Rond Episkopi
Episkopi
De vlucht met Cyprus Airways werd uitgevoerd met een relatief comfortabele Airbus en verliep probleemloos. Zoals gepland stond ik dus om 19.00 uur op het vliegveld van Larnaca. Iedereen – gelukkig niet alleen de Nederlanders – moest eerst over wat MKZ-ontsmettingsmatten. De afhandeling door de douane daarna verliep zeer vlot.
Vervolgens meldde ik me bij de balie van het autoverhuurbedrijf. Na wat formaliteiten kreeg ik buiten de sleuteltjes van een felblauwe Proton Wira (?!) in de hand gedrukt, en … succes verder! Omdat Cyprus een Engelse kolonie is geweest, rijden ze hier links. De auto’s zijn dus ook “gespiegeld”. Het is erg vreemd om aan de rechterkant in de auto te zitten, vreemder dan het aan de linkerkant van de weg rijden. Maar ik ging vol goede moed op pad: gelukkig is het rustig op de weg op zondagavond. Na een kwartiertje kwam ik er achter dat de ruitenwissers en de richtingaanwijzers ook van plaats zijn verwisseld. Gelukkig is richting aangeven niet zo’n Cypriotisch gebruik, dus het viel niet op dat ik ze niet steeds tijdig kon vinden.
Blijkbaar denken ze dat je na 60 kilometer de smaak wel te pakken hebt, want dan komen de eerste hindernissen: 6 grote rotondes op rij. Het is een wonder dat ik zonder kleerscheuren over de eerste gekomen ben, want de verkeerssituatie die ik daar aantrof kwam als een totale verrassing. De tweede ging gelukkig beter, en bij de derde had ik de smaak helemaal te pakken: van 100 km gas terug naar stilstand, goed naar rechts kijken, vlot een paar keer schakelen met links en dan doelbewust richting een van de 5 of 6 mogelijke afslagen. Het lukte met zelfs om af en toe richting aan te geven!
Ondertussen had ik het te druk met autorijden om veel eerste indrukken van Cyprus op te doen. Het is er in ieder geval vrij bergachtig. Om 8 uur werd het donker, dus toen zag ik helemaal niets meer van het landschap.
Kourion en Kolossi
Bij de overblijfselen van de antieke stad Kourion was ik zo vroeg dat het er – behalve de kaartjesverkoper – nog helemaal uitgestorven was. Zo had ik het mooi gerestaureerde amphitheater voor mij alleen. Het is tegen een heuvel aangebouwd, waarbij je vanaf de tribuneplaatsen een mooi uitzicht hebt over zee. Ernaast liggen de overblijfselen van een huis, waarvan de mozaïeken in goede staat zijn gebleven.
Na een kwartiertje arriveerden de eerste bussen met toeristen, en dat ging maar door, bus na bus. Ik wandelde een stukje verder, naar de oude basiliek. Blijkbaar was ik teveel in gedachten verzonken, want ik verzwikte mijn enkel en viel met mijn knie vol op het asfalt. Ai .. het hele oppervlak van de knie was flink geschaafd, maar het bloedde gelukkig niet al te zeer. Ik strompelde dus maar door naar de ruïnes van de basiliek.
Onderweg kwam ik nog een oude herder tegen met een kudde geiten. Hij gaf me een stevige hand, en leek het een wonder te vinden dat ik daar zomaar liep. Aangezien hier honderden toeristen per dag voorbijkomen toch wel een opmerkelijke reactie.
Al met al vond ik Kourion een beetje tegenvallen, maar het kan ook zijn dat de valpartij mijn plezier vergald heeft. Vlakbij Kourion bezocht ik toch nog het middeleeuwse (kruisvaarders)kasteel van Kolossi. Het bestaat eigenlijk maar uit 1 robuuste toren, die je via een ophaalbruggetje binnen kunt gaan. Maar het hele gebouw is wel een plaatje!
Vroeger dan verwacht was ik weer terug in mijn hotel in Episkopi, wat me mooi de gelegenheid gaf om daar het Kourion-museum te bezoeken. Daar worden – je raadt het al – opgravingen uit Kourion tentoongesteld. “Topstukken” van de collectie zijn de overblijfselen van een meisje en een muilezel, die in het jaar 365 door een aardbeving zijn overvallen.
