Seoul
Als ik voor de eerste keer in een land kom ben ik altijd benieuwd naar de eerste indruk die het maakt. De tocht van het vliegveld naar de eerste plaats van bestemming is dikwijls een goede introductie. Op weg naar en in Seoul zie ik echter weinig bijzonders, weinig dat afwijkt van de mij inmiddels overbekende grote Aziatische steden. Het verschil tussen Seoul en pakweg Bangkok is niet zo groot.
Seoul’s paleizen
De ene stad heeft zo zijn tempels, Seoul doet het met paleizen. Het eerste dat ik bezoek is het Changdeokgung paleis. Je mag er alleen maar in met een gids en op maandag is het gesloten, dus dat vraagt wat planning. Tegen mijn verwachting in blijken zeker een stuk of 80 anderen de Engelstalige rondleiding te willen bijwonen. Niet echt een lekkere manier om iets te bezichtigen, maar anders kom je er gewoon niet in. Ik probeer dus maar zoveel mogelijk van de gids op te steken.
Het Changdeokgung is het oudste en best bewaarde paleis van Seoul. Het stamt uit 1405, hoewel delen later zijn herbouwd en toegevoegd. Het paleis is eigenlijk een heel complex: de rondleiding is 2 kilometer lang, en beslaat maar een deel.

Bij de woonverblijven horend bij het paleis kun je mooi het centrale verwarmingsprincipe (ondol) zien. In een paar ovens wordt het vuurtje stevig opgestookt, en de hitte verspreid zich onder de vloeren van de gebouwen. Hierbij horen twee elegante schoorstenen.
Het slot van de rondleiding gaat door de Secret Garden. Dit park (of landschapstuin) was alleen bedoeld voor de koninklijke familie, niet voor het gewone volk.
Later bezoek ik nog twee andere paleizen (Changjeonggung en Gyeongbokgung), maar Changdeokgung vind ik toch wel het mooiste. Gyeongbokgung is het grootste en ongetwijfeld ook het drukste van de drie, maar helaas staat dat deels in de steigers. Heel fraai is daar wel een paviljoen dat aan het water staat.
Suwon
Suwon is een zuidelijke voorstad van Seoul, en beschikt over een groot fort. Vanaf de hoofdpoort kun je nog helemaal via de stadsmuren een rondje om het (oude) centrum van de stad lopen, een tocht van ruim 5 kilometer.

Het begint allemaal met een trap steil omhoog, zodat ik al snel besluit dat de helft van het traject ook mooi genoeg is. De stadsmuur is onderweg op vele plaatsen voorzien van uitzichtposten en kleinere poorten, allemaal in zeer goede staat. Natuurlijk zijn er op strategische plekken ook bankjes, souvenirstalletjes en frisdrankautomaten geplaatst voor de bezoeker. Na ongeveer anderhalf uur verlaat ik het pad bij misschien wel het mooiste punt, de Hwaseomun (westelijke poort), voorzien van een stevige toren.
Aziatische wereldstad
Veel mensen die ik gesproken heb vinden dat je zo snel mogelijk uit Seoul moet vertrekken. Natuurlijk is er in Zuid-Korea veel meer dan Seoul alleen, maar ik houd toch wel van die typische Aziatische-wereldstad-atmosfeer. Van de winkels die tot ’s avonds laat open zijn, van de gezellige drukte op straat, van die schijnbaar eindeloze reeks restaurants.

