Alamogordo en White Sands
Helemaal in het zuiden van New Mexico, een paar kilometer verwijderd slechts van de grens met Texas en Mexico, verblijf ik vier nachten in een Bed&Breakfast in Santa Teresa.
Alamogordo en White Sands
In de loop van de eerste ochtend stap ik weer in de auto, voor de ca. 95 mijl naar Alamogordo. Ik rijd via een bergweg die me is aangeraden en die om de enorme stad El Paso leidt.
Onderweg moet ik stoppen voor grenscontrole, op alle uitvalswegen van El Paso (dat op de grens met Mexico ligt, en tegen Ciudad Juarez aan) is er een soort tweedelijns controle ingericht tegen mensensmokkelaars. Na even een blik op mij en de auto geworpen te hebben mag ik echter zo doorrijden. Ik denk niet dat je hier te voet als illegale immigrant veel kans maakt: het is eigenlijk een grote woestijn met hier en daar wat steden. Je kunt je slecht verschuilen en het is heet en droog. Een mooie plek ook voor een gevangenis zo heeft de staat Texas waarschijnlijk gedacht. Na een bordje “Geen lifters meenemen” rijd ik langs een betonnen fort met vele rijen hoog prikkeldraad: daar heeft ontsnappen geen kans.
Space museum
De stad Alamogordo (we zijn inmiddels weer in New Mexico) is de eerste stad die je tegenkomt na El Paso in deze onherbergzame streek. Behalve voor gevangenen is dit gebied namelijk ook voor militaire oefenterreinen en ruimtevaart zeer goed geschikt. Op het terrein van de White Sands Missile Range heeft in 1945 de eerste test met een atoombom plaatsgevonden.
Alamogordo is niet veel bijzonders als stad, maar heeft een groot museum over de ruimtevaartgeschiedenis. Het is gehuisvest in een kubus aan de rand van de stad, naast een parkje met levensechte raketten. Je begint de rondleiding op de 4e verdieping, en loopt dan naar beneden. Op de bovenste etage kijk ik een leuke video over de praktische kanten van gewichtsloosheid in de ruimte, je kunt dan echt grappige dingen doen met eten en drinken.
Het hele museum ademt de sfeer uit van de jaren zestig en zeventig: de periode van de grote stappen in de ruimtegeschiedenis. Het is allemaal niet meer glimmend en modern, maar het is wel de moeite van het bezoek waard om zo oog in oog te staan met echte ruimtespullen: een stukje maan, internationale ruimtepakken en het kistje waarin het aapje Ham in 1961 de ruimte is ingestuurd.
Van Alamogordo rijd ik via de Highway 70 verder naar White Sands. Deze weg is echt de meest saaie die ik tot nu toe heb gereden. Er is echt helemaal niets. Tot overmaat van ramp waait het ook nogal, zodat je door het stof ook niet ver kunt kijken.
White Sands
De weken voorafgaand aan mijn reis is deze streek geteisterd door hevige regen (lijkt onwaarschijnlijk als je er bent, maar veel huizen in El Paso hebben bijvoorbeeld waterschade opgelopen). Ook het White Sands National Monument heeft eronder geleden, de helft van de route door de duinen van gips is afgesloten voor bezoekers. De entree is daarom gratis.
Misschien dat het komt door de afsluiting, maar ik had me het toch anders voorgesteld. Je ziet maar weinig echte witte zandduinen, er zijn behoorlijk veel planten en struiken die hier weten te overleven. Het is ook behoorlijk druk, zelfs campers rijden deze route. Ik loop er een klein uurtje door het zand en vervolg dan weer mijn weg.
Relaxen in Santa Teresa
Mijn derde en laatste volle dag in het zuiden houd ik een rustdag. Een beetje moe van al het rijden, maar ook veel zin om gewoon te genieten van alle comforts in mijn Bed&Breakfast Casa de Suenos: draadloos internet om mijn website bij te werken, zitjes in en uit de zon met prachtige vergezichten over El Paso en de omliggende bergen….
Noord Arizona
Om vanuit het zuiden van New Mexico naar het noorden van Arizona te komen ben ik de hele dag onderweg. Gelukkig kan ik op de Interstates goed doorrijden. Alleen in de buurt van Phoenix (een enorm uitgestrekte stad) is het even opletten.
Rond lunchtijd maak ik nog een stop in de woestijn even ten zuiden van Tucson. Hier ligt de San Xavier del Bac, een Spaanse missiekerk uit de 18e eeuw. Heel vreemd om zoiets hier, tussen de buitenwijken van de stad Tucson en de woestijn, aan te treffen. Je denkt meer aan Mexico als je deze fraaie witte katholieke kerk ziet.

