World Heritage Traveller

Chili 2002

Written by:

  1. Lake District
  2. Chiloé
  3. Santiago
  4. Paaseiland
  5. Terugblik Chili & Paaseiland 2002

Lake District

Een lange vlucht – misschien wel de langste die ik ooit gemaakt heb. Tweeënhalf uur naar Madrid, vervolgens dertien uur naar Santiago de Chile en dan nog ruim een uur naar Puerto Montt. Gelukkig is het grotendeels nacht en kan ik slapen. De tijd vliegt. Het laatste half uur vliegen we over het grote Andes-massief dat Chili van Argentinië scheidt. Ruwe, bruine bergen, geen teken van menselijk leven. Veel vulkanen ook.

Aankomst in Puerto Varas
Het vliegveld van Puerto Montt (hier uitgesproken als “Pormon”) is maar heel klein. Geen drukte, geen schreeuwende mensen die je naar hun taxi/bus/hotel willen lokken. Ik stap in de bus naar het centrum. Als hij vertrekt zie ik eindelijk iets van dit land. Opvallend: allemaal houten huizen! Het lijkt wel Finland. Alleen economisch gaat het hier blijkbaar een stuk slechter: een nieuw laagje verf hebben de meeste huizen de afgelopen jaren niet meer gehad. Ook Puerto Montt bestaat helemaal uit die houten huizen, toch heel anders dan ik me had voorgesteld.

Op het busstation zoek ik me een ongeluk naar de bus naar Puerto Varas. Bussen genoeg, van tientallen maatschappijen. Als ik het aan mensen vraag verstaan ze mijn uitspraak van “Puerto Varas” niet. Bij de 3e persoon die ik aanklamp gaat er een lichtje branden: “Ah, Porbarra”. Ik moet naar de afdeling minibussen. Daar staan inderdaad wel 5 busjes startklaar om me in te lijven. Ook weer van allemaal verschillende bedrijfjes trouwens. Deze bussen voor 10 personen rijden als ze vol zijn, dus het is zaak zoveel mogelijk klanten binnen te slepen. Mij maakt het niet uit, als ik maar in Puerto Varas kom.

Tegen tweeën ’s middags word ik afgezet op het centrale plein van Puerto Varas. Een klim brengt me bij Casa Azul, een hotel in een woonwijk met houten huizen die een stuk beter in de verf staan dan die in Puerto Montt. Alle huizen hier in de buurt hebben trouwens een groot hek en een waakhond. Zo ook mijn hotel: ik kan nog net bij de bel, achter het hek staat een heel grote hond te springen en te blaffen. De eigenaresse komt opendoen, en de hond blijkt minder agressief in haar nabijheid.

Een kwartiertje later maak ik mijn eerste rondje door Puerto Varas. Het schijnt 30.000 inwoners te hebben, maar lijkt een dorp. Een koloniaal beeld: we zetten eerst gewoon wat huizen bij elkaar, later maken we het beter. Niet dus. Als ik de economie van Chili af moet lezen uit wat ik in de supermarkt aantref, dan gaat het niet al te best. Er is weinig keus en er zijn maar een paar klanten, er zijn echter wel 4 kassa’s open met ieder een jongen om de boodschappen in te pakken en ook nog een meisje bij de ingang bij wie je je tas af moet geven. Hoe langer ik door Chili reis hoe meer mij dit soort kleine baantjes op begint te vallen: zo zie je ook geen parkeerautomaten maar uitsluitend parkeerwachters.

Frutillar
De volgende ochtend ga ik naar Frutillar. Ook op zondag zijn er busjes zat die de dorpjes in de regio met elkaar verbinden. Ondanks hun hoge frequentie lijken ze ook altijd vol te komen. Lang niet iedereen heeft hier geld voor een auto.

Het stadje Frutillar Bajo ligt aan het meer, en bestaat eigenlijk uit 2 lange straten. Het is mooi weer vandaag en ik kan van de zon genieten. Waar ik echter voor kom is het Duits-koloniale museum. De Duitse kolonisatie van deze streek startte in 1846. Duitsland had in die tijd te kampen met economische en politieke problemen, waardoor een miljoen mensen hun vaderland verlieten. Dertigduizend van hen kwamen er in Chili terecht, met name in dit merengebied.

