Manila
Na 12 uur vliegen (rechtstreeks met de KLM) kom ik aan in de Filipijnse hoofstad Manila. Bij de douane doen ze niet moeilijk. Snel even pinnen op het kleine vliegveld, en vervolgens meteen per taxi naar de stad. De aankomst verloopt erg soepel.
Onderweg naar mijn hotel is het erg druk met taxi’s, auto’s, fietsers, riksja’s en felgekleurde bussen en jeepneys. Ik ben al in zoveel Aziatische landen geweest, maar de eerste indruk van de Filipijnen is toch net weer even anders. Rommelig maar gezellig, zou ik willen zeggen. Je ziet veel Amerikaanse (en nagemaakte) fast food-restaurants, maar ook kleine eetstalletjes op straat.
Kennismaking
Op mijn verkenningstocht door het centrum stap ik eerst binnen bij het “Museum van het Filipijnse Volk”. De eerste en tweede verdieping hier zijn grotendeels gewijd aan de vondst van de San Diego, een Spaans schip dat in 1600 door Nederlands toedoen in de Filipijnse wateren is vergaan. Veel potten en servies. Allerlei ruimtes in het museum zijn afgesloten, en ze lijken er ook te bezuinigen op het licht. Het is echter wel de moeite waard enkele trappen op te lopen naar het deel waar de verschillende inheemse bevolkingsgroepen geëerd worden. Want behalve de Spaans-koloniale erfenis zijn deze volken en hun culturen dat wat de Filipijnen bijzonder maakt. Gebruiksvoorwerpen maar ook hoeden en kleding worden er gepresenteerd, onder mee via grote foto’s van de dragers.
San Agustin
Intramuros is het koloniale hart van Manila. Het is het enige oude dat nog over is: de stad heeft aan het eind van de Tweede Wereldoorlog erg geleden als slagveld tussen de Japanners en Amerikanen. Het is de meest verwoeste stad na Warschau uit deze periode in de geschiedenis.
De stadsmuren staan nog overeind, en er is zelfs een golfbaan aangelegd in het groen ervoor. Hoewel Intramuros maar een paar vierkante kilometer beslaat is het toch nog zoeken naar de meest prominente gebouwen. De San Agustin kerk bijvoorbeeld, werelderfgoed en de oudste kerk van de Filipijnen. De kerk is van buitenaf gezien niet al te aantrekkelijk. Via het aangrenzende klooster kun je naar binnen, en dat is zeker de moeite waard. Het klooster zelf trouwens ook, een oase van rust in het hectische Manila.
Schuin tegenover ligt het Casa Manila, een koloniaal huis dat je kunt bezichtigen. Veel sierlijke, donkere houten meubels. Net als het meeste van Intramuros is het een reconstructie.
In de “hoofdstraat” General Luna zit ook een drie verdiepingen tellende winkel (Silia) met handwerk en kunst vanuit de hele Filipijnen. Dit is een fantastische winkel voor souvenirs of decoraties in huis. Bijna alles is van hout of riet.
Als ik ’s middags terugloop naar mijn hotel kom ik langs een soort openlucht arbeidsbureau. Tientallen mannen lopen met vacatures in de hand om werkzoekenden te lokken: chemici en ingenieurs, maar ook een Koreaanse kok wordt gevraagd!
De overgebleven tijd in Manila spendeer ik in de moderne gedeeltes. In de enorme winkelcentra naar Amerikaans voorbeeld zoals Robinson’s. Je kunt er uren rondkijken, ze hebben Engelstalige boekwinkels en restaurants die de hele wereldkeuken vertegenwoordigen. Ook reis ik rond met de LTR, een soort bovengrondse metro. Deze is schoon en stevig bewaakt. Er zijn zelfs aparte treinstellen voor vrouwen!
De laatste avond voor ik de bergen intrek moet ik blijkbaar toch nog even de gebruikelijke stomme actie uithalen: het is erg gaan regenen en om een plas op de stoep te ontwijken wil ik op de straat stappen. Ik had echter niet op de goot gerekend, hier in Manila voorzien van extra diepe gaten en veel rotzooi. Met de rechterkant van mijn lichaam ga ik gestrekt in het smerige water. Ik ben zeiknat maar de fysieke schade lijkt nog mee te vallen. Mijn knie is wat geschaafd en van mijn rechterduim hangt een velletje los. De zojuist gekochte etenswaar en boeken hebben de valpartij in hun plastic verpakking zonder problemen doorstaan.
