebenen: ik loop van de bushalte naar mijn hotel, en merk dat ik niet bepaald in een rechte lijn over het trottoir loop.
Droge ogen en mond: het is hier hoog maar ook heel erg droog.
Kortstondige misselijkheid: twee of drie keer op de eerste dag word ik plotseling misselijk, zwetend en duizelig. Is binnen een minuut weer over. Veters strikken is in dat kader een roekeloze actie.
Geen zin in eten: ik ga ’s avonds nog naar een restaurantje in de buurt, en hoewel het eten best goed is heb ik snel genoeg.

De remedies:
Weinig tot niets doen: de eerste middag breng ik grotendeels door op mijn kamer. Gelukkig heb je vanaf daar ook een mooi uitzicht op de Potala (als je tenminste een beetje buiten het raam gaat hangen). Ook mensen kijken op de grote straat waaraan het hotel ligt is een leuk tijdverdrijf. Met name Tibetaanse vrouwen kleden zich in dikke, kleurrijke rokken en zijn een lust voor het oog.
Heel veel water drinken: in mijn reisgids staat dat je hier wel vier liter water per dag moet drinken. Vier liter! Dat is wel heel erg veel en red ik echt niet. Na ieder flesje water moet ik bovendien rechtstreeks naar de WC.

Na een redelijk goede nacht (keer of 2 wakker geworden), waren de bovenbeschreven symptomen verdwenen, heb ik normaal kunnen eten en heel wat door de stad gesjouwd. De komende weken ben ik van plan ook de 4000 en 5000 meter grenzen te slechten, dus wellicht later weer een medische update.

Op mijn eerste ochtend in Lhasa sloot ik me aan bij de vroege Jokhang kora, de met de klok mee lopende ronde van de tempel. De pelgrims lopen stevig door, maar nemen wel de tijd om een ​​mooi stuk stof te bekijken dat te koop is. Binnen in de Jokhang worden de pelgrims en de toeristen gescheiden – de pelgrims moeten in de rij staan, maar kunnen de wandeling maken die het dichtst bij de beelden en schilderijen ligt. Het interieur is geen ervaring voor mensen met claustrofobie, het is er druk, stinkend en donker. Vanaf het dak heb je een goed uitzicht op de Potala en de omliggende Tibetaanse wijken.

Lhasa 015

De Potala zelf is het herkenningspunt van Lhasa en trekt elke keer je aandacht – en je kunt hem overal in de stad zien. Ik ben er niet ingekomen, omdat kaartjes tegenwoordig moeilijk te krijgen zijn. Ik heb hier ook een kora gelopen.

Het terrein van Norbulingka, ongeveer 2 km ten westen van de Potala, is een genot om te bewandelen. Ik voelde me de enige bezoeker en schrok een paar keer van de felle honden die patrouilleerden in gebieden waar bezoekers niet mogen komen. De woningen en andere gebouwen hier zien er comfortabel uit.

Lhasa 040 (2)

Hoe indrukwekkend deze site ook is, na een bezoek voelde ik dat het aangewezen gebied voornamelijk een dode cultuur vertegenwoordigt. Dit werelderfgoed zou verbeteren als ook de pelgrimsroutes werden opgenomen, zoals de Barkor kora of zelfs de Lingkor kora.

Sera – Het debatteren van de monniken

Sera is een klooster zo’n vier kilometer ten noorden van Lhasa, aan de voet van een berg. Het is een van de grote drie kloosters in deze regio, samen met Drepung en Ganden. Voor de Chinese machtsovername leefden hier duizenden monniken. Nu zijn het er nog meer dan honderd. Het is vooral een opleidingsinstituut voor jonge monniken.

Sera 081

De taxi vanuit het centrum van Lhasa zet me netjes voor de ingang af. Het klooster is een groot complex, meer een dorp. De sfeer is leeg en stil: de gebouwen lijken verlaten. Ik weet niet goed welke kant ik op moet lopen. Gelukkig zie ik een Japanse groep aankomen. De reisleidster-met-vlaggetje weet vast wel waar we moeten zijn en dus volg ik ze maar. We komen eerst bij Sera Je, één van de hallen waar de monniken les krijgen. Binnen probeert een enkeling de Japanners te zegenen én te bewegen wat geld te doneren.

We gaan verder naar waarvoor we eigenlijk gekomen zijn: het debatteren van de monniken. Dagelijks van drie tot vijf ’s middags debatteren de monniken van Sera over theologische onderwerpen op een binnenplaats. Dit is onderdeel van hun opleiding. De toeristen stromen het eerst binnen. Ik tel in totaal zo’n 150 toeschouwers die zich aan de rand van het terrein hebben opgesteld. Vanaf een uur of drie komen ook de monniken binnen. Ieder kiest een plekje.

Er zijn koppeltjes. De een zit en moet zich blijkbaar laten overtuigen. De ander staat, klapt in zijn handen en stampt met zijn voeten om zijn woorden kracht bij te zetten. Er zijn hele jonge monniken bij, voor hen lijkt het een spel. Er wordt ook veel gelachen. De oudere monniken kijken vanaf een afstandje toe. Het publiek ook, en dat fotografeert bovendien onophoudelijk. De jonge monniken laten zich er niet door van de wijs brengen.

Sera 050

Namtso – De hoogste en de goedkoopste

Ik heb zojuist de hoogste en de goedkoopste overnachting van mijn reis achter de rug. Er zijn weliswaar nog 10 weken te gaan, maar de 4700 meter en 2,5 EUR van Namtso zijn moeilijk te overtreffen.

Namtso 015

Het Namtso-meer is met zijn 4700 meter het hoogstgelegen zoutwatermeer ter wereld. Of dit echt klopt weet ik niet, maar de Chinezen hebben in ieder geval grote borden geplaatst om dit feit te onderstrepen. Aan de oevers van het meer ligt op een schiereiland een tijdelijke nederzetting. Tashi Dor ofwel Zha Xi eiland ontvangt gedurende de zomermaanden de vele toeristen die op het meer afkomen. De nederzetting bestaat uit een zestal tentenkampen en wat andere gebouwtjes. Er is zelfs een politiebureau.

Namtso 044

De bustour van 120 Yuan (12 EUR) vanuit Lhasa dropt mij en de 40 andere passagiers op de binnenplaats van één van de kampementen. De busmaatschappij en de “hotel”-eigenaar hebben samen een mooie handel opgezet: dagelijks rijdt er een bus van Lhasa naar Namtso. Deze vertrekt om 8 uur uit Lhasa, arriveert om 1 uur ’s middags in Namtso en rijdt twee uur later weer terug. Je kunt kiezen of je dezelfde dag teruggaat of een nacht blijft. Ongeveer de helft van de buspassagiers besluit te blijven, en zie daar, het tentenkamp heeft een goede dagelijkse bezetting. Je bent weliswaar vrij om naar een van de andere hotels te gaan, maar als je een net bed wordt aangeboden voor 25 Yuan (2,5 EUR) dan doe je dat niet zo snel meer.

De bedden staan in ruime tenten. Het roept bij mij warme herinneringen op aan de gers in Mongolië, alleen ontbreekt hier helaas de houtkachel. Ik deel een vierpersoonstent met een Thais stel. “Noem ons maar Tom en Anna”. Tom is een enthousiast fotograaf die met zijn telelens vele portretten van Tibetanen heeft gemaakt. Zij reizen een week lang door Tibet, ook op eigen gelegenheid.

De kampen gebruiken de zon om water te koken. Gedurende een aantal uur van de dag is er elektriciteit via een generator, zodat er ’s avonds zelfs licht brandt in de tent. Er zijn een stuk of acht restauranttenten op het terrein, wat souvenirwinkels en een toiletgebouw. Het is duidelijk minder afzien dan ik vooraf had gedacht. Dagelijks komen hier wel 40 bussen en ontelbare jeeps langs, dat vraagt natuurlijk wel wat.

Namtso 025

Overdag mag het dan goed toeven zijn aan het Namtso-meer, de nachtrust hier is niet zo goed: het kletteren van regen op het dak van de tent, de ijle en droge lucht, maar vooral het geblaf van de honden houdt me wakker. De hele dag liggen ze maar wat en trekken zich niets aan van de tientallen bezoekers die om hen heen lopen. Maar als het donker is geworden worden ze hyperactief. Het lijkt wel of ze hele conferenties met elkaar houden. Kunnen honden niet schor worden van al dat geblaf?

De volgende ochtend stapt mijn Thaise tentgenoot Tom enthousiast de tent uit. “Het heeft gesneeuwd!” roept hij. Ik geloof het eerst niet zo. Maar nadat ik zelf ook uit mijn slaapzak gekropen ben zie ik inderdaad dat aan de overkant van het meer alles wit is geworden. Wel heel apart dat de sneeuw alleen aan die kant van het meer is gevallen.

Namtso 056

Het is koud buiten, maar toch is er ook weer die felle Tibetaanse zon. Ik wandel in een slakkengangetje naar de oever van het meer (het blijft natuurlijk wel 4700 meter hoogte). Het helderblauwe meer en haar ruige omgeving is nu echt een plaatje geworden. Een paar eenden drijven voorbij. Verder is het rustig op het meer, je mag er niet zwemmen en er wordt niet gevist omdat de Tibetanen het als een heilig meer beschouwen

De weg van Lhasa naar Kathmandu

De weg van Lhasa naar Kathmandu heet de Friendship Highway. De Chinezen hebben hem aangelegd als teken van vriendschap met Nepal zo heet het, maar ze hebben vast ook militaire bijbedoelingen gehad.
De weg is 865 kilometer lang, voert over een aantal 5000 meter hoge bergpassen en heeft bij goed weer uitzicht over de 8000-toppers van de Himalaya.


Met een speciaal permit en een jeep met chauffeur mogen toeristen deze weg ook gebruiken om van Tibet naar Nepal te reizen. Bij een van de weinige officiële en betrouwbare reisbureautjes in Lhasa boek ik een vierdaagse tocht die me tot aan de grens met Nepal brengt. Ik krijg alleen een chauffeur mee, de gidsen die van de Chinese overheid eigenlijk ook mee moeten zijn schaars. Misschien dat er in Shigatse nog eentje instapt, misschien ook niet.

19 september: Lhasa – Shigatse

Aantal kilometers: 263
Reistijd: 5,5 uur

De eerste dag word ik om 8 uur bij mijn hotel in Lhasa door de chauffeur opgehaald. Hij is aan mij voorgesteld als ‘Mister Moon’, zijn naam betekent Maan in het Tibetaans. Het is een man van een jaar of veertig met de voor Tibetanen typische door de felle zon gebruinde, donkere wangen. Hij spreekt Tibetaans, een beetje Chinees en een paar woorden Engels.

We gaan eerst de weg richting het vliegveld op, een mooie route door het vele groen. Er is veel verkeer op deze weg: bussen, vrachtwagens en andere jeeps met toeristen. Toch kunnen we flink doorrijden, hoewel ik niet kan zien hoe hard we gaan omdat de kilometerteller stuk is.
Ook voorbij het vliegveld blijft het landschap hetzelfde. We rijden hier parallel aan een rivier door een hele brede kloof. Het doet een beetje aan de Verenigde Staten denken.

Shigatse 007


Op verschillende plekken moet de chauffeur stoppen om zijn papieren te laten zien. Bovendien is er een bijzondere vorm van snelheidscontrole. Bij iedere post krijgt de chauffeur een tijd mee waarbinnen hij niet bij de volgende post mag aankomen. Dat valt niet mee: de gemiddelde snelheid die je mag rijden is niet hoger dan 50 of 60 kilometer per uur. Wat de chauffeurs dan doen is vervolgens gewoon doorrijden met een gangetje van 80 tot 100, en dan zo af en toe stil gaan staan. Dat stilstaan doet iedereen op dezelfde plek lijkt het wel. Bij een grote boom ontstaat ook wat spontane handel als een man met een zak vol walnoten voorbij komt lopen net als er een bus en een aantal jeeps gestopt zijn.