Het museum bestaat uit vier traditionele gebouwen uit die tijd: een molen, een smederij, een opslagplaats en een landhuis. Het is (met Duits geld) zeer fraai onderhouden, en ligt in een geurige tuin. Binnen in de gebouwen zijn gebruiksvoorwerpen uit de 19e eeuw te zien. Het komt me allemaal erg bekend voor, dat oud-Duitse. Ook in de rest van het dorp zijn traditionele huizen en kerken te zien. Om de Duitse ochtend af te sluiten neem ik Kafé met Kuchen: koffie op z’n Zuidamerikaans (hete melk met Nescafé), en El Kuchen op z’n Westeuropees.

Angelmo
Drie kilometer buiten Puerto Montt ligt Angelmo, de havenstad. Het is een toeristisch plekje, maar daarom niet minder leuk. Aan de haven staat een groot rood houten gebouw op palen, met daarin allemaal visrestaurantjes. Overal staan maar een paar tafels binnen. Hoewel ik niet zo dol op vis ben, kies ik er toch maar eentje uit. Ik bestel zomaar iets van de kaart: ik ken de Spaanse namen voor vissoorten niet. Als het even later gebracht wordt blijkt het vissoep te zijn, en gelukkig niet het gerecht van mijn buurman: schelpdieren met een grote worst (da’s curanto leer ik later). De vissoep bevat van alles, het lijkt wel of ze een schep uit het meer hebben gedaan en dat zijn gaan koken. Het is een beetje zout, en hier en daar drijft zeewier of zitten er steentjes. Toch best lekker.

Chiloé

De komende 3 dagen ga ik naar het eiland Chiloé, bekend vanwege zijn zalm en 150 houten kerkjes. Op het vliegveld van Puerto Montt heb ik een mooie rode auto gehuurd, om vrij te kunnen reizen.

Het is slechts 3 kwartier rijden naar de pont naar Chiloé, de overtocht zelf duurt een half uur. Er is vooral vrachtverkeer. Verwachtingsvol kijk ik uit naar de overkant. Je hebt echt het gevoel dat je aankomt op een eiland, misschien wel een Waddeneiland. Wanneer ik van de boot afrijd zie ik al meteen in het eerste dorpje een schitterende kerk – datgene waar Chiloé beroemd om is. Deze is lichtblauw met wit. De architectuur van deze kerkjes lijkt erg op elkaar, alleen de kleuren (en de staat van het onderhoud) variëren.

Vanaf de boot is het nog ruim 100 kilometer rijden naar Castro, de belangrijkste plaats op het eiland. De natuur onderweg is schitterend: groen, lage begroeiingen, heuvelachtig. Veel mensen wonen er niet. Ook hier is het gelukkig zonnig.

Castro
Van ver kun je dé kerk van Castro zien. Zacht geel met een beetje lila is hij tegenwoordig. Op alle foto’s die ik van tevoren gezien heb was hij donkeroranje met lila. ’s Avonds schijnt hij op z’n mooist te zijn, helemaal verlicht. In het historisch museum van Castro kun je de bouwtekening van de kerk bekijken. Daarop lijkt het een eeuwenoude gotische kerk uit Europa. In werkelijkheid is het erg anders, kan ik verzekeren: de kerk is relatief nieuw (1906) en ziet er wat minder stevig uit dan (pakweg) de Dom van Keulen.

Een ander kenmerk van Castro en Chiloé wordt gevormd door de palafitos, huizen op palen die in zee staan. Als je door de straten loopt lijken het gewone huizen, met de voordeur grenzend aan de straat. Pas van een afstandje zie je dat de huizen zelf geen vaste grond onder zich hebben, maar houten palen. Het zijn zeker niet de beste woningen van de stad, het zal er binnen ook wel erg vochtig zijn.

Nationaal Park
De volgende ochtend hoor ik de regen al vroeg kletteren op het dak. Het is voor het eerst dat het tijdens deze reis regent. Vandaag ga ik mee met een tour naar het Nationaal Park Chiloé. In het kantoortje van Turismo Quelcun tref ik mijn medereizigers, een Duitser, een Paraguayaan, een Peruaan en vier Chilenen. We stappen in een minibusje, samen met een chauffeur/gids. De tocht begint even buiten Castro bij de kerk van Nercon, een van de vele die tot werelderfgoed zijn benoemd. Deze is niet felgekleurd, maar zowel van binnen als buiten van donker hout. Je kunt hier met een trap naar de eerste verdieping, waar je vanaf het balkon over de kerkbanken beneden uitkijkt.