Ook zijn er heel veel kleinigheden die je pas leert kennen of gaat waarderen als je een paar dagen langer blijft. Voor toeristen wordt bijvoorbeeld op minstens twee plaatsen in de stad dagelijks een wisseling van de wacht uitgevoerd in traditionele kledij. Niet echt spectaculair, maar zo leuk om te zien dat mensen in groten getale op straat samenscholen om er een glimp van op te vangen, en even zo makkelijk 10 minuten later weer in de massa verdwijnen.
Andong
De vier uur durende treinreis van Seoul naar Andong is aangenaam. De treinen zijn niet zo mooi als in Japan, maar het is allemaal wel goed georganiseerd door de gereserveerde plaatsen. Druk is het niet.
De stad
In het flitsende nieuwe kantoor van de Tourist Information zoekt een meisje voor mij de vertrektijden van de bussen op. Ondertussen bekijk ik het plakkaat waarop het bezoek van de Engelse koningin Elizabeth aan Andong in 1999 wordt gememoreerd. Ik betwijfel of er na haar nog veel andere westerse toeristen hier zijn geweest. Het stadje heeft maar liefst 3 Tourist Information Centers vlak bij elkaar, maar verder zijn er alleen maar Koreaanse opschriften en uithangborden te zien.
Ik loop maar eens een rondje door de stad, op zoek naar een restaurant. Dat valt niet mee. Restaurants genoeg, daar niet van, maar allemaal met een vrij hoge drempel (alleen Koreaanse opschriften, geen plaatjes van het menu). Tenslotte loop ik maar eens een andere kant op, en ik hoor luide popmuziek. Daar blijkt het echte centrum van de stad te zijn. Er is een grote markt gaande, met vooral fruit en groente. Ook zie je veel eetkraampjes op straat. Ik vlucht echter een McDonalds binnen …
Hahoe Folk Village
De busrit naar het Hahoe Folk Village duurt vanaf Andong maar 35 minuten. Het zeer goed geconserveerde dorpje Hahoe blijkt nog in diepe rust. Aan het begin van het dorp is een slagboom met een hokje waar je een entreekaartje kunt kopen, verder is het een gewoon dorp. Het weer is heerlijk, het dorp ruikt naar mest maar toch fris. Een heerlijke plek om doorheen te banjeren. Vrijwel alle huizen hier zijn nog bewoond, dus je kunt niet vaak ergens binnen kijken. Maar de buitenkant alleen is al mooi genoeg.

Vanaf het dorp is het 2 kilometer lopen naar het Maskermuseum. Zo’n 200 Koreaanse maskers worden hier tentoongesteld – Hahoe staat bekend om zijn maskerdansen. Gek genoeg verwacht je zoiets hier niet. Dat ze op het Koreaanse platteland vrij conservatief zijn weet ik, maar maskerdansen?
Na het bezoek aan het museum ben ik nog een half uur te vroeg voor de eerstvolgende bus, net als een Amerikaanse die ook bij de bushalte staat te wachten. Ze stelt voor om samen te gaan liften. De eerste de beste auto stopt al voor ons. Deze brengt ons maar een klein eindje op weg, maar de volgende lift laat ook niet lang op zich wachten. Uiteindelijk worden we bij een bushalte gedropt, vanwaar we terugreizen naar Andong.
Dosan Seowon
’s Middags met de bus (en met Mary Anne) naar Dosan Seowon. Het is een Confuciaanse school, op een erg idyllische plek. Het is er ook heel stil: behalve wij zijn er maar een handvol andere bezoekers. Het is ook een heel fotogenieke plek. Veel Koreaanse filmmakers schijnen hier naar toe te komen als ze traditioneel Koreaanse plaatjes nodig hebben.

Opnieuw zijn we veel te vroeg voor de bus terug naar Andong. Bussen rijden hier op het platteland maar een paar keer per dag. Mary Anne regelt echter weer een lift, dit keer met een ouder echtpaar door wie we ook nog worden volgestopt met snoepjes.
Jebiwon
We hebben inmiddels zoveel tijdwinst geboekt dat er ook nog wel een derde excursie inzit. De stenen Buddha Jebiwon lijkt ons wel wat. Dus: voor de derde keer in de bus. Bij stenen Buddha’s ben je meestal wel snel uitgekeken, maar deze is wel heel basic. Eigenlijk is het gewoon een groot rotsblok waar ze een uitgehouwen hoofd van Buddha hebben opgezet. Vreemd gezicht, vooral van dichtbij (dan zie je eigenlijk alleen maar heel veel rotsblok). Vanaf de weg is het toch nog wel een mooi gezicht. Maar binnen 10 minuten zijn we echt uitgekeken. En ja, we hoeven maar langs de kant van de weg te gaan staan en we hebben weer een lift.