Om half 2 arriveren we op de eindbestemming van vandaag. Shigatse is met 60.000 inwoners de tweede stad van Tibet. Het heeft twee grote bezienswaardigheden: Shigatse dzong, het oude fort, en het Tashilunpo klooster. Als verblijfplaats kies ik voor het Tenzin Hotel, een Tibetaans 2-sterren hotel.

Shigatse 037

’s Middags loop ik eerst wat door de stad. Het ziet er heel anders uit dan Lhasa, minder Chinees, een beetje rommelig. Ze hebben er wel een heel toeristische straat waaraan restaurants en souvenirwinkels liggen. Deze straat eindigt voor het Tashilunpo-klooster. Dit is een van de belangrijkste kloosters in Tibet en het thuis van de Panchen Lama. Het bestaat uit een vijftal grote gebouwen en vele kleinere woon- en leefeenheden zodat het op een dorp lijkt. Helemaal aan de oostkant is een heel grote stenen wand, waar tijdens feestdagen een tientallen meters lange en brede thangka (religieus schilderij) wordt uitgerold.

Shigatse 033

Er zijn meer toeristen dan pelgrims of monniken in het klooster, het maakt een beetje een dode indruk. De wel aanwezige monniken zitten allemaal op strategische posities zodat het publiek niet de verkeerde kant oploopt of foto’s maakt terwijl daar niet voor betaald is. Tegen een fors bedrag (7,5 tot 15 EUR per gebouw) mag je hier namelijk binnen fotograferen. Ook verkopen ze allerlei amuletjes.

Shigatse 076

’s Avonds eet ik in het Songtsen restaurant in het centrum van Shigatse. Tegen zevenen wordt het daar voller en voller met Fransen, Engelsen en Duitsers. Het restaurant met Nepalese eigenaren en een Tibetaans/Nepalees/Indiaas/Westerse menukaart is duidelijk het meest populaire van de stad.

Terug in het hotel lees ik nog wat en kijk ik TV. Om half 10 doe ik het licht uit, het hele hotel is inmiddels ook al in stilte verzonken.

20 september: Shigatse – Lahtse

Aantal kilometers: 152
Reistijd: 2,5 uur

Op dag 2 wordt ik al om 7 uur wakker – de wekker gaat per ongeluk af. Ik blijf nog liggen tot 8 uur, het is heel stil in en om het hotel. Daarna ontbijt ik met mijn uit Lhasa meegebrachte cappuccino en rijstcrackers.
Om 9 uur rijdt de chauffeur de jeep de binnenplaats van het hotel op, en kunnen we weer vertrekken. Ik zie dat hij geen gids mee heeft gekregen, dat is wel zo lekker rustig. Vanaf de oostkant van Shigatse zit je meteen tussen de bruine bergen, in tegenstelling tot het weidse landschap van gisteren.

Lahtse 012

Hard rijden mag hier blijkbaar weer, en mijn chauffeur neemt het ervan. Hij haalt wat andere landcruisers in en rijdt bij voorkeur midden op de weg. Er is minder ander verkeer dan gisteren. Alleen als er voetgangers of dieren in de buurt van de weg zijn, remt hij luid toeterend wat af.

Na pas 2 uur rijden bereiken we de afslag naar Shakya. Daar probeert de chauffeur me iets duidelijk te maken waar ik al bang voor was: zonder gids mag je Shakya niet in. In Shakya staat het klooster van de roodkaporde, de tweede belangrijk kloosterorde van Tibet (na de geelkappen, die van de Dalai Lama). Ook het dorpje moet mooi zijn. Nou hoorde ik eergisteren al dat het klooster dicht zou zijn wegens renovatie, maar ik had er toch graag even rondgekeken.

We rijden dus maar door naar Lahtse. Om half 12 arriveren we al bij het Farmers Hotel, de keus van de chauffeur maar ook aangeraden door mijn reisgids. Het is een Tibetaans hotel met een binnenplaats en galerijen waar banken staan en je lekker kunt zitten. Er is wel elektriciteit maar geen stromend water.

Lahtse 033

’s Middags verken ik het stadje Lahtse. Het bestaat uit één lange straat, met veel gebouwen in de Chinese badkamerstijl: met kleine glanzende tegeltjes aan de buitenkant. Ergens in het midden staat een enorm glanzend nieuw hotel, waar ik maar even naar binnen ga voor de lunch. Verder zie je veel Chinese restaurants, nuttige winkels en zelfs twee internetcafés.
Net als gisteren in Shigatse steekt er aan het eind van de middag een felle zandstorm op in de straten.

Lahtse 041

Echt veel te beleven is er niet. Mijn reisgids noemt het een “lovely town”, maar waaraan Lahtse die kwalificatie verdient begrijp ik niet. Of het moeten de bijzonder kleurrijke mensen zijn die je op straat ziet. Veel meer dan in Lhasa of Shigatse zijn hier ook de mannen traditioneel uitgedost. Ze dragen weliswaar westerse kleding, maar de meeste mannen hebben een rode haarband in het (lange) haar en turquoise oorbellen in beide oren. Het is de dracht van de Khampa’s uit Oost-Tibet.

’s Avonds eet ik in het restaurant van het hotel, groentecurry met rijst. Er zijn nog meer westerlingen in het hotel gearriveerd: twee Zweedse meisjes en een Engels stel. Tot het donker wordt om half negen nog buiten gezeten.

21 september: Lhatse – Zhangmu

Aantal kilometers: 325
Reistijd: 7,5 uur

Om 9 uur vertrekken we weer voor de korte etappe van vandaag, naar Tingri. Vandaag lijkt het helemaal de dag van de (westerse) fietsers te gaan worden. De afgelopen twee dagen zijn we er ook al enkele tegengekomen. Eerst zien we een groep waarvan de leden ieder in hun eigen tempo aan het klimmen zijn. Ze worden ondersteund door een busje, dat lijkt me nog wel te doen. Verderop zien we een jongen en een meisje in fietskleding hun tent uitkruipen. Toppunt is een man op zo’n oude fiets met een hoog voorwiel en een klein achterwiel (vélocipède).

De weg is nog steeds goed en al na tweeëneenhalf uur zijn we in de buurt van Tingri. Het is nog geen half twaalf. “Zullen we doorrijden naar Zhangmu”, stelt de chauffeur voor. Hoe lang is dat rijden? “Vier of vijf uur”. Dat lijkt me dan een goed idee – gisteravond bedacht ik al dat deze rit ook wel in 2 of 3 dagen had gekund in plaats van 4. De reistijden zijn veel korter dan in mijn reisgids staan. En om nog een middag vast te zitten in een saai plaatsje hoeft voor mij ook niet. Bovendien heb ik niets meer te lezen.

We stoppen nog wel in Tingri voor de lunch. Je hebt hier, als de wolken even aan de kant willen gaan, een mooi uitzicht op de ruim 8000 meter hoge Cho Oyu. Maar verder is er nog minder te beleven dan in Lahtse. Vol goede moed rijden we dus door. Al meteen na Tingri is de weg geen asfalt meer maar een mengeling van zand en grint. De chauffeur rijdt nog wel aardig door. Hoe moeilijker de weg hoe leuker hij het begint te vinden. Hij zet dan een van zijn twee cassettebandjes met Tibetaanse muziek op en gaat meezingen.

Zhangmu 021

Na de Tong La-pas van 5200 meter gaat het alleen nog maar naar beneden. Je ziet hier nauwelijks nog mensen. Ik zit net te bedenken dat ik nog graag zo’n mooie Khampa-man met zwarte haren, rode haarband en turquoise oorbellen op de foto wil, staat er opeens eentje langs de weg te zwaaien of-ie een ongeluk heeft gehad. De chauffeur stopt, en het blijkt dat de man een lift wil. We nemen hem mee en hij gaat op het randje van de stoel naast de bestuurder zitten. Nou zit er eentje vlak voor me in de auto, maar vragen om een foto durf ik niet. Bij het eerstvolgende gehucht na een paar kilometer stapt hij uit en zwaait nog vrolijk.

Zhangmu 040

Heel plotseling begint bij Nyalam de wereld te veranderen. De natuur wordt groener, er zijn weer bomen. En als ik bij een winkeltje een flesje drinken koop, spreken ze me meteen in goed Engels aan. Ik ben zo verbijsterd dat ik nog maar even doorga met de gebarentaal die ik inmiddels zo gewend ben.

Van Nyalam naar Zhangmu is het nog maar 33 kilometer. Maar de chauffeur had al gezegd: heel slechte weg. Nog geen twee weken geleden heeft de weg na een aardverschuiving zelfs een paar dagen helemaal dichtgezeten. Nu stuiten we op een wegversperring al bij het uitrijden van Nyalam. De weg gaat pas vanavond om 7 uur open wordt meegedeeld. Nou bestaat de wegversperring alleen maar uit een touw en een jongen van een jaar of 15 die het touw moet bewaken. De chauffeur weet hem om te praten ons door te laten.

Zhangmu 041

We hobbelen over de bergweg waaraan op verschillende plaatsen gewerkt wordt. Op een paar plaatsen kunnen we er nog net door voordat de weg geblokkeerd wordt. Ongeveer halverwege worden we staande gehouden door een man in een militair uniform. “Was er bij Nyalam geen wegversperring?” “Nee hoor”. Hij haalt zijn schouders op en vraagt of wij een Chinese opzichter in een wit pak mee willen nemen richting Zhangmu. Natuurlijk. Dat maakt onze aanwezigheid op deze weg weer wat legitiemer.

Uiteindelijk komen we toch stil te staan: bij een punt waar twee graafmachines de gevolgen van een kleine aardverschuiving aan het wegwerken zijn. Er staan ook wat andere auto’s vast, een wat ouder Zwitsers stel bekijkt het schouwspel met veel plezier. De rotsblokken storten van de helling af en de grotere splijten boomstammen doormidden die ze op hun val tegenkomen. Uiteindelijk plonzen ze allemaal in de rivier in het dal.


Na een uurtje is de klus geklaard. Om half 5 komen we dan eindelijk aan in Zhangmu. Het blijkt een stadje dat bestaat uit één slingerende weg de berg af. Deze hele straat staat vol met geparkeerde vrachtwagens. Onze auto komt bijna niet meer vooruit, en daarvan maken meteen al wat handige jongens gebruik. “Wil je geld wisselen?” … ja, maar niet nu en liever bij een bank dan bij jou. “Ga je morgen naar Kathmandu? Ik heb een taxi” .. euh ja, dat zien we dan morgen wel.

Vlak voor de Chinese douane kies ik een hotel (het Zhangmu Hotel) en neem afscheid van de chauffeur, die meteen terugrijdt naar Lhasa. Later op de avond eet ik ook in het restaurant van het hotel. De grote kettingen moeten nog van de deuren worden gehaald als ik om zes uur aankom. “How many in your group?” Nou, ik ben een groep van één. De serveerster kijkt even of ze me weg zal sturen maar dirigeert me dan toch maar naar een tafeltje. Het is een grote zaal met spannend uitzicht op de tegen de hellingen geplakte gebouwen van Zhangmu. Het eten is helaas matig Chinees.

De rest van de avond wijd ik me aan de TV en mijn laptop, eet ik de laatste restjes van mijn overlevingspakket op en geniet ik van weer een eigen badkamer.

22 september: Zhangmu – Kathmandu

Aantal kilometers: 114
Reistijd: 6,5 uur

Hoe het laatste deel van de rit gaat verlopen is een beetje een vraagteken. Mijn reisgids houdt op bij Zhangmu, en zegt alleen dat de Chinees-Nepalese grens op een brug 9 kilometer van Zhangmu ligt. Kathmandu is daarvandaan nog 114 kilometer. Wetende dat het in Nepal ook nog eens twee uur en een kwartier vroeger is, doe ik het ’s ochtends eerst maar eens rustig aan. Ik neem om 9 uur een ontbijtje bij het vriendelijke buurrestaurant. Ze vragen of ik geld wil wisselen, en dat gun ik ze ook maar.