De volgende stop is Chonchi. In dit stadje is een paar weken geleden het dak van de kerk afgewaaid, het hout ligt er nog naast. Het dak schijnt op de auto van een Oostenrijkse toerist terecht te zijn gekomen. Het moet een gevoelige klap voor het dorp zijn geweest – de inwoners van Chonchi rivaliseerden altijd met die van Castro over welke van beide kerken de mooiste is.

Na Chonchi gaan we op weg naar het Nationaal Park. Het is weer flink begonnen te regenen. Bij de ingang van het park stoppen we eerst bij een restaurant om te lunchen (keuze uit gebakken zalm of gebakken zalm). Zalm wordt hier veel gevangen, Chiloé schijnt na Noorwegen de grootste zalmexporteur ter wereld te zijn.

Tegen drieën komen we er eindelijk aan toe om het park in te gaan. Het giet inmiddels, dus krijgen we van de gids een gele regencape, zodat we op een verzameling verzopen eendjes lijken. We doen de korte wandeling over een pad van boomstronken (altijd leuk als het nat is). Erg veel is er niet te zien, maar dat kan ook door de regen komen. Na een uurtje gaan we daarom maar terug naar het restaurant voor koffie en een broodje. Om 7 uur ’s avonds zijn we weer terug in Castro. Met een glaasje likeur uit de streek nemen we afscheid. Typisch Chileens deze dag, volgens de Duitse medereiziger: veel eten en drinken, samen op de foto, verder niet veel.

Later op de avond lukt het me eindelijk de grote kerk van Castro binnen te komen. Het is in één woord adembenemend. Van binnen bestaat de kerk uit veel licht hout en heftige beelden van heiligen (veel leed en bloed). Het hele gebouw is verlicht, en vooral die verlichting geeft de kerk zowel binnen als buiten een magische sfeer.

De 150 kerkjes
De volgende dag schijnt de zon weer. Dat is belangrijk, want ik ben van plan vandaag een tocht langs een aantal kerkjes te maken die op Unesco’s werelderfgoedlijst staan. Vanuit Castro rijd ik noordwaarts, naar het dorp Dalcahue. Het kerkje daar aan het dorpsplein is lichtblauw, en in niet zo’n beste staat. Verder is Dalcahue niet veel: ieder dorp heeft wel een mooie eigen kerk, maar verder heel weinig.

Vanaf Dalcahue gaat er een pontje naar het eiland Quinchao. Daar is nog een kerk, en een oud dorpje dat op grond van de beschrijving in de Lonely Planet interessant lijkt. Veel meer dan een paar auto’s kunnen er niet op de pont. Je moet er ook nog eens achterwaarts vanaf rijden, ook een kunst op zich. Nadat ik dit met enige moeite heb gedaan vraagt de enige medetoerist in de wijde omtrek om een lift. Hij komt uit Tsjechië, en wil vandaag ook kerkjes bekijken. Hij heeft een plattegrond met alle erfgoedkerken er op, eentje die ik graag had willen hebben maar nergens kon vinden. In de Lonely Planet staan er maar weinig beschreven. Er blijken veel meer kerken te zijn dan ik dacht, ook op dit eiland. We gaan daarom maar samen op ontdekkingsreis.

We rijden eerst naar Quinchao, een dorp op het uiterste puntje van het gelijknamige eiland. De weg is onverhard, maar toch goed te doen. Ander verkeer zien we niet. Quinchao zelf, een stuk of 10 huizen en 3 restaurants, is ook uitgestorven. De locale kerk is niet geschilderd, maar daarom niet minder mooi. Het lijkt een grote boerenschuur, met aan de voorkant de 3 verdiepingen die de kerken op Chiloé kenmerkt.

IMG_7978

Vaclav, mijn Tsjechische reisgenoot en nu ook kaartlezer (samen hebben we 4 kaarten, allemaal even slecht), blijkt een leuke wereldreis aan het maken te zijn. Half januari is hij op een Tsjechisch schip (Victoria) gestapt, dat gebouwd is naar het model van het schip waarmee Magelhaes rond de wereld zeilde. Het is een houten zeilschip (nu ook met een motor). Ze zijn in 2 maanden tijd rond de zuidelijkste punt van Zuid-Amerika gevaren, en liggen nu in Castro. Vanaf hier reist Vaclav op eigen houtje verder.

Na Quinchao gaan we naar de kerk van Achao, en naar het dorpje Curaco de Velez. Dit heeft nu eens geen oude kerk, maar wel een aantal oude houten huizen. Met de pont gaat het daarna terug naar het “vasteland” van Chiloé. In de haven van Dalcahue eten we samen in een visrestaurantje, en hij laat me foto’s van het schip zien. Echt een plaatje. Ze trekken ook veel bekijks als ze in havens aanleggen.

