Ulaan Bator
De taxi scheurt over de hobbelige weg van het vliegveld naar de stad. Er is best veel verkeer. Veel van de Ulaan Bator zelf zie ik nog niet, of het moeten de zwaar rokende schoorstenen van de fabrieken zijn.
Gandan
De eerste echte dag ga ik te voet naar het Gandan-klooster. Het ligt in een buitenwijk met gers, nog net geen sloppenwijk maar het scheelt niet veel. Natuurlijk heb ik weer moeite het te vinden. Je kunt het van veraf zien, maar hoe kom je er? Eerst sta ik binnen bij het verkeerde klooster, even later dwaal ik rond in een netwerk van zandpaden. Maar ik kom er wel.

Het is net tijd om de duiven te voeren lijkt het wel. Honderden zitten er op de binnenplaats van het eerste klooster in het Gandan-complex. Op een muurtje zit ik daar een tijdje mensen te kijken. Dan naar het hoofdgebouw, erg fotogeniek. Het is er erg druk met bezoekende Mongolen, vooral veel ouderen in traditionele kledij.
Museum
De volgende ochtend breng ik door in het Nationaal Museum voor Mongoolse Geschiedenis. Op drie verdiepingen zijn hier kleding, gebruiksvoorwerpen en religieuze voorwerpen te zien. Het is een echt mooi museum, vooral de afdeling met de kleding van verschillende bevolkingsgroepen.
’s Middags ga ik naar het kloostermuseum van Choijin Lama. Dit is geen actief klooster meer, en diende alleen nog als museum voor vervlogen tijden in de communistische periode. De gebouwen zijn behoorlijk goed onderhouden, en ook binnen is er veel te zien. Metershoge thangka’s, maskers van papier-maché en sierlijke gouden beeldjes. Er is ook een Vredestempel op het terrein, met daarin uitsluitend afbeeldingen van ‘goede’ en vreedzame goden.
In de stad
Na een paar dagen begint Ulaan Bator pas echt goed te bevallen. Zo heb ik geleerd niet overal meer naar toe te lopen maar een spotgoedkope taxi te nemen (het is nogal heet en droog buiten). En ik heb goede internetcafées, winkels en restaurants gevonden.
Er zijn ook nog steeds genoeg leuke dingen om te doen. Zo ga ik op een ochtend naar het Zanabazar Kunst Museum. Het lijkt wel of het speciaal voor mij opengaat. Naar een entreekaartje moet worden gezocht, en in iedere zaal waar ik heenga moet eerst het licht worden aangedaan (en weer uitgedaan als ik ben uitgekeken). Behalve bronzen beelden gemaakt door Zanabazar hebben ze ook hier prachtige thangka’s. Ook is er een speciale zaal met maskers voor de tsam-dansen.
Het natuurhistorisch museum is ook wel een bezoekje waard. Het is nog geheel in Sovjet-stijl, met krakende houten vloeren en vrouwen met schorten in onduidelijke functies. Hoogtepunt van het museum is de dinosauruszaal. Daar staat o.a. een 16 meter lange Tarbosaurus.
Amarbayasgalant
Voor mijn eerste meerdaagse tocht buiten de hoofdstad wilde ik eigenlijk naar Khövsgöl Nuur, een meer in een Siberische omgeving in het uiterste noorden van Mongolië. Dit schijnt de mooiste plek van het land te zijn. Maar als ik bij een reisbureau informeer blijken de vluchten de eerstkomende dagen vol te zitten. Ik kies daarom voor een plaats in het noorden die met een jeep te bereiken is: het klooster van Amarbayasgalant.
Op pad
Om negen uur in de ochtend komen mijn privé-chauffeur en privé-gids (een meisje genaamd Mogi) me bij het hotel ophalen met de jeep. Het eerste deel van de rit gaat over de asfaltweg naar het noorden. Dit is een van de weinige verharde wegen in Mongolië. Hij verbindt de hoofdstad Ulaan Bator met de kolenmijnen in het noorden en met Rusland. Hier is het nog goed rijden. Er is ook redelijk wat verkeer. Langs de weg staan volop tenten van nomaden (gers), en hier en daar zie je ook gehuchtjes met houten huizen.
Na een uur of drie verlaten we de verharde weg. Een stoffig pad leidt ons over de vlaktes, waar gras zou moeten groeien. Het is echter de hele zomer droog geweest, zodat het er kaal en geel uitziet. Hier wonen ook nauwelijks mensen.
Vrij plotseling komen we bij een enorm mijnbouwcomplex, compleet met zwarte rook uitspuwende schoorsteen. Hier is zowaar een stadje, Khötöl, omheen gebouwd. De mensen wonen in flats van Russische makelij. Alles is er zwart van de rook. Een heel deprimerende plek.
Eén heuvel verder zie je er echter al niets meer van. Hier is er weer de woestijnachtige steppe zover het oog reikt. Vlakbij het pad zien we een hele grote roofvogel zitten, wel een meter groot. Ik denk dat het een buizerd is.
In het kamp
Na zes uur rijden, inclusief lunch en enkele stops, komen we aan bij het ger-kamp. Het is er heerlijk stil, en je hebt er een weids uitzicht. Er staan zo’n 15 gers op het terrein, met in het midden een restaurant-ger. Ik krijg ger nummer 1 voor mezelf, en daar voel ik me al snel helemaal op mijn gemak. Licht houten meubilair, een houten vloer, een kacheltje met schoorsteen: idyllisch. Later merk ik dat de tent zowel tegen warmte (veel schaduw vanwege het ontbreken van ramen) als kou en wind goed beschermt.
De volgende ochtend vertrekken we naar het klooster, dat op 7 kilometer van het kamp ligt. Om 10 uur, het tijdstip voor het ochtendgebed, is alles echter nog dicht. Hier en daar loopt een verdwaalde monnik in de regen. Na een tijdje komen er meer, allemaal zo tussen de 6 en 18 jaar oud. Ze moeten net als wij wachten voor de dichte deur van de hoofdtempel. Om de tijd te doden beginnen ze elkaar te slaan en te achtervolgen. Er zijn veel echt jonge kinderen bij. Sommigen hebben blote voeten terwijl het buiten toch flink koud is.

