World Heritage Traveller

Brazilie 2004

Written by:

  1. Rio de Janeiro
  2. Minas Gerais
  3. Brasilia
  4. Pantanal
  5. Iguacu
  6. Paraty
  7. Terugblik Brazilië 2004

Rio de Janeiro

Vliegen naar Rio gaat via Sao Paulo. De eerste kennismaking met Brazilië hier is geen goede: er zijn maar twee douaniers aan het werk voor honderden reizigers, en het vliegveld zelf is een doolhof met eindeloos lijkende gangen. Bagage (die ik gelukkig niet heb) moet opnieuw worden ingecheckt voor de binnenlandse vlucht naar Rio, en aan je Nederlandse boarding pass moet eerst een bijzonder stempeltje toegevoegd worden. Daarna is het nog een aardige kunst om in het goede vliegtuig te komen. Je moet met de bus naar het vliegtuig, en bij de deur van de gate staat een jongen te schreeuwen waar de volgende bus naar toe gaat. Zo kom je de anderhalf uur overstaptijd wel door. Maar bij mij gaat alles gelukkig goed.

Regen
Het zit niet mee met het weer. De eerste ochtend regent het dusdanig dat ik binnen blijf. Daarna verken ik voorzichtig de wijk, Botafogo. Echt veel te beleven is er niet, of het moeten de vlaggen en supporters zijn die je op iedere hoek van de straat ziet i.v.m. locale verkiezingen. Mijn eerste Braziliaanse lunch pak ik in een “kilo-restaurant” – een buffet waar je betaalt voor het gewicht dat je op je bord hebt gestapeld. Het is duidelijk een plek waar de gewone Braziliaan op een zondag met zijn gezinnetje naar toe gaat.

Het weer is ’s middags nog altijd niet al te best, dus lijkt het me tijd voor een museum. De keus valt op het Museu da Republica in de wijk Catete. Als ik een kaartje heb gekocht blijkt dat ik betaald heb om een film te zien. Ook leuk op een regenachtige zondagmiddag. Het is The Eternal Sunshine of the Spotless Mind, een verwarrende film over geheugen en herinneringen.

Suikerbrood en Christus
De volgende ochtend is het droog (min of meer). Vroeg ga ik met de bus naar de Pao de Azucar (het Suikerbrood). Dit is de meest opvallende heuvel in het met heuvels (en wolkenkrabbers) bezaaide landschap van Rio. Je komt op de top via twee kabelbaantjes. Er kunnen 75 mensen in en het is best wel druk. De tussenstop halverwege is eigenlijk het mooiste: met het uitzicht op de diverse stranden én het Suikerbrood zelf.

Weer een dag later schijnt de zon zelfs. Dus snel met de taxi naar de Corcovado, de berg met het overbekende Christus-beeld. Je gaat naar het beeld met een treintje, dé toeristische attractie van Rio. Opvallend is de hoeveelheid mensen die zich met het treintje bezighoudt. Het lijkt wel een werkgelegenheidsproject voor de lokale jeugd. Veel meer dan kaartjes scheuren en meerijden met het treintje doen ze echter niet.


De treinrit duurt een minuut of 20 en voert door het Atlantisch regenwoud van het nationaal park Tijuca. Een mooi ritje. Boven bij het beeld heb je weer een fraai uitzicht over de stad, nu half in de zon gelegen.

Weer beneden aangekomen bezoek ik nog het Museum voor Naïeve Kunst. Zeker de moeite waard, met schilderijen over Rio en de geschiedenis van Brazilië.

Minas Gerais

De staat Minas Gerais ligt vol met pittoreske koloniale plaatsjes. Ik bezocht er Ouro Preto, Diamantina en Congonhas, maar ik had me er makkelijk nog een week kunnen vermaken. Wat mij betreft het mooiste deel van het land.