Na het eten vervolgen we ons kerkepad via een onverharde weg langs de kust. Aan de kaarten hebben we niets meer, heel af en toe zien we iemand die we de weg kunnen vragen. Langs dit stukje kust staan namelijk nog drie kerken. Daaronder is een felblauw exemplaar, dat me op basis van Vaclav’s brochure wel aanstaat. Het is de kerk van Anaun, en een wonder dat we die hebben weten te vinden (we hebben er ook eentje van de drie in deze streek gemist). Deze kerk is inderdaad oogverblindend blauw. Al deze kerkjes zijn trouwens in slechte staat – het lijkt er op dat al het geld gaat naar de glamourkerk van Castro.

Rond half zes zijn we terug op de Panamerican Highway (Ruta no. 5), dé grote weg op Chiloé. Ik drop Vaclav bij een bushalte zodat hij terug kan reizen naar Castro. Ikzelf rijd de andere kant op, naar Ancud. Daar overnacht ik om redelijk op tijd te kunnen zijn voor het vliegtuig naar Santiago, dat vertrekt vanaf het vliegveld van Puerto Montt.

Santiago

Ondanks de voorzorgmaatregelen om de vlucht van 10.30 uur naar Santiago te halen, wordt het toch nog een race tegen de klok. Het was wachten op de pont, en ook op de weg schiet het niet echt op (je mag hier 100, maar er is ook veel langzaam rijdend verkeer). Pas om 5 voor 10 storm ik de hal van het vliegveld binnen. Bij het autoverhuurbedrijf zijn ze nog bezig met een andere klant, ik loop dus maar eerst naar de incheckbalie waar blijkt dat ik nog 8 dollar luchthavenbelasting moet betalen. Dat duurt ook weer even, en het wisselgeld moet van ver gehaald worden. Om 10 voor half 11 druk ik de sleutels en het parkeerkaartje in de handen van de vrouw van het autoverhuurbedrijf. Gelukkig hoeven we van haar de auto niet te inspecteren op deuken of een half lege tank. Net op tijd ben ik bij de gate, ik kan zo het vliegtuig binnenlopen.

Santiago
In Santiago is het heet, een graad of 30 en felle zon. Na mijn spullen in het hotel gedropt te hebben ga ik meteen met de metro de stad in. Ik moet op zoek naar een boekwinkel, want mijn boeken zijn op en ik heb tot nu toe nauwelijks Engels leesvoer gezien. Op mijn zoektocht kom ik echter langs het Museum voor Pre-Columbiaanse kunst. Ik kan de verleiding niet weerstaan, en ga naar binnen in dit naar verluid mooiste museum van het land. Het is modern en mooi opgezet, en huisvest vele schatten van de Indianen-culturen in Latijns-Amerika voor de komst van de Spanjaarden. Toch een stuk mooier dan de tentoonstelling over de Maya’s die ik onlangs in de Nieuwe Kerk in Amsterdam zag.

De volgende dag maak ik een stadswandeling door Santiago. Die start vlakbij het station. Eerste stop is de beroemde overdekte markt, naast het station. Behalve wat vis en groenten bestaat deze vooral uit veel restaurantjes, waarvan de eigenaren me ondanks het vroege tijdstip naar binnen proberen te lokken. Het stalen marktgebouw lijkt op een stationshal, maar is schijnbaar altijd al een markthal geweest.

Ik loop verder door de stad, de Lonely Planet wandelroute in de hand. Erg veel moois te zien is er niet. Santiago is zeker geen lelijke stad, en is voor Amerikaanse begrippen zelfs vrij oud (1541). Toch ben je er al snel uitgekeken: 1 dag vind ik genoeg. Behalve een vierkanten Dominicaanse kerk zie ik weinig opzienbarends op mijn wandeltocht. Ook de veelgeprezen Moneda (De Munt, nu het presidentieel paleis) is zonder de achterliggende geschiedenis gewoon een protserig wit gebouw.

De middag start ik met een ijscoupe op een terrasje in het winkelhart van Santiago. In de voetgangerszone waar ik zit spreiden illegale handelaren hun waar uit op een kleedje: horloges, video’s en onbestemde prullaria. Opeens is het alsof er een storm opsteekt: alle spullen worden snel in een doek gewikkeld, en weggestopt in een tas of een kinderwagen. De handelaren verspreiden zich vliegensvlug, want er komen 2 politieagenten aan. Als deze gepasseerd zijn begint het hele spel weer opnieuw. Vooral de horloges vinden gretig aftrek bij het winkelende publiek.