Manila deel twee
Aan het eind van mijn reis ben ik nog anderhalve dag in Manila. Er zijn zeker nog een paar plekken die ik wil zien. Zo is er de San Sebastian kerk, op de lijst van toekomstig werelderfgoed. Het is een stalen gotische kerk, als een mecano-doos verscheept vanuit België om hier opgebouwd te worden. Een bijzonder monument waar geen woord over in mijn reisgids staat. Via mijn voorbereidingen weet ik in welke wijk het staat en daar ga ik dus maar op de bonnefooi heen met de LTR. Ik vraag wat rond bij riksjarijders en taxichauffeurs maar niemand weet waar het is. Het is een grote kerk, dus kom ik op het idee nog een stukje verder heen en weer te rijden met de LTR en onderweg goed naar buiten te kijken of ik hem zie. Deze expeditie levert me niets anders op dan de aanblik op de buurt rond het station Blumentritt, waar massa’s mensen in schamele onderkomens ongeveer bovenop de spoorlijn wonen.
Uiteindelijk keer ik terug naar mijn hotel en zoek op het internet naar meer aanknopingspunten. Ik vind een adres, en de taxichauffeur voor het hotel weet zowaar waar het is. San Sebastian blijkt een hele elegante, lichtblauwe kerk. Er is een trouwerij aan de gang, heel sfeervol. Hier geven de Filipijnen weer heel even dat Latijnsamerikaanse gevoel.
De laatste middag komt het er ook nog van de befaamde Chinese begraafplaats van Manila te bezoeken. Manila mag dan arm zijn, de Chinese gemeenschap is dat absoluut niet. Om deze rijkdom ten toon te spreiden bouwen families villa’s voor hun gestorven familieleden. In de weekenden komen ze er op bezoek, eten en drinken en karaoken er wat. In veel van de graven liggen alleen de overleden mannen, terwijl er al vast een plaatsje vrij wordt gehouden voor hun vrouwen wanneer die komen te sterven. De bewakers die een centje bijverdienen door te gidsen kunnen er goed over vertellen.
De bergen in
Om kwart voor 8 ben ik al op het Philippine Rabbit busstation. Ondanks dat de bus er al staat en de motor draait is het toch nog een uur wachten tot hij echt vertrekt. Dan zitten er zo’n 15 mensen in, onder wie (jawel) twee Nederlanders: de eerste toeristen die ik hier zie.
Het eerste uur van de rit gaat door de buitenwijken van Manila, erg armoedig en nog eens extra triest door de regen die ook vandaag de stad weer treft. Daarna volgt een stuk snelweg, dat schiet lekker op. Lang duurt het plezier echter niet. We rijden uiteindelijk dwars door allerlei grote steden. Iedere stad heeft zijn rij fastfood-restaurants, als een klein Manila.
Pas na een uur of vijf komen we in het groen, in de bergen. Hier is het voor het eerst echt mooi, en begin ik zin te krijgen in de komende dagen in de bergen.
Baguio
Baguio is een vrij grote stad geplakt tegen een berghelling. Er is één grote straat, Session Road, met winkels en restaurants. Het lijkt er wel koopzondag! De aanwezige Filipijnen eten en shoppen er lustig op los.
De volgende ochtend reis ik verder met de bus richting Bontoc. Een man die op weg is naar het gerechtshof aldaar komt naast me zitten en hoort me uit over Nederland. Hij is niet positief over de verwachte reisduur: we zullen misschien wel 7 uur onderweg zijn. En dat voor 146 kilometer! Nou ja, we zien het wel.
Van de 1200 meter in Baguio gaat het omhoog naar een pas op 2250 meter hoogte. De weg heet de Halsema Highway en is door de Amerikanen gebouwd (dat geldt voor heel veel op de Filipijnen). We komen door veel dorpjes. Langs de weg wordt groente verkocht, en levende kippen, konijnen en biggetjes. Wie niet meer leeft is de koe wiens afgehouwen kop naast stukken van zijn vlees in een stalletje hangt.