Met maag en portemonnee gevuld ontbreekt alleen nog het vervoer naar Kathmandu. Maar ziedaar, daar is het mannetje van gisteravond weer. Hij wil me graag naar Kathmandu brengen. Als ik over de prijs begin, vraagt hij 120 dollar. De dollar is tegenwoordig niet veel meer waard, maar dit is wel erg veel voor 114 kilometer rijden. Gisteravond had ik bedacht dat 20 tot 30 EUR een redelijke prijs voor de rit zou zijn. Ik zeg dat 120 veel te veel is, en loop terug naar mijn hotel om mijn bagage op te halen. Als ik weer naar buiten kom staat-ie er natuurlijk weer. Hij wil dat ik een prijs noem, maar zo dom ben ik niet. Laat hem maar roepen.

We moeten sowieso eerst te voet langs de Chinese douane. Daar staat een rij van wel 200 man. Ik zie allemaal bekende gezichten terug van de laatste dagen: de grote groep Fransen, het oudere Zwitserse stel. Er is volop tijd om mensen te kijken want het verlaten van China gaat niet zomaar. Je moet eerst nog twee onnozele briefjes invullen (“Ben je de afgelopen maand in aanraking geweest met pluimvee?”) en dan krijg je een stempel dat je officieel het land verlaten hebt.

De prijs van ‘mijn mannetje’ is inmiddels gezakt tot 50 dollar, en daar doe ik het dan maar voor. Ik wordt een busje ingeloodst waarin al een aantal zwetende Japanners zitten. Met het busje gaan we richting Nepalese grens, 9 kilometer verderop. De weg is hier nog net zo slecht als die van gisteren. Bovendien is het hartstikke druk. Om de een of andere reden gaat iedereen hetzelfde moment de grens over. Ook staat het vol met vrachtwagens. Het is dan ook niet vreemd dat we op een gegeven ogenblik helemaal vast komen te zitten. De laatste 10 minuten wordt het dus lopen.

De Nepalese douane zit in een simpel kantoortje. Schijnbare chaos tegenover de Chinese orde. Formuliertje invullen hier, paspoort laten zien daar en uiteindelijk naar een mannetje in een eigen kantoortje voor de handtekening op het visum.

Bij de Nepalese douanepost staat ook de beloofde Toyota Landcruiser klaar. Er zijn twee rijen met stoelen, en er kunnen naast de chauffeur twee man voorin zitten. Twee Chinezen en vier Japanners reizen mee. Ik mag naast de chauffeur zitten – dus zal ik wel het meeste betaald hebben. Maar ach, wat is 50 dollar als je er de hele dag plezier van hebt en je voor de deur van je hotel wordt afgezet?

We beginnen als een van de eersten aan de rit naar Kathmandu. Hier aan de Nepalese kant van de bergen is alles veel groener en kleurrijker. Armer en dichter bevolkt ook. Niet zo ver van de grens zijn twee ‘resorts’ waar toeristen allerlei actieve sporten kunnen doen. We zien zelfs een brug vanaf waar je kunt bungeejumpen.

Als we de bergen uit zijn zie je meteen Kathmandu liggen. De agglomeratie Kathmandu beter gezegd, want stadjes als Bhaktapur zijn eraan vastgegroeid. Veel huizen van een paar verdiepingen hoog en veel verkeer.

In het centrum van Kathmandu herken ik het allemaal wel weer. We zetten eerst de Chinezen en de Japanners af in de toeristenwijk Thamel. Daar lijkt alles nog hetzelfde sinds mijn laatste bezoek in 2001. We staan zelfs even stil voor een goedgevulde boekwinkel!


Ik ben de laatste die weggebracht wordt naar mijn hotel. Noch de chauffeur noch ik weten precies waar het is, maar als we eenmaal in de straat zijn vinden we het snel. Hotel Ambassador had me een dag later verwacht, maar ik word hartelijk welkom geheten.

De rit van Lhasa naar Kathmandu zit erop. 4 dagen, 865 kilometer en 0 lekke banden. Een kalm begin, een spectaculair einde.

Kathmandu – Einde van de regentijd

Het lijkt wel of elke keer als ik in Nepal ben er een feestdag gevierd wordt. In augustus 1993 was het het koeienfestival Gai Jatra, waar kleine jongetjes verkleed als koeien door de straten paraderen. In februari 2001 waren het er zelfs twee: Lhosar (Tibetaans nieuwjaar), waarbij de grote stupa van Bodnath een nieuwe witte verflaag krijgt, en Holi waarbij iedereen elkaar inpepert met kleurstoffen.

Ik zou graag willen vertellen dat dit ligt aan mijn uitstekende reisplanning. Maar in werkelijkheid komt het doordat er volgens de Nepalese kalender iedere maand wel iets te vieren is. Dit keer, september 2007, is het Indra Jatra.

Kathmandu, Durbar Square

Jatra is de regengod, en met Indra Jatra wordt gevierd dat de regentijd voorbij is. Er gaan processies van dansers door de straten van Kathmandu. En de ‘levende godin’ Kumari, een meisje dat het grootste deel van het jaar opgesloten zit in een paleis aan het Durbar-plein, wordt het centrum rondgereden in een open koets.

Indra Jatra, dat acht dagen duurt, is ook het enige moment dat de afschrikwekkende kop van Seto Bhairab voor het publiek zichtbaar is. De overige dagen van het jaar is dit grote masker verborgen achter houten deuren. De koets van Kumari stopt hier en zij groet het masker, waarna er (volgens mijn reisgids) “een grote hoeveelheid bier uit zijn mond vloeit”. Of dat echt zo is heb ik helaas niet gezien. Maar het lijkt wel of hij hier net een sigaret op gestoken heeft…

Seto Bhairab, Kathmandu

Guangzhou – Qingping-markt

De Qingping-markt in Guangzhou heeft zo’n slechte naam dat de Lonely Planet afraadt er naar toe te gaan. De markt legt zich tegenwoordig vooral toe op ingrediënten voor de traditionele Chinese geneeskunde. Vroeger werden er ook veel bedreigde diersoorten verkocht, vandaar die slechte naam.

Op de loopbrug naar de wijk toe begint het al goed. Een paar mensen hebben kleedjes op de grond neergelegd waarop ze klauwen uitstallen. Een paar keer goed kijken, en inderdaad, het zijn tijgerklauwen. De hele handel ziet er illegaal uit en ze kunnen het zo inpakken als er politie aankomt.

De Qingping-straat zelf doet het wat rustiger aan. Vooral gedroogde paddenstoelen doen het erg goed. Ook gedroogd te koop zijn slangenhuiden, slakken, zeesterren, geitenpootjes en allerlei ondefinieerbaar spul. Een eindje verderop zijn de levende dieren te vinden: schildpadjes, wormen, schorpioenen en dikke padden. Echt diersoorten die me bedreigd lijken zie ik niet, wel wat hondjes en katjes. Misschien heb ik een steegje gemist en waarschijnlijk is dat maar beter ook.

Guangzhou 006

Jiuzhaigou

Bij de toelating van de site als werelderfoed in 1992, was er grote zorg voor het behoud ervan: “..honderdduizenden bezoekers stromen ongecontroleerd door het hele reservaat, plukken bloemen, gooien stenen in de meren, zingen en kamperen en steken zelfs vuurwerk en raketten af ​​om de nachtelijke lucht op te vrolijken”.

In 2007 is de situatie een stuk verbeterd: overnachten in het park is verboden, bezoekers moeten zich aan een vast wandelpad houden of de parkbussen gebruiken en er zijn overal veegmachines om de rommel van de toeristen op te ruimen.

Op mijn eerste dag in het park vertrok ik om 8 uur ‘s ochtends. Toen ik het hotel verliet, kon ik het geklets van de honderden andere toeristen die het park in wilden al horen. Gelukkig waren er geen wachtrijen om een ​​kaartje te kopen (de prijs van het kaartje is een vrij stevige 220 Yuan, plus 90 Yuan om de parkbussen te gebruiken: in totaal meer dan 30 EUR). Ik nam toen een van die bussen naar Mirror Lake, iets meer dan halverwege het park.

Daar begon ik terug te lopen naar de uitgang (14 km). Ik volgde het goed bewegwijzerde vlonderpad. Hoewel de uitzichten soms beter zijn vanaf de weg, vond ik het prettig om hier te wandelen. Er waren niet veel mensen in de buurt en het was stil genoeg om kleurrijke kleine vogels te zien eten van de bessen die hier in overvloed aanwezig zijn. Het turquoise water van de meren contrasteert prachtig met de rode en gele herfstbladeren.

Jiuzhaigou

Op de tweede dag kon ik het toegangskaartje opnieuw gebruiken, maar moest ik een nieuw buskaartje kopen. Het weer was hetzelfde als de dag ervoor: bewolkt en koel, maar droog. Deze keer liet ik een van de bussen me helemaal naar The Virgin Forests brengen, ongeveer 32 km van de ingang. Vanaf daar liep ik in ongeveer 3 uur via Grass Lake, Swan Lake en Arrow Bamboo Lake naar Panda Lake. Dit is meer een soort bergpad dan het pad dat ik op de eerste dag volgde. Een grote verscheidenheid aan bomen domineert hier het uitzicht. Het eindigde bij het mooie Panda Lake, het meest blauwe van alle meren.

Jiuzhaigou

Je kunt hier in Jiuzhaigou makkelijk twee dagen doorbrengen, want het park is groot en er zijn veel interessante plekken. Ik heb er nog niet eens de helft van gezien.

Huanglong

Huanglong ligt hoog in de bergen, op een hoogte van meer dan 3000 meter. Ik voelde me deze dag niet zo lekker, dus ik heb mezelf toegestaan ​​om wat bochten af ​​te snijden bij mijn bezoek aan dit werelderfgoed. Ik nam de kabelbaan omhoog en liep vanaf daar rechtstreeks naar beneden. Dit duurt ongeveer twee uur en onderweg passeer je de meeste poelen en watervallen.

Huanglong

Elke 500 meter is er een toilet (comfortabel in mijn toestand van de dag) en ongeveer elke kilometer of zo is er een hut waar gratis zuurstof wordt verstrekt. Veel van de Chinese bezoekers droegen ook hun eigen zuurstofflessen, maar de hoogte stoorde me niet (nadat ik al Tibet had bezocht).

Deze site voelt drukker aan dan Jiuzhaigou omdat iedereen hetzelfde pad moet lopen en er geen bussen zijn om delen over te slaan. Het totale gebied is ook veel kleiner. Huanglong is gespecialiseerd is in het geologische fenomeen van travertijnpoelen. Ik heb genoten van het bijzondere landschap en vind dat het zeker een dagtrip waard is voor iedereen.

Huanglong

Net als Jiuzhaigou heeft de ingang van Huanglong een bezoekerscentrum, wat restaurants en winkels. Neem warme kleding mee, want het kan hier koud worden. Er geraken als individuele bezoeker is lastig. Naar verluidt rijdt er één bus per dag tussen Jiuzhaigou en Huanglong, maar op geen van beide locaties zag ik daar enig teken van. Dus ging ik met de taxi, een zeer mooie rit van 2 uur.

Ik vroeg rond in Huanglong naar “de bus naar Jiuzhaigou” – wat een behoorlijk domme vraag lijkt, aangezien er ongeveer 200 bussen geparkeerd stonden en de meeste naar Jiuzhaigou gingen. Maar ze hoorden allemaal bij tourgroepen. Op parkeerplaats #4 zag ik een paar taxi’s wachten en een van hen wilde me terugbrengen. Halverwege moet je van taxi wisselen, omdat de verschillende taxibedrijven zich aan hun eigen gebied lijken te houden. De chauffeurs organiseren dit onderling.

Xi’an – Na zonsondergang

China’s oude hoofdstad Xi’an is een stad met veel historische bezienswaardigheden. Het fameuze terracottaleger bijvoorbeeld. Maar het is ook een heel moderne en levendige stad. En als de zon ondergaat verandert het centrum in een bruisende openluchtmarkt.

Xian

Het grote plein op de kruising van de vier grote straten in het centrum van Xi’an. De verkopers van vliegers staan er de hele dag, maar tegen de avond gaan de grootste vliegers de lucht in.