Zo ben ik al om 5 uur terug in mijn hotel, en heb ik meer gezien dan ik vooraf had durven hopen. De omgeving van Andong is heel mooi, zeker niet overslaan.
Gyeongju
Samen met Mary-Anne neem ik de trein van 7.59 van Andong naar Gyeongju. Zowel haar als mij hebben ze het reizen per trein afgeraden, en de Lonely Planet (door Mary-Anne steevast “The Book” genoemd) meldt niet eens dat er een trein bestaat tussen Andong en Gyeongju. Dat is jammer, want het kost maar 3200 Won (t.o.v. 8800 Won met de bus), is even snel (2,5 uur) en in de trein kun je nog eens wat rondlopen.
Ook dit keer is het weer erg rustig in de trein, zodat we er maar eens uitgebreid voor gaan zitten. Het landschap waar we doorheen rijden blijft mooi groen, hier en daar afgewisseld met de opvallende lichtblauwe daken die je veel ziet op het Koreaanse platteland. Ook heeft ieder dorp wel een kerk: zo’n 25% van de Koreanen is Christen.
Gyeongju
Al om half elf in de ochtend komen we aan in Gyeongju. In het Sa Rang Chae-guesthouse, waar ik eerder telefonisch een kamer heb gereserveerd, kan ik meteen een kamer betrekken. De 5 kamers in het guesthouse zijn traditioneel ingericht en worden afgesloten met schuifdeuren. Voor iedere kamer loopt een veranda, en op het binnenplaatsje is ook nog eens een terras. Kortom, een prima plek.
De eigenaar van het hotel doet me een goede excursie aan de hand, dus die volg ik maar op. Eerst met een taxi naar het Nationaal Museum (ca. 3 kilometer buiten de stad). Helaas staat het museum alleen in het Engels op mijn kaart, dus is het moeilijk aan de taxichauffeur uit te leggen waar ik naar toe wil. Hij rijdt daarom eerst lang de Tourist Information voor een vertaling. Maar daarna komt het helemaal goed, en hij trekt nog een derde van de ritprijs af vanwege de (kleine) omweg. Het museum is een enorm opgezet complex, met helaas een minder boeiende inhoud. Alleen de tentoonstelling over het goud van de Shilla-koningen weet me nog enigszins te raken. Gouden kronen en enorme halskettingen die loodzwaar moeten zijn, zijn er te zien.

Snel maar weer verder. Nou ja, snel: het is erg warm en benauwd buiten, veel erger dan de voorafgaande dagen. Een paar niet al te interessant uitziende bezienswaardigheden laat ik daarom links liggen, en ik loop meteen door naar de Cheomseomgdae uitkijktoren. De foto van dit markante, sierlijke gebouw siert zo ongeveer elk verhaal over Gyeongju. Het ding stamt uit de zevende eeuw, en heeft 12 stenen als basis (het aantal maanden in een jaar). Het bestaat verder uit 30 lagen (dagen in een maand), en in totaal zijn er 360 stenen gebruikt (aantal dagen in een jaar, zo ongeveer).
Vanaf de eenzame toren gaat het verder naar het Tumuli park waar 20 graftombes zijn van de Shilla-koningen. Eerst nog maar een ijskoude fles water ingeslagen (met klomp ijs), maar gelukkig staan er veel bomen in het park. De grote groene, heuvelachtige graftombes zijn attractie nummer een in Gyeongju. Ook buiten dit park zie je ze overal. Hoewel ze hier nogal toeristisch uitgebuit worden zijn dergelijke grafheuvels bepaald niet uniek voor Korea. Vorig jaar zag ik ze in Zweden (besneeuwd en wel), en ze zijn er vast op nog wel meer plaatsen. Wel leuk is dat ze er hier ter lering en vermaak eentje als het ware doormidden hebben gesneden. Zo kun je zien hoe het er van binnen uitziet: erg veel stenen, met helemaal onderin een vrij normaal graf van een koning (met gouden sieraden).

Het is wel lekker koel daarbinnen. En wie tref ik daar weer: Mary Anne, videocamera in de aanslag. Ze heeft veel moeite gehad om een goedkoop onderkomen te vinden in Gyeongju, en heeft een flinke tijd in de hitte door de stad lopen sjouwen met haar bagage. Ik benijd haar manier van reizen niet: als dat zo 5 maanden moet gaan, dan ga ik liever wat korter.
Bulguksa-tempel
De volgende dag staat een bezoek aan de Bulguksa-tempel op het programma. Zoals verwacht is het er behoorlijk druk. De tempel stamt oorspronkelijk uit de 7e eeuw, maar is in 1972 helemaal gerestaureerd. Hij ziet er dan ook vrij nieuw uit, met veel lichtblauw – apart en verfijnd. Voor het hoofdgebouw staan twee fraaie stenen pagodes, een in de eenvoudige Silla-stijl en een in de meer uitbundige stijl van het Baekje-rijk.
Acht kilometer verder de berg op is de Sokkuram-grot. Daarin staat een 3 meter hoog, wit Buddha-beeld. Het is uitgehouwen uit een rots, maar het lijkt eigenlijk meer op een plekje in een museum. Helaas mag je het beeld alleen maar van een afstandje en vanachter glas bekijken, en er ook geen foto’s van maken. Ik heb al heel wat Buddha’s in Azië gezien, maar dit is zeker een topexemplaar.