Uit de gesprekjes met mijn buurman maak ik op dat ik het wel kan vergeten vandaag nog in Banaue aan te komen, mijn geplande reisdoel voor vandaag. We arriveren pas na drieën in Bontoc, en op dat tijdstip rijden er volgens hem al geen bussen of jeepneys meer naar Banaue. Daarom richt ik mijn vizier maar op Sagada, dat ligt maar drie kwartier van Bontoc en moet dus voor de duisternis te halen zijn.
Een lekke band van onze bus brengt Sagada opeens nog een stuk dichterbij. Achter ons stopt een andere bus die rechtstreeks naar Sagada rijdt. Ik stap dus snel over. Alleen achterin is nog plaats, dus zo slinger ik het laatste uurtje in de bus over de steeds slechter wordende wegen. Het ene na het andere kind in de bus moet overgeven, maar gelukkig hebben de ouders tijdig plastic zakjes paraat. Het zal altijd wel hetzelfde liedje zijn.
Sagada
Om een uur of drie zijn we in Sagada. De bus stopt op het marktplein. Het centrum van dit plaatsje blijkt vreselijk compact te zijn: in een paar stappen kom je bij de belangrijkste punten. Ik moet eerst even langs de Tourist Info om me te registreren. Er is niemand, dus zet ik mijn naam maar gewoon in het grote boek dat op de balie ligt. Er blijken hier toch nog zo’n 30 toeristen per dag te komen. Even verder kom ik bij het Olahbinan Resthouse. Dat ziet er goed uit en ik word er vriendelijk onthaald. Laat ik hier maar 3 dagen blijven!
’s Ochtends beginnen de hanen al voor vijven te kraaien. Ik blijf nog liggen tot half negen, ik heb geen wilde plannen vandaag. Het weer is nog steeds somber maar gelukkig wel droog. Ik bestel voor 50 cent een toast-met-jam-en-thee ontbijtje in een klein café. Daarna wandel ik een stuk over de weg richting Bontoc. In deze buurt stan de mooiere huizen. Het centrum van Sagada daarentegen is net een Nepalees bergdorp. Overal zie je honden, alle soorten en maten vuilnisbakken. Gelukkig zijn ze niet agressief.
Omdat het inmiddels weer goed gaat met mijn knie waag ik me aan een korte wandeling via de tourist information. Een vrouwelijke gids neemt me mee langs de kerk naar de Echo Vallei, met uitzicht op de hangende grafkisten. De kerk is een van de weinige oude gebouwen in Sagada, en staat op een fraaie plek in het groen naast het ook al koloniaal imposante ziekenhuis. Er is plaats voor vele gelovigen – Sagada telt toch nog zo’n 13.000 zielen.
Via een paadje over de moderne begraafplaats lopen we naar de andere kant van de heuvel. Dit is de toegang tot de Echo Vallei, met rotsen en grotten die het geluid weerkaatsen. Aan de overkant van de vallei kun je de hangende grafkisten zien. Dit was en is tot op zekere hoogte nog steeds de traditionele manier van begraven bij de Igorot, de bergvolken. Ook nu nog worden er af en toe oudere mensen in hun grafkist opgetakeld, of in een grot begraven.
Op de terugweg doen we het Missie Museum aan. Vooral de foto’s vind ik interessant: deze geven aan dat met de komst van de missionarissen ook het tijdperk van de stenen gebouwen en wegen aantrad.
’s Avonds gegeten bij het Log Cabin Café, een erg gezellige houten berghut met open haard en kerstboom.
Lumiang
De volgende dag maak ik samen met een gids een wat langere wandeling naar de Lumiang grot. Het is een leuke tocht, het laatste stuk een beetje glibberend bergafwaarts richting de grot. De toegang is afgesloten met een groot hek omdat er in het verleden gestolen is uit de grafkisten. Of het dan helpt om de sleutel op een wel heel voor de hand liggende plaats te verstoppen weet ik niet.