Na het ijs ga ik naar het stadsmuseum van Santiago in de Casa Colorada. Dit donkerrode huis is een van de oudste gebouwen in de stad. Binnen wordt in een paar ruimtes het verhaal van de stad verteld. Eerst waren er een paar indianendorpjes in de streek waar nu Santiago ligt, maar de stad zelf ontwikkelde zich op deze plek na de aankomst van de Spanjaarden o.l.v. Pedro de Valdivia in 1541.

Tot slot van de middag bezoek ik nog de grote kerk van Santiago. Deze is vooral aan te raden voor aanhangers of bewonderaars van het katholicisme. Zo zijn er in een grote zaal 54 metersbrede schilderijen te zien die het leven van Francisco van Assisi uitbeelden. De doeken zijn in Lima geschilderd in de 17e eeuw, en behoren bij de vroegste uitingen van Europese schilderkunst in Latijns-Amerika.

Valparaiso
Omdat ik een beetje uitgekeken ben op Santiago maak ik vandaar een dagtrip naar Valparaiso. Vooraf heb ik over deze stad veel positieve berichten gehoord, maar op het eerste gezicht valt de stad me tegen. Er is veel verkeer, veel smog en niet een echt centrum.

Valparaiso

Het bijzondere van de stad zit ‘em wel in de liften/kabelbaantjes die de ‘benedenstad’ verbinden met de ‘bovenstad’. Ze zijn vaak al behoorlijk oud (begin 20e eeuw). Een ritje kost 70-120 pesos, en het verschilt welke lift je neemt of of je naar beneden of naar boven gaat. Er kunnen 7 mensen in een liftbakje, en ik probeer er een paar uit. De weg die de lift af moet leggen is heel erg steil – eigenlijk wel eng. Als de kabel breekt ben je ten dode opgeschreven.

Wanneer je boven aankomt, kom je in een andere wereld: stil, schoon, met prachtige oude landhuizen en authentieke steegjes. Ja, hier is Valparaiso leuk. Ik wandel ’s middags wat rond in twee wijken, waaronder de Cerro Concepcion. Van de alarmerende verhalen in de Lonely Planet, die doet voorkomen dat er op iedere hoek straatrovers staan te wachten, merk ik geheel niets (misschien omdat het zondagmiddag is, en er veel wandelaars op pad zijn).

Valparaiso

Paaseiland

De vlucht naar Isla de Pascua (Spaans voor Paaseiland) en Papeete (Tahiti) vertrekt om 16.30 uur en is vol. Toch zo’n 300 mensen voor een vlucht die buiten het seizoen twee keer per week gaat. Vijf uur later is mijn laatste boek uit en maken we ons klaar voor de landing. De Duitser die ik op Chiloé had ontmoet had me al verteld dat het een spectaculaire landing zou worden. De landingsbaan is namelijk een beetje kort, en de piloot moet meteen volop in de remmen als de wielen de grond raken.

In de aankomsthal ben ik (met alleen handbagage) de eerste die mijn gezicht aan de eilandbewoners moet laten zien die staan te wachten op nieuwe bezoekers. Het valt allemaal erg mee, bijna iedereen is op zoek naar aangekondigde gasten en houdt een bordje omhoog. Ik meld me bij een mevrouw van Hotel Otai, en krijg een gele bloemenslinger omgehangen. Met een busje worden we naar het vrij luxe hotel gebracht, waar ik meteen het kingsize bed induik.

Orongo
De volgende ochtend word ik al om 6 uur wakker door het gekraai van de hanen uit de buurt. En door het tijdsverschil, het is op Paaseiland twee uur vroeger dan op het vasteland. Ik kan haast niet wachten om op pad te gaan, maar betwijfel of er om half 7 al ontbijt te krijgen is. Ik trek mijn korte broek aan en wil op mijn privéterrasje gaan zitten. Het gisteravond nog zo tropische eiland heeft nu echter Hollandse trekjes gekregen: het is bewolkt en het heeft geregend. Dan maar weer een lange broek aan ….