Ouro Preto
Per nachtbus reis ik van Rio naar Ouro Preto. In andere landen mijd ik nachtelijk vervoer meestal, maar hier in Brazilië is het vanwege de lange afstanden heel normaal. Deze eerste nacht bevalt dan ook prima: er is heel veel beenruimte, de stoelen kunnen ver naar achteren en er heerst vooral stilte. Er zitten maar een stuk of 10 passagiers in de bus, dus iedereen heeft ruimte volop. Het wordt alleen een beetje koud ’s ochtends vroeg.

Ook al is het nog maar 6 uur, het is allang licht en het leven begint al op gang te komen. Het is dan ook geen probleem om een pousada te vinden voor de komende dagen. Een eerste verkenningstocht door de omgeving leert dat de wegen er extreem steil zijn. Om alleen al naar het kerkje honderd meter verderop te komen vereist een fikse inspanning. Maar het is hier wel waanzinnig mooi. Op geen enkele manier is er sprake van stijlbreuk tussen de gebouwen. En dan al die gele, barokke kerkjes!

De volgende dag neem ik de lokale bus naar Minas de Passagem, een oude goudmijn tussen Ouro Preto en Mariana. Het is een uitgestrekt complex midden in de frisse natuur. Samen met een Braziliaans gezin mag ik gelijk instappen in het treintje naar beneden. Het is een soort achtbaantreintje, dat steil naar beneden, onder de grond, verdwijnt. Wat nu nog over is van de mijnen is een groot grottenstelsel met lange brede gangen. En af en toe een helder blauw meertje.

Terug in Ouro Preto loop ik weg van het centrum. Deze buurt is misschien nog wel beter bewaard gebleven. Weer veel kerkjes natuurlijk, en oude fonteinen.

Congonhas
Om vanuit Ouro Preto naar Congonhas te komen lijkt nog een hele kunst volgens de reisgidsen, hoewel beide plaatsen maar enkele tientallen kilometers uit elkaar liggen. Om 7 uur ’s ochtends vertrekt er echter een rechtstreekse bus, die er anderhalf uur over doet. Hoe ik weer terug kom zie ik wel, er is in ieder geval tijd genoeg om de Basilica, een wereldberoemde kerk vanwege zijn beeldhouwwerk, te bezoeken. Volgens kenners is dit het mooiste wat de koloniale religieuze architectuur in Latijns Amerika heeft voortgebracht.

Of het echt zo uniek is, weet ik niet. Wel heel mooi en bijzonder. De kerk ligt op een steile heuvel, met daaronder een brede trap waarlangs in verschillende poses de beelden van de profeten staan. Ze zijn heel fijn uitgewerkt en kijken verschillende kanten uit. Deze grijze beelden tegen de helderblauwe lucht hebben een magnetiserende uitwerking. Je blijft maar kijken en rondlopen. Ook de decoraties rondom de deur van de kerk zijn indrukwekkend.

De terugreis naar Ouro Preto is een moeizame: ik strand op het busstation van Ouro Branco, waar ik 3 uur moet wachten op de laatste bus van die dag. Een lange dag, maar erg de moeite waard.

Diamantina
Via Belo Horizonte trek ik vervolgens per bus verder naar het noorden van Minas Gerais. Hier in Diamantina is het allemaal wat soberder. De huizen zijn wit en laag, met felgekleurde ramen, deuren en balkons. Een beetje Portugees (zoals Guimaraes) maar ook wel wat Caribisch (zoals in Roseau, Dominica).

Mijn eerste dag hier is op een zondag, een dag die blijkbaar ook veel Braziliaanse dagjesmensen op de been brengt. Er is een marktje, er is live-muziek. Het locale museum heeft een uitgebreide tentoonstelling over de diamantmijnbouw. De kaartjes worden er geknipt door een stoere gewapende beveiligingsman, want de expositie toont ook echte diamanten.

Brasilia

Met het vliegtuig ga ik van Belo Horizonte naar Brasilia. Het is duidelijk weer een heel andere wereld waar ik in terecht kom. Brasilia mag dan de hoofdstad van het land zijn, het vliegveld is vrij rommelig en armoedig.