In de grot zelf liggen enkele tientallen grafkisten zichtbaar opgestapeld. In het zwarte gat beneden werden de dode criminelen gegooid, aldus de gids. Dat gat vormt ook de toegang tot het ondergrondse gangenstelsel van alle grotten in deze omgeving. Ervaren speleologen komen vanuit de hele wereld naar deze plek om het stelsel van binnen te onderzoeken en blijven dan soms wel twee weken ondergronds. Het zou niets voor mij zijn!
Banaue
Per jeepney verlaat ik Sagada voor Bontoc. Daar stap ik, na enig zoeken, over op de bus naar Banaue.
Na twee uur rijden komt Banaue in zicht. Ook dit is een langgerekt dorp. De bus zet me bovenaan de weg af, de rest van de passagiers gaat nog een paar dorpen verder. Ik word meteen aangesproken door een jongen die me wel een hotel wil aanbevelen, maar ik loop lekker zelf het centrum in. Daar vind ik de Greenview Lodge er goed uitzien, en een kamer is snel geregeld.
Helaas regent het nog steeds, dus ik ga eerst maar eens lunchen in het restaurant van mijn lodge. Onder het genot van uitzicht op de rijstterrassen eet ik een grote kom kip-groente-ei-mie-soep.
Ondanks de regen ga ik de volgende dag toch maar op pad naar Bangaan. Dit is een van de plekken waar de mooiste rijstterrassen in de omgeving liggen. Het dorpje ligt zo’n 13 kilometer van Banaue. Ik stap in een jeepney, maar de chauffeur vertelt me dat hij met niet helemaal kan brengen: er is vannacht een aardverschuiving geweest. En inderdaad, na een minuut of 10 komen we bij een forse berg zand en stenen op de weg. Daar kun je niet meer langs, ook niet te voet. Een graafmachine is bezig de weg weer vrij te maken, en wij als jeepney-passagiers staan een half uurtje aan de kant toe te kijken. Het is gelukkig droog geworden en er schijnt een wazig zonnetje. Dan geeft de man van de graafmachine een seintje dat we over de nog steeds imposante berg stenen mogen klimmen. Op handen en voeten maar zonder kleerscheuren bereiken we de andere kant. Daar staan al twee motorriksja’s op ons te wachten. Samen met een Filipijnse vrouw stuiter ik vervolgens vrolijk verder over de door de regen slecht geworden weg. Helaas zie je niet zoveel vanuit een riksja, bovendien krijg je de uitlaatgassen recht in je gezicht. Ik ben zo bang dat de zon al weer weg is als we in Bangaan aankomen en ik er geen moment plezier van gehad heb…
Dat laatste blijkt alleszins mee te vallen. De riksjarijder zet me af langs de kant van de weg, vanwaar je via trappen en smalle paadjes door de rijstvelden naar het dorpje Bangaan kunt lopen. Bangaan bestaat uit niet meer dan een paar traditionele houten huizen met rieten daken. Het ligt in een vallei, ingeklemd tussen spitse, groene bergtoppen en de rijstterrassen. Het is nu niet het juiste seizoen (dat schijnt maart te zijn), dus er zijn nu maar weinig velden waar echt rijst groeit. Maar dat maakt het schouwspel met de vele tinten bruin en groen er niet minder op.
De dorpsbewoners zijn zo slim koele drankjes en souvenirs te verkopen. Van de rijstteelt alleen kunnen ze niet leven, daarvoor zijn de familiegronden te klein. Het gezin waar ik beland (met maar een kind) moet 7 van de 12 maanden zelf rijst kopen. Ze wonen nog in een traditioneel huis op palen met ringen om de ratten tegen te houden en met een ladder die je binnen kunt halen tegen andere ongewenste indringers. Er is maar één ruimte waar iedereen slaapt, eet en anderszins vertoeft. Bovenin is dan nog ruimte om de rijst op te slaan.
Aangezien het nog steeds droog en zelfs een beetje zonnig is, besluit ik terug te lopen naar Banaue. Dat is 13,5 kilometer bergop, bergaf zonder de mogelijkheid te verdwalen want er is maar een weg. En met de optie altijd nog een passerende jeepney of riksja aan te houden als het niet meer gaat.