Het is zondag, en er zijn honderden andere bezoekers. Dagjesmensen die zich te goed doen aan het Indiaanse brood dat bij kraampjes wordt verkocht. Maar ook gelovigen, want deze kerk trekt mensen van verre. Het is een van de weinige plaatsen die ik tijdens mijn reis gezien heb waar je zou kunnen spreken van een ‘gezellige sfeer’: het is hier verder nogal clean, ook bij restaurants kun je vaak alleen maar binnen zitten en gaat het in een tempo dat je er zo weer weg bent.
Grand Canyon
Ondanks de lange rit van de dag ervoor probeer ik de volgende dag weer vroeg op te staan om vroeg bij de Grand Canyon te zijn. Ik vertrek al om 7 uur, maar maak dan eerst twee onvrijwillige rondjes door het centrum van Flagstaff omdat ik de goede afslag niet kan vinden (de avond ervoor was ik ook al een beetje verdwaald toen ik terug wilde keren van de supermarkt naar mijn hotel).
Uiteindelijk heb ik dan de goede weg te pakken, en ik rijd naar de Grand Canyon (South Rim). De zon is inmiddels al weer goed gaan schijnen. De highways 180 en 64 die ik moet volgen zijn rustige wegen in een mooie omgeving.
Na 1.5 uur kom ik aan bij het park. Je moet 25 dollar (per auto) entree betalen – het hoogste bedrag dat ik hier in de VS aan entreeprijzen heb uitgegeven. Ik parkeer mijn auto Grand Canyon Village (nog parkeerplaatsen genoeg), en vanaf daar heb ik een eerste zicht op deze grote scheur in de aarde.
Vanuit het dorp loop ik westwaarts via de Rim Walk, naar Hermit’s Rest. Deze Rim Walk is vrij vlak: ik hoorde een Duitser zeggen dat Oma wel mee had kunnen komen. De hoogte en de droge lucht putten je niettemin uit, lopen is hier veel zwaarder dan op zeeniveau. De wandeling volgt de randen van de canyon, zodat je steeds even een blik kunt werpen op de bijzonder uitgesneden rotsen beneden. Deze eenvoudige wandeling is een zeer prettige manier om het park te ervaren, te ruiken en te zien. Hermit’s Rest aan het eind van de route is niet veel meer dan een kleine snackbar. Vandaar ga ik met de gratis pendelbus terug naar het dorp.
Via de Desert View Drive verlaat ik het park. Deze route heeft nog wat extra uitkijkpunten over de Canyon (vanuit een andere hoek). Vele daarvan zijn echter helemaal vol met andere toeristen en hun auto’s. Zelfs op een maandag in eind september komen er zeer veel bezoekers naar de Grand Canyon (meer dan 4 miljoen per jaar).
Terugkijkend heb ik een mooie dag gehad, maar ik denk dat het beter zou zijn geweest om in het park zelf ook te overnachten. Zo kun je er ook de zonsopgang en -ondergang meemaken en is het wat minder druk, en zal het een wat diepere indruk nalaten dan het nu deed.
Sedona
Geen lange dagtocht meer de volgende dag. Na nog even het aardige Museum of Northern Arizona in Flagstaff te zijn binnengewipt (met een hele mooie maar ook vreselijk dure museumwinkel), rijd ik binnendoor naar het plaatsje Sedona. Binnen een uurtje sta je in een heel andere wereld: een leuk western stadje omringd door grote rode bergwanden.
Sedona heeft één hoofdstraat met aan weerszijden allemaal winkeltjes. Het is wel heel erg toeristisch (en ik ben er ook zeker niet alleen), maar de ligging van Sedona is zonder meer spectaculair. Goed lunchen kun je er ook, ik eet in het grote Mexicaanse restaurant Oaxaca.
Santa Fe
Santa Fe heeft zo’n 70.000 inwoners en het is dé toeristische trekpleister van New Mexico. Het is de oudste hoofdstad van de VS en is gesticht in 1608. Tot 1848 was het onderdeel van Mexico (net als de rest van de staat overigens). Het ligt op 2100 meter hoogte.
Na de lange rit uit Denver maak ik om een uur of 4 ’s middags mijn eerste rondje door de stad. Het zonlicht is ontzettend fel: zelfs met een zonnebril op kan ik nauwelijks de gebouwen aan de overkant van de straat onderscheiden. Ook is de lucht erg droog.