Als de sleutelmonnik is gearriveerd kan de ochtenddienst eindelijk beginnen. Deze verloopt ook al vrij chaotisch. Ze staat onder leiding van de oudere jongens. Alleen in de zomermaanden komt er hier een lama uit Tibet om hen te onderwijzen.
Eén van de jongens laat ons later alle gebouwen op het terrein van binnen zien. Ze moeten speciaal worden geopend. Zanabazar, de eerste Bogd Khan van Mongolië, speelt hier een belangrijke rol. Hij was ook een groot beeldhouwer (in brons), en verzon het nationale symbool van Mongolië: de soyombo. Hij ligt hier begraven, maar zijn tombe is in de jaren dertig door de communisten vernietigd.
Opvallend in de gebouwen zijn de prachtige thangka’s. Ze zijn wel 2 meter hoog en 1,5 meter breed. De monnik vertelt dat ze hier in Mongolië gemaakt zijn.
Visite
In de loop van de middag gaan we op bezoek bij een nomadenfamilie in de buurt van het kamp. Er is alleen een vrouw met haar dochtertje thuis. Haar man, die jager is, is de andere kinderen naar school brengen in de stad: op 1 september beginnen de scholen weer. Eerst krijgen we zoute thee te drinken met veel melk. Het gezin heeft een kudde koeien, dus daar kunnen we wat produkten van proeven. De yoghurt bijvoorbeeld is prima. Erg lekker is ook een soort boter/kaas-achtig iets om op brood te smeren (öröm, een soort St. Moret). Ook probeer ik nog de keiharde, gedroogde aaruul (een favoriete snack).

Centraal Mongolië
Het versturen van 20 e-mailtjes aan reisbureaus gisteravond heeft effect gehad: een paar reacties, waarvan die van Karakorum Expeditions er uitspringt. Zij starten zaterdag een 11-daagse tocht door Centraal-Mongolië en Gobi. Er is tot dusver 1 medepassagier. Ik sluit me aan bij een Canadese, en later die dag volgen nog een Zwitserse en een Duitse jongen. Zaterdagochtend om 9 uur komen ze me ophalen bij het hotel.
Karakorum
De weg van Ulaan Bator is een vrij goede, grotendeels geasfalteerd. Je ziet hier ook vrij veel (vracht)verkeer. Hier en daar zijn ze echter met de weg bezig en moeten we over het zand c.q. gras verder. Het is erg fris buiten en het regent zo af en toe. We lunchen daarom ook in het wat aftandse Russische minibusje dat ons vervoermiddel is.