Nou, de eerste twee uur en zeven kilometer gaan prima. Ik loop lekker op mijn gemak en blijf maar foto’s maken van de prachtige groene vergezichten. Echt genieten hier.
Daarna wordt zowel het weer als het uitzicht een stuk minder. Ik schuil nog een tijdje bij een huis waar ze me een kinderstoeltje op de veranda aanbieden om de regen af te wachten. Wanneer ik het niet leuk meer begin te vinden komt er juist een jeepney langs: aanhouden en snel naar Banaue terug!
Mijn verblijf in Banaue sluit ik af in de Green View Lodge. Het wordt dineren bij kaarslicht want sinds de middag is de stroom uitgevallen. Gelukkig koken ze op gas, en word ik voorzien van een prima maaltijd met rijst en kip.
Terug naar Baguio
De volgende dag reis ik terug naar Baguio, als tussenstop op de route naar Vigan. Om kwart voor 7 vertrek ik voor een rit van 8,5 uur. Er zijn maar een paar andere passagiers, maar zoals gewoonlijk verndert dat vlak voor en na het vertrek snel. Om de een of andere manier vindt iedereen het blijkbaar prettiger pas op het laatste moment in te stappen, of precies voor de eigen voordeur (ook als is die maar 100 meter verwijderd van het busstation).
Deze bustocht is de eerste paar uur vooral een race met de bus van een concurrerende maatschappij die een kwartier later is vertrokken. Veel getoeter en pogingen tot inhalen. Tijdens de lange rit hebben we maar een echte stop om de benen te strekken. Voor de broodnodige snacks zorgen de verkopers die onderweg in de wat grotere plaatsen instappen. Soms wel met zijn zessen tegelijk: één verkoopt flessen water, de ander gekookte eieren, cakejes, fruit of kranten. Zelf houd ik het bij een zakje met knoflook gebrande pinda’s.
Terug in Baguio (op weer een ander busstation dan de vorige twee keer) slenter ik nog wat door de winkelstraat en eet in een leuk grillrestaurant
Noord Luzon
Soms lijkt het of ik hier niets anders doe dan in een bus zitten. Dit keer is het maar vijf uur, van Baguio naar Vigan. De bus van 9 uur is een luxe exemplaar met zelfs vaste zitplaatsen. Dat mag ook wel, want de bus is helemaal vol met Filipijnen die bepakt en bezakt op weg gaan.
De airco gaat flink aan, en de conducteur probeert een video op te zetten. Ondertussen slingert de bus zich een weg naar beneden, van de bergen richting kust. Het meisje naast me neemt al pillen tegen de misselijkheid, en ook ik voel me niet helemaal lekker. Gelukkig bereiken we op tijd de rechte weg zodat het ontbijt binnen blijft.
Vigan
Aan het begin van de middag rijden we Vigan binnen. De bus zet me af op het centrale, Zuidamerikaans aandoende plein. Ik laat een driewieler-riksja me naar het Villa Angela Heritage House brengen. Dit prachtige landhuis, met vier grote kamers, heb ik de komende dagen voor me alleen. Het is net alsof je in een museum woont, alleen mag je nu overal op en aan zitten. In mijn enorme slaapkamer staan o.a. een schommelstoel en een driepersoons hemelbed. Hier ga ik het wel uithouden de komende dagen!
Aan het eind van de middag loop ik een rondje door de stad. Ook hier is het erg druk op straat, waarbij de bussen en riksja’s aangevuld worden met calesas (paardenkoetsjes). Deze koetsjes zijn hier in Vigan een normaal transportmiddel.
Het historische centrum van Vigan is ook echt historisch en het aanzien zeer waard. Toch wel een unicum in de Filipijnen. De grote gele kerk vormt het middelpunt, en ligt aan een van de twee grote pleinen. Hier zijn ook de inmiddels overbekende fastfood restaurants te vinden en een aardig winkelcentrum.
De volgende dag is het tijd voor een uitgebreider bezoek. Via de Crisologo Street wandel ik naar het centrum. Deze straat is geheel verboden voor gemotoriseerd vervoer, een verademing. Aan deze straat liggen ook de typische historische huizen, met een winkel onder en de woonruimte boven. Nu zijn ze bijna allemaal in gebruik als souvenirwinkels die allemaal hetzelfde handwerk en T-shirts verkopen. De stad Vigan heeft echt geprobeerd wat te maken van deze straat: klinkers hebben het asfalt vervangen, en er staan om de paar meter bankjes (in de vorm van het zitje achterop de koets) en prullenbakken.