Wandelen door Santa Fe
De nacht was koud, en ook de vroege ochtend zo blijkt als ik buiten op het terras ga zitten voor het ontbijt. De lucht is wel strak blauw, en het ruikt erg fris. Het ontbijt bestaat uit fruit en luchtige pannenkoeken. Gelukkig erg licht.
Al om kwart over 9 ga ik op pad. De zon is er al wel maar nog niet zo fel als gisteren, dus foto’s maken gaat nu een stuk beter. Ik loop eerst naar de Plaza. Onderweg kan ik wat mooie foto’s maken van adobe huizen en de oudste kerk (San Miguel Mission).
Op de Plaza, het centrale plein naar Spaans-koloniaal voorbeeld, ga ik eerst naar het Gouverneurspaleis. Het is het oudste openbare gebouw in de VS en stamt uit 1609. Het langgerekte gebouw dat de hele noordzijde van de Plaza bestrijkt is nu een museum gericht op de geschiedenis van New Mexico. Deze regio is altijd een omstreden grensgebied geweest, waar hard gevochten is tussen Amerikanen en Spanjaarden. Ook de oorspronkelijke Indiaanse bevolking raakte regelmatig betrokken in de strijd. Ik vind het hier echt het land uit de cowboyfilms, een tentoongestelde oude postkoets zie je zo al rammelend door de woestijn rijden.
Ik vervolg mijn weg naar Canyon Road. Dit is een lange, slingerende weg vol met galeries en andere kunstzinnige winkeltjes. Vaak zijn het heel grote kunstwerken, standbeelden waarvoor je een flinke tuin nodig hebt. Het is een heerlijke slenterweg, zo op de zonnige maar frisse zondagochtend. Je ziet er ook fraaie planten die hier wel heel gewoon zullen zijn maar voor mij echt iets exotisch hebben. Aan het eind loop ik nog een stuk door een schitterende woonwijk met uitzicht op de Santa Fe omringende bergen.
Het wandelen bevalt goed vandaag, dus loop ik maar door naar Museum Hill. Dit ligt een uurtje buiten het centrum, maar je hebt het gevoel dat je midden in de natuur bent. Ik volg de Santa Fe Trail, de oude handelsroute door New Mexico. Het landschap is glooiend, met veel groen struikgewas en gele en blauwe bloemetjes.
Op Museum Hill liggen zoals de naam al doet vermoeden een aantal musea bij elkaar. Als beloning ga ik er echter eerst even lunchen: groene chili enchilladas met kip (inclusief drankje 10 dollar). Daarna bezoek ik het Museum of Indian Arts and Culture. Museau inrichten kunnen ze hier wel in de VS. Vooral de eerste hal (‘Here, now and always’) vind ik erg imposant. Daar wordt de Indiaanse cultuur (of beter: de culturen van de verschillende Indiaanse volken) gepresenteerd via tientallen verhalen uit het dagelijks leven verteld door de bevolking zelf. Iedere geografische regio heeft zijn eigen cultuur ontwikkeld, soms in de woestijn, soms in de bergen. Gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven, en voor bijzondere gebeurtenissen worden tentoongesteld.
Om half 3 loop ik terug naar het B&B. De terugweg is gelukkig bergafwaarts, en in drie kwartier ben ik weer ‘thuis’.
Mesa Verde
Het Mesa Verde Nationaal Park ligt in de staat Colorado. Vanuit Flagstaff, in het noorden van Arizona, rijd ik via het noorden van New Mexico weer het groene Colorado in. Ik ben nog nauwelijks over de staatsgrens en het dorre landschap maakt plaats voor groen en in de verte zelfs besneeuwde bergen!
Even voorbij het stadje Cortez is de afslag naar Mesa Verde. Een lekkere slingerweg van 15 mijl lang leid je omhoog, naar het gebied waar de voorouders van de huidige Pueblo Indianen hun rotswoningen bouwden. Je ziet langs de weg nog sterk de sporen die de grote branden de afgelopen jaren hier hebben nagelaten: heel veel dode bomen. Verder begint alles al herfsttinten te krijgen.
Chapin Museum en Spruce Tree House
Omdat mijn kamer in de bij het park horende lodge nog niet gereed is, begin ik meteen na aankomst maar met de sightseeing. Ook binnen het park zijn de afstanden nog fors, je hebt echt een auto nodig om van bezienswaardigheid a naar b te geraken. Het dichtst bij de ingang zijn het Chapin Museum en Spruce Tree House.