In plaats van met het busje terug te gaan loop ik door het bos 3 kilometer terug de helling af naar de Bulguksa-tempel. Zelfs bergafwaarts nog een hele inspanning, en ik heb dan ook medelijden met de klimmende Koreanen die mij tegemoet komen.
Yangdong
Uiteraard heeft Gyeongju ook zijn eigen Folk Village. Het is het dorpje Yangdong, ten noorden van de stad. In bus 200 ben ik de enige passagier, en de chauffeur zet me dan ook netjes bij de juiste afslag af. Het in de namiddagzon wel heel erg pittoreske dorpje wordt gewoon bewoond, en er wordt dus ook geen entree geheven. Eerlijk gezegd is het er wel heel stil, en zonder kaart of gids is het ook minder toegankelijk dat bijvoorbeeld het Hahoe Folk Village bij Andong. Ik loop dus maar wat rond, schiet wat leuke plaatjes van de kerk en een fietsende man in klederdracht. Na een uur houd ik het voor gezien en keer ik terug naar Gyeongju.
Haein-sa
Ik moet dit keer wel heel vroeg op pad: om de weekenddrukte voor te zijn, en ook omdat het zo’n drie uur reizen is naar mijn bestemming Haein-sa.
Lange weg
Om er te komen moet je eerst met de bus naar Taegu, de derde stad van Zuid-Korea. Dat kost ongeveer een uur met de expresbus. In Taegu, ooit a traveller’s worst nightmare (voordat de metro werd aangelegd), moet ik de halve stad onderdoor, 13 metrohaltes ver. Daar wacht dan een ander busstation, waarvandaan de bus naar Haein-sa vertrekt. Zonder mijn buskaartje te hoeven bekijken loodsen mensen me meteen naar de goede bus. Waar moet je als toerist hier anders naar toe?
De rit naar het tempelcomplex duurt dan nog anderhalf uur en voert door de bergen. Korea is een heel bergachtig land, zonder hoge pieken. Voor een Nederlander desondanks wel een mooi plaatje.
De tempel
Na dik 3 uur reizen sta ik voor de toegangspoort van de tempel. Maar dan ben je er nog niet, je moet dan nog zeker een half uur bergopwaarts lopen. Met mijn vermoeide benen van de afgelopen dagen sjok ik omhoog.
Het tempelcomplex is erg groot, zo groot dat ik niet goed weet waar ik moet beginnen. In de boeddhistisch boekwinkel op het terrein koop ik daarom maar eerst een Engelse gids. Ik vind een lekker plekje tussen de tempels en lees me eerst maar eens in in de betekenis van Haein-sa. Daardoor begint het veel meer te leven, en besef ik hoe mooi het hier eigenlijk is. De hoofdgebouwen zijn rood, met blauw/groene versieringen. Zowel aan de binnen- als buitenzijde zijn er bonte muurschilderingen. Het schouwspel wordt gecompleteerd door de donkere bossen en de pieken van de bergen op de achtergrond.