Het Crisilogo Old House is één van de oude huizen waar je binnen mag kijken. Vooral beneden is het een rommeltje met de parafernalia van meneer Crisilogo, een befaamd politicus en oorlogsheld zo blijkt. Behalve heel veel medailles en oorkondes staat er ook een oude Amerikaanse auto met kogelgaten (waarin zijn vrouw ooit beschoten werd). Boven is het wat meer een woonhuis, maar lang niet zo mooi als “mijn” Villa Angela.
Al rondlopend merk je dat ook dit toch een vrij arme stad is. Er wordt regelmatig gebedeld door kinderen en bejaarden. Ook zijn er straten die uit niets anders bestaan dan vervallen huizenblokken.
Ilocos Norte
Ik heb een dagtocht gepland naar twee plaatsen in de provincie Ilocos Norte, Batac en Paoay. De kwaliteit van de bussen gaat zienderogen achteruit naar mate je meer buiten de grote steden komt. Dit keer tref ik een overjarige stadsbus met smalle bankjes. Maar er zijn gelukkig ook niet veel andere passagiers dus oncomfortabel is het niet. We racen over de National Highway, een soort B-weg dwars door allerlei dorpjes. Het is hier blijkbaar al tijden droog en warm in tegenstelling tot de rest van het land, ik zie brede rivierbeddingen met hier en daar een plasje water waarin vrouwen de was aan het doen zijn. Het droogt in ieder geval snel.
Na anderhalf uur bereiken we Batac. Vanaf daar pak ik een jeepney naar het een paar kilometer verderop gelegen Paoay. Het is een rustig dorp. De robuuste kerk, een werelderfgoed, kun je al van verre zien liggen. Het is een breed, bulkachtig gebouw. Deze vorm, en de 26 verstevigde uitbouwsels aan de zijkanten, moet het geheel aardbevingsproof maken. Dat is blijkbaar goed gelukt want hij staat al zo’n 200 jaar overeind. In tegenstelling tot veel andere bezienswaardigheden in de Filipijnen is hier echt moeite gedaan het monument goed tot zijn recht te laten komen: er ligt een keurig onderhouden grasveld omheen en aan alle kanten is het uitzicht vrij gemaakt om de kerk onbelemmerd te kunnen bewonderen. Helaas kan ik niet naar binnen omdat de kerk gesloten is voor een lange middagpauze. Dus kies ik er ook maar voor te gaan lunchen in het prima restaurant aan de overkant.
Terug in Batac, Home of the Great Leaders zoals ze zelf zeggen, moet ik toch even langs het voormalig huis en het mausoleum van wijlen president Ferdinand Marcos. Zijn fraaie houten huis is helaas gesloten, maar je kunt wel naar een kleine tentoonstelling over ’s mans leven en werk. Het hoogtepunt is natuurlijk het goed gekoelde mausoleum(pje), waar het lichaam van Marcos er vredig bij ligt. Het lijkt nooit echt, zo’n gebalsemd lichaam. Hier zijn het de oren die een beetje raar zijn. Verder overheerst hier de respectvolle bewondering: voor veel inwoners van deze regio is hij nog steeds een held. De belangrijkste straat van Batac is ook naar hem genoemd.
Bohol
Lekker nog een paar dagen relaxen in de zon op een tropisch eilandje. Dat was de bedoeling, maar net als een paar jaar geleden in Korea viel dit plan letterlijk en figuurlijk in het water. De meeste tijd heb ik op Bohol dan ook doorgebracht met een boek in mijn overigens uitstekende kamer in het Bohol Tropics Resort. En dan 3x per dag een sprintje door de plassen naar het restaurant.
Tagbilaran
De hoofdstad van Bohol, Tagbilaran, doet niet veel onder doet voor de gemiddelde stad op het vasteland. Triest, en niets te beleven. Maar ook hier biedt een modern groot winkelcentrum (bij het busstation, een eind buiten het centrum) uitkomst op regenachtige dagen: een bioscoop, internetcafé en natuurlijk veel verschillende restaurants.