Op het programma staat eerst een bezoek aan een klein klooster, Ovgiin Khiid. Het ligt idyllisch tegen een rotswand.
Daarna rijden we door naar Karakorum, de voormalige hoofdstad van het rijk van Genghis Khan. We bezoeken er eerst Erdene Zuu, het grote klooster. Dit is wellicht Mongolië’s grootste toeristenattractie, en we zijn dan ook niet de enige bezoekers hier. De kloostergebouwen worden omringd door een muur van 108 witte stupa’s: het meest kenmerkende aan dit klooster. We kijken ook nog bij een aantal gebouwen binnen. Slechts een klein gedeelte is nog daadwerkelijk als klooster in gebruik, de rest is museum.

Even buiten het klooster bekijken we de schildpadsteen: één van de vier die vroeger de stadsgrenzen van Karakorum aangaven. Hier in de buurt zijn ze ook met veel opgravingen bezig: er zit in Mongolië vast nog heel veel onder de grond.
Na het bezoek aan Erdene Zuu kijken we ook nog even rond op de markt van Karakorum. Ze verkopen er vooral kleding: de meeste mensen kopen op de markt en niet in winkels.
Op de weg naar het ger-kamp krijgen we pech met het busje. Er is iets stuk wat volgens de chauffeur goed gerepareerd kan worden met een onderdeel van een Chinese aansteker. Die heeft echter niemand bij zich. We worden na een uurtje gered als er een jeep stopt waar wel 11 mensen uit kruipen. Twee van hen helpen onze chauffeur weer op weg.
Tövkin Khid
Vandaag naar Tövkin Khid, een klooster in de bergen. Het is een lange tocht, geheel ongeasfalteerd. Al na een half uurtje moeten we met de bus dwars door een rivier. De chauffeur stapt eerst uit om het water gunstig te stemmen door een paar druppels over zijn gezicht te gooien. Daarna rijden we er doorheen, een rivier met stroming toch. Halverwege slaat de motor nog af, maar zo’n Russisch busje blijkt alles aan te kunnen.
In een soort oase stoppen we bij 3 gers. De chauffeur wil bij hen wat drank kopen (airag en ‘Mongoolse wodka’). We worden uiteraard ook weer binnen uitgenodigd. De buren zijn net hun tent aan het afbreken, ze trekken weer verder. Eerst worden de buitenste lagen stof en vilt er afgewikkeld totdat er alleen nog maar een houten karkas over is. Als dat ook afgebroken is en op de vrachtwagen ligt staat alleen het huisraad er nog. Nogal een raar gezicht.

We rijden weer verder over de vele hobbels. Het landschap wordt wat groener en ook steeds bergachtiger. De laatste kilometers naar het klooster gaan over een pad door een dicht bos. In Nederland zou zoiets een wandelpad zijn, maar het busje weet zich ook te redden. Alleen de laatste twee kilometer lopen we.
Tövkin Khid is een klein klooster, dat door Zanabazar gebruikt werd om zich terug te trekken. Erg afgezonderd ligt het inderdaad wel. De anderen klimmen nog naar een grot via een rots die loodrecht omhoog gaat. Ik blijf bij de kloostergebouwen, genietend van het uitzicht. We zien ook nog ‘de voetstap van Zanabazar’, maar daarin valt niet veel te herkennen.
Khustaai Nationaal Park
Een tocht van 300 kilometer brengt ons naar het Khustaai Nationaal Park. Bij het bezoekerscentrum krijgen we uitleg over het park, dat bijna 10 jaar bestaat. Vanaf dat moment werden de eerste Przewalski-paarden hier vanuit Nederland gereïntroduceerd. Deze wilde paarden (takhi in het mongools) stammen oorspronkelijk uit Mongolië maar waren hier uitgestorven.
Met een gids gaan we daarna het park in, met het busje. De natuur verschilt hier niet veel van die in de omgeving, alleen staan er geen gers. We zien ook veel grote marmotten. Al snel komen we een groepje wilde paarden op het spoor. Helaas kunnen we niet te dichtbij komen, want ze zijn nogal schichtig. Met een verrekijker zijn ze wel goed te zien.
Verder in het park gaan we niet, en dat is best wel jammer.
Gobi
De binnenlandse vlucht naar Gobi vertrekt vroeg in de ochtend. Met ‘ons’ vliegtuig, waar 42 man inpassen, gaan er maar zo’n 25 mee. De meesten zijn toeristen.
De tocht naar het ger-kamp in de buurt van Dalazadgad duurt 1 uur en 20 minuten. Onderweg niets dan maanlandschap. Ik val al snel weer in slaap, totdat ik opeens met een klap wakker wordt: we zijn geland.
Bayanzag
Op het vliegveldje staat al een busje klaar om ons op te halen. Het is een iets luxere dan die op het vorige deel van de reis. We rijden meteen zo’n 70 kilometer naar Bayanzag. En o ja: het regent, en niet zo’n beetje ook. En dat in de woestijn. Regen is hier echt heel zeldaam, maar nu is het mistig en dichtbewolkt.