Na het ontbijt loop ik naar mijn eerste moai (beeld). Hij heet Ahu Tahai en staat net ten noorden van Hanga Roa. Het is broeierig warm buiten, en er zijn weinig mensen op straat. Zoals alle moai staat deze aan de kust, in een grasveld met zijn rug naar de zee. Tahai is een complex met drie ahu (platformen), een ceremonieplaats en een moai. De moai is overeind gezet en heeft nieuwe ogen gekregen. Hoewel het hier nog aan de rand van de ‘stad’ is, heerst er een enorme rust. Dat belooft veel goeds voor de rest van het eiland.

’s Middags is het tijd voor de tour die ik via het hotel geboekt heb. In de bus zitten allemaal ‘bekenden’ uit het vliegtuig. Daarnaast zijn er een paar vandaag vanuit Tahiti aangekomen. De tour duurt drie uur en gaat naar het zuidwesten van Paaseiland. We stoppen eerst bij Rano Kau, een vulkaankrater. Hij is enorm groot, zo’n 1,5 kilometer in doorsnee. De randen zijn scherp, de wanden steil. Beneden in de krater hebben zich rieteilanden gevormd, waardoor het lijkt of er geen water maar vaste grond onder zit. Het is echter wel degelijk water, en hoewel je op de eilandjes kunt staan is het te gevaarlijk. Vroeger deden vrouwen hier de was – het is onbegrijpelijk hoe ze met hun paarden de krater in kwamen.

Aansluitend gaan we naar het Orongo dorp. Dit is de plaats waar het Tangatu Manu feest werd gevierd – het begin van de lente. Vanaf hier kijk je uit over twee eilandjes, waar de zeldzame manutaravogel zijn eieren legt. In het dorp, dat alleen voor ceremoniële gelegenheden werd gebruikt, staan zo’n 50 huizen: stenen bunkers met een zeer kleine ingang. Hier speelde de vogelmancultus zich af: degene die als eerste een ei van de manutaravogel in handen kreeg, werd de rest van het jaar vereerd als de vogelman. Deze traditie schijnt tot in 1867 door te zijn gegaan.

Tot slot van de tocht bezoeken we Ahu Tahiri. Dit is de meest perfect gebouwde ahu, met stenen die precies in elkaar passen. Vermoed wordt dat de Paaseilanders deze kunst in latere jaren hebben afgekeken van de Inca’s van het Zuidamerikaanse vasteland.

Per fiets naar Rano Raraku
Er is geen openbaar vervoer op Paaseiland, dus je moet een eigen transportmiddel zien te vinden. Je kunt een auto huren of te voet het eiland ontdekken. Ik kies voor de middenweg en huur bij een winkeltje een mountainbike voor 8 dollar per dag. Ik wil naar Rano Raraku, de plek waar de stenen beelden (Moai) gehouwen werden, de beelden waar Paaseiland zo beroemd om is. Dat is 18 kilometer fietsen. Moet kunnen zou je zeggen, maar na het eerste half uur wilde ik het liefst rechtsomkeert maken. Er zijn hier namelijk heuvels, en het waait.

Paaseiland

Opgeven wil ik niet dus ik trap dapper door, blik op oneindig. Na een uur wordt het beter. Ik storm bergafwaarts, moet soms zelfs een beetje bijremmen. De weg voert nu helemaal langs de kust. Het waait hier stevig, maar daardoor is het gelukkig ook niet zo heet. Busjes met toeristen passeren me – je bent hier zeker niet alleen.

Na tweeënhalf uur fietsen (en soms een beetje lopen) is er dan eindelijk het verlossende bordje ‘Rano Raraku’. Ik krijg beelden voor me van een oase-achtige plek met koude cola om de siësta door te brengen. Niets van dat al: geen schaduw en al helemaal geen colaverkopers. Dan maar weer een paar slokken water uit mijn eigen fles. Een beetje opgefrist loop ik tegen de helling van de vulkaan op. Halverwege wordt ik enthousiast begroet door de oudere Franse ‘buren’ uit mijn hotel. Ze doen de hele dag niets anders dan praten, en dan alleen in het Frans. Mij verwelkomen ze nu met een spraakwaterval waar ik ‘bon courage’ uit weet te destilleren. Ze hebben me zeker zien fietsen, en ja, ik vind mezelf ook dapper.

Maar waar we eigenlijk voor kwamen: Rano Raraku, de beeldenfabriek van Paaseiland. Honderden exemplaren liggen hier verspreid tegen de hellingen, en ook in de krater, Vooral de grote, donkere grijze koppen tegen het felgroene gras van de buitenkant van de vulkaan zijn indrukwekkend.