Het museum loop ik snel doorheen (veel ervan al eerder gezien in andere musea op deze reis). Wel kijk ik de video van een half uur over de achtergronden van Mesa Verde. Het is een raadsel waarom de bewoners ervoor gekozen hebben hun huizen te bouwen onder de overhangende rotsen (ze woonden er eerst bovenop). Misschien om zich te verstoppen voor de vijand, maar waarschijnlijk om zich te beschutten voor het barre klimaat in deze regio: ’s winters erg koud, en ’s zomers zonovergoten. De meest ingenieuze gebouwen, vele verdiepingen hoog, stammen uit de 12e en 13e eeuw.
Vlakbij het museum ligt een van de best bewaard gebleven nederzettingen: Spruce Tree House. Je loopt er in een kwartiertje (bergafwaarts) naar toe (de terugweg omhoog is wat zwaarder aan de rode gezichten te zien de me tegemoet komen). Het is hier drukker dan ik had gedacht, zo aan het eind van de middag zijn er nog tientallen mensen.
De huizen, of eigenlijk afzonderlijke kamertjes binnen één groot huis, zijn allemaal gemetseld onder een overhangende rots. Er woonden destijds (13e eeuw) zo’n honderd mensen. Aan het eind van de 13e eeuw zijn alle rotswoningen verlaten, waarschijnlijk als gevolg van grote droogte. De bewoners zijn verder zuidwaarts getrokken, naar de leefgebieden van de huidige Hopi- en Pueblo-volken (vooral in New Mexico).
Cliff Palace en Balcony House
De volgende dag ben ik om 8 uur, als de wegen in het naseizoen open gaan, al weer met de auto op pad in het park. De bedoeling is om de Mesa Top Loop te rijden, maar die blijkt net geasfalteerd te worden. Dan maak ik maar eerst het andere rondje, de Cliff Palace loop.
De eerste stop is bij het Huis met de Vele Ramen: helemaal aan de overkant van de vallei kun je het zien liggen. Al verder rijdend kom ik nog een familie hertjes tegen, die zonder te kijken op hun gemak de weg oversteken.
Bij de Far View Sites worden net twee bussen met schoolkinderen losgelaten. Gelukkig kan ik ze een beetje ontwijken. Deze Far View Sites stammen uit ongeveer dezelfde periode als de rotswoningen, maar zijn ‘gewoon’ op de vlakke aarde gebouwd. Ze lijken daarmee erg op die in Chaco Canyon, waar ik aan het begin van mijn reis was, en op de hedendaagse Pueblo’s zoals Taos. De bewoners hier hebben waarschijnljk ook een kunstmatig waterreservoir aangelegd (Mummy Lake).
Bij het bezoekerscentrum koop ik vervolgens 2 kaartjes voor begeleide tours later op de dag naar Cliff Palace en Balcony House. Deze twee grote gebouwencomplexen kunnen alleen onder begeleiding bezocht worden. De kaartjes kosten 3 dollar per stuk, voor een tour van een uur.
De Cliff Palace tour wordt begeleid door een park ranger. Net als bij het kopen van het kaartje waarschuwt ze in haar praatje eerst nog eens heel uitgebreid voor hoe zwaar deze tocht wel wordt: we moeten maar liefst 3 ladders beklimmen, en verder nog wat ongelijke traptreden. De totale afstand is echter nog minder dan een kilometer.
Van bovenaf heb je al een mooi zicht op het Cliff Palace. Dit is de grootste nederzetting in Mesa Verde, met 171 kamers. Het heeft zowel ronde als vierkante torens. Beneden vertelt de ranger meer over het ontstaan en verlaten van deze en de andere rotswoningen in Mesa Verde. Mensen konden hieronder alleen wonen omdat er water aanwezig is. Ze leefden van de jacht en verbouwden o.a. mais en bonen op het groene dak bovenop de rotsen waaronder ze woonden.
Ik lunch bij het Spruce Tree Terrace, waar je zowaar buiten kunt zitten (dat heb ik niet veel gezien onderweg, misschien is het het seizoen niet of houden de Amerikanen er gewoon niet van). Ik neem een Navaja Taco gevuld met kip met groene chili saus. Een Navajo Taco is net zoiets als een gewone, Mexicaanse Taco, maar dan met het ronde, dikke Indiaanse brood als basis. Het smaakt prima. Daarna rijd ik terug naar mijn kamer voor een siësta, om later in de middag weer fit te zijn voor meer ruïnes.
Voor vier uur heb ik de Balcony House tour geboekt. Hier blijken aanmerkelijk minder deelnemers te zijn dan aan de tour van vanochtend: waarschijnlijk zijn velen afgeschrikt door de 10 meter hoge ladder die je moet beklimmen, of ze passen niet door de smalle tunnel die je op handen en voeten moet passeren.