Om 6 uur, half 7 gaan de lichtreclames en buitenverlichting van de hotels en restaurants aan het plein aan.

Ook het ijkpunt van de stad, de grote klokkentoren, wordt iedere avond sfeervol verlicht. Zowel deze klokkentoren als zijn broer, de drumtoren (vanaf waar bovenste foto is genomen), zijn ook ’s avonds open om te bezichtigen en te beklimmen.

Vlak achter de drumtoren begint de moslimwijk met zijn vele restaurants en winkeltjes. Hier is het iedere avond druk.

Met de straatverkoop van snacks: fruit en zoetigheden. En het zwaardere werk – vleesgerechten, stoofpotten, spiesjes.

Opeens kom ik bij een samenscholing midden op straat. Zo’n tweehonderd mensen staan netjes opgesteld rondom een open podium. Twee mannen lopen gestrest heen en weer om het publiek op afstand te houden en andere belangrijke zaken te regelen. Er staat hier wat te gebeuren, maar wat..

Geluid uit de luidsprekers maakt na enige tijd wachten duidelijk dat het om een muzikaal optreden gaat. Het orkestje is wat weggestopt tussen het publiek en moet eerst een half uurtje warm spelen voordat de echte optredens gaan beginnen.

Maar dan is het eindelijk zover. Een locale en wat amateuristische versie van de muzikale shows die je ziet op de Chinese TV gaat van start. Met een mannelijke en een vrouwelijke presentator. Er zijn optredens van artiesten uit allerlei delen van het land, allemaal maar een minuut of twee en dan is het door naar de volgende. Na een half uurtje houd ik het voor gezien, maar ik kan nog de hele avond genieten van de optredens vanaf mijn hotelkamer (want zo goed zijn de luidsprekers wel).

Terracottaleger

Het Terracottaleger van Xian behoort tot de 10 of 20 meest iconische plekken die op de Werelderfgoedlijst zijn geplaatst. De meeste mensen zullen er wel afbeeldingen van hebben gezien. Je kunt zelfs een aantal van deze terracotta krijgers buiten China tegenkomen: momenteel (2007-2008) zijn er een aantal te zien in een grote tentoonstelling in het British Museum in Londen. Ik heb er zelf een paar gezien vorig jaar in het Kunstmuseum in Bonn, Duitsland. Hoe ze eruit zien is dus geen verrassing. Ze in hun oorspronkelijke omgeving zien, aangezien de beelden ter plaatse zijn achtergelaten, is een ander verhaal.

Hoewel ik al een paar dagen in Xian was, had ik bewust de vroege maandagochtend uitgekozen als tijdstip voor mijn bezoek: het rustigste moment van de week dat ik kon bedenken. En ik bleek gelijk te hebben, want ik had alle vrijheid om rond te kijken en foto’s te maken. Ik heb ergens gelezen dat de plek op een drukke dag 50.000 bezoekers kan trekken. Voor mij was het opmerkelijk om te zien dat westerse bezoekers hier, na wekenlang als een van de weinige buitenlanders, de Chinezen bijna in aantal overtroffen.

Nadat ik de video met elementaire uitleg had bekeken, begon ik mijn ronde bij Pit 3. Dit zou het hoofdkwartier van het leger zijn geweest. Er staan ​​maar een paar standbeelden, maar alle kenmerken, inclusief paarden. Toen ik hier ronddwaalde, realiseerde ik me dat deze standbeelden niet intact zijn gevonden, veel ervan waren (en zijn) slechts stukjes en beetjes. De krijgers hadden ook wapens (waarvan wordt aangenomen dat ze al vroeg zijn gestolen) en kleurplaten.

Xian

Pit nummer 2 is grotendeels bedekt. ​​Aan de achterkant zijn er voorbeelden van de verschillende militaire rangen, zoals een hoge ambtenaar, een cavalerist en een staande boogschutter.

Pit nummer 1 is de grootste en vroegste, en daar kun je de krijgers in gevechtsformatie zien staan, zoals ze dat op de bekendste foto’s doen. Zelfs deze put is niet volledig opgegraven. Ik vond het geweldig om de verschillende gezichtsuitdrukkingen van de krijgers hier te bekijken. Er zijn zoveel details om naar te kijken. Het concept lijkt op de boeddhistische arhathal, waar standbeelden van monniken worden samengebracht, elk met hun eigen persoonlijke expressie.

Xian

Ik eindigde mijn tour bij het museum bij de uitgang, waar de twee beroemde bronzen strijdwagens worden tentoongesteld die ook in de buurt zijn gevonden. Al met al een geweldige site die op ieders reisverlanglijstje moet staan.

Longmen Grotten

De Longmen-grotten liggen ongeveer 15 kilometer ten zuiden van Luoyang. Ik kwam er laat in de middag met de taxi aan. Er staat een groot bord net voorbij de ingang dat het verboden is om foto’s te maken, behalve “voor een persoonlijk souvenir”. De Chinezen waren echter vrolijk aan het fotograferen, dus na enige aarzeling deed ik hetzelfde. De vele sculpturen zijn goed zichtbaar in hun grotten. De meeste hebben hun hoofden verbrijzeld, een gevolg van de Culturele Revolutie.

Luoyang

De twee hoogtepunten voor mij waren de Wanfo-grot en de Binyang-grot. De Wanfo-grot is waar 15.000 kleine Boeddhabeelden in de wanden van de grot zijn gebeiteld. Binyang is het grootste gebied, waar de enorme beelden bijna in het open veld staan.

Aan de overkant van de brug, op de East Hill, zijn er meer grotten. Ik vond deze minder spectaculair dan die op de West Hill. Het is hoe dan ook de moeite waard om erheen te gaan, want er is een geweldig overzicht van alle grotten aan de andere kant. De enormiteit van het geheel wordt dan veel duidelijker.

Luoyang

Het is natuurlijk verleidelijk om deze beelden te vergelijken met die ik eerder op deze reis in Dazu zag. De Longmen-grotten zijn echter van een veel eerdere periode. Ze missen de kleuren en de details van het sociale leven die kenmerkend zijn voor Dazu. Het interessante van de Longmen-grotten ligt in de grootte van het gebied en de veelheid aan boeddhistische beelden die aanwezig zijn.

#215: Kaiping Diaolou

Wat is het?
De Diaolou van Kaiping zijn versterkte torens met meerdere verdiepingen, gebouwd door terugkerende Chinese immigranten uit Amerika, Canada, Hong Kong en Maleisië. Ze laten een samensmelting van Chinese en westerse decoratieve vormen zien. De meer dan 3000 torens werden gebouwd in de jaren 1920 en 1930. Ze dienden als huisvesting en als bescherming tegen rovende bandieten (en later de Japanners).

Kaiping 012

Cijfer: 6 (Ze zien er door het vochtige klimaat niet al te best meer uit, maar een rariteit blijven ze wel).

Toegang: Het bestaat uit 4 verschillende dorpen, met elk zijn eigen entrees.

Hoeveel tijd: Een halve dag.

Opvallend: Kaiping is een stad die met de bus ongeveer 2 uur ten zuiden van Guangzhou ligt. Van daaruit nam ik een taxi naar het eerste cluster van diaolou: die in Zili Village. Het toerisme heeft Zili zeker bereikt. Er wordt een toegangsprijs voor het dorp 50Y in rekening gebracht. Er is een parkeerplaats die groot genoeg is voor een paar bussen. Er waren minstens 200 andere (Chinese) toeristen aanwezig toen ik er was. De dorpelingen lijken de landbouw bijna te hebben opgegeven. De diaolou zijn hier echter talrijk en mooi. Ze lijken een beetje op middeleeuwse kastelen.

Mijn volgende stop was Li Yuan (Li’s Garden). Dit is geen onderdeel van het wereldergoed, maar een park met diaolou dat in de jaren dertig is aangelegd. Ik liep er heen vanuit Zili, het is maar een paar kilometer en je passeert onderweg de interessante Fang Clan wachttoren. Na een paar minuten werd ik ingehaald door een riksja, die ik niet kon weerstaan. Li Yuan zelf is goed voor de lunch, maar neem je eigen eten mee. Het is er erg toeristisch, ze hebben zelfs een jade winkel!

Kaiping 002

Ten slotte wilde ik naar Jinjiangli, waar de meest uitgebreide diaolou te vinden is. Mijn riksja-chauffeur probeerde me over te halen om naar Majianlong te gaan (want dat is veel dichterbij), maar we vertrokken voor de 15 kilometer naar Jinjiangli. Wat een andere ervaring dan Zili! Je kunt de toren van Ruishi Lou al van ver zien, maar hoe kom je er? De chauffeur vroeg de weg aan een paar mahjongspelende vrouwen, maar we belandden op een verlaten landweggetje. Daar ontmoetten we de passagiers van nog drie auto’s die aan het overleggen waren. Ze hadden een andere auto gevonden of geregeld die de weg zou wijzen. De riksja hoefde ze alleen maar te volgen, wat niet zo eenvoudig is als het klinkt, want een auto is veel sneller dan een riksja. Maar ze wachtten op ons.

Uiteindelijk kwamen we aan bij een mooi dorp, zelf al een soort fort met smalle straatjes. Hoewel er misschien 50 huizen waren, was alles erg stil. Alleen het luide gekakel van kippen was te horen.

De drie dialou liggen hier aan de achterkant van het dorp. Een vrouw aan de deur van de Ruishi Lou vroeg een toegangsprijs van 20 Yuan. Het huis was van haar familie, als ik haar goed begreep. Het heeft negen verdiepingen (de meeste van allemaal) en is meer gemeubileerd. De familiefoto’s zijn er nog. Het is leuk om naar de hoogste verdieping en het dakterras te klimmen. Vanaf daar heb je nog een goed uitzicht op het dorp (en zijn kippen).

#221: Yin Xu

Wat is het?
Yin Xu is een archeologische vindplaats met de overblijfselen van Yin, de laatste hoofdstad van de Chinese Shang-dynastie (1766 – 1050 voor Christus). Het vertegenwoordigt de gouden eeuw van de vroege Chinese cultuur, ambachten en wetenschappen in een tijd van grote welvaart. Yin Xu is ook beroemd om de ontdekking van ‘orakelbotten’, inscripties op botten van dieren en schildpadden, waarvan wordt aangenomen dat ze het begin zijn van de Chinese karakters en het schrift.

Anyang

Cijfer: 7,5 (Een fascinerende blik in een belangrijk deel van de Chinese geschiedenis, en ook nog eens perfect tentoongesteld).

Toegang: 61 Yuan (6 EUR).

Hoeveel tijd: Een paar uur.

Opvallend: De Yin-ruïnes zijn verspreid over twee afzonderlijke locaties: het Koninklijk Paleis en de Koninklijke Begraafplaats. Aangekomen bij de poort van het Koninklijk Paleis, had ik geen flauw idee wat ik van deze site kon verwachten. Maar toen ik de poort zag, voelde ik meteen dat dit een bezoek zou worden om nooit te vergeten. Die poort zelf is al opvallend en bereidt je voor op de vormen die je steeds weer zult zien. Achter de poort ligt een park met diverse tentoonstellingen en een museum.

Beginnen bij het museum is een goed idee omdat het het verhaal vertelt van de mensen van Yin. Dat ze op grote schaal dieren en mensen offerden, wordt meteen duidelijk. Er zijn veel mooie bronzen voorwerpen te zien en natuurlijk de botten met schrift (orakelbotten). Op het eerste gezicht lijken ze op normale botten, je moet heel dichtbij kijken om de inscripties te zien. Verbazingwekkend! Het algemene gevoel van de site is gloednieuw en helder, met veel aandacht voor de lay-out en detaillering. Overal staan ​​uitlegborden in het Engels.

Een van de hoogtepunten in de omgeving van het Koninklijk Paleis is de ‘Oracle botten inscripties stele gallerij’. Hier worden vertalingen van geschriften over orakelbeenderen in modern Chinees en Engels weergegeven. Waar schreven ze over? Opoffering, eerbetoon, militaire acties en astronomie waren populaire thema’s. Opmerkingen over mooi weer en dus goede oogsten komen ook vaak voor.

