Kyoto
De eerste confrontatie met het eigene van Japan vindt al plaats op het vliegveld. Daar hebben ze een futuristische geldautomaat. Het ding van zo’n 1,5 meter breed heeft allerlei gaten en gleufjes, een telefoon voor als je er niet meer uitkomt, een rode knop ‘English’ en touch screen buttons om je pincode in te toetsen. Als je je geld + pasje + bonnetje krijgt, spuugt het apparaat die uit drie openingen tegelijk.
Standplaats voor de komende 6 nachten is de Yuhara Inn, gelegen iets van de grote weg in een oude buurt aan een kanaaltje. Ik word hartelijk welkom geheten door een aandoenlijk Engels sprekende man. Hij wijst me op de huisregels (o.a. van 10-15 uur buiten blijven) en gaat me voor naar mijn kamer op de begane grond.
Tegen vijven gaat de telefoon. Huh? Ik schrik zo dat ik niet eens opneem. Even later klopt de oude vrouw des huizes aan met de boodschap dat mijn bad gereed staat.
De badkamer heeft een douche en een traditioneel Japans bad. Na je gewassen te hebben onder de douche kun je lekker relaxen in het kokend hete bad. Echt een verademing, alle vermoeidheid trekt uit je benen en je wordt een beetje slaperig.
Tempels kijken
Tempels kijken is al snel wat je hier de hele dag doet (winkelen kan trouwens ook goed). Een overzichtje van wat hoogtepunten:
– Kinkaku-ji, de Gouden Tempel, is waarschijnlijk de drukst bezochte. Hij is nogal fotogeniek, met al dat goud, en foto’s maken doen mijn Japanse medebezoekers dus ook volop.
– Ryoan-ji is bekend om zijn Zen-tuin. In een zee van grint liggen 7 grotere stenen, tegen de achtergrond van een oude muur en een bloeiende kersenbloesem. Hier kun je rustig een tijdje zitten kijken.
– Fushimi Inari is een Shinto-schrijn in een voorstadje van Kyoto. Een stuk uitbundiger met zijn honderden rode torii en stalletjes.
– Ginkaku-ji is het Zilveren Paviljoen. Niet met een zilveren dak, maar erg lieflijk. Er is een Zen-tuin bij met een vulkaan/berg van grint.

Koyasan
Na een tocht met trein, kabelbaan en bus arriveer ik in Koyasan, nog een plaatsje van redelijke omvang. Aan de hoofdweg zijn er weer de gebruikelijke souvenirwinkels en restaurants. De diverse zijwegen herbergen de tempels waar Koyasan bekend om is. Ik ga eerst naar de Tourist Information, want ik moet nog een tempel zien te vinden waar ik vandaag kan overnachten. Dat blijkt geen probleem: voor 9000 yen stoppen ze me in de Fudo-in.
In het westen liggen de meeste tempels bij elkaar. Allerlei borden wijzen erop dat ze bezig zijn om van Koyasan een werelderfgoed te maken. Op het (overigens o zo stille) terrein met alle tempels trekt vooral een enorme oranje stupa de aandacht. Bovenin hangen belletjes, die muziek voortbrengen door de wind. De andere gebouwen zijn wat soberder, maar ieder wel uniek.

Ik loop vervolgens door naar de Daimen, de grote toegangspoort tot de stad. Deze lijkt meer op z’n plaats in Korea of China, maar zo zie je toch ook hier de culturele verwantschap (hoewel Japan over bijna alles een heel eigen sausje heeft gegoten).
Teruglopend naar het centrum stop ik nog bij het Reiho-kan museum. In dit sfeervolle donkere gebouw worden beelden en schilderijen (rollen) tentoongesteld.
Even na drieen arriveer ik bij mijn shukubo (tempelverblijf). Het is er stil, uitgestorven zelfs. Opeens klinkt er geroep: twee jonge monniken hebben mij ontdekt. Ze halen me naar binnen. Een van de twee spreekt gelukkig wat Engels en brengt me naar mijn kamer. Die blijkt te bestaan uit twee met tatami-matten bedekte ruimtes: één helemaal leeg (voor het bed van vanavond) en één met een kleine tafel met kussens. Ook is er een TV, telefoon en verwarming.
We bespreken het programma. Het wordt als volgt:
17.00 Bad
18.00 Diner
6.30 Gebed
7.00 Ontbijt
Daarna laat hij me in stilte achter.
Om vijf uur word ik geroepen voor het bad. Ze hebben hier een zeer fraaie gemeenschappelijke wasruimte. Een kast met daarin allemaal mandjes om je kleren in te gooien en twee grote wastafels beslaan de eerste ruimte. Hier kleed je je uit. Daarna ga je naar de tweede ruimte. Daar staan aan de zijkanten krukjes opgesteld. Erbij staan wasteiltjes en shampoo/zeep. Er is een kraan plus douche. De bedoeling is dat je je hier wast voordat je het grote gemeenschappelijke bad induikt. Dat doe ik dan ook braaf. Het bad zelf is ruim genoeg om met zijn achten in te zitten, maar ik ben er alleen. Het water is heet, maar niet zo heet helaas als ik de laatste tijd gewend ben. Desondanks kom ik er weer als een kreeftje uit.
Terug op mijn kamer komen ze me om zes uur halen voor het diner, dat beneden geserveerd wordt. Ik krijg weer een ruime tatami-ruimte voor mezelf, afgescheiden door een schuifwand van andere gasten. Het eten (extra-vegetarisch) bestaat uit soep, tempura (gefrituurde bloemen/groente), rijst, groente in het zuur, mini-sperzieboontjes, tofu met een paddenstoel, iets wat lijkt op een taartje maar wat heel smerig zout blijkt te zijn (het enige dat ik niet opeet), nog wat meer koude groente en een sinaasappel. Dit alles onder het genot van een pot groene Japanse thee. Als je dit allemaal op hebt gegeten voel je je zo gezond!