Helemaal achteraan staan de vier gebouwen waar de schat van deze tempel ligt opgeslagen, de Tripitaka Koreana. Dit zijn 81.340 houten blokken met alle Boeddhistische geschriften. Ze dateren uit de 12e eeuw, en liggen nog steeds onbedorven in hun oude opslagplaats. Door de kieren van de houten gebouwen zie ik dat ze er nog goed uit zien.
Na op mijn gemak alle tempel- en bijgebouwen bekeken te hebben, loop ik nog wat rond door de omgeving. Je kunt hier forse wandelingen maken, maar ik houd het op een kort tochtje naar een eeuwenoude houten brug. Een monnik met een enorme telelens is driftig foto’s aan het maken van het bruggetje. Zelf vind ik het weinig bijzonder.
In de loop van de middag begin ik aan de terugreis. Eigenlijk is het wat te ver voor een dagtocht vanuit Gyeongju, maar ik ben wel blij dat ik dit gezien heb.
Jeju-do
Zeker voor Koreaanse toeristen betekent het eiland Jeju het paradijs. Het Hawaii van Zuid-Korea, met een zonniger klimaat en zelfs echte palmbomen. In het vliegtuig van Busan naar Jeju zitten zeker 100 oudere vrouwen, die de indruk maken op schoolreisje te gaan. Vrolijk gekwebbel vult de gangpaden.
Jeju-stad
Bij aankomst blijkt Jeju in net zo’n regen en mist ondergedompeld te zijn als Busan. Daarom laat ik me maar snel met een taxi naar het centrum van de hoofdstad Jeju-si brengen. Taxi’s zijn erg goedkoop in Korea, dus dat is geen probleem.
Door de regen moet ik nog een klein stukje lopen naar het hotel van mijn keus. Een vrouw die ik tijdens mijn sprint passeer biedt me beschutting onder haar paraplu aan. Maar ik ben er al, hoewel: het hotel heeft een groot hangslot op de deur, en is donker van binnen. De vrouw van het restaurantje aan de overkant roept me binnen. Ze gaat iemand bellen. Even later verschijnt een andere vrouw – vast een kennis – die me meeneemt naar haar hotelletje. Het is gelukkig dichtbij en heeft dezelfde faciliteiten als het andere hotel (TV, eigen badkamer). De prijs is ook OK, dus neem ik de kamer.
Het blijft maar regenen, zodat ik de middag doorbreng met een boek. Als het ’s avonds even droog is ga ik snel in de buurt iets eten. Ik loop ook nog een rondje door het centrum waar een overdekte markt is, met uiteraard heel veel vis. Het is gezellig druk op straat.

Bejaardenbustochtje
De volgende dag regent het nog steeds, en niet zo’n beetje ook. Omdat ik toch graag iets van het eiland wil zien besluit ik mee te gaan met de bustour die dagelijks vanaf het vliegveld vertrekt. Dan zit je tenminste lekker droog, en wordt je op de stoep van de bezienswaardigheden afgeleverd.
De tocht duurt 8 uur, en je kunt kiezen voor een rondrit over het westelijke deel van het eiland of het oostelijke deel. Ik ga voor de oostelijke route – langs de vulkaankrater, lavagrotten en het openluchtmuseum. Bij het instappen ontmoet ik zowaar een andere westerse toerist: een meisje (Theresa) uit Duitsland. De bus bevat verder nog een stuk of 10 Koreanen. Noch Theresa noch ik hebben enig idee waar we naar toe gaan, dus het wordt een surprise tour (mede omdat de reisleider alleen Koreaans spreekt).
Rare activiteiten
De eerste stop is een hele grappige, de “Mystery Road”. Met de bus rijden we een helling af, en op het laagste punt zet de chauffeur de motor af. En de bus rolt terug, bergopwaarts! Het is een soort gezichtsbedrog, maar ook als je zelf op de weg staat lijkt deze toch echt stevig naar boven te lopen. Echt vreemd.
Stop twee is de Sangumburi krater. Dit moet normaal een imposant gezicht zijn, een grote groene vulkaankrater. Maar nu: mist. Alleen de rand is te zien.