Al die moeite die je moet doen om er te komen maakt het bezoek natuurlijk extra leuk. Van bovenaf kun je Balcony House niet zien. Je loopt eerst een lang pad af tot je onder de overhangende rotsen bent. Daar staat de houten ladder klaar, gelukkig wel een hele stevige. Balcony House is, anders dan de andere nederzettingen in dit gebied, echt gebouwd als een vesting. Behalve de steile klimmen waren er ook smalle tunnels om zo eventuele aanvallers kwetsbaar te maken. Nu hoeven we er daarvan maar eentje te overwinnen. Je krijgt wel veel respect voor de makers: van niets anders dan een holle rots hebben ze met veel van hen zo kenmerkend metselwerk een bewoonbaar plateau gemaakt met huizen met meerdere verdiepingen en kiva’s, ondergrondse ceremoniële ruimtes.
Ter afsluiting van mijn verblijf in Mesa Verde en eigenlijk van de hele reis heb ik ’s avonds uitgebreid gegeten in het Metate Room Restaurant, ook in het park. Dikke, pittige Mexicaans/Indiaanse kippensoep, gegrild wild (met o.a. kwartels) en cheesecake met ijs en bessensaus na.
Chaco Culture
De volgende ochtend word ik nog steeds vroeg wakker, het duurt blijkbaar wel een aantal dagen om de 8 uur tijdsverschil te overbruggen. Dat komt vandaag wel goed uit, want ik wil al om 7 uur op pad. De rit naar Chaco Culture National Historical Park duurt zo’n 3 uur, dus dan ben ik daar mooi op tijd voordat het echt te warm wordt of er teveel zon is om te fotograferen. Zo vroeg in de ochtend is het trouwens nog wel fris. Op de radio hebben ze het er over dat de herfst is begonnen. Het is ’s nachts afgekoeld tot rond het vriespunt.
De heenweg naar het park van de Chaco Indianen, de voorouders van de huidige Hopi en Pueblo-volken, gaat probleemloos. Eerst nog een stukje I-25, en dan vanaf Bernalillo de Highway 550. Dit is ook alweer zo’n lange rechte weg, waar weinig te zien is en je ook maar weinig stadjes tegenkomt. De afslag naar het park is gelukkig goed aangegeven. Vanaf dat punt is het nog 21 mijl, waarvan het grootste deel over de onverharde weg. Het is hier echt afgelegen, ik vraag me af of er ook andere toeristen zijn.
Na drie kwartier hobbelen kom ik aan bij het bezoekerscentrum. Daar staan warempel nog een paar auto’s. Blikvanger is meteen de enorme rots, de Fajada Butte, die de toegang tot het park markeert.
Binnen moet er betaald worden: de entree is 8 dollar (per auto). Er is een rondrit door het park van 26 kilometer langs de belangrijkste bezienswaardigheden. Ik begin echter met een korte wandeling vanaf de parkeerplaats naar Una Vida. Dit is een grotendeels onopgegraven great house, een gebouw voor publieke doeleinden. Vanaf 850 tot 1100 werd het gebouwd en steeds verder uitgebreid. Una Vida is het meest oostelijke van alle (ca. 150) publieke gebouwen in deze regio, die met een netwerk van wegen met elkaar verbonden waren.
Bij aanvang van de wandelroute liggen er folders met de uitleg over de belangrijkste punten. De wandeling is 1,6 mijl lang, en is heerlijk in de nog steeds koele buitenlucht. Het hoogtepunt vind ik de rotstekeningen boven tegen de rotswand.
Met de auto rijd ik naar het volgende punt: Hungo Pavi. Hier staat vooral nog een lange stenen muur overeind. De Chaco waren bijzonder goede metselaars. Aan de manier waarop de muren gemetseld zijn kunnen de archeologen aflezen uit welke periode een gebouw stamt. De gebouwen konden 3 tot 4 verdiepingen hoog worden. De muren zijn onder breder dan boven, om ze te verstevigen.
Aan het eind van de vallei staan de twee pronkstukken, Chetro Ketl en Pueblo Bonito. Beide zijn grote gebouwencomplexen, met ca. 500 kamers. Met weer zo’n handig gidsje in de hand loop ik de routes langs (en deels door) deze monumenten. De gidsjes maken je attent op allerlei details: zo kun je kleine ronde gaten zien in de rotswand, waar de gebouwen voor extra versteviging met houten balken tegenaan waren vastgezet. Een bezoeker in 1901 meldde zelfs balkons te hebben waargenomen bij Chetro Ketl.