De volgende ochtend regent het vreselijk. Gelukkig is de hondo waar het ochtendgebed plaats vindt via allerlei gangen binnendoor bereikbaar. Naast mij zijn er nog twee (Japanse) toeschouwers. Ook zijn er maar twee tempelmonniken aanwezig – veel meer wonen er hier geloof ik ook niet. Wij bezoekers zitten op krukjes voor het Boeddha-beeld, de monniken aan weerszijden ervan. Een monotoon gezang volgt, soms alleen dan weer met z’n tweeën. Een van de monniken is een beetje schor, dus die haakt af en toe af. Het voorlezen/zingen van de gebeden wordt onderbroken door klappen op de trom of de bekkens. Halverwege mogen wij ook even bidden, door een snufje houtskool (?) in een pot te gooien. Een monnik doet het mij voor.
Aan het eind van de dienst zijn er nog speciale gebeden op verzoek van de andere bezoekers. Een van de mannen heeft een foto van zijn vrouw bij zich. Die gebeden krijgen ze op papier ook mee naar huis.
Na het ontbijt (een kleinere versie van het avondeten) wandel ik naar Okunoin. In deze tempel ligt het lichaam van Kobo-Daishi, de grondlegger van het Shingon-Boeddhisme. De route er naar toe loopt door een donker bos waar een enorme begraafplaats is, met veel grote verweerde beelden en stenen.
Matsumoto
De reis van Koyasan naar Matsumoto is een lange – bij mijn wat overhaaste voorbereidingen voor deze reis heb ik blijkbaar niet zo goed op de kaart gekeken. De route is als volgt:
– met de bus naar de kabelbaan
– met het kabelbaantje naar Koyasan Station
– met de trein naar Osaka Namba
– daar geconstateerd dat ik er één halte eerder uit had gemoeten, dus terug naar Shinimamiya
– vandaar weer naar Osaka Station
– met de shinkansen naar Nagoya
– met de regionale trein naar Matsumoto
Zeven lange uren later stap ik eindelijk uit in Matsumoto. De zon straalt hier. Ik haal eerst een plattegrond bij de Tourist Information, en ga dan te voet naar mijn ryokan.
Matsumoto is een heel moderne, rijke en gezellige stad. Ik denk dat het me hier best bevalt. Mijn ryokan kan ik echter niet vinden. Als ik op straat op mijn kaart sta te staren, komt een meisje op de fiets me helpen. Het blijkt dat ik ongeveer voor het gebouw sta waar ik wezen moet – ik had het niet gezien omdat er alleen Japanse opschriften op staan. Ik krijg er een kleine tatami-kamer. Het Japanse bad is erg echter zo heet dat ik me beperk tot een gewone douche.
De volgende dag is er weer volop zon. Ik doe lekker rustig aan, drink ergens een cappucino en strijk neer op een bankje voor het fraaie zwarte Matsumoto-kasteel. Veel Japanners zijn op hetzelfde idee gekomen. Ik word aangesproken door een raar mannetje op een fiets. Zoals altijd is de communicatie beperkt, en wordt ik aangezien voor Amerikaanse. De man heeft nog wel een leuk compliment in huis: nice haircolour! (ja, mijn blonde haar is echt).