Anyang

Om de hoek worden de karakters van het orakelbottenschrift vergeleken met die in het Modern Chinees. Ook heel goed gedaan. Je ziet de evolutie van het script en de opvallende overeenkomsten. De woorden in het orakelbottenschrift zijn leuk om te ontcijferen: ‘olifant’, ‘vis’ en ‘zijderups’ zijn gemakkelijk te raden.

Het bezoek aan het hoofdterrein eindigt bij de graftombe van Fu Hao. Fu Hao was lid van de koninklijke familie van de Shang-dynastie en de eerste vrouwelijke generaal van China. In haar graf, dat is gerestaureerd, zijn veel bronzen, jade en benen voorwerpen gevonden.

Met een golfkar-achtig wagentje overbrug ik de 5,5 kilometer naar de tweede locatie, die van de Koninklijke Begraafplaats. De rit is inbegrepen in de toegangsprijs. Het is een mooie rit door de buitenwijken van Anyang en naar het platteland van Henan. Hier werd het grote Simuwu-vat gevonden, het grootste bronzen vat dat in Yin Xu is opgegraven. De Koninklijke Begraafplaats heeft een aantal gerestaureerde graven met displays. De items die worden getoond zijn meestal replica’s, de originelen zijn te vinden in het centrale museum of in verschillende musea over de hele wereld.

Yin Xu bleek de stilste site die ik tot nu toe in China heb bezocht. Ik was zelfs de enige bezoeker op de Koninklijke Begraafplaats!

Jinan – Tien traditionele Chinese dingen

De afgelopen 2 weken heb ik rondgetrokken door het gebied waar de oorsprong van de Chinese beschaving ligt. Ik startte in Xi’an, reisde verder naar de andere voormalige Chinese hoofdsteden Anyang en Luoyang, en bezocht vervolgens de historische plaatsen Datong, Ping Yao, Taishan en Qufu.

Als je al die plekken afreist is er een aantal traditioneel Chinese symbolen dat je steeds weer tegenkomt. Aan de hand van het boekje “Things Chinese” waarin er meer dan 200 opgesomd en uitgelegd staan, begon ik er steeds meer te herkennen en werd het een sport om zoveel mogelijk van die symbolen op te zoeken en te fotograferen. Hieronder Tien van deze (traditionele) Chinese dingen.

Stenen leeuwen: ongetwijfeld het meest voorkomende symbool. Niet alleen tempels of monumenten, maar ook moderne hotels hebben stenen leeuwen voor de deur. Het is altijd een paar van een mannelijke en een vrouwelijke leeuw; het mannetje heeft zijn linkerpoot op een bal, wat de eenheid van het rijk symboliseert. Het vrouwtje heeft een jong onder haar poot, wat de vruchtbaarheid weergeeft. Het gebruik om stenen leeuwen te plaatsen heeft een boeddhistische oorsprong, en dateert nog van voordat men in China überhaupt leeuwen gezien had.

Leshan


Bronzen kookpot (ding): deze potten werden in de bronstijd vaak als ceremoniële giften in graven van hooggeplaatste personen meegegeven. Miniatuurversies worden nog steeds veel gemaakt en verkocht. Op de foto staat de Simuwu ding uit de Yin ruines nabij Anyang. Deze weegt 875 kilo en is de grootste ooit gevonden.

Anyang


Negen draken muur: veel traditionele huizen hebben een separate muur voor de ingang van het huis, zodat je niet rechtstreeks naar binnen kunt kijken. De grootste is die in Datong (zie foto), met 9 draken. Het getal 9 zelf is ook weer een symbool, en vertegenwoordigt de absolute macht van de keizer.

Datong

Orakelbotten: de voorloper van het Chinese schrift. Dierenbotten en schilden van schildpadden werden in het vuur gegooid, om aan de hand van de breuken en scheuren de toekomst te voorspellen. De uitslag werd erbij geschreven in pictogrammen. Er is een indrukwekkend museum aan gewijd in Anyang (bij de Yin ruïnes), alhoewel de meeste botten in buitenlandse musea terecht zijn gekomen.

Dierachtige ornamenten (wenshou): daken van belangrijke gebouwen als paleizen en tempels hebben vaak een dakrand met mythologische dierfiguren. Het aantal figuren geeft ook hier weer de status van de bewoner aan.

Geglazuurde dakpannen: duur bouwmateriaal speciaal voor paleizen en huizen van aristocraten. Traditioneel zijn ze geel (exclusief voor de keizer), groen, blauw of zwart. De fraaie gele op de foto komen van de Tempel van de Wolken van Azuur in Taishan.

Taishan

Deuren met koppen van spijkers: deuren bij de ingang van paleizen, tempels en landhuizen zijn vaak versierd met rijen “gouden” knoppen of koppen van spijkers. Ze geven de rang van de bewoner weer. Poorten gebruikt door de keizer hadden 9 rijen van 9 knoppen. Lager geplaatste personen hadden minder rijen en/of knoppen op hun voordeur, bijvoorbeeld 9×7 of 7×7.

Decoratieve ramen of poorten (jingdong): doorkijkjes zoals deze in de Confuciustempel in Qufu zijn vast onderdeel van Chinese parken en tuinen. Ze komen in allerlei vormen: rond, vierkant, ovaal of in de vorm van een blad of een bloem. Ze zijn puur ter verfraaiing van het uitzicht, en bieden een soort schilderijlijst om wat er aan de andere kant van de muur te zien is.

Stenen geschrift op de rug van een schildpad: deze schildpad is Bixi, de negende zoon van een mythische draak. Hij is heel sterk, vandaar dat het geen probleem is dat hij zo’n zware last op zijn rug draagt. Veel te zien in Xi’an en Qufu.

Taihu rotsen: groteske rotsen van steen uit het Taihu-meer. Door erosie hebben deze allerlei vervormingen gekregen. Ze zijn favoriet bij Chinese landschapsarchitecten en schilders. Dit vreemde geval trof ik aan in Qufu, het lijkt me een voorbeeld van een Taihu-rots.

Qufu

Yungang Grotten

Het stoffige en droge Datong trekt een behoorlijk aantal westerse bezoekers vanwege de ligging relatief dicht bij Beijing en omdat het de eerste halte in China is van de Trans-Mongolië Express.

Deze middelgrote stad heeft een aantal bezienswaardigheden, waarvan de Yungang-grotten het meest de moeite waard zijn. Bus 3-2 rijdt de 15 km van het treinstation en het stadscentrum naar de grotten.

Datong

Het is een beetje lastig om de sculpturen in de juiste chronologische volgorde te zien. Na binnenkomst kom je in grot 6, een van de meest felgekleurde en representatieve grotten uit de ‘Chinese’ fase. Zelfs de plafonds zitten vol met kleine details. De aangrenzende grotten zijn ook kleurrijk en levendig, net als vroege versies van de Dazu-rotstekeningen.

Datong

Toen ik westwaarts liep, kwam ik bij de vijf grotten van de eerste fase. Dit zijn enorme, plechtige Boeddhabeelden die uit een raam op de tweede verdieping kijken. Als je de grot inloopt, zie je alleen hun benen.

Datong

Toen liep ik terug naar de oostelijke grotten (1-5). Vooral grot 3 is interessant, omdat het de grootste grot van allemaal is. Er zijn maar 2 standbeelden binnen, maar je kunt naar binnen lopen en genieten van het spel van zonlicht en schaduw.

Mijn bezoek duurde ongeveer 2 uur, genoeg om alle belangrijke grotten in detail te bekijken en nog een keer rond te lopen om alles van een afstandje te bekijken.

Nu ik ook Dazu en Longmen heb bezocht, denk ik dat Yungang een goede mix heeft van de kenmerken van die twee. Ik ben nog steeds niet uitgekeken op de boeddhistische rotstekeningen en kijk ernaar uit om de Chinese boeddhistische rotskunstsite nummer 4 te bezoeken: de Mogao-grotten.

#223: Ping Yao

Wat is het? Ping Yao is een integraal goed bewaard gebleven Chinese stad uit de Ming- en Qing-dynastieën (1368-1911). Het stedenbouwkundig plan en de verdedigingslinie zijn sindsdien niet significant veranderd. Het staat nu bekend om zijn goed bewaard gebleven oude stadsmuur en de gebouwen die verband houden met het bankwezen, waarvoor Ping Yao in de 19e en vroege 20e eeuw het belangrijkste centrum voor heel China was.

Ping Yao

Cijfer: 8 (Geweldig goed bewaard).

Toegang: Eén kaartje dat toegang geeft tot zo’n 20 bezienswaardigheden.

Hoeveel tijd: Anderhalve dag, inclusief overnachting,

Opvallend: Er zijn twee kanten aan Ping Yao. In eerste instantie merkte ik vooral de slechte leefomstandigheden. Als je vanaf de stadsmuren naar beneden kijkt, zie je veel stof en vuil en krappe woningen. Er zijn nogal wat openbare toiletten, het lijkt dat veel huizen geen eigen badkamer hebben. Tijdens mijn eerste half uur dat ik door de straatjes van de stad dwaalde, kwam ik ook twee mannen tegen die op straat aan het plassen waren (en ze waren niet dronken en ook geen bedelaars).

Later begon ik de binnenplaatsgebouwen en tempels te bezoeken die nu in gebruik zijn als musea. Daar was alle rijkdom. Achter een eenvoudig ogende ingang bevinden zich uitgestrekte complexen. De bank, de dienst waar ooit gewapende lijfwachten konden worden ingehuurd, de rechtbank met zijn gevangenis- en martelwerktuigen, de kamer van koophandel en de residentie van de oprichter van de eerste bank, Lei Lutai. Er is zelfs een heiligdom waar je tot de God van Rijkdom kunt bidden!

Er zijn veel pensions met traditionele binnentuinen waar je kunt overnachten. Ik deed dat in het Yide hotel, gevestigd in het 18e-eeuwse huis van de handelaar. Dit is een aanrader: te slapen in een kale kamer op de begane grond waar frisse lucht en buurtgeluiden binnenkomen, na al die hoogbouw Chinese zakenhotels die er hetzelfde uitzien.

Ping Yao

Taishan

Kabelbaan alert! Ja, dit is nog een werelderfgoed met een kabelbaan (er zijn er zelfs twee). Het is een goede kabelbaanervaring hier, de rit duurt ongeveer 15 minuten en is niet aanbevolen voor mensen met hoogtevrees. De dag van mijn reis was erg bewolkt begonnen en in de laatste minuten naar de top was de kabelbaan volledig bedekt door de wolken. Een beetje griezelig.

Taishan

Ik werd afgezet bij de South Gate to Heaven, bijna bovenaan. ‘The top’ is eigenlijk een vrij groot gebied met verschillende heiligdommen en monumenten. Het is de moeite waard om 5 Yuan extra uit te geven bovenop de 125 Yuan toegangsprijs om de 11e-eeuwse Azure Clouds Tempel te bezoeken. Terwijl het grootste deel van de berg lijkt op een bazaar met toeristen en rondlopende verkopers, is de tempel een serene plek waar aanbidders geld en eten offeren aan de Azure Cloud godin. Deze taoïstische tempel heeft ook verschillende mooie artistieke details, zoals gele geglazuurde tegels.

Nadat ik een uur of twee boven had rondgekeken, besloot ik naar beneden te lopen om een ​​idee te krijgen van wat de echte pelgrims die bergopwaarts lopen, moeten doorstaan. Nou ja, het is heel, heel steil. En alleen maar trappen. Het herfstlandschap is echter prachtig. De zon was tevoorschijn gekomen en het wandelen was een genot. Het kostte me 75 minuten om bij de Midway Gate of Heaven te komen. Vanaf daar nam ik de bus terug naar de voet van de berg bij Tai’an, het einde van een vermakelijke dagtrip.