Het landschap is hier veel vlakker dan in het noorden. Ook zie je maar weinig mensen, alleen hier en daar een kameel. Onderweg komen we als enige tegenligger een auto met pech tegen. Onze chauffeur gaat helpen om het ding weer op gang te krijgen. Van de bewoners van de auto krijgen we een watermeloen en een paar kleine tomaten. Ze worden ons aangeboden door een schattig klein meisje. We geven haar een chocoladereep, en dat lijkt ze een goede ruil te vinden: ze loopt stralend weg. Met de hulp wil het echter niet zo lukken. Als we proberen de auto een eindje op gang te trekken, breekt het touw.
We gaan verder naar Bayanzag. Het vlakke landschap verandert opeens in een soort Grand Canyon. In de prehistorie was hier een groot meer, nu is er alleen nog een rotslandschap met veel rood zand. Er zijn hier veel overblijfselen van dinosauriërs gevonden. Wij gaan ook een tijdje zoeken. Er liggen veel (stukken van) botten, maar de meeste zullen wel van dode kamelen zijn. Het is een heerlijke omgeving om door rond te struinen, ondanks de aanhoudende regen. Hier en daar komen er kleine bloemetjes uit de rotsen en het zand tevoorschijn. Ook liggen er veel glimmende stenen in rood, turquoise en groen.
Holgon Els
De volgende dag gaan we met het busje westwaarts, dieper de Gobi in, naar de zandduinen van Holgon Els. Het is een rit van 6 uur. Je ziet hier zo mogelijk nog minder verkeer dan in de buurt van Karakorum. Op de hele rit komen we slechts één jeep tegen, met een toerist erin. De eerste uren is het landschap vlak en kaal. Weinig dieren, en ook nauwelijks gers. Het laatste deel rijden we echter door een wat spectaculairder bergachtig gebied. Daar zien we ook onze eerste gazellen, die zich snel uit de voeten maken.

Aan het eind van de middag bezoeken we het eerste deel van de zandduinen, dichtbij ons kamp. We moeten een stuk lopen door drassig weiland en struiken. Bij de zandduinen aangekomen doen we onze schoenen en sokken uit, dat loopt beter. Door het fijne zand klauteren we de hellingen op. Ik zoek al snel een lekker plekje op om te liggen, het zonnetje is zowaar gaan schijnen.
Na een warme nacht in het kamp gaan we de volgende ochtend kameelrijden. Bij een herdersfamilie in de buurt krijgt ieder zijn eigen kameel. Je mag ook zelf ‘sturen’: Chu betekent Vooruit. Mijn kameel heeft er niet zoveel zin in: hij of zij wil alleen maar stilstaan en/of eten. Hij moet als het ware voortgetrokken worden door de herder achter de andere kamelen aan.
We rijden door het struikgewas en de uitlopers van de zandduinen. Ik kan niet zeggen dat het gemakkelijk zit, zo’n kameel. Ik krijg steeds meer pijn. De anderen vergaat het beter. Na anderhalf uur rondhobbelen word ik uit mijn lijden verlost en zijn we weer terug bij het beginpunt.
Daarna bezoeken we een herdersfamilie even verderop. We krijgen er zoute thee met melk en een soort deegkoekjes. We praten wat met de man des huizes, en spelen een dobbelspel met schapenbotjes. Hij wint met gemak van ons, alleen aan de chauffeur moet hij 20 Tögrög afstaan. Even dreigt het dat ik in de Gobi moet blijven: de man wil mij graag houden als dochter! Dan kan ik mooi hooi halen en de paarden verzorgen.
Vallei van Yolyn Am
Op maandag rijden we terug richting vliegveld. Al heel in het begin stuiten we op een grote groep gazellen. De chauffeur jaagt er met het busje achteraan, over de vlaktes. Dit is de enige manier om ze van dichtbij te zien, maar door het gehobbel kun je geen foto’s maken. Als we stoppen zijn ze ook al weer weg: ze rennen heel hard.