Choiroikitia
Het plaatsje Choiroikoitia / Khirokhitia, halverwege tussen Larnaca en Lemesos, is de vindplaats van een dorpje uit het Neolithicum, zo’n 9000 jaar geleden. Het is wel eens moeilijk om ook maar iets interessants te zien aan een verzameling stenen van zo lang geleden, maar op de een of andere manier slaagt Choiroikoitia daar wel in. Behalve de archeologische opgravingen zelf hebben ze daar namelijk een vijftal huizen nagebouwd in de stijl zoals de oorspronkelijke bewoners gebruikten. Het resultaat is een aantal ronde hutjes, in groepjes bij elkaar op een erf. Het doet heel erg aan Afrika denken, aan de dorpjes die ik in Mali zag bijvoorbeeld.
Verder was er op het terrein ook nog een goede gids te koop met achtergrondverhalen over het archeologisch onderzoek en het leven van de mensen in het dorp. Zo bleken zij hun doden onder hun huizen te begraven, zodat het contact met de levende verwanten niet verloren zou gaan. Onder het genot van een drankje heb ik de gids lekker doorgelezen, af en toe een blik werpend op de opgravingen.
Troödos-gebergte
Het Kykkos-klooster
De lokale rijstijl inmiddels goed onder de knie hebbend waagde ik me de bergen in, naar het Kykkos-klooster. Het is het beroemdste in zijn soort op Cyprus, wat wel wat zegt want er zijn hier vrij veel kloosters (en kerken ook, trouwens). Vrijwel allemaal van de Grieks-orthodoxe soort, dè godsdienst van Cyprus.
In de Middeleeuwen was de gang naar Kykkos voor orthodoxe christenen net zo belangrijk als de hajj naar Mekka is voor moslims. Een aantal branden hebben het historische kloostergebouw verwoest, het huidige stamt uit de 19e eeuw. Dat maakt het schouwspel er niet minder om: het is een bont en blinkend geheel. Alle binnenmuren en de toegangspoort zijn voorzien van felgekleurde, metershoge fresco’s. De bij het klooster horende kerk is aan de binnenzijde een en al goud. Zelden zag ik zo’n rijkdom tentoongespreid. Het schijnt dat het klooster zoveel geld binnen krijgt door haar grondbezit, o.a. op goede locaties in de hoofdstad Lefkosia.
In het klooster is ook een Byzantijns museum gevestigd. Het imposante interieur, met glimmende marmeren vloeren, is zo ingericht dat het recht doet aan de koninklijke allure van Kykkos.
De Byzantijnse kerken
Mijn tweede dag in het Troödos-gebergte: dit keer met als doel het bezoeken van een aantal kerkjes dat op Unesco’s werelderfgoedlijst staat.
Bij het dorpje Troödos sloeg ik ditmaal rechtsaf, richting Lefkosia. In dit deel van het gebergte zijn de meeste oude kerken te vinden. De eerste die ik bezocht was de Agios Nikolaos tis Stegis. Dit kerkje stamt uit de 11e eeuw, en heeft veel weg van een oude boerenschuur – prima gerestaureerd weliswaar. Het ligt in een idyllisch groene omgeving, en is alleen aan de buitenkant al een plaatje. Van binnen is het helemaal vol met muurschilderingen. Hoewel het er verlaten uitzag waren er toch nog 2 andere (Japanse) toeristen. Zij werden rondgeleid door een monnik die bij iedere afbeelding wel iets wist te vertellen; het Japanse meisje maakte ondertussen driftig aantekeningen.
De volgende kerk op mijn route was de Panagia tou Asinou. Het was zo’n drie kwartier rijden over een prima asfaltweg, met nog steeds weinig mede-weggebruikers. Je moet de kerkjes eigenlijk niet met elkaar vergelijken, maar deze lag zo mogelijk nog mooier dan de vorige: op een uitstekend puntje van een bocht in de weg.
De laatste kerk was de Panagia tou Araka. In vergelijking met de andere twee was deze het lastigst te vinden. Gelukkig is het hier zo rustig op de weg dat je bij een kruising op je gemak stil kunt gaan staan om op de kaart te kijken. Deze kerk is de grootste van de drie, met een enorm dak om de sneeuw buiten te houden. Hier zie je ook goed hoe onder dat dak een “gewoon” orthodox kerkje is gebouwd. De boerderij-achtige buitenkant is slechts een extra jasje.
Voldaan reed ik terug naar Platres voor een late lunch, en toen weer terug naar Episkopi.