Verder dus maar weer met de bus. De meeste Koreaanse medepassagiers slapen tussen de stops door, terwijl Theresa en ik gezellig aan het kletsen zijn. De volgende stop is weer lachen geblazen. Het is bij het Song-Eup Folk Village, op zich een aardige verzameling traditionele huizen. We worden echter allemaal een tent ingelokt waar een verkooppresentatie van produkten plaatsvindt – net zoals je die bij goedkope bustours in Nederland ziet. Hier gaat het om gezondheidsverbeterende middelen: thee, drank en pillen. Van die pillen krijgen we er allemaal twee. XTC, of toch ginseng? Voor forse bedragen (30-40.000 Won) slaan de Koreanen het spul in. Wij niet.
Het is tijd voor lunch, die bij de prijs inbegrepen blijkt te zijn. In een wegrestaurant staat ons een lekkere bulgalbi te wachten. Dat zijn stukjes varkensvlees met groenten en hete saus, aan tafel gekookt. Met allerlei bijgerechten natuurlijk, zoals gedroogde minivisjes en zwarte, dropachtige bonen(?).
Het volgende programmapunt blijkt paardrijden te zijn. Jawel, voor Koreanen is dit een belevenis. Twee dappere Koreanen uit de groep krijgen een cowboyhoed op en laarzen aan, en maken in de stromende regen een rondje van 10 minuten. De rest kijkt met een bekertje hete koffie vanonder een afdakje geamuseerd toe.
De tocht gaat nu verder richting de kust. Naar de Sunshine Peak bijvoorbeeld, waar we een fotostop hebben. De kustweg leidt uiteindelijk naar de Manjanggul, de bekende lavagrotten. Hier hebben we een uur om het spoor te volgen dat een lavastroom onder de grond getrokken heeft. Ikzelf vind het de meest indrukwekkende bezienswaardigheid van de dag. Het is koel en donker in de grotten, en de door lava gevormde wanden en bodem is vaak op een aparte manier vervormd. Een deel van de Koreaanse busgenoten is in de tussentijd gewoon in de bus blijven zitten: zoals steeds zijn Theresa en ik de laatsten die instappen (hoewel altijd op tijd).
Visrestaurant
Volgens de reisleidster is het bezoek aan het visrestaurant het hoogtepunt van de tocht. Het ligt pal aan zee, en de vis is dus erg vers. Ik schat dat er ongeveer een halve minuut zit tussen de dood van een vis en het op tafel verschijnen. De gevangen vissen zwemmen buiten in bakken, binnen is een vrouw met een groot hakmes in de weer.
We eten stukjes inktvis (of zoiets, het was een schaaltje paarse tentakels), rauwe vis en schelpdieren. Met name de gekookte inktvis was erg lekker.

De bustrip wordt afgesloten in het Folk Museum van Jeju-stad. Ook hier weer veel enge vissen, plus voorstellingen van het traditionele leven op Jeju. Ondanks de regen heb ik toch een voldaan gevoel over de dag. De rest van Jeju sla ik maar over: morgen terug naar Seoul, terug naar de zon (hoop ik).
Ganghwa-do
De bus naar het eiland Ganghwa vertrekt vanaf een oostelijk busstation in Seoul. Dan is het nog anderhalf uur rijden naar Ganghwa-stad. Op het busstation daar krijg ik van het niet-Engels sprekende personeel van de Tourist Information een plattegrond van het eiland, en wat folders. De verkenningstocht kan beginnen.
Dolmen
Het belangrijkste doel is de Kanghwa-dolmen, het 7e en laatste Koreaanse Werelderfgoed dat ik wil gaan bezoeken. Op het busstation wijzen ze me de goede bus, en aan de buschauffeur laat ik vervolgens een foto van de dolmen zien – dan weet hij tenminste wanneer ik er uit wil. En inderdaad word ik keurig op de juiste plek uit de bus gezet.
Een dolmen is wat wij een hunebed noemen, en in Korea zijn er daar nogal veel van. Op een bordje lees ik dat 50% van alle prehistorische dolmens in Korea terug te vinden zijn. Waar ik nu ben aanbeland staat er maar eentje, wel de grootste in zijn soort. Er is een klein parkje omheen aangelegd, en natuurlijk ontbreekt ook de onvermijdelijke frisdrankautomaat niet. Hoe afgelegen ook, er zijn toch nog andere toeristen (Koreanen natuurlijk).