Pueblo Bonito is in 1941 getroffen door grote brokstenen van een rots waar het tegenaan gebouwd is. Toch is er nog steeds vrij veel van over: het centrale plein en de lage deuren tussen de verschillende ruimtes zijn hier goed te zien. Er werd veel hout gebruikt, dat nu grotendeels vergaan is. Ook waren de stenen muren bedekt met cement of klei.
Op het hoogtepunt van haar bestaan woonden er naar schatting maar zo’n 2000-6000 mensen in Chaco – in dit droge, rotsachtige gebied is het niet makkelijk te overleven. De meeste gebouwen hadden waarschijnlijk alleen religieuze en commerciële functies.
Mijn bezoek aan Chaco Culture sluit ik na 4 uur rondkijken (en nog lang niet alles gezien hebbende) weer af in het bezoekerscentrum. Daar bekijk ik nog een video over de astronomische kennis van de Chaco’s. Het blijkt dat er gebouwd is op exacte noord-zuid en oost-west lijnen. Ook is er een punt op Fajada Butte waar markeringen zijn gerelateerd aan de stand van de zon.
Ik besluit om een andere weg terug te rijden, via een noordelijke route (Highways 64 en 84). Hoewel de afstand op de kaart even ver lijkt als die van vanochtend, is dit toch een veel langere rit. Eerst slingert de weg zich door de bergen: in het noorden van de provincie (in de Four Corners) is het een stuk groener en bergachtiger. Voor het daarop volgende stuk zet ik mijn zonnebril maar af om beter te kunnen genieten. In dit schitterende bossige gebied nabij het plaatsje Dulce rij je langs grote paardenranches. Als je van het buitenleven houdt is dit de ideale plek om te wonen. Op de radio hoor ik een spotje van de gouverneur van Colorado (John Salazar) voor zijn herverkiezing: hij is een ‘farmer, rancher and businessman’. Hij neemt het in het Congres op voor ‘zijn’ boeren in Colorado. Uiteindelijk komt de weg uit bij Chama, ook al zo’n charmant western stadje.
Taos
Dinsdagochtend ga ik om 10 uur op pad voor de tocht van vandaag naar Taos. Ik neem wat de ‘High road to Taos’ heet: een toeristische binnenweg. Veel meer dan 35 mijl per uur rijd je hier niet, maar het is ook niet ver naar Taos.
Ik maak een tussenstop in Las Trampas, waar een van de mooiste adobe kerkjes uit de regio staat. De San José de Gracia kerk stamt uit de 18e eeuw en wordt enthousiast gefotografeerd door de aanwezige bezoekers. Zowel hier als elders de afgelopen dagen kom ik eigenlijk alleen maar oudere Amerikanen tegen. Het is nu al de vierde dag van mijn vakantie en ik heb nog steeds geen Nederlanders gezien!
Nog een klein uurtje rijden, en ik ben in Taos. De stad blijkt te bestaan uit één hele lange straat, die begint met allerlei motels en fastfoodrestaurants en eindigt bij ‘het centrum’. Dat centrum bestaat uit de Plaza en een zijstraat. De sfeer is er erg ontspannen. Twee oude hippies met een gitaar zitten op straat hun liedjes te zingen. Er zijn erg veel leuke winkeltjes met Indiaanse producten, allemaal wat kleinschaliger en goedkoper dan in Santa Fe.
In de middag rijd ik verder naar Taos Pueblo, een werelderfgoed en met 1000 jaar een van de langst onafgebroken bewoonde plaatsen in de Verenigde Staten. De parkeerplaats wordt beheerd door een vriendelijke oude Indiaan. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en wat voor weer het daar is. En of er ook sneeuw valt, dat vindt-ie fascinerend. In de bergen boven Taos kun je trouwens ook skieën dus helemaal vreemd is het niet voor de bewoners hier.
In het dorp wonen nog steeds zo’n 150 mensen. Een beetje een museumdorp is het wel, je moet entree betalen (10 dollar + 5 dollar om foto’s te mogen maken). Op de foto’s die ik vooraf gezien had lijkt het op een heuvel te liggen, maar in de werkelijkheid is het een vlak terrein waar aan weerszijden een groot gebouwencomplex staat (het Noord Huis en het Zuid Huis). Dit zijn allemaal individuele woningen met gemeenschappelijke muren. Vroeger kon je er alleen naar binnen met een laddertje via de bovenkant.