Dagtochtje
Op mijn laatste dag komt dan toch eindelijk de zon erdoor. Snel ga ik mee met een georganiseerde dagtocht over het eiland. Uitstappen, even rondkijken, foto’s maken en dan snel weer verder – en dat een keer of 5. We stoppen bij een monument ter ere van het met hun bloed ondertekende contract tussen de locale chief Sikatuna en de Spaanse conquistador Miguel Lopez de Legazpi, de oude kerk van Baclayon en een hangbrug over de rivier. Ook gaan we tarsier-kijken: hele kleine enge beestjes die je bijna niet terug vindt tussen alle grote toeristen die met ze op de foto willen.
Hoogtepunt zijn toch echt de Chocolate Hills. Deze tientallen bolle heuvels lijken op een verzameling bolletjes ijs of tumuli (grafheuvels), maar zijn een product van de natuur. Ze zijn op dit moment niet chocoladebruin maar frisgroen.
Terugblik Filipijnen 2005
De Filipijnen zijn een goed bewaard geheim onder de meer ervaren reizigers. Beetje Indonesië, beetje Brazilië, beetje V.S.
In December 2005 reisde ik er 3,5 week rond met het openbaar vervoer. Mijn oordeel is gemengd: het reizen is er gemakkelijk en de mensen zijn vriendelijk, de armoede is echter niet over het hoofd te zien en het regende veel.
Algemeen
Deze reis naar de Filipijnen heeft bij mij gemengde gevoelens achtergelaten. Het is een gemakkelijk land om rond te reizen doordat de feitelijke voertaal er Engels is. De Cordilleras (rond Sagada en Banaue) vond ik echt het mooiste gebied. Ook Vigan moet je niet overslaan. De zichtbare armoede heeft mij daarentegen overvallen: het is nog net geen India maar het scheelt niet veel. Er wordt veel gebedeld door kinderen, niet voor de afleiding maar omdat ze wel wat eten kunnen gebruiken. Je moet ook veel geduld meenemen en je reis goed voorbereiden. Mijn reisgids (Rough Guide) was echt onvoldoende: de kaartjes klopten van geen kant en er is veel meer te zien dan in de gidsen staat beschreven. Het is duidelijk een nog vrij onontdekt land. Vooraf dacht ik dat het wel een beetje op Brazilië zou lijken, maar de kwaliteit van de bezienswaardigheden en de algemene levensvreugde ligt daar toch een stuk hoger.
Visum
Voor een verblijf langer dan 21 dagen is een visum nodig. Dit is verkrijgbaar bij de ambassade in Den Haag en kost 39 EUR.
Vervoer
Het is een lange zit naar Manila: 12 uur heen en 13.45 uur terug. De KLM vliegt rechtstreeks, dus dat is wel makkelijk. Net als op veel andere plekken in de Filipijnen is er erg veel bewaking en veiligheidscontrole op het vliegveld.
In Luzon reis je het makkelijkst met de bus. De kwaliteit van deze bussen verschilt nog al: per maatschappij, per regio, per reisduur. In de grote steden hebben de grote maatschappijen ieder hun eigen terminal, soms (zoals in Manila) zelfs in verschillende delen van de stad. Echt vaste regels heb ik niet kunnen ontdekken: de ene keer koop je een kaartje aan het loket, de andere keer weer in de bus (dat laatste kan altijd). Voor lange ritten (> 6 uur) is een vertrektijd van 7 uur ’s ochtends een goede gok, voor kortere 9 uur. Overal gaan wel bussen naar toe, in ieder geval ’s ochtends vroeg. Ook bij het busvervoer geldt dat je er ruim de tijd voor moet nemen, zoals bij alles in de Filipijnen. Een gemiddelde afstand van 25-30 kilometer per uur is heel normaal, ook buiten de bergen.
Voor korte afstanden zijn er de Jeepneys (zie foto). Ze zien er prachtig uit en zijn ook vrij praktisch voor de middellange afstanden. Er passen 14 mensen in.