Eigenlijk heb ik gepland om de siësta hier bij de vulkaan door te brengen, maar er is gewoon geen schaduw. Ik ga nog wel even met mijn hoofd onder een struik liggen, maar merk al snel dat de rest van mijn lichaam verbrandt waar je bijstaat. Ik stap dus maar weer op de fiets, en rijd een paar honderd meter verder naar Tongariki – een ahu (plateau) met 15 moai (beelden). Ook achteraf bezien is dit de mooiste ahu die ik zie.

Paaseiland

De fietstocht terug naar Hanga Roa kost me 3 uur. De laatste vijf kilometer, die me vanochtend zo opbraken, vlieg ik nu door zonder te hoeven trappen. Het was door het gebrek aan schaduw een zware tocht, maar toch is de fiets een prima manier om je hier te verplaatsen.

Hanga Roa
Het valt best mee met de schade de volgende dag. Alleen mijn knieën zijn behoorlijk verbrand: die laat ik dan ook maar een tijdje bedekt onder een lange broek. Vandaag wil ik een verhaaltje schrijven voor Reisomdewereld, en naar het museum. Met dat schrijven lukt het niet zo, dus eerst maar naar het museum. Da’s nog een hele wandeling. Het staat ook nergens aangegeven. Vaag de aanwijzingen op mijn plattegrondje volgend kom ik er toch na een half uurtje.

Het museum bestaat uit één ruimte, met daarnaast een winkeltje met allerlei leuks (Paaseiland muismatten bijvoorbeeld). Bij het museum is een Engelstalige gids te koop, om het allemaal een beetje beter te begrijpen. Veel hebben ze niet: het mooiste zal wel weer in het British Museum staan. Wel is er een vrouwelijke moai, een van de weinigen die ooit gemaakt is, en een paar fraaie houten beeldjes.

’s Middags duik ik het (bij mijn weten) enige internetcafeetje van Paaseiland in om mijn verhaal voor Reisomdewereld te typen. Tussen de mail vind ik de heuglijke mededeling dat ik 200 Euro en eeuwige roem heb gewonnen met mijn website, dus het leven lacht mij toe op dit eiland.

Met de auto naar Anakena
Bij het hotel huur ik donderdag een auto om de rest van het eiland te bekijken. Ik krijg een kleine zwarte jeep mee. Zonder verzekering, want daar doen ze hier op Paaseiland niet aan (aan belasting ook niet, schijnt).

Via de geasfalteerde weg dwars over het eiland rijd ik naar Anakena, het strand. Dit is de plek waar in 1954 Thor Heyerdahl twee ahu heeft laten restaureren. Ahu Nau-Nau staat aan het palmenstrand en heeft 7 moai. Zes daarvan hebben nog hun rode pukao (haarknot) op. Op hun ruggen staan rotstekeningen.

Langs de kust rijd ik zuidwaarts, via de Baai van La Perousse. Onderweg zie ik de stenen uitkijktorens vanwaar men op de uitkijk stond voor de aankomst van zeeschildpadden. Verder rijd ik de hele zuidelijke kustweg af, die ik dinsdag gefietst heb. Op 1 of 2 auto’s na kom ik niemand tegen.

In de middag ga ik naar de beroemde Ahu Akivi. Dit zijn de enige moai die met hun gezicht naar de zee staan. Nou ja, eigenlijk staan ze midden in het land. Het was nog een hele toer om er te komen, via een onverharde en soms onder water gelopen weg. Om de Ahu heen is niets dan grasland. Met hier en daar een boerderij: paarden en koeien zie je hier veel rondlopen, soms bijeen gedreven door Paaseilandse cowboys.

Terugblik Chili & Paaseiland 2002

Maart 2002: het begin van een nieuw reisseizoen breekt aan. Wat de rest van het jaar zal brengen weet ik nog niet, maar een droom wordt alvast vervuld: ik ga naar Paaseiland. Een reis alleen naar Paaseiland is ook wel weer heel ver vliegen voor een weekje, dus ik plak er nog 1,5 week Chili aan vast, volgens Zuid-Amerika kenners misschien wel het mooiste land van dit continent.

Ik begin in het Lake District (Puerto Varas), huur dan een auto en verken het eiland Chiloé. Daarna een paar dagen in de hoofdstad Santiago, en dan Paaseiland. Tot slot nog twee dagen Santiago met een bezoek aan Valparaiso.
Deze reisroute voerde me langs twee werelderfgoederen, Chiloé en Paaseiland, die nadrukkelijk de hoogtepunten werden van mijn reis. Met het Chileense vasteland heb ik niet zoveel, het is te leeg en te weinig onderscheidend van Europa. Door Chiloé werd ik echter prettig verrast, het heeft duidelijk een eigen cultuur. Tot slot: Paaseiland was heerlijk in alle opzichten, en heeft een bezoek aan andere delen van Polynesië (Tonga!) dichterbij gebracht.