Vervolgens naar het folklore-museum, daar vlakbij. Daar hebben ze zowaar een tentoonstelling over werelderfgoederen. Een stuk of honderd grote foto’s sieren de muren van de eerste verdieping. Om je vingers bij af te likken.
In de loop van de middag bezoek ik nog de voormalige Kanchi-school. Dit is een pseudo-westers gebouw uit het eind van de 19e eeuw, toen westers onderwijs werd geintroduceerd in Japan met de Meiji-restauratie.
Tsumago
Van Matsumoto ga ik met de lokale trein naar Tsumago. Het ding is een soort metro maar dan bovengronds, en stopt werkelijk overal. Maar het is wel een mooie route, door de ‘Japanse Alpen’ die vandaag met het mooie weer zelfs te zien zijn. De trein eindigt in Nargiso. Vandaar moet ik nog tien minuutjes met de bus naar Tsumago.
Het hele dorp hier is beschermd, dus geen moderne gebouwen of lelijke elektriciteitspalen te zien. Vreemd genoeg is er wel een niet al te aantrekkelijke waterkrachtcentrale.
Alle oude houten huizen liggen hier aan één weg, de postroute die ooit van Edo naar Kyoto liep. Vrijwel alle gebouwen zijn nu in gebruik als souvenirwinkels.

Ik heb hier een overnachting met diner geboekt in een ryokan waar niemand Engels spreekt. Maar als ze me om zes uur komen halen weet ik wel waarvoor. Japanners eten redelijk vroeg, en de avondmaaltijd staat dus al klaar voor mij en de andere gasten van het pension. Op ieders dienblad staan schaaltjes met vlees (rauwe biefstuk), vis (gemarineerd in sojasaus), tempura, groenten en rijst. Erg lekker allemaal, en toch heel wat anders dan wat je in een restaurant krijgt.
Om negen uur de volgende ochtend stap ik in de bus naar Magome, vanwaar ik mijn wandeling over de oude postroute wil starten. Mijn spullen laat ik achter in een bagagekluisje op het busstation van Tsumago. Het is maar een half uurtje rijden naar Magome, een kleinere versie van Tsumago. De zon is er al goed aan het branden, dus maar snel op pad. Het eerste stuk is flink klimmen, naar de Magome pas. De route is hier weinig beschut en loopt door dorpjes. Af en toe tref ik een andere wandelaar: het is een bekende route die ik volg, een die zelfs in het Engels goed staat aangegeven.

Vanaf de pas op 800 meter hoogte gaat het door het bos naar beneden. Dit is duidelijk het mooiste stuk van de route. Veel roze, bloeiende bomen en prachtige vergezichten.
Uiteindelijk bereik je de buitenwijken en het asfalt van Tsumago weer. Daar bezoek ik nog de overnachtingsplaats voor hooggeplaatsten die in vroeger tijden deze oude postroute aflegden – het is nu een museum.
Osaka
Omdat ik vergeten ben het adres van mijn hotel op te schrijven, laat ik me per taxi van het station naar dat hotel vervoeren (de taxichauffeur weet gelukkig wel waar het is). Het is boeiend te zien waar ik terecht kom: smalle drukke straatjes vol winkeltjes, lichtreclames en restaurants. Lekker een typisch Aziatische wereldstad zal ik maar zeggen.
De volgende dagen slenter ik met genoegen door deze stad. Eindeloze winkelgalerijen bieden genoeg vertier, en ik slaag goed bij de lokale CD-megastores (het aanbod hier is echt geweldig). Handig is ook dat je hier ook weer eens niet-Japans kunt eten – niets ten nadele van de Japanse keuken overigens.
In de zakenwijk Umeda ligt misschien wel de enige toeristische attractie die Osaka rijk is, en dan nog wel eentje die gewoon dienst doet als kantoorgebouw. Het Umeda Sky Building is een 173 meter hoge, futuristische kruising tussen de Arc de Triomphe en de Twin Towers. Je kunt er van onderaf echt ademloos naar zitten kijken – al dat glas, die bijzondere architectuur.

Je kunt echter ook met de lift omhoog. Dit is niet echt iets voor mensen met hoogtevrees, de lift naar de 34e etage is een glazen exemplaar dat langs de buitenkant van het gebouw flitst. De eerste 5 seconden kijk ik nog rustig uit over de stad, maar dan lijkt het me toch beter me op een vast punt aan de binnenkant van de lift te concentreren. Gelukkig ben je snel boven. Daar is het allemaal een stuk minder eng. Je kunt helemaal een rondje lopen op de top, het waait er flink en je kunt Osaka van alle kanten bekijken.
Leave a comment