Taishan

De trein naar Suzhou

Ik ben al ruim twee maanden onderweg door China en heb nog geen enkele keer in een trein gezeten. En dat terwijl de trein hier hét vervoersmiddel voor de massa is. Het busvervoer gaat zo soepeltjes dat ik geen reden zie om daarvan af te wijken. En als de afstand dan eens een keer te ver is om met de bus te gaan, is er altijd nog het vliegtuig. Binnenlandse vluchten zijn al bijna net zo talrijk als bussen, zijn relatief goedkoop (zo’n 50-80 EUR voor 1 à 2 uur vliegen) en er lijkt altijd plaats.

Hoe anders is dat bij de trein: wat me er vooral aan tegenstaat is dat je voor de lange ritten al dagen van tevoren een kaartje moet kopen. Weg vrijheid om ergens nog eens wat langer te blijven, uit te slapen of extra vroeg op pad te gaan.

Maar de reis is niet compleet zonder een keer in de trein gezeten te hebben. Ik kies de korte route Shanghai – Suzhou, een afstand van zo’n 100 kilometer. Op dit traject rijden zoveel treinen dat het moet lukken voor een dagtocht.

Zo meld ik me op maandagochtend tegen negen uur bij het centrale station van Shanghai. Het is een immens gebouw aan een ook al zo groot plein in het centrum van de stad. Binnen zijn tientallen loketten om kaartjes te kopen. Enkele daarvan hebben een bordje dat aangeeft dat er Engels wordt gesproken, daar kies ik er een van uit. Ik ben vrijwel direct aan de beurt, gelukkig hoeft er niet gevochten te worden voor een kaartje. Een kaartje dat trouwens maar 31 Yuan (3,10 EUR) kost. De domper is echter dat “mijn” trein pas om 10.23 uur vertrekt. Dat betekent anderhalf uur wachten! Het mag dan wel een exprestrein zijn die er maar 40 minuten over doet, maar als je daarvoor eerst een hele tijd moet wachten heeft dat niet zoveel zin.

Maar goed, ik heb de hele dag de tijd. Ik loop verder naar de wachtruimtes, die zijn georganiseerd op treinnummer en soms ook op treinstel. De wachtruimte is ook al weer zo’n enorme hal, er passen wel 1000 mensen in. Gelukkig is er wel voor iedereen een zitplaats. De tijd verstrijkt snel met wat lezen en mensen kijken. Je ziet hier toch wel heel wat westerlingen. In de bus ben ik nog nooit een andere niet-Chinese toerist tegengekomen.


Net als op een vliegveld wordt het vertrek van een trein vanuit een gate gereguleerd. Een kwartier voor vertrek mogen we in de rij gaan staan, wordt het kaartje gecontroleerd en gaan de poorten open naar het perron.
De trein staat al klaar. Op de grond van het perron staan pijlen waar welk treinstel staat. Op mijn treinkaartje staan behalve datum en tijd nog twee getallen: “15” en “12”. Ik gok maar dat het eerste het treinstel is en het tweede de stoel, en dat blijkt te kloppen. Bij het betreden van de trein is er een conductrice die controleert of je wel goed zit.

De trein ziet er van binnen goed uit. Het is een D-trein (D416), na de Z-, T- en K-treinen de snelste en meest luxe. Aan weerszijden van het gangpad staan twee brede stoelen met heel veel beenruimte. Dit is wat ze een “soft seat” noemen, een zachte zitplaats tegenover een goedkopere harde zitplaats. Die betiteling schijnt in gebruik te zijn gekomen omdat de communisten geen onderscheid in klassen wilden maken, maar aan de buitenkant van deze trein staat gewoon “First Class” en “Second Class”. Ik zit dus prima eerste klas.

We vertrekken op tijd. De trein blijkt Nanjing als eindbestemming te hebben. Suzhou is de eerste stop. Alle aankondigingen in de trein worden zowel in het Chinees als het Engels gedaan, dus er blijft weinig ruimte voor verwarring over. Er loopt heel wat personeel rond, zoals een conductrice per treinstel, schoonmakers en verkopers. De coupé zit helemaal vol, de drukte is dus niet overdreven. Naast me zit een Chinese vrouw van een jaar of 60 die zoals de meeste Chinezen de reistijd gebruikt om veel te eten. Ze biedt mij ook een smakelijk mandarijntje aan.

De rit zelf is saai. Een eindeloze rij flatrijke buitenwijken van Shanghai trekt voorbij. De infobalk voorin het treinstel geeft aan dat we een topsnelheid halen van 204 kilometer per uur. Suzhou komt al snel in zicht.

In Suzhou zelf bezoek ik vier van de negen klassieke tuinen die op de werelderfgoedlijst staan. Ik wandel van de een naar de ander, telkens zo’n half uur. Al met al vermaak ik me er vier uur, daarna ben ik het lopen zat en wordt het fris buiten. Met een taxi laat ik me terugbrengen naar het treinstation, klaar voor de terugreis.

Bij het loket blijkt al snel dat het “probleem” van de ochtend zich herhaalt: nu blijkt de eerste trein pas om 18.03 te gaan. Dit keer maar liefst 2,5 uur wachten! Ik overweeg even om met de bus terug te gaan, maar besluit toch mijn treindagje af te maken. Het wachten gaat voorbij door wat rond te lopen in de stationshal van Suzhou (ook al zo groot).

Dit keer heb ik een tweedeklas kaartje. Dat is maar 5 Yuan (0,5 EUR) goedkoper dan een eersteklas. Deze treinstellen hebben twee stoelen aan een kant van het gangpad en drie aan de andere kant. Het is wel wat minder dan de eerste klas, maar veel scheelt het niet. Zeker voor zo’n korte rit als deze maakt het eigenlijk niet uit. Met een topsnelheid van 250 kilometer per uur zijn we 35 minuten later alweer in Shanghai.

Morgen reis ik verder van Shanghai naar Hangzhou. Met de bus.

Tuinen van Suzhou

Van de negen tuinen die samen een werelderfgoed vormen, bezocht ik er vier tijdens een dagtrip vanuit Shanghai. Ik koos de tuinen die zich in de buurt van het stadscentrum van Suzhou bevinden: de Humble Administrator’s Garden, de Lion Forest Garden, de Garden of the Master of Nets en ten slotte het Canglang Pavillion. Ze liggen op redelijke loopafstand van elkaar, ongeveer een half uur tussen elke tuin.

De Humble Administrator’s Garden is meer wat ik een park zou willen noemen dan een tuin. Hoewel de ruimte hier bedrieglijk is: toen ik naar de kaart van de tuin bij de ingang keek, dacht ik dat ik behoorlijk wat afstanden zou moeten lopen. Maar alle landschappen zijn met elkaar verbonden en er is geen ruimte over zonder enige menselijke ingreep.

Dichtbij ligt de Lion Forest Garden. Dit is absoluut de vreemdste van de vier. Hier is een heel berglandschap herbouwd met veel Taihu-rotspartijen. Een hedendaags (14e-eeuws) gedicht luidt: “Mensen zeggen dat ik in een stad ben, maar ik vermoed dat ik tussen duizenden bergen ben”. Tegenwoordig kunnen bezoekers omhoog, onder en door deze rotsen klimmen, iets wat zelfs de Chinese oma’s met gemak en plezier deden. Ik vond het vrij moeilijk om een ​​uitweg uit de ‘bergen’ te vinden, ik denk dat ik te groot of te lang ben om door alle openingen te passen.

Suzhou

Om de Tuin van de Meester van de Netten te bereiken, moet je eerst een steeg vol souvenirstalletjes en wat bedelaars trotseren. De kamers in dit huis trekken meer aandacht dan de kleine tuin.
Het Canglang Paviljoen is een van de oudste in Suzhou. Het ziet er nu wat verlaten uit en is deels overwoekerd. Het hoogtepunt hier is het Bamboehuis met zijn spel van bamboe en zon.

Tot mijn eigen verbazing vond ik mijn dag in deze tuinen best leuk. De tuinen die ik bezocht, zijn duidelijk verschillend van elkaar en een lust voor het oog. En ik heb me ook vermaakt door te blijven uitkijken naar “Chinese dingen” – iets dat ik in Qufu ben begonnen, geïnspireerd door het gelijknamige boek. Naast de weelderige Taihu-rotstuin heb ik een marmeren boot in de Lion Forest Garden bezocht, zijn er in het Canglang Pavillion talloze schilderachtige openingen in verschillende vormen te vinden en zijn er in alle tuinen prachtige overdekte gangen.

Hangzhou – West Meer

Deze plek trekt maar liefst 20 miljoen bezoekers per jaar. Ik bezocht het op een bewolkte dag in oktober 2007. Ik liep helemaal rond het meer, een pad van ongeveer 10 km. En het was druk! Op sommige plekken leek het alsof ik aan een openbaar wandelevenement had deelgenomen. Veel groepen schoolkinderen, allemaal gekleed in soortgelijke trainingspakken, wat de Chinese versie is van schooluniformen.

Hangzhou

Het meer is heel typerend voor de Chinese landschapsarchitectuur – het ziet er allemaal heel bekend uit en je ziet dit soort bezienswaardigheden overal in Oost-Azië. Het is leuk om de wandeling te maken, maar het landschap is zo Chinees dat het moeilijk is om er als westerling een gevoel voor te krijgen.
Hangzhou ligt in het oosten van China, niet echt mijn favoriete deel van het land. Er is niet veel te zien in deze moderne stad aan het meer.

#227: Xidi en Hongcun

Wat is het?
Xidi en Hongcun zijn twee uitzonderlijk goed bewaard gebleven traditionele Chinese dorpen uit de Ming- en Qing-dynastieën. Hun stadsgezichten zijn ontwikkeld in harmonie met de natuurlijke omgeving, volgens de principes van Feng Shui.

Xidi en Hongcun

Cijfer: 6,5 (Het is de moeite waard om beide te bezoeken, hoewel ik Hongcun de meer pittoreske en rustige van de twee vond.)

Toegang: Zowel Xidi als Hongcun vragen 80 Yuan entree (8 EUR), en soms moet je een paar Yuan extra betalen om een kijkje in een huis te nemen.

Hoeveel tijd: Een halve dag voor de twee samen.

Opvallend: Xidi en Hongcun zijn gemakkelijk te bereiken vanuit Huangshan City. Tot voor kort hadden buitenlanders een vergunning nodig om deze regio (en vooral de kleine dorpjes) te bezoeken. Dit is nu afgeschaft. Vervoer is er ook in overvloed.

Ik was op weg naar het busstation om een ​​bus naar Yixian te nemen vanwaar minibussen naar beide steden vertrekken, toen ik werd ‘gekaapt’ door een taxichauffeur. De vriendelijke man bood aan om me een dagje rond te rijden en we waren het snel eens over een prijs. De rit vanuit Huangshan City duurt ongeveer 45 minuten en is een aangename tocht door het heuvelachtige en landelijke landschap van Anhui.

We stopten eerst bij Xidi, waar nog 124 traditionele huizen staan. Vooral bij de ingang van het dorp lijkt elke inwoner een souvenirwinkel te hebben geopend, wat een beetje vervelend is. Het hoogtepunt van het dorp ligt dan al achter je: een grote stenen boog met drie niveaus.

Xidi en Hongcun

Het dorp is groter dan je zou verwachten, en je kunt hier gemakkelijk 1,5-2 uur doorbrengen. Naast de alomtegenwoordige Chinese tourgroepen, ontmoette ik veel middelbare scholieren die bezig waren met het schilderen van straattaferelen. Lokale mensen waren hun was aan het doen in de kanalen die door het dorp stromen, waarschijnlijk profiterend van deze prachtige zonnige dag.

Hongcun, op ongeveer 15 km afstand van Xidi, heeft een aantal van dezelfde kenmerken als Xidi, maar onderscheidt zich door zijn vijvers en smalle straatjes. De weg vinden is hier wat lastig, de stad heeft een vreemde vorm (zoals een waterbuffel, zeggen de Chinezen). Maar uiteindelijk bereikte ik de Moon Pond, een halvemaanvormige poel omringd door huizen. Wat een geweldige plek! Perfect om mijn lunch uit te pakken en hier even te blijven zitten.