Algemeen
Er zijn redelijk veel toeristen in Chili, waaronder ook veel Chilenen zelf. Druk was het echter nergens. Alleen Paaseiland is erg toeristisch.

De Chileense mensen die ik ontmoet heb waren zonder uitzondering uitermate beleefd, rustig en vriendelijk – erg opvallend als je uit de gestresste Randstad komt.

Vervoer
Het vliegtuig is geloof ik het meest gebruikte openbaar vervoermiddel binnen Chili. De afstanden zijn enorm, dus als je niet eindeloos de tijd hebt moet je wel. Ik vloog van Santiago naar Puerto Montt (v.v.) en naar Paaseiland (v.v.). LAN Chile, de nationale luchtvaartmaaschappij, is van goede kwaliteit. De vliegvelden zijn modern en netjes.

Om Chiloé te ontdekken heb ik een auto gehuurd, op het vliegveld van Puerto Montt. Een Nederlands rijbewijs en een creditcard zijn voldoende. Het verkeer is uitermate rustig. Ook houdt iedereen zich aan de verkeersregels, inclusief de maximumsnelheid van 100 km/u op de snelweg. Het is ideaal om op Chiloé een auto te hebben: zo bereik je ook de dorpjes.

Ook op Paaseiland heb ik een dag een auto gehuurd. Daar is het eigenlijk een beetje zonde van het eiland: het is zo klein dat je er in een paar uur helemaal rond bent gereden, inclusief stops. Je kunt er beter fietsen of wandelen.

Accommodatie
Hieronder een lijstje met de hotels waar ik heb overnacht:
– Casa Azul (Puerto Varas): Klein pension in een leuk blauw houten huis. Erg schoon. Voor de liefhebbers is er ook een keuken die je kunt gebruiken. 21 US dollar voor een eenpersoons kamer met ontbijt.
– Hotel Quelcun (Castro): In het centrum. Vriendelijke eigenaresse. Verkopen ook tours. 21 US dollar voor een eenpersoons kamer met TV, eigen badkamer & ontbijt.
– Hotel Madryn (Ancud): In het centrum, met eigen badkamer, TV en ontbijt. Beetje oud, daarentegen zeer vriendelijk. 18 US dollar.
– Hotel Rio Amazonas (Santiago): Prettige plek om rond te hangen. Binnenplaats met lekkere stoelen, boeken en internettoegang. Goed ontbijt. Kamer met eigen badkamer en TV. Enige nadeel: kwartier lopen vanaf de dichtstbijzijnde metrohalte (en dat is ver in de hitte). 22 US dollar. Zie ook hun website.
– Hotel Otai (Hanga Roa, Paaseiland): Ruime kamers met eigen badkamer (ligbad). Eigen terrasje bij iedere kamer. Verder een zwembad en een uitgebreid ontbijt. Dit luxe relaxplekje in het centrum van Hanga Roa kost 65 US dollar voor een eenpersoonskamer.

Geldzaken
Chili is vrij goedkoop (eten, vervoer), Paaseiland duurder. Enige indicaties (maart 2002):
Visgerecht in een klein restaurant: 4 EUR
Entree Museo de Arte Precolombino (Santiago): 4 EUR
Stadsbus Puerto Montt per rit: 0,40 EUR
Half uur internet in Chili: 1 EUR (3-4 keer zo duur op Paaseiland)
Entree Nationaal Park Rapa Nui: 10 EUR
Veerpont naar Chiloé incl. auto: 12 EUR

Eten
Vis, vis en nog eens vis. Chiloé en Paaseiland zijn natuurlijk niet voor niets eilanden, maar ook in Santiago staat er vaak vis op het menu. Enige alternatief op de menukaart is biefstuk (of soms kip). Er zijn buiten Santiago weinig ‘buitenlandse’ restaurants of fastfoodketens.

Paaseiland

Op Chiloé zie je vaak zalm, en het locale ‘curanto’ (een bak supermosselen met daaronder nog vlees, worst en aardappelen). Op Paaseiland tonijn en meer exotische vissen als de Kana Kana en de Remo Remo. Alles gegrild.

Leave a comment