Een vreemde stad
Brasilia werd Brazilië’s hoofdstad in april 1960. Vier jaar daarvoor bestond het nog niet eens. President Juscelino Kubitschek gaf de opdracht aan Lucio Costa (stadsplanner), Oscar Niemeyer (architect) en Burle Marx (landschapsarchitect) om een nieuwe stad van de grond af op te bouwen. De stad staat op Unesco’s Werelderfgoedlijst omdat het een van de belangrijkste voorbeelden is van de Modern Movement in architectuur en stadsplanning. Het ontwerp staat bekend als het “Plano Piloto”, waarin de plattegrond van Brasilia gevormd is als een vliegtuig.

De sfeer in Brasilia is moeilijk uit te leggen. Een soort Boekarest waar in de jaren zeventig een atoombom op is gevallen, schreef ik elders. Veel hoogbouw met vijfbaanssnelwegen en verdorde grasveldjes. Het lijkt niet echt de bedoeling dat je de stad te voet verkent.

Ik verblijf in een zakenhotelletje in de hotelwijk, sector noord. Het meest aantrekkelijke in de omgeving is het winkelcentrum aan de overkant van de straat. Vooraf had ik toch wel hoge verwachtingen van mijn verblijf hier. Het valt echter niet bepaald mee. Het is droog, heet en totaal sfeerloos. Onder de TV-toren zijn wat kraampjes met souvenirs en snacks, de enige plek waar wat te beleven valt. De volgende dag hoor ik dat ook deze stands zullen worden verwijderd – ze zouden een te armoedige uitstraling hebben.

Op mijn tweede dag ga ik mee met een tour langs de belangrijkste architectonische hoogstandjes. Sommige zijn leuk voor op de foto. De Fatima-kerk, in de vorm van de kap van een non. Het megalomane militaire hoofdkwartier. Het Nationaal Congres. De Dom Bosco-kerk is als enige echt bijzonder: door de glas-in-lood ramen hangt er een mysterieuze blauwige gloed in de grote hal.

Goede herinneringen bewaar ik bepaald niet aan deze stad: ik loop er een hevige hoest en verkoudheid op die me tot een maand na terugkeer in Nederland zullen blijven plagen. De droge hitte en teveel airco lijken me de boosdoeners.

Pantanal

De Pantanal, in het uiterste westen van Brazilië, is samen met Amazone de belangrijkste natuurlijke trekpleister van het land. De beste kans om wilde dieren te zien heb je hier. Rondreizen in je eentje gaat niet echt, dus ik sloot me aan bij een vierdaagse tour vanuit Cuiabá.

De Transpantaneira
Ik heb mijn tour toevallig geboekt bij Joel Souza, de bekendste organisator van tochten door de Pantanal. Met een paar dagen wachten zijn er genoeg mensen om een trip rendabel te maken en kunnen we op pad. De tussenliggende tijd logeer ik in zijn huis, een simpele pousada. Achteraf heb ik me met mijn medereizigers verbaasd over de samenstelling van de familie en de manier waarop Joel zijn bedrijfje runt, maar over de tour zelf niets dan goeds.

Met een klein busje rijden we over deze lange rechte weg de Pantanal in. Het lijkt gek, maar ook aan de kant van de weg zie je al heel veel dieren die je later steeds weer tegen komt: de “krokodillen” (alligators) en de capibarra’s. Er komt natuurlijk ook niet zo heel veel verkeer over deze weg.

Kamp 1
Heel erg ver van alles, alleen per jeep te bereiken, ligt ons eerste kamp. Het is een boerderij waar een aantal kamers verhuurd wordt. Voor ieders deur is een hangmat, iets waar je al snel aan went en niet makkelijk meer uit komt. Heerlijk ook die stilte hier.

Meteen het eerste boottochtje is het al raak met de dieren: we (nou ja, de gids) spotten een tapir. Een vreemd dik beest dat lekker ligt te badderen in de rivier.

Hoogtepunt van het verblijf hier is het onvermijdelijke piranha vissen. Ik had nog nooit in mijn leven gevist, maar het vissen op piranha’s is erg grappig. Ze bijten namelijk nogal graag, en de rivier zit er vol mee. Ze vreten ook al het aas van de haakjes, zodat er meer vis/vlees in de rivier is gekomen dan we er hebben uitgehaald. Het is denk ik wel duidelijk wat er ’s avonds op het menu stond.