De San Geronimo kerk ligt ook aan het centrale plein. Ze zijn de dikke adobe muren net aan het schilderen: wit met een leemkleur. Het katholicisme is duidelijk een van de ‘nieuwe’ elementen in de cultuur van Taos Pueblo.
Ik struin verder wat rond tussen de gebouwen. Het lijkt hier net op Mali: de eenvoudige lemen huizen, het felle zonlicht. Er is geen elektriciteit en geen stromend water. Het water voor dagelijks gebruik komt uit het beekje dat dwars door het dorp stroomt. Droogrekken (voor vlees en mais) en ovens (om brood in te bakken) staan buiten voor de huizen.
Op de terugweg rijd ik via Highway 68. Deze loopt het eerste stuk parallel aan de Rio Grande. Er zijn verschillende uitzichtpunten met parkeerplaatsen, en niet voor niets: de (niet meer zo grande) rivier slingert zich een weg door het groene berglandschap. Opmerkelijk is trouwens dat je op deze vrij rustige binnenwegen veel zwaar vrachtverkeer tegen komt. Zo zie ik vandaag maar liefst twee complete huizen voorbij komen.
Terugblik VS 2006
Het heeft lang geduurd voordat ik me zelf er toe kon bewegen eens naar de Verenigde Staten te gaan. Te weinig ‘echte’, oude cultuur en te westers. Totdat ik me wat ging verdiepen in New Mexico: het altijd zonnige klimaat, de oude Indianen beschavingen, de Spaanse geschiedenis.
Eind september 2006 reisde ik er twee weken met een huurauto rond. Hoogtepunten van deze reis waren voor mij Santa Fe en omgeving en de twee nationale parken Chaco Culture en Mesa Verde. Zoals overal op het Amerikaanse continent is er daartussen ook heel veel niets.
Algemeen
Het zuidwesten van de Verenigde Staten is het land van de Mexicanen, de Indianen en de gepensioneerde Anglo-Amerikanen. Pas geïmmigreerde Mexicanen kom je tegen je in de laagstbetaalde baantjes (zoals glazenophaler in een restaurant). Indianen zie je liften langs de weg, of wonen in containers in de hete zon in Navajo Nation. De Indianen hebben hele grote stukken grond terug in bezit gekregen, maar dat zijn vooral de droge, onherbergzame streken met hier en daar casino’s en souvenirwinkeltjes. De streek is ook erg in trek bij Anglo-Amerikanen die in de zon van hun pensioen willen genieten. De algehele sfeer is heel ontspannen.
Verblijf
De plekken waar ik overnacht heb zijn een combinatie van hotels/motels, bed&breakfasts en een lodge in een nationaal park. Ik had alles vooraf gereserveerd, vooral voor de bed&breakfasts en de lodges is dat wel zinvol omdat ze daar maar weinig kamers hebben. Als ik mijn reis opnieuw zou plannen, zou ik alleen nog maar in bed&breakfasts verblijven: dat geeft een wat intiemer, persoonlijker tintje aan de reis als tegenstelling tot de eindeloze wegen, de immense parken en eigenlijk alles dat groot is.
Embassy Suites Airport (Denver): goed hotel vlakbij het vliegveld. Prima plek om de eerste en laatste nacht door te brengen. Kamers zijn inderdaad suites, met aparte slaapkamer en woonkamer en maar liefst twee grote TV’s. Ook heeft het een goed restaurant en is een uitgebreid ontbijt bij de prijs inbegrepen. Prijs: 115 dollar (92 euro).
El Paradero (Santa Fe): Gunstig gelegen en drukbezocht Bed&Breakfast in het centrum van Santa Fe. Hele mooie kamer in New Mexico stijl. Uitgebreid ontbijt (op terras) met veel vers fruit en een warm gerecht. Geen TV of internet op de kamers, dat is enerzijds wel lekker rustig maar gaat na een paar dagen toch vervelen. Prijs: 150 dollar (120 euro).
Casa de Sueños (Santa Teresa): de beste overnachtingsplek van de hele reis. Rustig Bed&Breakfast met maar 4 kamers. Heel rustig gelegen op een heuvel aan de rand van de woestijn, maar toch op maar 10 minuten rijden van alle restaurants en winkels die je maar kunt bedenken (in El Paso). De eigenaren (en hun 2 honden) laten je er echt thuis voelen. Mooie zitjes in en om het huis waarvandaan je kolibries en voorbijhoppende konijnen kunt bekijken. Het hele B&B straat veel aandacht voor detail uit. Prijs: 75 dollar (60 euro).