Pafos
Naar Pafos is het ongeveer drie kwartier rijden. Zoals gebruikelijk stond de route weer perfect aangegeven. Ik kon zelfs in het hart van de stad parkeren, vlakbij de haven.
Te voet ging ik naar de Koningsgraven, een kleine 2 kilometer ten noorden van Pafos-stad. Het was al goed heet, en er was ook weinig beschutting. De graven, die van notabelen zijn en niet van koningen overigens, liggen op/in/onder een uitgestrekt terrein. De eerste graven waar je langs komt zijn niet meer dan holen onder de grond, maar later wordt het spectaculairder.
De belangrijkste graven lijken op huizen, met verschillende kamers en een centrale binnenplaats omringd door pilaren. Het doet nogal Egyptisch aan, en ook de vergelijking met Petra (Jordanië) wordt gemaakt. Waarschijnlijk ligt er nog veel meer aan dit soort kapitale monumenten onder de grond. De opgravingen hier zijn eigenlijk pas in de jaren 70 gestart en gaan nog steeds door.
De middag in Pafos was voor de bekende mozaïeken. Deze liggen in een park bij de haven. Het is onvoorstelbaar wat er hier allemaal bewaard is gebleven. De vloeren van een heel huis, met in iedere kamer andere mozaïeken, zijn zelfs nog te bewonderen.
Lefkosia
Vroeg op pad, want het belooft weer een warme dag te worden. Vandaag staat de hoofdstad van Cyprus op het programma, de stad die hier Lefkosia heet en bij ons beter bekend staat als Nicosia. Door de recente overschakeling op een ander transcriptiesysteem vanuit het Grieks zijn wel meer plaatsnamen vrij verrassend gewijzigd.
Cyprus Museum
De rit naar Lefkosia was een lange, en ook saai omdat je steeds over dezelfde weg moet (die met de 6 rotondes). Lefkosia is een echte stad, en het verkeer is er ook veel drukker dan in de rest van het land. Parkeren was dus ook niet echt gemakkelijk: ik was al blij dat ik een vrij plekje in de brandende zon kon vinden, net buiten het centrum maar vlakbij het Cyprus Museum.
Eerst dus maar het museum in, hoewel dat mijn dagplanning zo overhoop gooide dat ik een bezoek aan het Turkse noorden van de stad wel kon vergeten. Het Cyprus Museum is zeker niet onaardig, vooral de collectie beelden is imposant. Een groot aantal beelden van strijders hadden ze bij elkaar gezet, zodat het wel het Chinese Terracottaleger leek. Ook hier in het museum viel trouwens weer op hoe recent er op Cyprus grote schatten zijn blootgelegd: in 1997 bijvoorbeeld zijn er nog metershoge gave beelden van leeuwen en sfinxen gevonden. Ik vraag me af wat je allemaal nog tegen zou komen als je het bovenste laagje van het eiland af zou kunnen schaven …
Volgende bestemming in de stad was de grote moskee. Deze wordt nog steeds gebruikt, niet meer door de verdreven Turkse inwoners maar nu door Arabische toeristen en immigranten. Het is een sober gebouw.
Huis van de Dragoman
Flamboyanter is het woonhuis van dragoman Hadjigeorgakis Kornesios. Hij was een soort consul of tolk uit begin 19e eeuw, die moest bemiddelen in de contacten tussen het hof in Istanbul en de Grieks-Cypriotische onderdanen. Dat hem dat geen windeieren legde is te zien aan het imposante, romantische herenhuis, maar ook aan de opsomming van zijn bezittingen. Behalve flink wat juwelen bezat hij diverse huizen en winkels, die werden verhuurd. Het liep echter slecht met de man af: in 1809 werd hij geëxecuteerd.
De Muur
Tussen de middag lunchte ik op een terrasje nabij “de Muur” die het Griekse deel van de stad van het Turkse scheidt.

Je kunt door een aantal kijkgaten naar de andere kant kijken, maar veel meer dan verlaten huizen, prikkeldraad en een wapperende Turkse vlag krijg je hier niet te zien.
Inmiddels was het heter en heter geworden in het centrum van Lefkosia (later bleek het 36 graden te zijn geweest), en ik besloot mijn bezoek af te sluiten in het koele Byzantijnse museum. In ruime hallen is een grote verzameling iconen tentoongesteld. Erg mooi.

Leave a comment