Kamp 2
Het verblijf in het tweede kamp is wat luxer, het is meer een vakantiedorp. Er is zelfs een zwembadje. Het ligt direct aan de rivier, en biedt dus een goede uitvalsbasis voor een wat langere boottocht. We doen er eentje aan het eind van de middag, een genot voor de vogelaars. Op eilandjes staan de Tuiuiu, uit de kluiten gewassen ooievaars, ons ongeïnteresseerd aan te kijken. Tegen zonsondergang blijkt één boom populair onder de vogels: ieder takje is bezet met luid kraaiende witte beestjes, en hele zwermen komen nog aanvliegen. Een fraai schouwspel.

Iguacu

Het stadje Foz do Iguacu ligt op een drielandenpunt van Argentinië, Brazilië en Paraguay. Dat levert nogal wat geruchten over smokkel en ander illegaal gedoe op. Bijvooorbeeld via het nieuwsbericht van eerder dit jaar dat belangrijke Al-Qaeda leiders hier onlangs een topconferentie hebben gehouden en dat er tientallen trainingskampen zijn in de omliggende jungle.

Foz en de watervallen
Foz blijkt een redelijk moderne stad te zijn. Een beetje louche ook wel, of is dat verbeelding? Je ziet hier in ieder geval vrij veel (Indiaanse?) straatverkopers.

Iedereen komt hier natuurlijk voor de wereldberoemde watervallen. Ze zijn keurig verpakt in een nationaal park, waar je ook wandelingen en boottochten kunt maken. Ik ga echter recht op het doel af. De watervallen zelf liggen grotendeels in Argentinië, maar vanaf hier heb je er het beste zicht op. Er loopt een pad min of meer evenwijdig aan de waterkant van 2,8 kilometer. Vandaar krijg je het ene na het andere fraaie panorama. Op het water beneden in de rivier zijn trouwens meerdere zeer scherpe regenbogen, zo heb ik ze nog nooit gezien. Ook fladderen er kleurrijke vlinders om je hoofd.

Dagje Argentinië
Na wat getwijfeld te hebben besluit ik toch maar gewoon met het openbaar vervoer naar de Argentijnse kant van de watervallen te gaan. En waarom ook niet? Het is eenvoudig en goedkoop. En je zit niet tussen de toeristen of vast aan een gids.

De bus naar Puerto Iguazu, de grensplaats aan de andere kant, vertrekt vreemd genoeg niet van het busstation maar vanuit de achterliggende straat. Het is een gewone stadsbus, het is ook maar een afstand van niets. Na een kwartiertje staan we aan de grens. Iedereen wordt naar buiten gedirigeerd en moet even langs de douane om een stempeltje te halen. Vijftig meter verder wacht de bus ons weer op en rijden we naar Puerto Iguazu.

Deze Argentijnse grensplaats is een stuk kleiner en rustiger dan zijn Braziliaanse buur. Echt heel anders is het hier niet, of het moet wel de nadrukkelijke aanwezigheid van het leger zijn. Ik stap hierover op een Argentijnse bus (je kunt gewoon met Braziliaans geld betalen) die me voor de ingang van het nationaal park Iguazu afzet.

Het weer is niet best vandaag: bewolkt met af en toe regen. Ik heb me voorgenomen toch aan wat activiteiten deel te gaan nemen vandaag, dus ik sluit me braaf aan bij The Great Adventure. Dit is een ritje door de jungle, maar vooral een tocht met speedboat om en onder de watervallen. Grappig genoeg zitten er alleen maar Nederlanders en Belgen in “mijn” boot: het is hier duidelijk erg toeristisch. De boottocht is echt wel erg spectaculair. Je komt tot vlakbij de watervallen, zodat je ze voelt sproeien op je gezicht en je pas echt ziet hoe hoog ze zijn. Het leukste is natuurlijk om er helemaal onderdoor te varen, je krijgt een extreme douche.