Holiday Inn Express (Flagstaff): standaard hotel voorzien van gemakken als draadloos internet, een grote TV en een luxe badkamer. Verder nogal groot en onpersoonlijk. Inclusief redelijk ontbijt (met plastic weggooi-servies). Prijs: 80 dollar (64 euro)
Far View Lodge (Mesa Verde): lodge bestaande uit houten huisjes met balkon in het park. Vrij eenvoudig en tamelijk oud. Kamers kunnen wel een opknapbeurt gebruiken, dat is naar het schijnt al gebeurd met de duurdere kamers. Wel een prima locatie natuurlijk, en lekker rustig. Prijs: 115 dollar (92 euro).
Geldzaken
Over het algemeen is het niet duur in het Zuidwesten van de VS. Voor een hoofdgerecht in een restaurant betaal je zo’n 10 dollar, een volle tank benzine heb je al voor 30 dollar en mijn nieuwe spijkerbroek kostte 9,95 dollar. In Santa Fe is het wel een stuk duurder: daar betaal je makkelijk 40 dollar voor een maaltijd in een leuk restaurant (inclusief drankje en fooi).
Eten en drinken
Je kunt erg goed eten in het Zuidwesten van de VS, maar soms is het wel moeilijk iets anders te vinden dan de fastfoodrestaurants die op iedere hoek van de straat aanwezig zijn. Santa Fe was het culinaire hoogtepunt: de binnenstad kent tientallen sfeervolle restaurants. Aan te raden zijn er de Railyard (gegrilde vis en vlees), Pink Adobe (ook veel gegrild) en een klein Japans restaurant (Kasasoba).
Zeker onderweg kom je niet onder de ketens van fastfoodrestaurants uit. Mijn favoriet werd Denny’s, vanwege zijn familiaire sfeer en de uitgebreide menukaart. Wat je trouwens waar ook bestelt, het is altijd (te) veel.
Meenemen
Zonnebril, creditcard en laptop. Ik had maar weinig kleding meegenomen, en heb die wat aangevuld met aankopen ter plekke.
Vervoer
Vanaf Schiphol vloog ik met United Airlines via Chicago naar Denver. Het eerste deel van de vlucht duurt een kleine 8 uur, en dan is het nog 2 uur naar Denver. Zowel heen als terug was het vliegtuig keurig op tijd, en de service aan boord was ook goed. Opvallend wel is dat ze een heel ander type stewards en stewardessen hebben dan bij Europese of Aziatische maatschappijen: meer het soort mensen dat je in een bedrijfskantine tegenkomt, praktisch ingesteld en ouder. Sowieso zie je in de VS veel oudere mensen in de bediening werken.
Via Alamo had ik vooraf via internet een auto gehuurd. Op het vliegveld van Denver mocht ik er eentje uitkiezen uit mijn klasse (‘compact’ – nog altijd even groot als een Europese middenklasse ). Ik koos voor een Saturn Ion, en heb daar twee weken probleemloos in rondgereden.
Het rijden op de snelwegen in de VS gaat heel gemakkelijk. Het is er over het algemeen niet druk: alleen in de buurt van heel grote steden (Phoenix!) neemt het verkeer sterk toe. Files heb ik niet meegemaakt, en ook geen ongelukken gezien; wel veel wegwerkzaamheden. De kwaliteit van de wegen en de bewegwijzering is prima.
Ook het rijden binnen de bebouwde kom is heel relaxed. Op echt iedere hoek van de straat staat ofwel een verkeerslicht of een stop-bord zodat er van enig gedrang geen sprake kan zijn. Een ander genot is het parkeren: altijd ruimte genoeg, en gratis.
Je ontkomt er niet echt aan om in deze regio zo af en toe flinke afstanden af te moeten leggen. Als je het op de Europese kaart zou moeten tekenen heb ik volgens mij in 2 weken van Nederland naar Berlijn, naar Oostenrijk, naar Zuid-Frankrijk en dan weer terug naar Nederland gereden, met zo af en toe nog een dagtochtje naar Zwitserland of Luxemburg tussendoor. Zo’n 350-400 mijl (560 – 640 kilometer) op een reisdag is wel goed te doen.
Bij het tanken moet je vooraf betalen: binnen met cash geld, of aan de pomp met je creditcard. Meestal zijn er heel veel benzinestations vlak bij elkaar (op de uitvalswegen van en naar de steden), en dan ook weer een hele tijd niet totdat je weer in de buurt van een andere plaats komt. De weg naar Carlsbad Caverns is wel heel berucht: hier is op een afstand van 150 mijl vanaf El Paso geen enkel (werkend) benzinestation.













Leave a comment