Aan het begin van de middag komen we aan bij de vallei van Yolyn Am. We bekijken er eerst het natuurmuseum. Hier staan vooral opgezette dieren: wolven, gieren en een sneeuwluipaard. Er schijnen hier in de omgeving zo’n 30 tot 40 sneeuwluipaarden rond te lopen. We kijken daarna ook nog even wat rond in de souvenirwinkeltjes, zo vaak zie je die hier niet.
Daarna rijden we met het busje tien kilometer het park in. Vanaf daar moeten we lopen, tussen de berghellingen en langs de rivier. Het landschap is hier groen. Er moeten ook veel wilde dieren zitten, zoals wilde schapen en ibexen, maar wij zien niets. Alleen een felgeel vogeltje. Maar het is desondanks een prettige wandeling.
Praktische info Mongolië
Algemeen
Er komen niet zoveel toeristen in Mongolië, maar ze komen wel vaak op dezelfde plaatsen. De ger-kampen op het platteland zijn voor 100% op buitenlandse toeristen ingesteld, met westers eten en goede sanitaire voorzieningen.
Hoewel het contact door de taalbarrière wat moeizaam verloopt, heb ik alleen maar positieve ervaringen opgedaan met de Mongolen. Ze zijn erg relaxt, en staan positief tegenover buitenlandse bezoekers.
Vervoer
M.u.v. de Transmongolië-express is er nauwelijks openbaar vervoer in Mongolië. Als je rond wilt trekken moet je dus zelf wat regelen: een jeep huren of je aansluiten bij een groep(je). Mijn driedaagse tocht naar Amarbayasgalant heb ik geboekt bij Juulchin, de elfdaagse trip naar Centraal-Mongolië en Gobi bij Karakorum Expeditions. Het is vrij gemakkelijk om ter plekke in Ulaan Bator het een en ander te regelen: je kunt de vele reisbureautjes mailen met je wensen, en als ze iets voor je hebben (ze kunnen ad hoc meestal van alles regelen) dan kun je bij hen langsgaan om de zaken te regelen.
Accommodatie
Er is een groot verschil tussen Ulaan Bator en de rest van het land (het platteland). In de hoofdstad vind je hotels in alle prijsklassen. Eén van mijn medereizigers op de 11-daagse trip meldde mij trots dat hij een kamer had gevonden voor 2 US dollar per nacht. Zelf deed ik het toch maar wat luxer. Er zijn 2 dingen waar je in Ulaan Bator goed op moet letten bij de keuze van het hotel. Ten eerste de ligging: het ‘echte’ centrum van de stad is rond Het Grote Warenhuis, dus het is handig als je daar in de buurt zit. En ten tweede de beschikbaarheid van warm water: bepaalde wijken in de stad hebben vaak geen warm water, en dat treft ook de luxere hotels in die buurt (bijvoorbeeld het Mika Hotel waar ik een paar dagen ben geweest). Goede (lagere) middenklasse hotels zijn het Diplomat Hotel en het Zaluuchuud Hotel (beiden rond de 20 US dollar).

Behalve als je je eigen tent meeneemt overnacht je op het platteland in ger-kampen. De kampen liggen vaak op een mooie locatie. In een ger (tent) staan 3 of 4 bedden, plus wat meubilair en een houtkachel. Vaak is er ook wel elektriciteit. Daarnaast zijn er meestal een restaurant-ger en een souvenir-ger op het terrein, plus een gebouwtje met douches en (westerse) toiletten. Het is een beetje luxe kamperen.
Geldzaken
Mongolië is op zich niet zo duur, je hebt in Ulaan Bator al een maaltijd in een westers restaurant voor 4 euro. Het feit dat er geen openbaar vervoer is en je dus enigermate georganiseerd rond moet reizen maakt het uiteindelijk toch vrij prijzig. Voor de 11-daagse tocht naar Centraal-Mongolië en de Gobi-woestijn betaalde ik bijvoorbeeld 930 US dollar.
Wat prijzen (aug/sept 2002):
Taxi van het vliegveld naar het centrum van Ulaan Bator: EUR 4 (met meter)
Liter water: EUR 0,60
Half uur internet: EUR 0,30
Entree Mongools Museum: EUR 1,80
Postzegel op kaart naar Nederland: EUR 0,40
Maaltijd in Chinees restaurant: EUR 3
Eten
Ook hier weer die scheiding Ulaan Bator – platteland. In Ulaan Bator zijn er volop goede restaurants, aan te raden zijn Pizza de la Casa en Taj Mahal. In de ger-kampen op het platteland krijg je pseudo-westers eten voorgeschoteld, 3 of 4 gangen voor zowel lunch als diner. Het is kwalitatief vrij goed, en ook veel. Na een paar dagen komt het echter je neus uit: weer rauwe worteltjes, borsjt, koude rijst of patat en ondefinieerbaar vlees …
Leave a comment