De rest van de dag word ik niet meer droog. Dat komt ook omdat het regelmatig blijft regenen. Ik kijk nog wel even helemaal boven, waar je via houten bruggen als het ware over de watervallen heenloopt. Ook weer heel bijzonder.

Paraty

Het wordt nog een spannende tocht naar Paraty, aan de kust ten zuiden van Rio. Ik vertrek rond enen per vliegtuig vanuit Iguacu (in het uiterste westen van Brazilië) met een rechtstreekse vlucht naar Rio. Daarna moet ik nog vier uur bussen naar Paraty. Op het busstation van Rio blijkt er echter nog maar één bus te gaan, en wel om half acht ’s avonds.

Dat betekent dus vier uur rondhangen in het busstation, en pas laat aan in Paraty. Gelukkig is het busstation geen echt vervelende plek: genoeg plek om te zitten, vrij rustig en schoon. En erg veel internetmogelijkheden – in een soort telefoonhokjes. In een hoek blijkt zelfs een prima restaurant te zitten.

Als de bus dan eindelijk is vertrokken, duurt het plezier maar kort. Na een half uurtje gaat er iets stuk, en gaat de chauffeur buiten een sigaretje roken. Gelukkig zijn we in een niet al te vervelende buitenwijk van Rio gestrand. Drie kwartier later komt een nieuwe bus ons ophalen, en dan moeten we dus nog helemaal naar Paraty.

De weg slingert langs de kust, helaas is het al donker. De bus stopt vrij vaak, we maken zelfs nog even een rondje op het terrein van de kerncentrale die de omgeving hier verstoord. Om half een sta ik voor de deur van mijn pousada, gelukkig hebben ze daar op me gewacht en kan ik meteen het bed in.

Niks
Wat is er zoal te zien en te doen in Paraty? Nou, eigenlijk helemaal niks bijzonders. Het is een oud koloniaal havenstadje, dat het nu (op bescheiden wijze) van het toerisme moet hebben. Dat betekent dat je de keuze hebt uit veel verschillende restaurants. Dus twee keer per dag is er een nieuw plekje te ontdekken. Verder maak je eens een rondje door de straatjes, zit op een bankje en bekijkt een kerkje.

Het grootste deel van de dagen breng ik echter door op het zonnige terras van mijn pousada. Tot ook het laatste boek uit is, en de terugreis op het programma staat.

Terugblik Brazilië 2004

In oktober 2004 trok ik vier weken per bus en vliegtuig door het zuiden van Brazilië. De afstanden zijn er enorm, en Brazilië lijkt dan ook meer op een heel continent dan op een land. Vooral de oude koloniale steden in Minas Gerais (Ouro Preto, Diamantina, Congonhas) waren voor mij het hoogtepunt. En de Pantanal natuurlijk. De grote steden vond ik een stuk minder.

Algemeen
Het is moeilijk om in algemene termen over Brazilië te schrijven: het land is zo groot. Algemeen valt wel op dat er eigenlijk maar twee grote attracties zijn waar buitenlandse toeristen op af komen (Rio en de watervallen van Iguacu), en dat je in de rest van het land onbekommerd tussen de Brazilianen kunt rondlopen. Het is wel handig om bijvoorbeeld Spaans te spreken, want met Engels kom je niet ver. Onveilig heb ik me er niet gevoeld.

Verblijf
Pensions (pousada’s) zijn volop aanwezig en een goede plek om te overnachten. De prijs is altijd inclusief een uitgebreid ontbijt met koffie, vruchtensap, broodjes en fruit.

B&B O Veleiro (Rio): Ik had dit vooraf via internet geboekt. Een goede plek om thuis te komen in Rio, maar vergeleken bij de pensions tijdens de rest van de reis erg duur (45 US dollar).

Pousada dos Bandeirantes (Ouro Preto): Kleine kamer, grote badkamer in de kelder van dit centraal gelegen pension. Met koelkast en TV. En lekker ontbijtje (geweldige cake). Enige aanmerking: deden 48 uur over de was (en dat terwijl de zon volop scheen). Prijs: 60 RS (20 euro).