Naar de eilanden zoals Bohol kun je met een binnenlandse vlucht. Ook hier zijn weer allerlei maatschappijen. Ik vloog zelf met Phillipine Airlines, daar kun je online boeken. Houd rekening met veel veiligheisdscontroles, en dat je ter plekke nog luchthavenbelasting moet betalen.
Accommodatie
De hotels waar ik heb overnacht zijn:
Garden Plaza Hotel (Manila): Groot hotel, geschikt voor groepen (congressen, bruiloften en zo). Tijdens mijn verblijf huist er een groep verpleegsters. Mijn kamer is meer een appartement, met 5 slaapplaatsen 2 zitjes, een bureau en een keukentje. 30 US dollar. Vermeldenswaardig is ook het Zwitserse restaurant dat deel uitmaakt van dit complex: weer eens wat anders en echt kwaliteit!
Prime Hotel (Baguio): Groot hotel aan de grote winkelstraat. Dat is handig voor een restaurantje ’s avonds. De kamer was een beetje oud maar wel OK. Zondagochtend vroeg gewekt door een enthousiast spelende gospelband in de eetzaal. 1500PHP / 25 EUR.
Olahbinan Rest House (Sagada): Houten huis aan het eind van de hoofdstraat. Schone, frisse kamer met kleine badkamer en vooral mooi uitzicht op de bergen. Wel gehorig door de dunne muren. 1000PHP / 16 EUR.
Greenview Lodge (Banaue): Redelijk groot guesthouse met eigen restaurant en souvenirwinkel in het centrum van Banaue. In het restaurant kun je goed eten en heb je – zoals de naam al doet vermoeden – een wijds uitzicht over Banaue en de omliggende rijstterrassen. Enige minpuntje: de kwaliteit van de lakens (?!); veel irritatie en zweet en weinig slapen. 600 PHP / 9 EUR.
Villa Angela Heritage House (Sagada): Groot koloniaal huis, net een museum van binnen. De kamer is enorm, met een hemelbed ruim genoeg voor drie. Zeer vriendelijke eigenaren. Tom Cruise heeft hier ook geslapen in hetzelfde bed! (maar niet gelijktijdig, helaas) 1600PHP / 26 EUR.
Bohol Tropics Resort (Bohol): keurig aangelegd resort, goed restaurant. De kamers zijn in huisjes met eigen terras. 1750 PHP / 30 EUR.
Communicatie
Internetten en mobiel bellen kun je echt overal.
Geldzaken
De Filipijnse munt is de peso. Ten tijde van mijn bezoek (december 2005) gingen er zo’n 60 pesos in een euro. Vooral eten en vervoer zijn erg goedkoop naar onze maatstaven. Voor 3 euro eet je al prima in een leuk restaurant, maar voor de helft kan ook.
In de grote steden kun je pinnen. Wel opletten dat er een maximum bedrag van 4000-5000 pesos per keer is (70-80 EUR). In de dorpen in de Cordilleras (Sagada en Banaue) zijn geen geldautomaten en moet je dus al voldoende pesos op zak hebben. In Sagada is wel een lekker informele bank waar je dollars kunt wisselen. Ook in Baguio en Vigan heb ik problemen gehad om geld uit de automaten te krijgen door storingen e.d.
Enige indicaties (december 2005):
Halve liter water: 0,20 EUR
Bus Manila > Baguio (6 uur): 6 EUR
Uurtje internetten: 0,50 EUR
Gids in Sagada: 6,50 EUR
Entree Nationaal Museum: 1,50 EUR
Eten
Fastfood restaurants zijn het helemaal in de Filipijnen: ze zitten van ’s ochtend vroeg tot ’s avonds laat vol. Een McDonalds is nooit ver weg, en de Filipijnse variant (Jollibee) zit echt op iedere straathoek. Daarnaast vind je in de winkelcentra in de grote steden veel internationale restaurants, van Japans tot Italiaans. Je hoeft dus niet bang te zijn eenzijdig te eten.
Om de Filipijnse keuken te proberen moet je wel wat moeite doen. Chicken adobo is één van de meest gangbare gerechten: kip in een wat zurige saus (lijkt Indiaas).















Leave a comment