Er is ook een aantal grote huizen open voor het publiek in Hongcun. Hun weelderige interieurs verrasten me. Houtsnijwerk is hier het belangrijkste kenmerk, zo anders is dan de witgekalkte stenen buitenkanten van deze huizen.

Xidi en Hongcun

Hoeveel Chinezen passen er op één berg?

De Gele Berg (Huangshan) heeft door de eeuwen heen gediend als inspiratie voor Chinese schilders. Al die spitse bergtoppen die half verscholen zijn achter wolken: dat is Huangshan.

Huangshan

Ik wist van tevoren dat het druk kan zijn op deze berg. Nou is het in China eigenlijk overal wel druk, maar bij mijn voorbereiding lees ik dat de wachttijden voor de kabelbaan naar de top op kunnen lopen tot 1 of 2 uur.

Het bezoekersrecord van Huangshan moet zijn gebroken op de zaterdag in november dat ik de berg bezoek. Om kwart over 9 in de ochtend kom ik aan bij een tweede kabelbaan, die tot ongeveer halverwege de berg reikt. Na eenvoudig en snel een kaartje te hebben gekocht loop ik vrolijk de trappen op naar de kabelbaan. Wat ben ik toch slim geweest, denk ik nog, om een andere kabelbaan te nemen. Dat optimisme wordt al heel snel getemperd want ik kan achteraan een rij aansluiten. Het lijkt niet zo’n lange rij, maar er hangt een bordje boven met de tekst ‘Vanaf hier is het nog 2 uur wachten voor de kabelbaan’. Slik. Informatief zo’n bordje. Maar twee uur wachten is heel lang. Er is echter geen alternatief behalve rechtomskeert te maken, en dat is zonde van mijn dagje uit (en zou me een werelderfgoed vinkje kosten!).

Dapper breng ik de wachttijd door. Het belangrijkste is om je positie vast te houden tegen de dringende Chinezen achter je. Ik ben gelukkig veel groter dan zij wat al een stuk helpt, en verder vereist het veel concentratie zodat er niet eentje tussendoor glipt. Uiteindelijk kost het ‘slechts’ anderhalf uur om bij het kabelbaanstation te komen.

Huangshan

Op de berg zelf is ook maar weinig bewegingsruimte. In je eigen tempo rondlopen, laat staan zelf kiezen waar je heen wilt, is er niet bij. Er zijn maar een paar paden, en sommige zijn eenrichtingsverkeer om de drukte te reguleren. Ik sjok achter de Chinese toergroepen aan. De groepsleden zijn allemaal getooid met rode of gele petjes. Ik moet bij die hoofddeksels steeds denken aan Tibetaanse monniken, waar de roodkap- en de geelkapordes de belangrijkste zijn (en te herkennen aan hun grote rode of gele hoge hoeden).

Wat verder opvalt is dat de meeste Chinezen in een erg slechte conditie zijn. Ze komen nauwelijks de trappen op. Dat zal wel van al die sigaretten komen die ze in het dagelijks leven wegpuffen. Het tempo ligt zo laag dat dit het eerste bezoek aan een heilige Chinese berg wordt waar ik zonder spierpijn van terug kom.

Onderweg komen we langs het bord “A relaxed and happy feeling comes from the harmonious coexistence between human and nature” (een ontspannen en gelukkig gevoel komt voort uit het harmonieuze samengaan van mens en natuur). Nou, ontspannen ben ik hier zeker niet! En ik ben alleen gelukkig omdat de zon volop schijnt en ik net twee chocolade muffins op heb.

Na een uur of drie houd ik het voor gezien. Ik heb echt mijn best gedaan wat van de bijzonderheden van de berg te zien, maar ik heb eigenlijk geen flauw idee of ik nu 5% of 50% gezien heb. Ik loop terug naar de kabelbaan naar beneden waar ik gelukkig zo in kan stappen. Dit was wel een heel erg Chinese ervaring, waar je er niet teveel van moet hebben.

Lushan

(Mount) Lushan is te bereiken via een 22 kilometer lange bochtige weg vanuit Jiujiang. Lushan is een eclectische plek en omdat ik er niet veel informatie over kon vinden in mijn reisgids of op internet, begon ik met het kopen van een kaart bij de plaatselijke boekwinkel. Er stonden veel plaatsen op aangegeven, maar ik kon slechts een paar van de plekken vinden.

Omdat ik de afgelopen weken genoeg van heilige bergen (en hun kabelbanen en schildpadrotsen) had gezien, besloot ik me te richten op de villa’s van Lushan. Deze werden hier vanaf 1895 gebouwd door Europeanen en Amerikanen, waardoor Guling (het stadje op Mount Lushan) een internationaal bekend zomerresort werd.
De Meilu-villa is de villa die het dichtst bij het busstation ligt. Deze werd in 1903 gebouwd door een Lord Reynolds en later gebruikt door Chang Kai-shek. Je kunt naar binnen. Verderop in de weg zijn er nog veel meer mooie villa’s, zoals het Williams-huis en met name de groep die door Amerikaanse missionarissen is gebouwd. Als je in dit gebied rondloopt, voelt het alsof je niet meer in China bent (het verkeer in en rond de stad is ook aangenaam laag).

Lushan

Aan de andere kant van de vallei zijn er meer natuurlijke of traditionele Chinese bezienswaardigheden. Wat te denken van de Drie Oude Bomen? De drie (één gingko en twee cryptomeria) werden naar verluidt geplant in de 3e-5e eeuw en zijn nu 39 meter hoog.

Een onderbelicht onderwerp is de connectie met de Chinese politiek van de 20e eeuw en de geschiedenis van de Chinese Communistische Partij. Dit is echter een van de duidelijkste kenmerken. Lushan is beroemd om zijn ‘Lushan-conferentie’ in 1959, toen Mao Zedong zijn macht uitoefende en hem ertoe aanzette de Grote Sprong Voorwaarts te ondernemen. Mao had hier ook een huis, waar nu het Lushan Museum is gevestigd. Het is een ruim gebouw waar veel van het meubilair uit die tijd bewaard is gebleven. Je kunt zelfs een kijkje nemen in Mao’s badkamer (die verrassend genoeg een westers toilet heeft!).

Lushan - Mao's badkamer

Yangshuo – De Li-rivier vanaf Xingping

In de haven van Xingping, een dorpje zo’n 30 kilometer ten noorden van Yangshuo, laat ik mij leiden naar een rondvaartboot over de Li-rivier. Het is een relatief kleine boot waar 20 man op zitten, allemaal Chinezen.

Onze eerste stop is bij de rotsen die het briefje van 20 Yuan sieren. De Chinezen raken helemaal in extase en struikelen bijna over elkaar heen om zichzelf op de foto te laten zetten voor dit punt.

We varen verder in het zonnetje over de Li. Ik zit op een klein krukje voor op het dek. De boot is verder grotendeels overdekt en dan kun je alleen via de ramen naar buiten kijken. Vissen met aalscholvers is hier traditie. Nu zitten ze er vooral om met toeristen op de foto te gaan.

Dit deel van de rivier, rond Xingping, heeft de hoogste concentratie van karstbergen van de regio. Er zijn tientallen passagiersboten onderweg. De meeste zijn heel groot, er passen minstens 100 mensen op. Bij sommige bochten leidt dit gewoon tot een file.
Ondanks het vele toeristenverkeer zijn er toch ook nog lokalen onderweg op platte bamboevlotten.

We varen een eindje naar het noorden vanaf Xingping, keren dan en gaan dan een stuk naar het zuiden. Vanaf hier kun je eigenlijk helemaal door naar Guilin (is een hele dag varen), maar daarvoor staat het water nu te laag.

Een gemotoriseerd privé-bamboebootje lijkt mij de mooiste vorm van vervoer. Het is voor toeristen eigenlijk verboden omdat het te gevaarlijk zou zijn.

Ping’an – Over de rug van de draak

Het ontbijt in de Countryside Inn in Ping’an is stevig: gekookte eieren, yoghurt met müesli, toast met jam, thee en sinaasappelsap. Het meisje dat bedient vraagt waar ik vandaag heen ga. Dazhai, is de bedoeling, een dorpje verderop in de vallei en net als Ping’an midden tussen de rijstterrassen. De Chinezen noemen deze streek Longji, wat Rug van de Draak betekent. “Is het moeilijk te vinden zonder gids”, vraag ik haar. ‘Nee hoor’, zegt ze. ‘Het staat goed aangegeven. Het kost ongeveer vier uur, en dan kun je nog lunchen in Dazhai. Je moet alleen opletten dat je niet de laatste bus mist. Veel toeristen komen maar tot halverwege, tot Zhongliu, en keren dan om. Maar die zijn gewoon lui’.

Ping´an

Na die uitspraak ben ik helemaal vastbesloten de hele wandeling te maken. En zonder gids. Gisteren heb ik al gezien waar het begin van de tocht is: net achter Uitzichtpunt nummer 1 boven Ping’an. De start is dus makkelijk, hier weet ik de weg nog.

Het is half negen ’s ochtends als ik op pad ga. Al snel komen me boeren met een zware lading op hun rug tegemoet. Een vriendelijk “Ni Hao” van beide kanten en we lopen door. Het is een komen en gaan over deze smalle paden. Niet alleen van mensen, je ziet ook veel paarden die als lastdier worden gebruikt. In het dorp wordt druk gebouwd dus er komen veel stenen en cement voorbij.

Wie er ook weer zijn: de Yao-vrouwen. Een groepje vrouwen van deze stam patrouilleert rond Uitzichtpunt nummer 1, op zoek naar toeristen die hen en hun lange haar op de foto willen zetten. Tegen een vergoeding uiteraard. Ze zijn maar lastig af te schudden. Eentje heeft een blik op mijn dagrukzakje geworpen (die vol zit met gaten en weer met gekleurde draadjes dichtgenaaide stukken), en biedt enthousiast een geborduurde tas aan als koopwaar. Maar ik wil niks, alleen maar wandelen. Na een paar keer ferm “Bu Yao” (“Dat wil ik niet”) te hebben geroepen ben ik van hun verkooppraatjes en pogingen tot gidsen af.


De eerste helft van de wandeling, van Ping’an naar het dorpje Zhongliu, gaat over een bospad. Het is stijgen en dalen, maar niet echt zwaar. Het pad is steeds duidelijk, er is eigenlijk steeds maar één breed pad dat in aanmerking komt. Het voert langs een meertje waar zowaar wat bankjes bij zijn geplaatst. Ook zie je hier allemaal grafstenen tegen de heuvels geplakt.

Vlak voor Zhongliu komt een oudere man me achterop. Als ik stop, stopt hij ook en biedt me een sigaret aan. Ik houd het bij een slokje water. Aangekomen tussen de huizen van Zhongliu neemt hij me op sleeptouw. Vanaf ieder balkon of open raam is er wel een vrouw die me “Chi Fan?” toeroept (Eten?). Maar het is nog maar half 11 en ik ga pas lunchen als ik op mijn eindbestemming ben. Ik loop achter het mannetje aan en we komen aan het einde van het dorp. Daar woon ik, zegt-ie. Ik moet mee naar binnen komen en plaatsnemen op de beste stoel. Van zijn dochter die een beetje Engels spreekt krijg ik een glas water aangereikt. Net als de andere huizen hier is het huis van deze familie heel groot. Er zijn drie verdiepingen. Op de onderste verdieping leven de dieren. Dat is in dit geval een groot varken, dat door de dochter gevoed wordt door het eten via een luik vanaf de tweede verdieping naar beneden te gooien. Op de tweede verdieping, een grote open ruimte, is verder “de keuken” (een open vuur met wat pannen). Ook hangen er klokken en posters schots en scheef tegen de muur. Ik neem aan dat ze op de derde verdieping slapen. Maar ik heb geen tijd om alles uitgebreid te bekijken, ik heb nog twee uur te gaan naar Dazhai.

Ping´an

Het juiste pad naar Dazhai te vinden vanuit de wirwar van paadjes in Zhongliu is het lastigste tot dan toe. De oude man had me een richting gewezen, maar ik ben er niet helemaal zeker van. Een hond op het pad kijkt me na alsof hij me niet helemaal vertrouwt. De honden hier blaffen trouwens niet en liggen meestal maar wat in de zon. Ik weet niet of ze bijten maar ze jagen passanten in ieder geval geen angst aan.