Na het ding van alle kanten gefotografeerd te hebben, ga ik te voet verder naar het dorpje zo’n 2 kilometer verderop. Het is erg lekker om hier te lopen: door een groen landschap, met veel rode bloemen in de berm. Het dorp lijkt verlaten bij mijn aankomst: alleen het driftige gekef van kleine, witte Koreaanse honden is te horen.
Verder op Ganghwa
De bussen rijden gelukkig frequent op het eiland, zodat ik vrij snel terug ben ik Ganghwa-stad. Ik stap uit in het centrum. Toch nog best een grote stad. Markant is de grote overdekte markt. Ook hier, zoals overal in Zuid-Korea, zie je weer dat er veel vis wordt verkocht (levend of bijna-levend). En ook die enorme jute zakken met rode pepers. Bijna iedereen verkoopt die hier. Rode peper moet wel het favoriete ingrediënt van Koreanen zijn, ze hebben het immers in grote hoeveelheden nodig voor hun kimchi.
Vanaf het busstation pak ik een bus naar het zuiden van het eiland. De afstanden zijn hier gelukkig maar klein (maximaal 19 kilometer volgens mijn kaart). Ik ga naar de zeer oude Jeondeung-tempel. Daar is de tweede Tripitaka Koreana door monniken uit hout gesneden, die nu in Haein-sa bewaard wordt (zie ook mijn bijdrage over Haein-sa). De tempelgebouwen zijn fraai gerestaureerd en in goede staat. De ligging van het complex, midden in een bos, maakt het allemaal erg pittoresk. De rust wordt alleen verstoord door een rondrennende schoolklas.
Terugblik Zuid-Korea 2001
De eerste twee weken van september 2001 reisde ik met het openbaar vervoer door Zuid-Korea. Geen voor de hand liggende vakantiebestemming, maar ik hoopte een kruising tussen China en Japan aan te treffen – twee van mijn favoriete bestemmingen.
Die verwachting is deels uitgekomen: Zuid-Korea ligt wat mij betreft dichter bij China. De vele restaurantjes, de markten en stalletjes op straat bijvoorbeeld. De Japanse invloed vind je meer terug in de regeringsvorm en bij de grote bedrijven, minder zichtbaar voor het blote oog dus. Er komen weinig westerse toeristen, en mede daardoor reageren veel Koreanen zeer vriendelijk op bezoekers. Zuid-Korea is niet een land met grote bezienswaardigheden, maar toch is er genoeg te zien en te doen om je er 2 of 3 weken goed te vermaken.
Algemeen
Reizen door Zuid-Korea gaat vrij gemakkelijk. Het is een goed georganiseerd land, bussen en treinen rijden op tijd, en er zijn volop hotels en restaurants. Ook zijn er veel zgn. Tourist Information Points, die enthousiast Engelstalige folders en plattegronden uitdelen.
De taalbarrière is het grootste probleem waar je tegenaan loopt. Korea heeft een eigen schrift, het hangul. Hoewel het er ingewikkeld uitziet is het geen karakterschrift zoals het Chinees, maar een alfabet met 24 letters. Het is handig om die letters van te voren uit je hoofd te leren zodat je tenminste de opschriften op bussen en uithangborden kunt lezen. Het aantal Koreanen dat Engels spreekt is zeer beperkt, dat geldt ook voor mensen die bij de Tourist Information of op stations werken.
Vervoer
Het openbaar vervoer is goed geregeld in Zuid-Korea, en het is ook nog eens goedkoop. De bus is het populairste vervoermiddel voor zowel kortere als langere afstanden. Zowel door de Koreanen als de Lonely Planet wordt er weinig aandacht besteed aan de trein, terwijl dat voor langere afstanden misschien wel de beste keuze is. Treinen zijn goedkoop (f. 6,50 voor een reis van 2,5 uur van Andong naar Gyeongju bijvoorbeeld), comfortabel en je kunt er ook nog eens je benen strekken. Ze rijden wel minder frequent dan de bussen.
Nog een tip: sinds dit voorjaar heeft Seoul een nieuw internationaal vliegveld (Incheon), een uur buiten de stad. Bus nummer 605 (een Airport Bus) brengt je naar het centrum van Seoul (een metro- of treinverbinding is er niet). En o ja: de luchthavenbelasting is er maar liefst 15.000 Won (30 gulden).
Accommodatie