Diamante Palace Hotel (Diamantina): Wat groter hotel buiten het oude centrum (maar op loopafstand). Licht en ruim. Prijs: 60 RS (20 euro).

El Pilar Hotel (Brasilia): Een van de goedkopere hotels in de hotelwijk. Vrij keurig zakenhotel, kamer in de kelder was wel erg warm. En dan zet je de ventilator aan en dan word je verkouden. Ook hier weer 60 RS (20 euro).

Pousada Eco Verde (Cuiabá): Erg basic hotel met maar vier kamers (en gedeelde badkamers). Je kunt hier gratis overnachten als je met een tour van de eigenaar (Joel Souza) meegaat. Zie de pagina over de Pantanal voor meer bijzonderheden. Na afloop van de tour sliep ik toch liever ergens anders, dat werd het luxueuze en moderne Amazon Hotel (90 RS, 30 euro).

Sol Hotel (Foz do Iguacu): Beetje vreemd hotel. Ligt wel gunstig vlakbij het busstation en aan de hoofdstraat. Ruime kamer met eigen badkamer, TV en koelkast. Vrij gehorig, vooral omdat er twee bussen geparkeerd stonden naast mijn raam (en zo af en toe startten en mensen inlaadden). Die mensen kwamen dan weer met hun hele hebben en houden uit het hotel, volgens mij waren het Paraguayanen.

Pousade Morro do Forte (Paraty): Prettigste hotel/pension van de hele reis. Terras met uitzicht over de stad, zwembadje, ontbijten (met de lekkerste broodjes) op de veranda. Rustig en schoon, kamer met eigen badkamer, TV en koelkast voor 75RS (25 euro).

Geldzaken
De real is de Braziliaanse munt. Pinnen kun je er op veel plaatsen (hoewel ook weer niet bij iedere bank). 1 euro was ten tijde van mijn reis ongeveer 3 real waard. De prijsverschillen in het land zijn vrij groot: zo kun je voor 2 of 3 euro eten in Diamantina of Cuiabá, maar in Rio of Paraty ben je toch al snel 10 euro kwijt.

Eten en drinken
In het zuiden van Brazilië eten ze veel vlees, erg veel vlees. Twee keer per dag een grote biefstuk eten is hier geen probleem. Op zich wel lekker, maar iedere dag? Het is wel lastig om aan wat afwisseling te komen. Hier en daar zie je Chinese of Japanse restaurants. Een pizza of pasta kom je wel op iedere kaart tegen. Een goedkope en makkelijke manier om bijvoorbeeld te lunchen is bij de kilo-restaurants, waar je betaalt naar de hoeveelheid eten die je van het buffet hebt opgeschept.

Communicatie
Internetten kun je bijna overal. In en om busstations en in winkelcentra vind je altijd wel een plekje.

Meenemen
Ja, weer de oordopjes vergeten. De muziek staat altijd aan in Brazilië, en ’s nachts is het wel handig die buiten te sluiten. Verder weer goed uitgekomen met mijn 32 liter rugzak(je). Voldoende boeken meenemen is ook aan te raden, want boekwinkels zijn erg schaars in Brazilië (laat staan dat ze Engelse titels hebben).

Vervoer
Vooraf was het mijn bedoeling de reis zoveel mogelijk over land te maken, per bus dus. Ik ben echter toch drie keer gezwicht voor een binnenlandse vlucht: dat is zoveel sneller.

Het bussen over lange afstanden is desondanks één van de beste dingen die Brazilië een reiziger te bieden heeft. De kaartjes zijn goedkoop en eenvoudig bij een gespecialiseerd loketje af te halen. De bussen zelf zijn modern, schoon en met een hoeveelheid beenruimte waar je in een vliegtuig alleen maar van kunt dromen.

Binnenlandse vluchten hebben Europese prijzen. Ze gaan wel erg frequent en zijn tot vlak voor vertrek te boeken.

Leave a comment