Een paar minuten later word ik ‘ontdekt’ door een groepje Chinese jongens en meisjes. Ze roepen enthousiast, en als we even stilhouden om te praten blijkt dat zij de wandeling andersom aan het maken zijn (van Dazhai naar Ping’an). Voor mij de bevestiging dat ik dus nog steeds op de goede weg zit!

Eenmaal weg uit de bewoonde wereld van Zhongliu begint het mooiste deel van de tocht. Het pad loopt hier eigenlijk dwars door de rijstterrassen. Het is erg smal, twee mensen kunnen elkaar nauwelijks passeren. Laat staan een volgeladen paardje, dat sowieso al niet erg uitkijkt waar het loopt. Maar door op uitwijkplaatsen te wachten lost iedereen het op. Via bruggetjes van vier boomstammen moet je de stroompjes water passeren die de terrassen bevloeien. Het is lekker lopen hier. De zon maakt het ook al weer flink warm – boven de 25 graden en dat in november.

Na ruim vier uur lopen bereik ik Tiantou. Dit is het laatste dorpje voor Dazhai. Hier zijn de uitzichtpunten over de rijstterrassen rondom Dazhai, en dus staat de route weer netjes op borden aangegeven. Of de terrassen hier mooier zijn dan in Ping’an kan ik niet echt zeggen. Ze zijn wel een stuk langer en steiler valt me op. Eén heeft de toepasselijke bijnaam ‘Ladder naar de Hemel’ gekregen.

Ping´an

Vanaf de top van het dorp is het nog een steile wandeling van een uur naar beneden, naar Dazhai en naar de parkeerplaats vanwaar de bussen vertrekken. Er staat er al eentje klaar, en ik kan zo instappen. De conductrice duwt me drie kleine mandarijntjes in de hand. De hele bus eet mee van de grote zak die voorin de bus ligt.

Via een bochtige, ongeasfalteerde weg arriveren we een half uurtje later weer bij Ping’an. Na een steil klimmetje van 20 minuten te voet kom ik dan weer ‘thuis’ in de Countryside Inn.

Dunhuang – Een glimp van de Zijderoute

Twee binnenlandse vluchten in vliegtuigjes van obscure maatschappijen brengen mij van Guilin in het zuiden van China naar de noordwestelijke provincie Gansu. Helemaal in een uithoek daarvan ligt in de Gobi-woestijn de oasestad Dunhuang. Deze stad heeft vanaf de 2e eeuw voor Christus een belangrijke rol gespeeld in het verkeer op de Zijderoute. Ik ben er twee dagen, één om de fameuze Mogao-grotten te bekijken en de andere om eens een eind de woestijn in te trekken en met eigen ogen te zien wat er nog over is van die handelsweg tussen het Westen en het Oosten.

Ik heb om 8 uur afgesproken met de taxichauffeur die ik gisteren heb leren kennen. In tegenstelling tot wat ik de afgelopen weken gewend ben geraakt is het nog helemaal donker buiten als we vertrekken. Het is ook koud, ik heb mijn jas aan. We rijden over een goede asfaltweg richting het westen, verder de woestijn in. Achter ons zien we langzaam de zon opkomen. Aan weerszijden van de weg is het één grote zandbak. Je ziet er niets of niemand.

We gaan eerst naar de Yumen-pas, ruim 100 kilometer buiten Dunhuang. Zo ergens halverwege moet je 20 Yuan entree betalen, en dan rest er verder nog een lange rechte weg. We zijn vroeg. Bij de ingang tot wat er over is van de Yumen-pas is niemand wakker te krijgen dus laten we de auto staan en gaan te voet verder.

Dunhuang - Yumen pas

De Yumen-pas was één van de grensposten van het Han-rijk. Daar hield China dus feitelijk op. Voor karavanen was dit het startpunt van de noordelijke Zijderoute via Turpan. Nu is er nog maar één brok steen van over. Ik loop er een rondje omheen, en ga dan snel terug naar de auto want mijn handen bevriezen bijna. Vannacht is het -6 graden geweest, en ook nu de zon nog maar net op is is het rond het vriespunt.

Een paar kilometer verderop ligt een origineel stuk Chinese Muur uit de Han-dynastie (daterend uit het jaar 101 voor Christus), gemaakt van löss en riet. Het ziet er broos uit en er staat een groot hek omheen zodat je er niet op kunt klimmen. Wel heel wat anders dan die gerestaureerde brede weg die je in de buurt van Beijing kunt zien.

Dunhuang - Chinese Muur

Er zijn hier ook ruïnes van een oude stad. Ook hier is verder helemaal niemand aanwezig, en luid hondengeblaf zorgt ervoor dat ik op een veilige afstand blijf.
Op de terugweg richting Dunhuang stoppen we bij de Westelijke Grotten van de Duizend Boeddha’s. Het wordt eentonig: niemand te zien en dreigend hondengeblaf. De chauffeur gaat dapper op zoek naar de man met de sleutel terwijl ik bij de ingang achterblijf. Als die gevonden is mag ik in 5 grotten binnenkijken. Deze met religieuze muurschilderingen en sculpturen gevulde grotten zijn het kleine broertje van de Mogao-grotten, het werelderfgoed 50 kilometer verderop waar ik gisteren ben geweest. De afbeeldingen hier zijn veel primitiever en minder goed bewaard gebleven dan in Mogao. Noch in Mogao noch hier mogen binnen foto’s gemaakt worden.


Hoe het er hier in de hoogtijdagen uitgezien moet hebben is te zien in ‘Oud Dunhuang’, het locale openluchtmuseum. Het is wat ruimer en netter opgezet dan het waarschijnlijk in het echt is geweest, de drukte en de stank in de straten moet je er zelf bijdenken. De lemen huizen doen mij herinneren aan Mali en Mesa Verde (VS). Hier zie je ze alleen nog maar in een museum.

Met de Zijderoute kwam ook het Boeddhisme China binnen. In een buitenwijk van Dunhuang staat de Pagode van het Witte Paard. Volgens de legende liet de monnik Kumarajiva hier in 384 een pagode bouwen ter nagedachtenis aan zijn schimmel. Die stierf toen zij halverwege waren op de barre tocht van Qiuci (Kuche in Xinjiang) naar Chang’an (Xian) om het boeddhisme te verspreiden. Deze pagode is opnieuw opgebouwd in 1992 en heeft belletjes bovenin die rinkelen in de wind.

Dunhuang - White Horse Pagoda

#230: Mogao grotten

Wat is het?
De Mogao-grotten zijn een systeem van 492 uit rotsen gehouwen cellen en heiligdommen in de buurt van Dunhuang, in het woestijnlandschap van de provincie Gansu. Vanwege de strategische ligging langs de Zijderoute trokken de grotten van de 4de tot de 14de eeuw veel pelgrims en een verscheidenheid aan culturele invloeden aan. De meeste cellen zijn gemaakt tijdens de Tang-dynastie (tot ca. 750), toen het Boeddhisme en de Zijderoute op hun hoogtepunt waren. Ze zijn bekend om hun beelden en muurschilderingen.

Cijfer: 8 (Ik heb een zwak voor plekken langs de Zijderoute, en dit hier heeft misschien wel de grootste schatten).

Toegang: 80 Yuan (8 EUR). Je mag in de grotten geen foto’s maken.

Hoeveel tijd: Anderhalf uur.

Opvallend: De Mogao-grotten liggen in een kleine oase net buiten de stad Dunhuang. Ik arriveerde om 14.30 uur en moest wachten tot een kleine groep zich had verzameld. Ik vergat te vragen naar een Engelssprekende gids bij het loket dat ongeveer 1 kilometer verwijderd is van de ingang van de grotten. Zo kwam ik op een Chinese tour, met 11 andere bezoekers.

De tour bracht ons naar negen van de grotten plus de tentoonstelling ‘Hidden Library’. De grotten die we bezochten waren de twee grote boeddha’s, de liggende boeddha en voorbeelden van houtsnijwerk uit de Wei- en Tang-dynastie.

Het verhaal van de Hidden Library, en hoe de inhoud voor het eerst werd weggegeven door de ontdekker Wang Yuanlu en later ‘gekocht’ door niet-Chinese ontdekkingsreizigers (Britse, Amerikaanse, Russische en Japanse) speelt een prominente rol in de tour. Ik kreeg het gevoel dat de extreem strenge bezoekregels van tegenwoordig een compensatie zijn voor dit misbruik in het verleden.

Dit was mijn laatste bezoek aan de vier groepen boeddhistische rotskunst in China (Dazu, Longmen en Yungang waren de anderen). De Mogao-grotten zijn de oudste van deze vier en verschillen van de andere vanwege hun uitgebreide muurschilderingen en gedecoreerde vloeren.

Chengdu – Het luizenleventje van een reuzenpanda

Het dagelijks leven van een panda in gevangenschap is zorgeloos. Na de hele nacht lekker warm binnen in een hok te hebben liggen slapen, word je om acht uur ’s ochtends naar buiten gelokt voor het ontbijt. Je verzorgers hebben al stapels verse bamboe voor je klaar gelegd. Die hebben ze van ver uit de bergen moeten halen. Er staan mensen voor het hek te kijken hoe je eet en foto’s te maken, maar daar trek je je helemaal niets van aan. Je gaat er eens lekker onderuitgezakt voor zitten.

Chengdu panda's

Er ligt zoveel bamboe klaar dat je de lekkerste stukjes eruit kunt kiezen. Geholpen door je zesde vinger pak je een vuistvol groene bladeren en begint te knagen. Smakken mag. De overgebleven kale takjes laat je gewoon op de grond vallen, die ruimt een ander wel op. Je hoeft alleen maar je arm uit te strekken en je hebt weer een nieuwe groene bamboetak te pakken. De andere panda’s hebben hun eigen voorraadje en storen je niet tijdens het eten.

Na een uurtje eten is het wel weer tijd om te slapen. Slapen is het lekkerst in een boom. Of zoals hier in het reservaat half hangend in een klimrek. Dit patroon van eten en slapen houd je wel zo’n 12 uur per dag vol. Dan heb je 10 tot 15 kilo bamboe weggeknaagd en is het al weer tijd voor een goede nachtrust!

Chengdu panda's

Mount Qingcheng

De reuzenpanda wordt zelden in het wild gezien, er zijn er nog maar 1500-2000 over. Een pandasafari is dus geen optie. Het beste alternatief is om een ​​van de 16 hierboven genoemde parken te bezoeken om hun natuurlijke leefomgeving te zien, plus het dier zelf in gevangenschap te observeren. Om dit te bereiken, ging ik naar Mount Qingcheng waar naar verluidt nog steeds 6 of 8 panda’s leven. De beste combinatie is waarschijnlijk te vinden in Wolong, maar ik kon er niet komen omdat de weg was afgesloten.

Dit werelderfgoed benadrukt het leefgebied van de reuzenpanda. Dit omvat ook andere diersoorten, zoals de vergelijkbare ongrijpbare sneeuwluipaard, de gouden aap, de zwartnekkraanvogel, de bruine beer, de rode panda en de steenarend. Onder de flora valt de hoge diversiteit aan rododendrons (100 soorten) op.

Mount Qingcheng

Ik heb een halve dag rond de Qingcheng-berg gewandeld (aan wat de ‘achterkant’ of ‘achterste berg’ wordt genoemd, de hogere en meer natuurlijke kant van de berg, in plaats van de voorkant waar de meeste taoïstische kloosters zich bevinden). De kabelbaanrit naar boven geeft een goed uitzicht op de hoge bomen in dit gemengde bos, en ook op de grotere vogels (ik zag er een paar zwart/witte met lange staartveren). Tijdens het wandelen door het weelderige bos kwam ik verschillende watervallen, grotten en een grote diversiteit aan lage planten tegen.

Praktische info

Zie China 2007 – Praktisch.

Leave a comment