Als je zoals ik kiest voor de betere budgethotels of de goedkopere middenklassehotels, heb je in Zuid-Korea globaal de keus uit guesthouses, yeogwans en motels. Met guesthouses bedoel ik dan speciaal op buitenlandse toeristen gerichte verblijven. Hiervan zijn er maar weinig ik Korea – er komen niet zoveel buitenlandse toeristen. Yeogwans zijn traditionele Koreaanse hotels: dat betekent slapen op de grond, maar meestal wel met een eigen badkamer. Tot slot de motels, dat zijn wat ze in Japan “love hotels” noemen. De vermoeide zakenman kan daar zijn vriendinnetje mee naar toe nemen. Het is echter geen punt om er “gewoon” een kamer te nemen, de prijs-kwaliteit verhouding is prima.
Mijn eerste kamer in Seoul had ik vantevoren via mail gereserveerd. Kim’s Bed & Breakfast is pas sinds maart geopend, en heeft 2 kamers (binnenkort 4). Het is een appartement vlakbij de paleizen van Seoul. Voor een kamer met ontbijt betaalde ik 65 gulden. Het is er rustig en de (goed Engels-sprekende) eigenaars doen er alles aan om het naar je zin te maken.
Volgende pleisterplaats was Andong. Ik koos daar voor het Bando Motel, een “love hotel” (te herkennen aan de grote spiegels en condoomautomaten op de gang). Behoorlijk lawaaiig (oordopjes in), wel eigen badkamer en TV. Zestig gulden.
In Gyeongju verbleef ik in Sa Rang Chae. Een klein guesthouse (5 kamers), gunstig gelegen tussen het centrum van de stad en het Tumuli Park. Zowel de eigenaar als zijn vrouw spreken Engels, en vinden het leuk om met de gasten te socializen. 40 gulden voor een kamer zonder TV of eigen badkamer.
Toen door naar Jeju-stad. Het hotel van mijn keus bleek gesloten, en ik werd via een buurvrouw doorgestuurd naar het Dongmung Hotel (?, zelf vertaald uit het Koreaans). Erg goede ligging, 40 gulden voor een eenpersoonskamer met TV en badkamer. Eigenaresse spreekt geen Engels.
Tot slot weer terug in Seoul. De bedoeling was om een wat luxer hotel in het centrum te pakken, maar die bleken vol. Daarom terecht gekomen in het Emerald Motel – een “love hotel” zoals dat in Andong. Hier 50 gulden voor een kamer met TV en badkamer betaald. De ligging (Tapgol Park) is ook prima. Het oudere echtpaar dat de zaak runt spreekt geen Engels.
Geldzaken
Met een Cirrus-pasje kan er gepind worden in Zuid-Korea. Vreemd genoeg zelden bij een bank in de stad, maar wel volop op metrostations en vliegvelden. Contant geld wisselen kan natuurlijk ook.
Een indicatie van de prijzen die ik in september 2001 aantrof:
Airport bus naar Seoul: 5500 Won (f. 11,-)
Metrokaartje Seoul: 600 Won (f 1,20)
Blikje cola: 700 Won (f. 1,40)
McDonalds Menu: 3700 Won (f. 7,40)
Entree Hahoe Folk Village: 1600 Won (f. 3,20)
Entree Tumuli Park: 1500 Won (f. 3,-)
Entree Bulguksa Tempel: 3000 Won (f. 6,-)
Ticket Busan – Jeju (enkele reis): 57.000 Won (f. 114,-)
Postzegel op kaart naar Nederland: 350 Win (f. 0,70)
Uur internetten: 1000 Won (f. 2,-)
Reisdocumenten / Douane
Voor toegang tot Zuid-Korea is geen visum nodig. Bij binnenkomst krijg je een stempeltje dat aangeeft dat je drie maanden in het land mag blijven.
Communicatie
Bellen naar Nederland kan met een telefoonkaart vanuit bijna elke telefooncel – en daar zijn er nogal wat van in Zuid-Korea. Het is ook erg goedkoop. Een Nederlandse mobiele telefoon werkt daarentegen niet (Korea gebruikt de Japanse variant).
Internet & e-mail zijn ook een goede mogelijkheid om met het thuisfront in contact te blijven. Buiten Seoul is het wel lastig om een internetcafé-achtig iets te vinden. Vliegvelden en postkantoren hebben vaak internettoegang, en verder moet je uitkijken naar een “PC Game Room”. Dat is een plek waar jongeren computerspelletjes kunnen spelen. Vaak kun je daar ook wel internetten.
Eten
De Koreaanse keuken is misschien wel het meest typisch Koreaanse dat je tegenkomt. Negen van de tien keer is het erg heet wat je voorgeschoteld krijgt: een combinatie van veel rode pepers met kimchi (waarvan rode peper ook het hoofdingrediënt is). Behalve dat worden er ook veel koude groentes gegeten.

Voor wie dit allemaal een beetje te heftig is zal het goed nieuws zijn dat er ook volop andere restaurants zijn. Japans en Chinees zie je vaak, net als McDonalds, PizzaHut en Burger King. Italiaanse restaurants zijn ook populair.
Leave a comment